---
title: "Proportionele fiscale geldboeten · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel, 3 mei 2021"
description: "De Brusselse rechtbank verplicht de Belgische Staat tot terugbetaling van te veel ingehouden btw, boeten en intrest aan de eiseres."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-beroepsmatig-gebruik-rechtbank-brussel-2021-05-03-5bda"
lang: "nl"
---

# Proportionele fiscale geldboeten, Beroepsmatig gebruik van de woning

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

3 mei 2021

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gemengd

## Tekst

175 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 03.05.2021

WF 702-15-19/010817

\[Gemengd vonnis\]

*Proportionele fiscale geldboeten - Beroepsmatig gebruik van de woning – Recht op aftrek - Kosten van onthaal - Intresten*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45), [45, §3, 4°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45), [49, 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49), [70, §1bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en [91, §1, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) WBTW;

[Art. 21bis, §1 van KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art21bis) van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde;

Tabel H van KB nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

## Samenvatting

## 1) Feiten en voorgaande procedure

Tegenpartij treedt op ten aanzien van rechtspersonen als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar. Tijdens een controle werden er inbreuken vastgesteld aangaande historische btw-aftrek, het recht op aftrek en kosten van onthaal. Aangezien hierover geen akkoord met de belastingplichtige kan worden bereikt wordt er een proces-verbaal opgesteld.

Hiertegen legde tegenpartij een verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

## 2) Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

*\** *Historische btw-aftrek*

Op basis van beslissing nr. E.T. 125.180 van 20 november 2014 gold een keuzestelsel, waarbij rechtspersonen die actief waren als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar in principe btw-belastingplichtig waren. De administratie eiste echter om praktische redenen hun btw-identificatie niet. Dit liet aan deze belastingplichtigen toe om hun verrichtingen niet aan de btw te onderwerpen.

Na een advies van de Europese Commissie besliste de administratie dat deze rechtspersonen zich vanaf 1 januari 2016 voor btw-doeleinden moesten registreren. Bijgevolg moesten ze vanaf dan hun handelingen aan btw onderwerpen.

Tegenpartij is van mening dat zij voor de periode voorafgaand aan 1 januari 2016 geen niet-belastingplichtige was maar als een vrijgestelde belastingplichtige moet worden aanzien vanwege het keuzestelsel. Bijgevolg zou zij in aanmerking komen voor de historische btw-aftrek zoals bedoeld in [artikel 21bis van KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art21bis).

Op basis van [artikel 49, 3° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49) en het feit dat tegenpartij vrijwillig had gekozen om haar handelingen voorafgaand aan 1 januari 2016 niet aan de btw te onderwerpen stelt de rechtbank vast dat tegenpartij voor de periode voorafgaand aan 1 januari 2016 geen vrijgestelde belastingplichtige was.

*\** *Beroepsmatig gebruik van de woning*

Verder is er ook nog discussie over het beroepsmatig gebruik van een deel van de woning en of bepaalde kosten louter privé zijn of dat deze betrekking hebben op het volledige gebouw.

De belastingplichtige is van mening dat het beroepsgebruik van de woning 24% bedraagt. De administratie daarentegen is van oordeel dat de woning slechts voor 10% beroepsmatig door tegenpartij wordt gebruikt.

De rechtbank stelt dat voor de bepaling van het beroepsmatig gedeelte van de woning rekening gehouden moet worden met verschillende factoren zoals de grootte van het gebouw, de oppervlakte van het beroepsgedeelte, het aantal personen dat het gebouw betrekt als woning, de intensiteit van het beroepsgebruik en het belang van de lokalen.

Op basis van de vaststellingen in het proces-verbaal, het aantal woonachtige personen, de intensiteit van het beroepsgebruik, de grootte en indeling van de woning, de functie van de verschillende ruimtes en het reeds afgesplitste gedeelte van 40 % voor het beroep van de echtgenote van de zaakvoerder van tegenpartij blijkt niet dat 24 % van de woning beroepsmatig wordt gebruikt door tegenpartij. Daarnaast toont tegenpartij ook niet aan dat het beroepsgebruik meer dan 10% zou bedragen.

Tenslotte is de rechtbank van oordeel dat algemene kosten die betrekking hebben op het gebouw, ook dienstig zijn voor de beroepsactiviteit van eiseres en dus niet kunnen worden afgesplitst van het algemene percentage van 10 %. Hierbij dient echter wel een uitzondering te worden gemaakt voor de kosten voor de tuin en het zwembad die duidelijk een privékarakter hebben.

*\** *Kosten van onthaal*

In het proces-verbaal werd in aftrek genomen btw verworpen aangezien het volgens de administratie om kosten van onthaal gaat. Deze zijn niet aftrekbaar op basis van [artikel 45, §3, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45).

De rechtbank stelt vast dat uit niets blijkt dat het hier gaat om kosten van onthaal. Aangezien de facturen niet werden voorgelegd door één van beide partijen kan de rechter zich enkel baseren op het proces-verbaal. Op basis hiervan stelt de rechtbank vast dat de kosten gemaakt werden voor de inrichting van de woning, maar dat het eveneens niet aannemelijk is dat deze louter beroepsmatig zijn. Bijgevolg zijn de kosten gelet op het gedeeltelijk beroepsmatig gebruik maar voor 10% aftrekbaar.

