---
title: "13 maart 2020 · Proportionele fiscale geldboeten · Hof van Cassatie van België"
description: "Proportionele fiscale geldboeten, Administratieve sancties met een repressief karakter. Hof van Cassatie van België, 13 maart 2020."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-administratieve-sancties-cassatie-brussel-2020-03-13-e05f"
lang: "nl"
---

Tekst in het Frans

# Proportionele fiscale geldboeten, Administratieve sancties met een repressief karakter

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Zetel**

Brussel

**Datum**

13 maart 2020

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Frans

**Nederlandse versie**

niet door de FOD gepubliceerd

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

De tekst van dit document is in het Frans. De FOD publiceert er geen Nederlandse versie van.

## Tekst

190 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie 13.03.2020 (F19.0008.F)

WF 704-15-13/003412

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Proportionele fiscale geldboeten – Administratieve sancties met een repressief karakter – Uitstel van betaling van fiscale geldboeten*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen [53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), [53octies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53octies), [54](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-54) en [70, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) WBTW

Artikelen 10, 11, 33 tot 40, 149 en 172 van de Grondwet

Artikelen 4-6, 13 en 14 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden

## Samenvatting

## I. Voorafgaanden aan de procedure

Het geschil heeft voornamelijk betrekking op geldboeten die krachtens [artikel 70, lid 2, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) zijn opgelegd als gevolg van vastgestelde inbreuken op de artikelen [53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), [53octies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53octies) en [54](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-54) WBTW en de uitvoeringsbesluiten van dit wetboek, meer bepaald [artikel 1 van koninklijk besluit nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde.

In het vonnis van 24 september 2014 oordeelde de rechtbank dat het dwangbevel rechtsgeldig en uitvoerbaar was, dat artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens niet was geschonden, dat de processen-verbaal regelmatig waren en bewijskracht hebben tot het tegendeel is bewezen, dat er inderdaad facturen hadden moeten worden opgesteld en dat de boetes correct waren toegepast, maar dat de boetes echter onevenredig waren en tot 100 procent van de verschuldigde belastingen moeten worden verlaagd.

Eiseres tekende beroep aan tegen dit vonnis en de Belgische Staat ging middels de conclusies in incidenteel hoger beroep tegen de beslissing van de rechtbank om de proportionele boetes te verlagen.

Het arrest van het hof van beroep van 31 mei 2017 verwierp het beroep van eiseres en verklaarde het incidenteel beroep van de Belgische Staat gegrond. Bijgevolg werd het bestreden vonnis gedeeltelijk hervormd. Het betwiste dwangbevel werd volledig bevestigd.

Eiseres zal het arrest van het hof van beroep betwisten voor zover het arrest het incidenteel beroep van de Belgische Staat gegrond verklaart.

## II. Samenvatting van het arrest

*Het cassatieberoep voert twee cassatiemiddelen aan.*

In het eerste middel wordt gesteld dat het bestreden arrest niet verwijst naar de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie. Bij lezing van het arrest zou het onmogelijk zijn om uit de motivering van het arrest om geen uitstel van de tenuitvoerlegging van de administratieve geldboete met strafrechtelijk karakter te verlenen, het standpunt van het hof van beroep inzake de toepassing van voornoemde wet van 29 juni 1964 af te leiden (schending van artikel 149 van de Grondwet).

Het Hof van Cassatie oordeelt dat het bestreden arrest beantwoordt aan de conclusies van eiseres, die aanvoerde dat "volgens de leer van het Grondwettelijk Hof (...) geen boetes mogen worden opgelegd indien niet is voldaan aan een van de volgende drie voorwaarden : 1. de feiten zijn vastgesteld, 2. Het bedrag van de boete is niet onevenredig met de ernst van de inbreuk \[en\] 3. er zou geen reden zijn om uitstel te verlenen indien de wet daarin had voorzien”, en tot staving van zijn verzoek om uitstel beriep hij zich op het ontbreken van bedrieglijk opzet en eerdere veroordelingen.

In het bestreden arrest wordt, na de draagwijdte van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 13/2013 in herinnering te hebben gebracht, geoordeeld dat "in het onderhavige geval de inbreuken zijn vastgesteld; dat het aantal door de administratie vastgestelde onregelmatigheden aanzienlijk is en het repetitief karakter ervan aantoont (...), dat de opzettelijke aard van de gepleegde inbreuken ontegenzeggelijk blijkt uit de verklaringen van de zaakvoerders van bestuurders van \[eiseres\], zoals die in het proces-verbaal van 13 maart 2012 zijn vermeld (...), die, handelend op verzoek van haar klanten, bewust deelnamen aan een georganiseerd systeem om deze klanten in staat te stellen belastingen te ontduiken; dat deze praktijken niet alleen schade toebrengen aan de rechten van de Schatkist, maar ook aan de eerlijke concurrentie binnen de horecasector; dat de geldboete in dergelijke omstandigheden niet onevenredig is en dat er geen reden zou zijn om een uitstel toe te staan, zelfs niet als de wet in een dergelijke maatregel zou voorzien".

Volgens het Hof van Cassatie hoefde het bestreden arrest niet verder te worden gemotiveerd, noch te antwoorden op de argumenten van eiseres inzake de voorwaarden voor de toepassing van de opschorting van de tenuitvoerlegging in strafzaken, die geen afzonderlijke middelen vormden.

*Het tweede middel bestaat uit drie onderdelen.*

Het eerste onderdeel voert aan dat het bestreden arrest van het hof van beroep van Luik het beginsel van de scheiding der machten, zoals gewaarborgd door de artikelen 33 tot 40 van de Grondwet, niet heeft nageleefd aangezien het niet de taak van de rechterlijke macht is om de plaats van de wetgever in te nemen.

Wat het eerste onderdeel betreft, heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat - op grond van een feitelijke beoordeling van de elementen van de zaak – het in het onderhavige geval niet passend zou zijn om eiseres een uitstel toe te staan zelfs indien de wet in deze maatregel had voorzien, het arrest niet de leemte van [artikel 70, § 2, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) vult en, in het algemeen, geen voorwaarden vastlegt waaronder uitstel zou kunnen worden verleend aan een partij die veroordeeld is tot het betalen van fiscale geldboete.

Het bestreden arrest schendt dus het algemene beginsel van de scheiding der machten niet.

In het tweede onderdeel wil eiseres de schending van het beginsel van gelijke behandeling zoals vervat in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet en artikel 14 van het EVRM aantonen, alsmede de schending van het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6 van het EVRM.