*\** *Geldboete*

De belastingplichtige is van mening dat het hier zowel voor wat betreft de historische btw-aftrek als het beroepsgebruik van de woning om een principekwestie gaat zodat er geen boete kan worden opgelegd. De rechtbank is echter van mening dat het hier in beide gevallen niet om een principiële discussie gaat, maar over concrete feiten. Verder stelt de rechter vast dat de geldboete is aangepast aan de aard en de ernst van de overtredingen.

*\** *Intresten*

Tegenpartij is enerzijds van mening dat de intrestvoet opgenomen in [artikel 91, §1, 1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) een strafsanctie is. Anderzijds is deze intrestvoet volgens tegenpartij strijdig met het evenredigheidsbeginsel zoals bedoeld in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.

De rechtbank is echter van oordeel dat de intrestvoet geen strafsanctie is. Tenslotte verwijst zij naar een arrest van het Grondwettelijk Hof van 29 november 2018 waarin duidelijk wordt gesteld dat het hanteren van een van het gemeen recht afwijkende intrestvoet in fiscale zaken geen schending van het gelijkheidsbeginsel is.

## Opmerking

Tegenpartij berust in het vonnis.

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel van 03.05.2021**

Rol: 2019/449/A

In de zaak van:

De **EBVBA P.M.,** met zetel te ..., met ondernemingsnummer 0433...59, eiseres, bijgestaan door mr. ... en mr. ..., advocaten met kantoor te ....

**Tegen:**

De **BELGISCHE STAAT**, KBO 0308.357.159, de Federale Overheidsdienst Financiën, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, ten verzoeke van de Adviseur-generaal, Gewestelijk Directeur van het Centrum KMO Brussel Il, dienst Expertise 2, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3408, mevrouw X, attaché verweerder, met als dossierbehandelaar X.

In deze zaak, in beraad genomen op 29 maart 2021, wordt door de rechtbank volgend vonnis uitgesproken:

## I. PROCEDURE

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:

• het verzoekschrift, neergelegd ter griffie op 11 februari 2019;

• de beschikking overeenkomstig artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 22 maart 2019;

• de syntheseconclusie voor eiseres, neergelegd ter griffie op 20 december 2019;

• de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 10 januari 2020;

• de stukken van de partijen.

De partijen hebben de behandeling van de zaak zonder mondelinge pleidooien gevraagd. Op de openbare terechtzitting van 29 maart 2021 werden de debatten gesloten en werd de zaak in beraad genomen.

Conform artikel 748bis van het Gerechtelijk Wetboek wordt enkel rekening gehouden met de laatste conclusies van de partijen.

## ll. FEITEN

Eiseres heeft btw-aangiftes ingediend voor het jaar 2016.

Op 11 december 2017 kondigt verweerder een fiscale controle inzake btw bij eiseres aan, in het bijzonder voor de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016.

Op 1 februari 2018 vindt er een controle plaats op de zetel van eiseres.

Op 26 juni 2018 wordt een plaatsbezoek gehouden in de woning, gelegen te ....

Op 24 oktober 2018 vindt er een onderhoud plaats tussen eiseres en verweerder. Tijdens deze vergadering wordt een correctieopgave overhandigd aan eiseres. Hierin wordt onder meer melding gemaakt van het feit dat:

\- ten onrechte beroep wordt gedaan op de modaliteiten inzake de aftrek van historische btw en bijgevolg een bedrag van 35.567,27 euro moet worden geregulariseerd (punt 1 van de correctieopgave),

\- de beroepsmatige aftrek van 40% - 100% op de meubels - met betrekking tot de woning te ... niet wordt gerechtvaardigd en verschillende kosten een privékarakter hebben, zodat een gedeelte van de kosten niet in aftrek kan worden genomen, respectievelijk 5.488,45 euro en 6.382,76 euro (punten 3.A en 3.B van de correctieopgave),

\- het ontvangen van klanten in de woning te ... moeten worden beschouwd als kosten van onthaal zodat deze niet in aftrek kunnen worden genomen (punt 5 van de correctieopgave), namelijk een bedrag van 489,79 euro.

Op 20 november 2018 deelt eiseres aan verweerder meer dat zij akkoord gaat met de inbreuken die zijn opgenomen onder de punten 2 en 4 van de correctieopgave, doch dat de punten 1, 3 en 5 worden betwist.

Na verdere communicatie tussen verweerder en eiseres waaruit blijkt dat over de overblijvende punten geen akkoord kan worden bereikt, maakt verweerder op 7 december 2018 een proces-verbaal op. Volgens het proces-verbaal is eiseres de volgende bedragen verschuldigd aan verweerder:

• BTW: 46.136,02 euro

• Administratieve geldboete: 4.610,00 euro

• Intrest: vanaf 21 januari 2017 op de verschuldigde btw

Het bedrag van 46.136,02 euro is samengesteld als volgt:

\- 35.567,27 euro (zoals opgenomen in punt 1 van de correctieopgave),

\- 4.997,85 euro en 5.081,11 euro (aanpassing van de punten 3.A en 3.B van de correctieopgave),

\- 489,79 euro (zoals opgenomen in punt 5 van de correctieopgave).

Op 11 februari 2019 legt eiseres een fiscaal verzoekschrift neer ter griffie van de rechtbank.

## III. VORDERINGEN

Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:

"\* het beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\* het proces-verbaal d.d. 7 december 2018, waarin de betaling gevorderd wordt van 46.136,02 € plus 4.610 € boete, plus 8.487,92 € intresten (berekend tot 20/12/2018} nietig te verklaren;

\* de boete te vernietigen;

\* minstens te beslissen dat geen intresten aan 9,6 % per jaar mogen gevorderd worden en desgevallend deze te herleiden tot een evenredig bedrag;

\* de terugbetaling te bevelen van alle bedragen die wederrechtelijk op grond van dit proces-verbaal werden geïnd;

\* de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingvergoeding (3.000 €} en de ra/rechten (20 €}.

\* de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

> "Schendt [art. 91, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) jo. art. 2, §2 van de wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet doordat op grond van deze bepaling een interest gevraagd wordt van 0,8 % per maand, terwijl in andere situaties men toestaat dat slechts een interest gevraagd wordt overeenkomstig de regels in burgerlijke zaken, en tussen burgers slechts een interest kan worden gevorderd op grond van art. 2, §1 van de wet van 5 mei 1965 die momenteel 2,5 % bedraagt?".

Verweerder vraagt het volgende in zijn syntheseconclusie:

> "De vordering van de verzoekster ontvankelijk doch ongegrond te verklaren.
>
> Verzoekster te veroordelen tot betaling van alle aan de Belgische Staat verschuldigde bedragen die opgenomen zijn in het proces-verbaal van 07 december 2018 en die het voorwerp uitmaken van de vordering 500 2052 58440.
>
> Verzoekster te veroordelen tot betaling van alle kosten van het geding."

## IV. BEOORDELING

### *Ontvankelijkheid*

Er is tussen de partijen geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering. Er zijn geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid voorhanden.

De vordering is ontvankelijk.

### *Ten gronde*

Algemeen

Het geschil betreft een gedeelte van de aftrek van de btw zoals deze door eiseres werd verricht in de btw-aangiftes voor het jaar 2016.

Krachtens [artikel 45 van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) mag elke belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in beginsel in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. De aftrekregeling heeft tot doel, de belastingplichtige geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten, mits die activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen. Als materiële voorwaarde van het recht op aftrek geldt aldus onder meer dat de verworven goederen of diensten worden gebruikt voor de belaste handelingen van de belastingplichtige in een later stadium (vgl. Cass. AR [F.19.0009.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-materiele-voorwaarde-btw-cassatie-brussel-2021-01-29-0dbd), 29 januari 2021}.

Het komt aan de belastingplichtige, eiseres, toe aan te tonen dat hij recht heeft op een aftrek van de btw.

De partijen leggen de btw-aangiftes niet voor. De partijen leggen evenmin de facturen voor die betrekking hebben op de aftrek van de btw die door eiseres is gevraagd. In dat verband benadrukt de rechtbank voor de goede orde dat van verweerder mag worden verwacht dat hij een volledig 'fiscaal dossier' voorlegt, wat niet het geval is in deze zaak.

Historische btw-aftrek

Tussen de partijen bestaat vooreerst betwisting over de vraag of eiseres beroep kan doen op de regeling die is voorzien in [artikel 21bis, §1 van het Koninklijk besluit nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art21bis) van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna KB nr. 3), en in het bijzonder voor een bedrag van 35.567,27 euro dat in aftrek wordt gebracht door eiseres.

Volgens [artikel 49, 3° van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49) regelt de Koning de toepassing van de artikelen 45 tot 48 door onder meer de wijze te bepalen waarop de aftrek en de herziening plaatshebben en berekend worden wanneer iemand de hoedanigheid van belastingplichtige verliest of wanneer er bij een belastingplichtige enige wijziging is ingetreden in de factoren die aan de berekening van de aftrek ten grondslag hebben gelegen.

De regeling voorzien in [artikel 21bis, §1 van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art21bis) is genomen in uitvoering van de artikelen [45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) tot en met [49](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49) van het Btw-wetboek.

De discussie tussen de partijen spitst zich toe op de vraag of eiseres binnen het toepassingsgebied valt van de regeling die is opgenomen in [artikel 21bis, §1 van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art21bis), dat bepaalt:

> "Wanneer een belastingplichtige die op grond van [artikel 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) van het Wetboek vrijgestelde leveringen van goederen of diensten verricht die geen recht op aftrek geven, voor diezelfde handelingen belastingplichtige wordt met recht op aftrek, kan hij bij wijze van herziening zijn recht op aftrek uitoefenen voor:
>
> 1 ° de andere goederen en diensten dan bedrijfsmiddelen, die nog niet werden gebruikt of verbruikt op het tijdstip van de wijziging van de belastingregeling;
>
> 2° de bedrijfsmiddelen die bij die wijziging nog bestaan, voor zover die goederen nog bruikbaar zijn en de termijn bepaald bij [artikel 48, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48), van het Wetboek nog niet is verstreken.
>
> Voor bedrijfsmiddelen is het bedrag van de herziening gelijk aan de belasting die niet in aftrek kon worden gebracht, verminderd met een vijfde of een vijftiende volgens het onderscheid gemaakt naargelang de aard van het goed overeenkomstig artikel 9, § 1 per jaar vanaf 1 januari van het jaar dat overeenkomstig artikel 2 in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de aftrek tot 31 december van het jaar dat voorafgaat aan het jaar waarin de wijziging van belastingregeling zich heeft voorgedaan.
>
> Deze herziening gebeurt bij toepassing van de artikelen [45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) tot [49](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49) van het Wetboek en overeenkomstig de regels van artikel 3."