Met het derde onderdeel roept eiseres de schending van artikel 13 EVRM in op grond van de vaststelling van de onwettigheid van [artikel 70, § 2, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en vervolgens dat het feit dat de rechter moet beoordelen of het uitstel van de tenuitvoerlegging had kunnen worden verleend indien de wet in deze maatregel had voorzien, geen effectief rechtsmiddel voor een nationaal orgaan in de zin van deze bepaling van het Verdrag biedt. Volgens eiseres kan het rechtsmiddel alleen effectief zijn met de tussenkomst van de wetgever, aangezien de hoven en rechtbanken de mogelijkheid van een uitstel alleen kunnen beoordelen als er een wettelijk kader is dat hen daartoe de mogelijkheid biedt.

Wat het tweede en derde onderdeel samen betreft, heeft het Hof van Cassatie, na herinnerd te hebben aan de draagwijdte van het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 13/2013 van 21 februari 2013, geoordeeld dat de fiscale rechter die, om de gedeeltelijke ongrondwettigheid van [artikel 70, § 2, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) te verhelpen, in afwachting van een wetgevend optreden onderzoekt of het niet aangewezen zou zijn de veroordeelde uitstel van de tenuitvoerlegging te verlenen indien deze maatregel bij wet zou zijn voorzien, noch de verdragsbepalingen, noch de grondwettelijke bepalingen en beginselen waarnaar in het middel wordt verwezen, schendt.

Het middel, dat steunt op het tegendeel, faalt naar recht.

Ten slotte is het Hof van Cassatie van oordeel dat het niet nodig is om de door de eiseres voorgestelde vraag aan het Grondwettelijk Hof voor te leggen, aangezien dit Hof zich hierover reeds uitgesproken.

## Opmerkingen

1\. Deze beslissing van het Hof van Cassatie is in overeenstemming met de jurisprudentie van het Hof van Cassatie inzake uitstel schorsing van fiscale geldboetes (zie Cass. 20 juni 2013, [F.11.0007.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/rechter-toepassing-maakt-artikel-70-cassatie-brussel-2013-06-20-c78a) en [Cass. 12 januari 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-administratieve-sancties-cassatie-brussel-2018-01-12-aa91), F16.0127.F, gepubliceerd op Fisconetplus samen met een nota van opmerkingen).

Volgens deze rechtspraak kunnen de rechterlijke instanties de wettelijke bepalingen inzake administratieve fiscale geldboetes blijven toepassen, ondanks het feit dat de wetgever niet heeft voorzien in een uitstel van de tenuitvoerlegging in fiscale zaken, wanneer de rechter na de door het Grondwettelijk Hof voorgeschreven analyse tot de conclusie komt dat er geen reden zou zijn geweest om het uitstel in de betrokken zaak toe te staan.

Uit het arrest van het [Hof van Cassatie van 12 januari 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-administratieve-sancties-cassatie-brussel-2018-01-12-aa91) volgt dat de wet van 29 juni 1964 geenszins van toepassing is op een fiscaal geschil dat niet voor de strafrechter is gebracht en dat betrekking heeft op een geldboete als bedoeld in [artikel 70 §2 van het btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70).

Er is dus geen reden voor de rechter om, in het kader van het onderzoek naar de mogelijkheid om van uitstel te genieten, indien de wetgever deze op fiscaal gebied had georganiseerd, deze analyse uitsluitend uit te voeren op basis van de voorwaarden die zijn vastgelegd in de wet van 29 juni 1964.

Er wordt ook aangenomen dat, inzake fiscale geldboetes, de rechtzoekende voor de belastingrechter over een daadwerkelijk rechtsmiddel in de zin van artikel 13 van het EVRM beschikt , voor zover de belastingrechter de toepassing van de betwiste geldboete kan weigeren.

2\. Het huidige arrest van het Hof van Cassatie verfijnt deze jurisprudentie en geeft aanvullende richtsnoeren met betrekking tot de gevolgen van de gedeeltelijke ongrondwettigheid van de bepalingen inzake fiscale geldboetes.

Het Hof van Beroep had de voorwaarde "3." uit het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 13/2013 -volgens welke "er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien"- gemotiveerd aan de hand van de feiten in het dossier (in het bijzonder de herhaalde en opzettelijke aard van de inbreuken).

Het Hof van Cassatie is van oordeel dat de rechter niet, in het algemeen, de voorwaarden vaststelt waaronder aan een tot betaling van een fiscale geldboete veroordeelde partij uitstel kan worden verleend, en dat hij derhalve het algemene beginsel van de scheiding der machten niet schendt.

Er is dus geen sprake van inmenging in de bevoegdheden van de wetgevende macht.

Het Hof van Cassatie oordeelt ook dat het onderzoek van deze voorwaarde "3.” door de belastingrechter, noch de bepalingen van het EVRM, noch de grondwettelijke bepalingen en het beginsel waarnaar in het pleidooi wordt verwezen, schendt.

De rechtsleer bepaalt ook dat - met betrekking tot de voorwaarde dat er geen uitstel moet worden verleend, zelfs indien de wet in een dergelijke maatregel zou hebben voorzien - de rechter, die over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt, rekening moet houden met alle omstandigheden van de zaak, zonder gebonden te zijn aan de beperkingen van de wet van 29 juni 1964 (zie C. Parmentier en P. Moineau, La Cour de cassation et les sanctions administratives fiscales, J.L.M.B., 2018/24, p. 1140).

3\. Er zij aan herinnerd dat het arrest nr. 13/2013 van het Grondwettelijk Hof van 21 februari 2013 aan de rechters in het hoofdgeding geen criteria biedt voor het onderzoek van de voorwaarde "3.” volgens welke "er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in deze maatregel had voorzien".

Het Grondwettelijk Hof laat door het ontbreken van een referentiekader praktische problemen bestaan voor de bodemrechter die belast is met de toepassing van de criteria van gedeeltelijke ongrondwettigheid, en meer in het bijzonder voorwaarde "3".

Het Grondwettelijk Hof heeft de criteria die voortvloeien uit zijn arrest nr. 13/2013 met betrekking tot andere wettelijke bepalingen die voorzien in fiscale geldboetes bevestigd en is tot nu toe uiterst voorzichtig geweest bij het ontwikkelen van het referentiekader voor de bodemrechter bij het onderzoek van voorwaarde "3".

Bij vonnis van 16 oktober 2019 (RG 17136/A - Aarlen 17/138/A) heeft de rechtbank van eerste aanleg van Luxemburg (afdeling Marche) een prejudiciële vraag gesteld over de geldboete voorzien in [artikel 70, §1bis, van het btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), met het duidelijke doel het referentiekader te verduidelijken, wetende dat "de vraag of uitstel had moet worden verleend, dus afhankelijk is van de wettelijke voorwaarden voor de toekenning en de intrekking ervan".

In het arrest nr. 32/2020 van 20 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof zijn rechtspraak en de gedeeltelijke ongrondwettigheid van de in [artikel 70, §1bis van het btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) voorziene geldboete bevestigd, zonder evenwel het referentiekader verder te verduidelijken.

Uit de analyse van de arresten van het Grondwettelijk Hof blijkt dat de gesuggereerde oplossing voor de toepassing van [artikel 70, §1, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) voor het eerst werd toegepast in het arrest nr. 157/2008 en werd bevestigd in arrest nr. 13/2013 betreffende de toepassing van [artikel 70, §2, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70). Dat laatstgenoemde arrest, dat een methodologische verduidelijking bevat voor de gevolgen van de vaststelling van de gedeeltelijke ongrondwettigheid, heeft een algemene draagwijdte betreffende administratieve fiscale geldboeten (z. GwH, arresten nr 55/2014 van 24 maart 2014 betreffende de belastingverhogingen voorzien in artikel 444 van het WIB92 en nr. 138/2018 van 11 oktober 2018 met betrekking tot de bijdragen voorzien in artikel 18 van de wet van 13 juli 1987 betreffende het kijk- en luistergeld).

4\. Terwijl sommige beslissingen zich lijken te beperken tot een eenvoudige "formele" vaststelling in de motivering van het vonnis, gaan andere beslissingen over tot een "concreet" onderzoek op basis van de feiten en omstandigheden van de zaak. Het bestreden arrest van het Hof van Beroep van Luik behoort tot deze tweede categorie. Het niet verlenen van het uitstel wordt gerechtvaardigd door het aantal herhaalde overtredingen en door de frauduleuze opzet.

In een andere zaak, die leidde tot het arrest van het Hof van Beroep van Luik van 7 januari 2020 (2019/RG/520, WF 704-15-17/051635, Fisconetplus), besliste het Hof van Beroep dat er geen reden zou zijn geweest om een uitstel met betrekking tot de fiscale geldboete toe te staan zelfs indien door de wetgever in deze maatregel was voorzien, op grond van het flagrante gebrek aan bereidheid tot gedragswijziging.

Het gebrek aan aanpassingsbereidheid en het bestaan van een voorgeschiedenis zijn doorslaggevende factoren waarmee rekening moet worden gehouden (z. ook in dit verband : Luik, 24 maart 2020, 2018/RG/1366, WF 704-15-17/022363 - niet gepubliceerd, dat beslist dat de afwezigheid van frauduleus opzet niet volstaat om het uitstel te rechtvaardigen indien door de wet in deze maatregel was voorzien; TPI Luxemburg, afdeling Marche, 15 januari 2020, RG nr. 17/436/A - RG Aarlen: 14/841/A, WF 706-15-14/058842 - niet gepubliceerd).

5\. Er kan vastgesteld worden dat – niet geheel onverwacht – ingevolge de duidelijke rechtspraak van het Hof van Cassatie inzake de evenredigheidscontrole, het gerechtelijk debat over de evenredigheid van de geldboetes plaats heeft gemaakt voor een nieuw debat over het verlenen van uitstel (zie met name Cass., 18 april 2013, [F.11.0142.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboeten-vermindering-kwijtschelding-geldboete-cassatie-brussel-2013-04-18-5d60); Cass., 17 januari 2019, [F.16.0130.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-evenredigheidsbeginsel-cassatie-brussel-2019-01-17-80d4), Fisconetplus; C., 17 januari 2019, [F.16.0130.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-evenredigheidsbeginsel-cassatie-brussel-2019-01-17-80d4), Fisconetplus; C Parmentier en Ph. Moineau, La Cour de cassation et les sanctions administratives fiscales, opmerking onder Cass. 12 januari 2018, [F.16.0127.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-administratieve-sancties-cassatie-brussel-2018-01-12-aa91), JLMB, 2018/24, pp. 1123-1142, hier p. 1142, onder punt 34).

Het gaat dus om een belangrijke uitdaging in de juridische verdediging door de Belgische Staat van de opgelegde geldboetes.

Weliswaar is het aan de overtreder die om uitstel vraagt, om het bewijs te leveren om het verlenen van het uitstel te rechtvaardigen, te bewijzen, maar de juiste verdediging van de belangen van de Schatkist vereist dat de Belgische Staat proactief gaat handelen in het tegensprekelijk debat.

Wanneer de overtreder, in de loop van de gerechtelijke procedure, in zijn conclusies vraagt om de toepassing van het verlenen van uitstel, moet de Belgische Staat om op basis van de elementen uit het fiscale dossier van de betrokkene onderzoeken of er een voorgeschiedenis bestaat inzake geldboetes, of er al dan niet sprake is van aanpassingsbereidheid, het mogelijke bestaan van frauduleuze bedoelingen en alle andere relevante elementen, zoals de afwezigheid van spontane regularisatie van de situatie, de mate waarin de overtreder kennis had van zijn verplichtingen die hem in staat zouden hebben gesteld te weten dat hij een inbreuk pleegde, andere feiten die herhaaldelijk zijn gepleegd en niet alleenstaand zijn , het gebrek aan toeval, het voortduren van dubieuze praktijken of het gebrek aan medewerking van de overtreder.

**Tekst van het arrest**

***Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal***

### Tekst van de beslissing

## Arrêt de la Cour de cassation de Belgique N° F.19.0008.F du 13 MARS 2020

**D.J.S., société à responsabilité limitée**, dont le siège social est établi à ..., demanderesse en cassation, ayant pour conseil Maître ..., avocat au barreau de Liège, dont le cabinet est établi à ..., où il est fait élection de domicile,

**contre**

**ÉTAT BELGE**, représenté par le ministre des Finances, dont le cabinet est établi à Bruxelles, rue de la Loi, 12, défendeur en cassation. représenté par ..., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à ..., où il est fait élection de domicile.

## I. La procédure devant la Cour

Le pourvoi en cassation est dirigé contre l'arrêt rendu le 31 mai 2017 par la cour d'appel de Liège.

Le président de section ... a fait rapport. L'avocat général ... a conclu.

## lI. Les moyens de cassation

Dans la requête en cassation, jointe au présent arrêt en copie certifiée conforme, la demanderesse présente deux moyens.