In zijn arrest van 2 juni 2005 inzake Waterschap Zeeuws Vlaanderen (zaak [C-378/02](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-378-02-arrest)) heeft het Hof van Justitie beslist dat "Een publiekrechtelijk lichaam dat als overheid in de zin van [artikel 4, lid 5, eerste alinea, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4) (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten in zake omzetbelasting - Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag, en dus als niet-belastingplichtige, een investeringsgoed aanschaft, en dit goed nadien als belastingplichtige verkoopt, heeft in het kader van deze verkoop geen recht op herziening op basis van [artikel 20](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-20) van deze richtlijn om de bij de aanschaf van dat goed voldane BTW in aftrek te brengen." Het Hof van Justitie kwam tot dit besluit onder meer op grond van de vaststelling dat uit [artikel 2](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) en [17](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) van de Zesde richtlijn volgt dat "enkel degene die belastingplichtige is en als zodanig handelt op het tijdstip waarop hij een goed aanschaft, voor dat goed een recht op aftrek heeft en de verschuldigde of voldane BTW over dat goed mag aftrekken, indien hij het voor zijn belaste handelingen gebruikt" (paragraaf 32 van het arrest met verwijzing naar het arrest van 11 juli 1991 inzake Lennartz).

In dat verband stelt de rechtbank voor zover als nodig vast dat door de wijziging van [artikel 49, 3° van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49) (zie artikel 54 van de wet van 28 december 2011 houdende diverse bepalingen) vaststaat dat een recht op aftrek in beginsel niet mogelijk is indien de betrokkene voor de bedoelde handelingen voordien niet de hoedanigheid van belastingplichtige had (waar de Koning vóór de wetswijziging de wijze van aftrek en herziening kon bepalen indien iemand de hoedanigheid van belastingplichtige 'verkrijgt' of verliest, is de term 'verkrijgt' met de wetswijziging komen te vervallen).

Uit de voorgelegde gegevens, in het bijzonder de stukken 5 tot en met 9 van verweerder, blijkt dat verweerder vóór 1 januari 2016 ten aanzien van rechtspersonen die optreden als bestuurder, zaakvoerder of vereffenaar een keuzestelsel toepaste. Hierbij werd, aldus de beslissing Btw nr. E.T.125.180 van 20 november 2014, vertrokken van het uitgangspunt dat deze rechtspersonen in principe btw-belastingplichtig zijn doch dat de administratie om praktische redenen hun btw-identificatie niet eiste, wat hun toeliet hun handelingen niet aan de belasting te onderwerpen. Zij konden evenwel kiezen voor de toepassing van de gewone regels en bijgevolg, als belastingplichtige die voor btw-doeleinden is geïdentificeerd, hun handelingen aan de belasting onderwerpen. Als gevolg van een advies van de Europese Commissie heeft verweerder beslist vanaf 1 januari 2016 de 'gewone btw-regels' toe te passen. Dit heeft, aldus de beslissing Btw nr. E.T.125.180/2 van 12 december 2014, tot gevolg dat deze rechtspersonen zich voor btw-doeleinden dienen te identificeren en dat de door hen ontvangen vergoedingen voor al hun handelingen die zij als dusdanig verrichten, principieel aan de btw moeten worden onderworpen, en dit zonder keuzemogelijkheid.

Eiseres stelt dat het erop neerkomt na te gaan of zij in de periode vóór 1 januari 2016 moet worden beschouwd als een niet-belastingplichtige dan wel als een vrijgestelde belastingplichtige. Door het gedoogbeleid van verweerder, aldus eiseres, moet zij worden beschouwd als een vrijgestelde belastingplichtige en kan zij dus beroep doen op de regeling van [artikel 21bis van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art21bis).

Tussen de partijen bestaat geen betwisting dat eiseres in de periode vóór 1 januari 2016 niet valt onder de vrijstellingen waarvan sprake in [artikel 44 van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44). Er wordt ook niet aangevoerd dat [artikel 21bis van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art21bis) onwettig zou zijn en (op dit punt) buiten toepassing kan/moet worden gelaten.

Een dergelijke onwettigheid wordt evenmin door de rechtbank vastgesteld na analyse van de wettelijke bepalingen.

Hoewel de identificatie van een belastingplichtige geen vereiste is voor het principiële recht op aftrek (vgl. HvJ nr. [C-507/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-507-16-arrest), 15 november 2017), moet worden vastgesteld dat eiseres, naast het feit dat zij niet geïdentificeerd was als belastingplichtige, evenmin kwalificeerde als belastingplichtige, wat wel een vereiste is voor het recht op aftrek. Eiseres heeft er immers vrijwillig voor gekozen haar handelingen tot en met 31 december 2015 niet te onderwerpen aan het btw-stelsel.

Voorts geeft eiseres in haar betoog impliciet aan dat er sprake is van een schending van het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel, zoals dit onder meer wordt gewaarborgd in de communautaire rechtsorde.

Hiervoor is vereist dat de handelingen van de administratieve instanties bij de voorzichtige en bezonnen marktdeelnemer een redelijk vertrouwen hebben gewekt, en dat, indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, in de tweede plaats moet worden nagegaan of dit vertrouwen gewettigd is (vgl. Cass. AR [F.14.0206.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-historische-btw-verkrijging-cassatie-brussel-2016-09-02-9f1c), 2 september 2016). Door op basis van de beslissing van de administratie Btw nr. E.T.79.581 van 27 januari 1994 zich niet aan te melden als btw-belastingplichtige heeft eiseres er zelf voor gekozen zich buiten het btw-stelsel te plaatsen. Eiseres maakt dan ook niet aannemelijk dat zij, gelet op het keuzestelsel, het gewettigd vertrouwen kon hebben dat zij investeringen in diensten en goederen van vóór 1 januari 2016 alsnog zou kunnen aanwenden om (later) een recht op aftrek te bekomen. Eisers had gelet op de beslissing van de administratie van 20 november en 12 december 2014 overigens voldoende tijd om zich voor te bereiden op de wijziging van de situatie.

De uitsluiting van het recht op de zogenaamde historische aftrek door [artikel 21bis van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art21bis) is dan ook niet strijdig met de waarborgen geboden door het Unierecht.

Bijgevolg kan de rechtbank niet anders dan vaststellen dat de regeling van de aftrek van btw zoals voorzien in [artikel 21bis van het KB nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art21bis) niet van toepassing is op eiseres, enerzijds omdat zij geen vrijgestelde belastingplichtige was zoals bedoeld in [artikel 44 van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) en, anderzijds, omdat zij evenmin kwalificeert als een belastingplichtige vóór 1 januari 2016. Eiseres heeft ten onrechte een bedrag van 35.567,27 euro in aftrek gebracht.

Het middel is ongegrond.

Beroepsmatig gebruik (of beroepsgebruik) van de woning te ... De partijen voeren betwisting over:

\- het gedeelte van de woning te ... dat beroepsmatig wordt gebruikt door

\- eiseres, 24 % volgens eiseres, 10 % volgens verweerder,

\- de aftrekbaarheid van bepaalde kosten die volgens eiseres ten onrechte volledig werden verworpen of waarvoor de aftrekbaarheid slechts voor 10 % werd aanvaard.

Voor de bepaling van het beroepsmatig gebruik van een deel van een gebouw dat ook als woning wordt gebruikt, moet rekening worden gehouden met verschillende factoren zoals de grootte van het gebouw, de oppervlakte van het beroepsgedeelte, het aantal personen dat het gebouw betrekt als woning, de intensiteit van het beroepsgebruik en het belang van de lokalen.

Het gebouw te ... betreft (onder meer) de privéwoning van de zaakvoerder van eiseres die deze bewoont met zijn echtgenote en twee kinderen. De echtgenote van de zaakvoerder van eiseres is eigenaar van het gebouw, doch dit sluit niet uit dat eiseres een recht op aftrek kan hebben voor goederen en diensten die werkelijk aan haar werden geleverd/verstrekt.

Uit de voorgelegde gegevens en de uiteenzetting van de partijen blijkt dat eiseres haar activiteiten hoofdzakelijk uitoefent in Brussel. Het uitoefenen van activiteiten in de woning te ... heeft dus geen intensief karakter.

De woning heeft een oppervlakte van 514 m2. Het betreft dus een relatief grote woning. Er bestaat geen betwisting tussen de partijen dat 40 % van de woning, ofwel 206 m2 (afgerond), wordt gebruikt voor het beroep van de echtgenote van de zaakvoerder van eiseres. Eiseres houdt voor dat 24 %, ofwel 123 m2, van de woning beroepsmatig wordt gebruikt voor haar activiteiten. Dit zou tot gevolg hebben dat 36 %, ofwel 185 m2, overblijft voor privégebruik.

Uit de plannen die eiseres bijbrengt - die overigens niet goed leesbaar zijn -, zou moeten blijken dat slechts een klein gedeelte van het gelijkvloers dienstig is voor privégebruik (onder meer een gedeelte van de inkomhal), minder dan de helft van de eerste verdieping (onder meer de living en de helft van de eethoek) en het grootste gedeelte van de tweede verdieping, wat voor dit laatste gedeelte niet meer dan logisch is aangezien het in wezen slaapkamers en badkamers betreffen.

Op basis van de indeling van de woning, de functie van de verschillende ruimtes en het reeds afgesplitste gedeelte van 40 % voor het beroep van de echtgenote van de zaakvoerder van eiseres blijkt niet dat 24 % van de woning dienstig is voor beroepsgebruik door eiseres.