## III. La décision de la Cour Sur le premier moyen :

Après avoir rappelé que,« par arrêt n° 13/2013 du 21 février 2013, la Cour constitutionnelle a dit pour droit qu'en ce qu'il ne permet pas au tribunal de première instance d'assortir d'un sursis l'amende qu'il prévoit, l'article 70, §'2, alinéa 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée viole les articles 10 et 11 de la Constitution \[et\] que ce constat d'inconstitutionnalité partielle n'a toutefois pas pour conséquence que cette disposition ne pourrait plus, dans l'attente d'une intervention législative, être appliquée par les juridictions lorsque celles-ci constatent que les infractions sont établies, que le montant de l'amende n'est pas disproportionné à la gravité de l'infraction et qu'il n'y aurait pas eu lieu d'accorder un sursis même si cette mesure avait été prévue par la loi (point B.4.3 de l'arrêt)», l'arrêt attaqué considère qu'« en l'espèce, les infractions sont établies; que le nombre d'irrégularités relevées par l'administration est important et atteste de leur caractère répété \[... \] ; que le caractère intentionnel des infractions commises ressort incontestablement des déclarations des gérants de \[la demanderesse\], rapportées par le procès-verbal du 13 mars 2012 \[...\], qui> agissant à la demande de ses clients, participaient sciemment à un système organisé en vue de permettre à ces derniers d'éluder l'impôt ; que ces pratiques portent non seulement atteinte aux droits du Trésor mais également à la concurrence loyale au sein du secteur Horeca ; qu'en de telles circonstances, l'amende n'est nullement disproportionnée et qu'il n'y aurait pas lieu d'accorder un sursis même si cette mesure \[était\] prévue par la loi».

L'arrêt répond ainsi aux conclusions de la demanderesse qui faisait valoir que, « selon l'enseignement de la Cour constitutionnelle, les amendes \[...\] ne doivent pas être appliquées si une des trois conditions suivantes n'est pas réunie:

1\. les infractions sont établies, 2. le montant de l'amende n'est pas disproportionné à la gravité de l'infraction \[et\] 3. il n'y aurait pas lieu d'accorder un sursis si cette mesure avait été prévue par la loi», et invoquait à l'appui de sa demande de sursis son absence d'intention frauduleuse et de condamnation antérieure.

L'arrêt n'était tenu ni de donner les motifs de ses motifs ni de répondre davantage aux arguments de la demanderesse tirés des conditions d'application du sursis en matière pénale, qui ne constituaient pas des moyens distincts.

Le moyen ne peut être accueilli.

### Sur le second moyen :

*Quant à la première branche :*

En considérant, sur la base d'une appréciation des éléments de la cause qui gît en fait, qu'il n'y aurait pas lieu en l'espèce d'accorder un sursis à la demanderesse même si cette mesure était prévue par la loi, l'arrêt ne comble pas la lacune de l'[article 70, § 2, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) et ne fixe pas, de façon générale, les conditions auxquelles le sursis pourrait être accordé à une partie condamnée au paiement d'une amende fiscale.

L'arrêt ne méconnaît dès lors pas le principe général de la séparation des pouvoirs et ne viole pas les dispositions constitutionnelles visées au moyen, en cette branche.

Le moyen, en cette branche, ne peut être accueilli.

*Quant aux deuxième et troisième branches réunies :*

Par l'arrêt n° 13/2013 du 21 février 2013, la Cour constitutionnelle a dit pour droit qu'en ce qu'il ne permet pas au tribunal de première instance d'assortir d'un sursis l'amende qu'il prévoit, l'[article 70, § 2, alinéa 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) viole les articles 10 et 11 de la Constitution; elle précise toutefois que ce constat d'inconstitutionnalité n'a pas pour conséquence que cette disposition ne pourrait plus, dans l'attente d'une intervention législative, être appliquée par les juridictions lorsque celles-ci constatent que les infractions sont établies, que le montant de l'amende n'est pas disproportionné à la gravité de l'infraction et qu'il n'y aurait pas eu lieu d'accorder un sursis même si cette mesure avait été prévue par la loi.

Le juge fiscal qui, pour remédier à l'inconstitutionnalité partielle de l'[article 70, § 2, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), examine, dans l'attente d'une intervention législative, s'il n'y aurait pas eu lieu d'accorder un sursis au condamné si cette mesure avait été prévue par la loi, ne méconnaît ni les dispositions conventionnelles ni les dispositions et principe constitutionnels visés au moyen.

Le moyen, qui, en chacune de ses branches, repose sur le soutènement contraire, manque en droit.

Et il n'y a pas lieu de poser à la Cour constitutionnelle la· question proposée par la demanderesse, cette cour s'étant déjà prononcée à ce sujet.

**Par ces motifs,**

La Cour

Rejette le pourvoi;

Condamne la demanderesse aux dépens.

Les dépens taxés à la somme de quatre cent soixante-sept euros trente-quatre centimes envers la partie demanderesse, y compris la somme de vingt euros au profit du Fonds budgétaire relatif à l'aide juridique de deuxième ligne.

Ainsi jugé par la Cour de cassation, première chambre, à Bruxelles, où siégeaient le président de section ..., président, le président de section ..., les conseillers ..., et prononcé en audience publique du treize mars deux mille vingt par le président de section ..., en présence de l'avocat général ..., avec l'assistance du greffier ....

---

**Cour d'appel Liège, NEUVIÈME chambre civile, le 31 mai 2017**

Rôle : 2015/RG/400

EN CAUSE DE:

**SPRL D.J.S.**, dont le siège social est établi à ... et immatriculée à la TVA sous le n° BE 0811....., partie appelante, représentée par Maître ...,

**CONTRE:**

**ETAT BELGE**, Service Public Fédéral Finances, rue de la Loi 12 à 1000 Bruxelles, représenté le Ministre des Finances, poursuites et diligence de Monsieur l'Inspecteur principal dirigeant de recettes TVA de Liège 1, dont les compétences sont actuellement reprises par le team Personnes morales de Liège, 1, dont les bureaux sont établis à 4000 LIEGE, rue de Fragnée, 2 bte 192, partie intimée, représentée par Madame ..., fonctionnaire de l'administration fiscale.

Vu les feuilles d'audiences du 3 mai 2017 et de ce jour

APRÈS EN AVOIR DÉLIBÉRÉ:

Vu le dossier de procédure en forme régulière et notamment l'arrêt de la cour de céans du 19 avril 2017, invitant les parties à déposer le courrier du 11 décembre 2012 dont elles font état dans leurs conclusions, et les pièces de procédure auxquelles il se réfère ;

Attendu que la présente décision est fondée sur les éléments de fait et de droit développés ci-après

### Discussion

***Appel principal de la SPRL D.J.S.***

Quant à la violation de l'article 6 de la Convention de sauvegarde des Droits de l'Homme et des Libertés fondamentales

Attendu que l'appelante précise avoir reçu de l'administration une lettre du 11 décembre 2012, portant en annexe un procès-verbal du 7 décembre 2012, mentionnant que pour des raisons de prescription, elle devrait notifier une contrainte avant le 31 décembre 2012 (pièce n°19 du dossier de la procédure);

Que ladite lettre indique « qu'il vous est toutefois loisible de me faire connaître, aussi rapidement que possible et au plus tard dans un délai d'un mois à compter du 3ème jour ouvrable qui suit l'envoi de la présente notification, vos remarques quant aux constations figurant dans le procès-verbal transmis » ;