Uit de vaststellingen die zijn gedaan in het proces-verbaal van 7 december 2018 kan voorts onder meer het volgende worden afgeleid over het beroepsmatig gebruik van de woning door eiseres:

Verweerder heeft zich tot driemaal toe aangeboden te ..., en dit telkens op werkdagen. De zaakvoerder van eiseres was niet aanwezig en enige activiteit door eiseres kon niet worden vastgesteld, wat bevestigt dat eiseres haar activiteiten (vooral) in Brussel ontplooit;

Verschillende delen van de woning die worden aangemerkt voor beroepsmatig gebruik door eiseres blijken ofwel enkel privé ofwel gemengd privé/beroep te worden gebruikt (onder meer de inkomhal, de vestiaire, de wachtruimte, het toilet op het gelijkvloers, de bergruimte, het technisch lokaal, de keuken op de eerste verdieping, de trappenhallen), wat de vaststellingen over de indeling en de functionaliteit van het gebouw bevestigt;

De aanwending van de garage (twee plaatsen) voor beroepsdoeleinden wordt niet aangetoond en lijkt ongeloofwaardig aangezien er geen privégebruik voor de garage overblijft;

Uit de agenda van eiseres blijkt dat ongeveer 615 werkuren per jaar in de woning te ... worden gepresteerd, wat opnieuw bevestigt dat er geen intensief gebruik is;

Er liggen geen stukken voor die toelaten aan te nemen dat eiseres vaak cliënteel ontvangt te ..., in het bijzonder op het gelijkvloers en de eerste verdieping, en nog minder dat de zaakvoerder van eiseres samen met cliënteel aan tafel zou schuiven in de keuken op de tweede verdieping.

Deze vaststellingen samen genomen met de voorgaande vaststellingen over het aantal woonachtige personen, de intensiteit van het beroepsgebruik, de grootte, de indeling en de functionaliteit van het gebouw leiden de rechtbank tot de conclusie dat eiseres niet aannemelijk maakt dat het beroepsmatig gebruik van de woning zich uitstrekt tot 24 %. Evenmin wordt op grond van de voorliggende gegevens door eiseres aannemelijk gemaakt dat meer dan 10 % van de woning beroepsmatig zou worden gebruikt. Het beroepsmatig gebruik van de woning door eiseres blijkt beperkt te zijn tot 10 %. Samen met het beroepsmatig gebruik van de echtgenote van de zaakvoerder van eiseres komt dit erop neer dat 50 % van de woning wordt gebuikt voor beroepsdoeleinden, wat conform is met het aantal woonachtige personen in de woning te ..., de grootte en indeling van het gebouw, de uitrusting van de ruimtes en de vaststellingen door de administratie, onder meer over de intensiteit en de aard van het gebruik van de verschillende ruimtes.

In tegenstelling tot wat eiseres aanvoert, blijkt niet dat de administratie in het verleden heeft aanvaard dat 24 % van de woning beroepsmatig wordt gebruikt door eiseres in het kader van haar btw activiteiten. Dit kan niet worden afgeleid uit de voorgelegde gegevens. Evenmin blijkt dat er op enige wijze sprake zou zijn van een schending van het vertrouwensbeginsel wat betreft het beroepsmatig gebruik van de woning. Enig opgewekt vertrouwen in hoofde van eiseres kan niet worden afgeleid uit de voorgelegde stukken.

Wat betreft bepaalde kosten die worden verworpen door verweerder of slechts worden aanvaard voor 10 %, terwijl eiseres een hogere aftrek vroeg (zie bladzijde 13 van het proces-verbaal), stelt de rechtbank het volgende vast.

De bewijslast aangaande het uitsluitend beroepsmatig karakter van bepaalde kosten berust op eiseres. Wanneer een woning gedeeltelijk wordt gebruikt voor beroepsdoeleinden en gedeeltelijk voor privégebruik, dan moeten de kosten die betrekking hebben op het gebouw in zijn geheel, behoudens tegenbewijs geacht worden eveneens slechts voor een deel verband te houden met de beroepswerkzaamheid.

Zoals hierboven reeds vastgesteld, worden de betrokken facturen niet voorgelegd door de partijen. De rechtbank moet bijgevolg voortgaan op de vaststellingen in het proces­ verbaal en de punten waarover geen betwisting bestaat tussen de partijen.

Verweerder verwerpt in punt 2.2, a) van het proces verbaal bepaalde kosten omdat deze uitsluitend privé zouden zijn (kosten in verband met de verwarmingsketel, onderhoud tuin en zwembad,...) of betrekking zouden hebben op het gehele gebouw (kosten in verband met gevelwerken en rioleringswerken). De rechtbank stelt echter vast dat op grond van de voorliggende gegevens afdoende vaststaat dat het merendeel van de kosten waarvan sprake in punt 2.2, a) betrekking hebben op het gebouw, ook dienstig zijn voor de beroepsactiviteit van eiseres en dus niet kunnen worden afgesplitst van het algemene percentage van 10 %. Een uitzondering moet evenwel worden gemaakt voor de kosten voor de tuin en het zwembad die duidelijk een privékarakter hebben. De kosten onder punt 2.2, a) komen dus, met uitsluiting van de kosten voor het onderhoud van de tuin en het zwembad, in aanmerking voor aftrek volgens het percentage van 10 %, zoals hiervoor bepaald.