Qu'avant l'expiration de ce délai, l'administration a néanmoins établi la contrainte litigieuse qui a été rendue exécutoire le 13 décembre 2012 et notifiée, selon l'appelante non contredite par l'intimé, le 18 décembre 2012 (pièce n°l du dossier de l'appelante);

Que l'appelante y voit une atteinte manifeste à ses droits de la défense consacrés par l'article 6 de la Convention de sauvegarde des Droits de l'Homme et des Libertés fondamentales qui doit entraîner la mise à néant de la contrainte litigieuse ;

Attendu que l'article 6 de la Convention dispose notamment que toute personne a droit à ce que sa cause soit entendue équitablement, publiquement et dans un délai raisonnable, par un tribunal indépendant et impartial, établi par la loi, qui décidera, soit des contestations sur ses droits et obligations de caractère civil, soit du bien-fondé de toute accusation en matière pénale dirigée contre elle ;

Que si cette disposition n'a vocation à s'appliquer qu'aux contestations civiles et au bien-fondé de toute accusation en matière pénale, et ne concerne par conséquent pas en principe la matière fiscale, il n'en va pas de même lorsqu'est en jeu, comme en l'espèce, une amende administrative proportionnelle dont le caractère pénal, au sens de la Convention, ne fait aucun doute, étant d'un montant conséquent (23.055,92 €) et imposée en vertu de dispositions légales répressives dont le but n'est pas la réparation pécuniaire du préjudice causé à l'Etat mais de sanctionner afin d'empêcher la réitération d'infractions;

Attendu qu'il ne peut cependant être déduit une violation de l'article 6 du seul fait de l'établissement d'une contrainte endéans l'expiration d'un délai laissé par l'administration au contribuable afin de faire valoir ses arguments.

Que le caractère équitable d'une cause s'apprécie au regard de l'ensemble de la procédure {cf. Cass., 1er octobre 1997, Bull., 1997, n° 379; Cass., 14 octobre 1998, J.L.M.B., 1999, p. 233 i Cass., 16 mal 2001, Bull., 2001, n° 288 ; Cass., 15 décembre 2004, P. 04.1189.F), l'important étant que « l'accusé » ait la possibilité de contredire librement les éléments apportés contre lui , c'est-à-dire en l'espèce la possibilité de contester utilement les éléments à charge recueillis par l'administration fiscale devant le juge d'instance et la cour d'appel statuant en pleine juridiction ;

Que par conséquent ce n'est que si une irrégularité irrémédiable a été commise au cours de la procédure d'établissement de cette cotisation, ayant pour conséquence d'empêcher que la procédure se déroule de façon équitable devant les juridictions de fond, qu'une amende pourrait être annulée sur le fondement de l'article 6;

Qu'une telle démonstration n'est pas apportée en espèce et que la cour n'aperçoit pas en quoi l'irrégularité prétendue soulevée par l'appelante serait de nature à compromettre son droit à un procès équitable;

Que par ailleurs qu'il y a lieu de relever que l'administration a été parfaitement claire quant à la raison pour laquelle elle a établi la contrainte,·à savoir empêcher la prescription de son action en recouvrement, tout en accordant à la fois un délai au contribuable pour faire valoir ses arguments quant aux constatations figurant dans le procès-verbal qui lui a été transmis et en l'informant précisément des dispositions à prendre s'il souhaitait paralyser l'exécution du titre, à savoir le dépôt d'une requête auprès du tribunal de première instance, ce que l'appelante a par ailleurs fait le 7 janvier 2013 ;

Qu'il faut rappeler en outre que la contrainte est un acte administratif qui, en tant que tel, peut être retiré par l'autorité si elle en constate l'irrégularité de sorte que son établissement n'empêchait pas la prise en compte des arguments de l'appelante qui lui serait parvenu avant l'échéance du délai accordé;

Qu'enfin si le Code des impôts sur les revenus prévoit des dispositions spécifiques afin d'organiser un échange contradictoire dans le cadre de l'établissement de l'impôt {articles 346 et 351 du CIR/92) qui sont plus contraignantes, de telles dispositions ne sont pas prévues par la loi en matière de TVA

Attendu que l'appelante critique le fait que le dossier administratif ne contient aucune des factures reprises par l'administration dans les annexes S à 13 au procès-verbal du 7 décembre 2012 (pièce n°S du dossier de l'ETAT BELGE), de sorte qu'il serait impossible de vérifier les chiffres vantés par l'administration;

Attendu qu'en vertu de l'[article 59 §1er du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59), l'administration est autorisée à prouver selon les règles et par tous les moyens de droit commun, témoins et présomptions compris, à l'exception du serment, et, en outre, par les procès-verbaux des agents du Service public fédéral Finances. toute infraction ou toute pratique abusive aux dispositions du présent Code ou prises pour son exécution, de même que tout fait quelconque qui établit ou qui concourt à établir l'exigibilité de la taxe ou d'une amende;

Que ces procès-verbaux ont foi jusqu'à preuve du contraire;

Que par ailleurs, en vertu de l'[article 60 §1er alinéa 1 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60), dans sa version applicable aux faits litigieux, les livres, factures et autres documents dont la tenue, la rédaction, ou la délivrance sont prescrites par le présent Code ou en exécution de celui-ci, doivent être conservés par les personnes qui les ont tenus, dressés, délivrés ou reçus. pendant sept ans à partir du janvier de l'année qui suit leur clôture s'il s'agit de livres, leur date s'il s'agit de factures ou d'autres documents, ou l'année au cours de laquelle le droit à déduction a pris naissance, dans les situations visées à l'article 58, § 4, 7°, alinéa 2, s'il s'agit des documents visés à l'article 58, § 4, r, alinéa 4;

Que l'appelante ne fait valoir aucune circonstance l'empêchant de vérifier, et le cas échéant de produire, les copies des factures qu'elle a émises si elle avait un quelconque motif de mettre en doute les relevés figurant aux annexes du procès­ verbal;

Qu'il apparaît par ailleurs du dossier que les pièces emportées par l'administration ont été restituées à l'appelante (pièce n°4 du dossier de l'ETAT BELGE et annexes 6 et 7 de sa pièce n°S);

Attendu que l'appelante fait valoir également que les demandes de renseignements adressées par l'administration ne se limitent pas à celles figurant au dossier administratif, avec les réponses y afférentes, et cite ainsi plusieurs personnes en page 6 de ses conclusions additionnelles et de synthèse qui auraient fait l'objet de telles demandes;

Attendu que l'appelante n'apporte pas un commencement de preuve de ses affirmations et ne propose d'ailleurs pas à la cour d'ordonner une production de documents en vertu de l'article 877 du Code judiciaire ou la tenue d'une enquête en application des articles 915 et suivants du même Code;

Que ses allégations ne sont par conséquent pas démontrées ;