Anderzijds stelt de rechtbank vast dat eiseres niet op concrete wijze aantoont dat bepaalde kosten uitsluitend bedrijfsmatig zijn (punt 2.2, c) van het proces-verbaal). Eiseres stelt louter dat het geen zin heeft 'iedere factuur apart' aan te duiden omdat het over het principe gaat welk percentage moet worden gehanteerd voor de aftrek. Ook de brief van 20 november 2018 die eiseres citeert vanaf bladzijde 7 van haar conclusie blijft hierover vaag. Eiseres toont bijgevolg niet aan dat bepaalde kosten een uitsluitend beroepsmatig karakter hebben.

Bijgevolg komen de kosten opgenomen onder punt 2.2 a) en c) in aanmerking voor aftrek, met name voor een percentage van 10 %. Dit betreft de kosten opgenomen op bladzijde 14 van het proces-verbaal - 5.081,11 euro - doch met uitsluiting van de kosten voor het onderhoud van de fiets (punt 2.2, b) van het proces-verbaal) en met uitsluiting van de kosten voor het onderhoud van de tuin en het zwembad. De rechtbank kan de concrete berekening op dit punt niet maken aangezien de facturen niet worden voorgelegd door de partijen.

Tot slot stelt de rechtbank vast dat uit het proces-verbaal blijkt dat rekening is gehouden met de opmerkingen van eiseres.

Het middel is gedeeltelijk gegrond. Kosten onthaal

Tussen de partijen bestaat betwisting over 489,79 euro die eiseres in aftrek heeft gebracht. Verweerder stelt dat dit kosten van onthaal zijn die niet aftrekbaar zijn conform [artikel 45, §3, 4° van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45). Eiseres meent dat het kosten zijn die gemaakt zijn voor de beroepsactiviteit

Met eiseres stelt de rechtbank vast dat niet blijkt dat de kosten waarvoor op dit punt een aftrek wordt gevraagd, kosten van onthaal betreffen zoals bedoeld in [artikel 45, §3, 4° van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45). Er is dus geen reden voorhanden om de aftrek te weigeren op grond van deze bepaling.

De betrokken facturen worden niet voorgelegd door de partijen zodat moet worden voortgaan op de vaststellingen in het proces-verbaal en de punten die niet worden betwist door de partijen.

Hoewel op grond van de voorliggende gegevens kan worden aangenomen dat de kosten werden gemaakt voor de inrichting van de woning, maakt eiseres niet aannemelijk dat de kosten uitsluitend bedrijfsmatig zijn. Bijgevolg komen de kosten, gelet op het gedeeltelijk bedrijfsmatig gebruik van de woning te ..., slechts voor 10 % in aanmerking.

Het middel is gedeeltelijk gegrond. Geldboete

Eiseres is van mening dat geen geldboete kan worden opgelegd omdat het een principiële discussie betreft over het beroepsgebruik van de woning en over de vraag of eiseres moet worden beschouwd als een vrijgestelde of een niet-belastingplichtige.

Op bladzijde 16 van het proces-verbaal wordt overwogen dat conform artikel 70, §lbis, [artikel 84, derde lid van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) en [artikel 1, 2° van het Koninklijk besluit nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 (zie tabel H: "10 pct. van de verkeerde/ijk in aftrek gebrachte belasting") de geldboete wordt verminderd tot 4.613,60 euro, afgerond tot 4.610,00 euro.

De rechtbank stelt vast dat de in het proces-verbaal opgenomen (verminderde) geldboete is aangepast aan de aard en de ernst van de door eiseres begane overtredingen van de btw-regels. Een (verdere) vermindering of kwijtschelding van deze boete zoals voorzien in artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 is niet mogelijk aangezien eiseres geen dergelijk verzoek aan de minister heeft gericht (vgl. Cass. AR [F.16.0130.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-evenredigheidsbeginsel-cassatie-brussel-2019-01-17-80d4), 17 januari 2019). Voor zover als nodig, en in tegenstelling tot wat eiseres stelt, merkt de rechtbank op dat het geen louter principiële discussie betreft, doch een geschil over concrete feiten waarbij is vastgesteld dat eiseres op verschillende punten ten onrechte btw in aftrek heeft genomen.

Het middel is dus enkel gegrond in de mate dat de geldboete betrekking heeft op de sommen waarvoor de vordering gegrond werd bevonden (zie hoger). Voor het overige kan niet ingegaan worden op dit middel van eiseres.

Volgens eiseres is de intrestvoet van 9,6 % waarvan sprake in [artikel 91, §1, 1° van het Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) strijdig met het evenredigheidsbeginsel zoals bepaald in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Zij meent dat hierover een prejudiciële vraag moet worden voorgelegd aan het Grondwettelijk Hof. Voorts is de intrestvoet van 9,6 % volgens eiseres een strafsanctie die door de rechter kan worden verminderd of kwijtgescholden.

In het proces-verbaal wordt op bladzijde 16 gewag gemaakt van een intrest aan 0,8 % per maand te berekenen over het bedrag van de verschuldigde belasting, en dit vanaf 21 januari 2017.

Het feit dat in fiscale zaken een van het gemeen recht afwijkende intrestvoet wordt gehanteerd is niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel (vgl. Grondwettelijk Hof nr. 168/2018, 29 november 2018, overweging B.8.4). Gelet op deze rechtspraak is het stellen van de prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof niet nodig.

Verder stelt de rechtbank vast dat de intrestvoet in fiscale zaken niet kan worden vergeleken met deze in burgerlijke of handelszaken. Zo wordt er in burgerlijke zaken (en meer nog in handelszaken) vaak contractueel een hogere intrestvoet voorzien. Dit kan al niet in fiscale zaken. Bovendien is een principieel hogere intrestvoet in fiscale aangelegenheden verantwoord om de belastingplichtige aan te zetten zijn betalingsverplichtingen na te komen en gelet op het algemeen belang.

In tegenstelling tot wat eiseres meent, is een intrestvoet van 9,6 % geen strafsanctie. De rechtbank herneemt hierbij de hoger aangehaalde overwegingen dat intrest tussen particulieren niet vergelijkbaar is met intrest in fiscale zaken. Ten eerste kunnen particulieren hiervan afwijken op contractuele basis en ten tweede raakt de tijdige betaling van belastingen het algemeen belang (budgettair).

In deze is er geen onevenredigheid aangezien eiseres sinds minstens begin 2017 op de hoogte was van haar belastingplicht en de btw-schuld. Gelet op het feit dat eiseres blijkbaar niet vrijwillig tot betaling overging, is niet bewezen dat de intrest het vergoedende karakter heeft overschreden.

Dit middel is ongegrond.

### Conclusie

De vordering van eiseres is gedeeltelijk gegrond.

## Kosten

Beide partijen zijn over en weer in het ongelijk gesteld. De kosten worden omgeslagen. Elke partij wordt veroordeeld tot de eigen kosten.

Huidige zaak betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van artikel 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt Il Cire. nr. 2019/C/26 van 15 februari 2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,**

Gelet op artikel 4 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, In eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en gegrond in de volgende mate,

Vernietigt het proces-verbaal van 7 december 2018 voor zover:

\- onder punt 2.2, a) en c) (bladzijde 13 van het proces-verbaal) de kosten die verband houden met het gebouw worden verworpen terwijl deze, zoals de overige gelieerde kosten, ten belope van 10 % in aanmerking komen voor aftrek, doch met uitsluiting van de kosten voor het onderhoud van de tuin en het zwembad.

\- onder punt 3 de volledige aftrek wordt geweigerd van 489,79 euro terwijl dit bedrag in aanmerking komt voor aftrek ten belope van 10 %,

\- een geldboete wordt opgelegd voor de sommen waarvoor de vordering gegrond werd bevonden.

Veroordeelt verweerder tot de terugbetaling aan eiseres van alle op grond van voormeld proces-verbaal teveel uitgevoerde betalingen of ingehouden bedragen ten titel van btw, boetes of intrest.

Veroordeelt elke partij tot de eigen kosten.

Aldus beslist en uitgesproken ter openbare terechtzitting van de 7de kamer van de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op 3 mei 2021.

Waar aanwezig waren en zitting namen:

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

15

[KB nr. 3 art. 21bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 10 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 9 voorkomens

[WBTW art. 49](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-49) 7 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 5 voorkomens

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 3 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 2 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 48](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-48) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 17](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-17) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 2](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-2) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 20](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-20) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 4](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-4) 1 voorkomen

[C-378/02, arrest van 2 juni 2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-378-02-arrest) 1 voorkomen

[C-507/16, arrest van 15 november 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-507-16-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Passieve of actieve holding, Externe dienstverlening (managementadvies)](https://juriel.be/nl/rechtspraak/passieve-actieve-holding-externe-dienstverlening-rechtbank-nijvel-2022-07-01-69ab) 7 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingplichtige, Kwalificatie actieve en passieve holding, Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplichtige-kwalificatie-actieve-passieve-holding-rechtbank-2024-02-05-1892) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Grondwettigheid en wettelijkheid van koninklijk besluit nr. 3 van 10 december 1969](https://juriel.be/nl/rechtspraak/grondwettigheid-wettelijkheid-december-omvang-recht-hof-van-beroep-brussel-2016-12-15-0448) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanslag in de PB, administratie van de bijzondere belastinginspectie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bbi-aanslag-in-pb-administratie-rechtbank-namen-2017-02-15-1f39) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Vervolging, rechten en voorrechten schatkist, vrijstelling, andere vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vervolging-rechten-voorrechten-schatkist-vrijstelling-hof-van-beroep-gent-2007-09-11-3e36) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Historische BTW, Verkrijging van een bedrijfsmiddel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-historische-btw-verkrijging-cassatie-brussel-2016-09-02-9f1c) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Voetbalclub, Gemengde belastingplichtige, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voetbalclub-gemengde-belastingplichtige-werkelijk-gebruik-hof-van-beroep-antwerpen-2021-09-21-28a1) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 5 gemeenschappelijke bepalingen