Attendu que l'appelante semble en outre remettre en doute les déclarations tenues par ses gérants au cours de la visite de son siège social le 24 février 2012 au motif qu'aucune déclaration n'aurait été signée par eux (procès-verbal du 13 mars 2012 - pièce n°2 du dossier administratif);

Qu'en vertu de l'[article 59§1er du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) rappelé ci-dessus, et comme le reconnaît elle-même l'appelante, des propos consignés dans un procès-verbal sont présumés avoir été tenus même si cette présomption ne s'étend pas à la réalité des faits que ces propos rapportent;

Que cette dernière soutient cependant que ses dirigeants n'ont pas été informés de leurs droits, notamment celui de garder le silence ou de consulter un avocat, alors que le but de l'administration était de leur appliquer de lourdes amendes à connotation pénale;

Qu'elle soutient ainsi que l'article 6 est violé dès lors que le contribuable n'a pas été informé de son droit de garder le silence ou de consulter un avocat avant d'être contraint de répondre aux questions posées et dès lors qu'il n'est pas mis en possession de tous les éléments figurant dans le dossier de l'administration ;

Attendu que même si l'article 6 de la Convention ne les mentionne pas expressément, le droit de garder le silence et le droit de ne pas contribuer à sa propre incrimination sont des normes internationales généralement reconnues qui sont au cœur de la notion de procès équitable consacrée par l'article 6 § 1. En particulier, le droit de ne pas contribuer à sa propre incrimination présuppose que les autorités cherchent à fonder leur argumentation sans recourir à des éléments de preuve obtenus par la contrainte ou les pressions. au mépris de la volonté de I'« accusé» (CEDH, 5/4/2012, Chambaz c. Suisse, n°11663/04, §52);

Que la Cour européenne des Droits de l'Homme procède manifestement en la matière à une distinction entre la situation dans laquelle le contribuable se prévaut de son droit au silence et celle dans laquelle il reconnaît spontanément les faits (§57 de l'arrêt précité cf. également l'affaire Allen c. Royaume-Uni, décision du 10 septembre 2002, n° 76574/01, CEDH 2002-VIII, Affaire J.B. c. Suisse, requête n°31827/96, arrêt du 3 mai 2001);

Qu'en l'espèce il n'est en rien démontré que les gérants de l'appelante auraient invoqué le droit de se taire ou qu'ils auraient fait l'objet de contraintes ou de pressions en vue d'y renoncer ;

Qu'aucune disposition légale ou conventionnelle n'impose à l'administration fiscale exerçant ses pouvoirs d'investigation, lesquels peuvent évidemment mener à la découverte de revenus imposables ou d'opérations taxables et, consécutivement, à leur taxation et à l'application de sanctions, de procéder à l'information du contribuable sur la portée du droit au silence et la possibilité de se faire assister par un avocat;

Que le moyen est par conséquent non fondé ; Quant à la preuve des infractions

Attendu qu'en vertu de l'[article 53 § 2 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) en sa version applicable aux faits litigieux,

> *« L'assuietti qui effectue des livraisons de biens ou des prestations de services, autres que celles qui sont exonérées en vertu de l'article 44 et qui ne lui ouvrent aucun droit à déduction, est tenu de délivrer une facture à son cocontractant ou de s'assurer qu'une telle facture est délivrée en son nom et pour son compte, par son cocontractant ou par un tiers*
>
> *1 ° lorsqu'il a effectué une livraison de biens ou une prestation de services pour un assuietti ou une personne morale non assuiettie;*
>
> *(...)*
>
> *Le Roi peut imposer aux assujettis l'obligation de délivrer une facture pour des livraisons de biens ou des prestations de services, autres que celles visées à l'alinéa le', qu'ils effectuent en Belgique ».*

*Qu'en vertu de l'*[*article 1 § 1er de l'arrêté royal n° 1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) *du 29 décembre 1992 en sa version applicable aux faits litigieux, « l'assujetti qui effectue des livraisons de biens ou des prestations de services énumérées ci-après pour des personnes physiques qui les destinent à leur usage privé, est tenu de délivrer une facture lorsque ces opérations ont lieu en Belgique conformément aux articles* [*15*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) *et* [*21*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) *du Code, ou lorsque, avant l'opération, la taxe est exigible par application des articles 17, § 1e', et 22, § 2, du Code, sur tout ou partie du prix de l'opération:*

*(...)*

*6°* *les livraisons de biens qui, eu égard à leur nature, à leur conditionnement, aux quantités vendues ou aux prix pratiqués, sont manifestement destinés à un usage économique, ainsi que les livraisons de biens de la même espèce que ceux dont l'acquéreur fait le commerce ou qu'il destine normalement à l'exercice de son activité économique;*

*7°* *les livraisons effectuées dans des établissements ou des lieux gui ne sont normalement pas accessibles à des particuliers;*

*8°* *les livraisons effectuées par les entreprises de production ou de vente en gros; »*

Qu'en vertu de l'article 5 § 1er de l'arrête royal n° l, tel qu'applicable aux faits litigieux, les factures doivent porter obligatoirement, notamment, les mentions suivantes : la date de délivrance, un numéro séquentiel, le nom ou la dénomination sociale et l'adresse du fournisseur ainsi que son numéro de TVA, le nom ou la dénomination sociale et l'adresse du client, la quantité et la dénomination usuelle des biens délivrés;

Attendu que l'appelante est identifiée à la TVA pour une «Production de boissons alcooliques distillées» et a pour objet statutaire « le mélange d'alcools; l'achat et la vente, en gros ou au détail de tous produits de brasserie; le commerce de gros et de détail de toutes denrées alimentaires" (cf. pièce n°2 du dossier de l'appelante);

Que le caractère d'entreprise« de vente en gros» de l'appelante résulte tant de son objet statutaire, que de l'aménagement de ses locaux (page 1 alinéa 4 de l'annexe 2 au procès-verbal du 7 décembre 2012 - pièce n°8 du dossier administratif) et de sa clientèle qui est composée, selon ses propres dires, de clients « particuliers» à hauteur de seulement 8,8 % de son chiffre d'affaires (page 12 de ses conclusions additionnelles et de synthèse);

Qu'en vertu de l'[article 1er § 1, 8° de l'arrêté royal n° 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) précité, elle doit donc en raison de cette qualité de grossiste délivrer des factures lorsqu'elle effectue des livraisons de biens ou des prestations de services à des personnes physiques qui les destinent à leur usage privé, et non seulement lorsqu'elle effectue des livraisons ou prestations de services à un assujetti ou une personne morale non assujettie en application des articles [53, § 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) du Code de la TVA;

Qu'étant une entreprise de vente en gros, il est donc indifférent qu'une partie de ses ventes puisse être effectuée auprès de particuliers ou que son objet social prévoit cette possibilité ;

Attendu par ailleurs que si l'administration admet, à titre de tolérance, une dérogation à cette obligation «dans la mesure où l'entreprise est constituée en deux branches d'activité au sens de l'[article 11 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) et où, partant, le commerçant exploite distinctement, au sein de son entreprise, un secteur « vente en gros» et un secteur« vente au détail», indépendants l'un de l'autre et dont chacun est capable de fonctionner, au point de vue technique par ses propres moyens ([QP n°232 du 8 avril 1997](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/232-ontheffing-verplichting-facturatie-vandenberghe-factureringsplicht-7487), BQR Sénat, session 1997-1998, 2956», les conditions de cette tolérance ne sont point rencontrées en l'espèce;

Qu'en effet, outre qu'il appartient à l'appelante de démontrer qu'elle pourrait bénéficier de ce régime d'exception, le procès-verbal du 13 mars 2012 (pièce n°2 du dossier administratif), qui fait foi jusqu'à preuve du contraire en application de l'[article 59 §1er du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59), rapporte que « les lieux n'étaient pas aménagés pour recevoir des clients « particuliers ». En effet, il n'y a aucun parking aménagé pour la clientèle. Il n'est pas prévu de pénétrer avec un véhicule dans le hall de stockage. Pour pénétrer dans ce hall, il faut sonner à la porte et attendre qu'une personne vienne ouvrir. l'entrée n'est pas libre. Il n'y a pas de comptoir aménagé dans le hall et l'entreprise n'est pas constituée de deux branches d'activité distinctes (vente en gros - vente au détail} pouvant fonctionner indépendamment l'une de l'autre» (pièce n°3 du dossier de l'ETAT BELGE);

Qu'il résulte surabondamment de ces constatations que les livraisons effectuées dans de tels locaux le sont dans un lieu qui n'est normalement pas accessible à des particuliers au sens de l'article 1 § 1°r, 7° de l'arrêté royal n°l du 29 décembre 1992;

Que par conséquent l'appelante était astreinte à une obligation de facturation, reprenant les mentions requises, à l'égard de l'ensemble de ses clients, assujettis ou simples particuliers, et elle ne peut reprocher à l'administration d'avoir calculé les amendes en se basant sur l'ensemble des opérations des comptes « clients non assujettis », sans déterminer celles pour lesquelles une facture était requise et celles pour lesquelles aucune facture ne devait être délivrée, dès lors que l'établissement d'une facture était obligatoire pour tous ses clients;

Qu'elle ne peut davantage considérer que certaines factures portent sur des montants compatibles avec des ventes à des particuliers pour justifier le non­ respect de ses obligations puisqu'une facture conforme aux exigences formelles précitées devait être établie en raison de la qualité de grossiste de l'appelante même pour les personnes physiques destinant les livraisons à leur usage privé;

Attendu que l'appelante estime subsidiairement, en se fondant sur le libellé de l'[article 5§ 1er, 3° de l'arrêté royal n°1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa), que le nom et l'adresse du client ne doivent être indiqués sur la facture que dans l'hypothèse où celui-ci a un numéro d'identification à la TVA;

Que s'il est évident que face à un client non assujetti, il n'y a pas lieu d'indiquer un numéro d'identification à la TVA inexistant, il ne résulte pas de ce texte que les autres mentions devraient être omises;

Que c'est à juste titre à cet égard que l'ETAT BELGE observe que l'article 226, 5) de la directive 2006/112/CE du Conseil du 28 novembre 2006 relative au système commun de taxe sur la valeur ajoutée, à l'aune de laquelle l'arrêté royal doit être Interprété, prévoit que les factures émises doivent reprendre parmi leurs mentions « le nom complet et l'adresse de l'assujetti et de l'acquéreur ou du preneur»;

Que cette formulation ne permet pas de considérer que la mention du nom complet de l'acquéreur ou du preneur ne devrait pas être indiqué sur la facture en cas de livraison ou de prestation à un non assujetti ;

Attendu que l'appelante considère également que pour la plupart des opérations litigieuses, la position de l'administration reposerait sur ses seules affirmations, au motif que ce n'est que pour une vingtaine de factures, sur les 283 énumérées en annexe du procès-verbal, qu'elle disposerait de déclarations favorables à sa thèse émanant de personnes interrogées;

Que l'appelante ne semble tenir aucun compte du relevé minutieux de l'administration des différentes factures listées aux annexes 8 à 13 du procès­ verbal du 7 décembre 2012 (pièce n°8) classées en fonction des types d'irrégularités constatées (factures adressées à des clients privés sans identité et adresse spécifiée -annexe 8-, factures avec identité indiquée mais sans adresse ni numéro de TVA -annexe 9-, factures incomplètes au niveau de l'adresse et absence de numéro de TVA -annexe 10-, factures adressées à des professionnels avec nom et adresse mais sans numéro de TVA -annexe 11-, factures adressées à des personnes physiques pour des quantités manifestement professionnelles - annexe 12-, fausses factures -annexe 13-) justifiant l'application des amendes comminées;

Que l'appelante ne démontre en rien l'inexactitude des manquements relevés mais semble considérer qu'il est illégitime de la sanctionner dans les cas où il n'est pas établi que les ventes ont été réalisées auprès de clients assujettis, alors que la répression des irrégularités de facturation repose sur la nécessité de rendre contrôlable la destination des biens et services en vue d'assurer la juste perception de la taxe sur la valeur ajoutée;

Qu'il s'agit d'ailleurs dans son chef non de simples négligences mais de malversations;

Qu'en effet suite à un contrôle routier du 23 février 2012 mené par des agents de l'Inspection de recherche locale de Liège et de la Douane de Grâce-Hollogne sur un véhicule transportant des boissons pour le compte de l'appelante vers ses clients, il a été constaté que les factures et bons de commande, datés de la veille, correspondaient bien aux marchandises transportées pour les bons de commande mais que les factures ne reprenaient qu'une partie de celles-ci (pièce n°5, annexe 1 du dossier administratif);

Que le lendemain les agents de l'administration se sont rendus au siège social et d'exploitation de l'appelante où ils ont rencontré ses deux gérants et ont constaté que des bons de commandes étaient à nouveau rédigés pour la livraison du jour d'après selon le même procédé : les bons de commande comportaient des marchandises supplémentaires par.rapport aux factures, celles destinées à la livraison correspondant aux bons de commande et non aux factures dressées;

Que selon les propos des gérants de l'appelante « à la question de savoir pourquoi une facture et un bon de commande (qui reprend des marchandises supplémentaires par rapport à la facture) sont rédigés pour la livraison à un même client, un même jour, les gérants ont déclaré que cela se passait ainsi à la demande des clients car ceux-ci veulent que la facture ne reprenne qu'une partie des marchandises livrées. Pour les marchandises reprises sur les bons de commande, soit le client communique un nom auquel la facture doit être adressée, soit les gérants reprennent ces livraisons en « clients divers ». ils ont encore déclaré qu'ils ne conservaient aucun bon de commande lorsque la facture est dressée les factures « clients divers » peuvent reprendre des livraisons à plusieurs clients. Aussi, il n'est plus possible d'individualiser les clients «professionnels» repris sur ces factures» (pièce n° 5, annexe 1 du dossier administratif);

Que l'appelante est particulièrement malvenue à considérer que l'administration lui inflige une amende sur base de simples affirmations alors qu'il résulte des déclarations mêmes de ses gérants que les irrégularités de facturation constatées avaient pour but de permettre à ses co-contractants professionnels de dissimuler des acquisitions, et donc des ventes ultérieures, et ainsi d'éluder les impôts sur les revenus et la TVA ;

Qu'il est évident que de telles pratiques servent non seulement l'intérêt de ses clients qui dissimulent ainsi leur chiffre d'affaires mais également l'appelante qui, en acceptant de se prêter à ce type de fraude, est à même de se constituer une clientèle plus importante au détriment de ses concurrents qui s'y refusent;

Quant à la constitutionnalité des amendes appliquées en vertu de l'[article 70§2 du code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) et à leur proportionnalité.

Attendu qu'en vertu de l'[article 70, § 2 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), en sa version applicable aux faits litigieux, « Lorsque la facture ou Je document en tenant lieu, dont la délivrance est prescrite par les articles 53, 53octies et 54, ou par les arrêtés pris en exécution de ces articles, n'a pas été délivré ou qu'il contient des indications inexactes quant au numéro d'identification, au nom ou à J'adresse des parties intéressées à l'opération, à la nature ou à la quantité des biens livrés ou des services fournis, au prix ou à ses accessoires, il est encouru une amende égale à deux fois la taxe due sur l'opération, avec un minimum de 50 EUR .

Cette amende est due individuellement par Je fournisseur et par son cocontractant. Elle n'est cependant pas applicable lorsque les irrégularités peuvent être considérées comme purement accidentelles, notamment eu égard au nombre et à l'importance des opérations non constatées par des documents réguliers, comparés au nombre et à l'importance des opérations qui ont fait l'objet de documents réguliers, ou lorsque le fournisseur n'avait pas de raison sérieuse de douter de la qualité de non-assujetti du cocontractant.

Quand une personne encourt, pour une même infraction, à la fois J'amende prévue au § 1er et l'amende prévue au § 2, seule cette dernière est applicable » ;

Attendu que par arrêt du 21 février 2013 (n°13/2013), la Cour constitutionnelle a dit pour droit qu'en ce qu'il ne permet pas au tribunal de première instance d'assortir d'un sursis l'amende qu'il prévoit, l'[article 70, § 2, alinéa 1er, du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) viole les articles 10 et 11 de la Constitution;

Que ce constat d'inconstitutionnalité partielle n'a toutefois pas pour conséquence que cette disposition ne pourrait plus, dans l'attente d'une intervention législative, être appliquée par les juridictions lorsque celles-cl constatent que les infractions sont établies, que le montant de l'amende n'est pas disproportionné à la gravité de l'infraction et qu'il n'y aurait pas eu lieu d'accorder un sursis même si cette mesure avait été prévue par la loi (point B.4.3 de l'arrêt);

Qu'en l'espèce les infractions sont établies;

Que le nombre d'irrégularités relevées par l'administration est important et atteste de leur caractère répété (annexes 8 à 13 du procès-verbal du 7 décembre 2012- pièce n°8 du dossier administratif);

Que le caractère intentionnel des infractions commises ressort incontestablement des déclarations des gérants de l'appelante, rapportées par le procès-verbal du 13 mars 2012 (pièce n°2 du dossier administratif), qui, agissant à la demande de ses clients, participaient sciemment à un système organisé en vue de permettre à ces derniers d'éluder l'impôt;

Que ces pratiques portent non seulement préjudice aux droits du Trésor mais également à la concurrence loyale au sein du secteur HORECA;

Qu'en de telles circonstances l'amende n'est nullement disproportionnée et il n'y aurait pas lieu d'accorder un sursis même si cette mesure avait été prévue par la loi;

Attendu que si un sursis avait été justifié, il était possible à la cour d'annuler l'amende querellée via le refus d'appliquer l'[article 70 §2 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), en raison de l'inconstitutionnalité partielle dont il est affecté, les longues digressions de l'appelante figurant dans ses conclusions additionnelles et de synthèse concernant les articles 1er, 6, 13 et 14 de la Convention de sauvegarde des Droits de l'Homme sont sans objet;

Qu'il en va de même de celles relatives au Protocole n°12 à cette Convention, invoqué par l'appelante en page 34 de ses conclusions, qui a été signée par la Belgique le 4 novembre 2000 mais n'a jamais été ratifié et ne fait donc pas partie de l'ordre juridique belge;

### *Appel incident de l'ETAT BELGE*

Attendu que comme exposé ci-dessus, l'amende querellée est légale, proportionnée et qu'il n'y a pas lieu de refuser l'application de l'[article 70 §2 du Code de la TVA](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) au motif qu'un sursis eut dû être prononcé s'il avait été prévu par la loi;

Que, par conséquent, il y a lieu de faire droit à l'appel incident de l'ETAT BELGE et de réformer le jugement entrepris en confirmant entièrement la contrainte querellée;

### Beschikkend gedeelte

## PAR CES MOTIFS

Vu l'article 24 de la loi du 15 juin 1935,

La Cour,

Statuant contradictoirement, DIT l'appel principal non fondé. DIT l'appel incident fondé.

REFORME le jugement entrepris et confirme la contrainte n°312/...

délivrée à charge de la SPRL D.J.S. pour une somme de 23.055,92 €.

CONDAMNE la SPRL D.J.S. aux dépens, non liquidés, de l'ETAT BELGE.

Ainsi jugé et délibéré par la NEUVlEME chambre de la cour d'appel de Liège, où siégeaient le président Jean-... et les conseillers ... et prononcé en audience publique du 31 mai 2017 par le président ..., avec l'assistance du greffier ...

Signatures

## Aangehaalde teksten

11

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 19 voorkomens

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 5 voorkomens

[KB nr. 1 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) 3 voorkomens

[WBTW art. 53octies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53octies) 3 voorkomens

[WBTW art. 54](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-54) 3 voorkomens

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 3 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 1 voorkomen

[WBTW art. 11](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) 1 voorkomen

[WBTW art. 15](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) 1 voorkomen

[WBTW art. 21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) 1 voorkomen

[WBTW art. 60](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60) 1 voorkomen

## Rechtspraak

4

### België

4

Hof van Cassatie 22.05.2020

#### [Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-gebrek-direct-onmiddellijk-cassatie-brussel-2020-05-22-da05)

Hof van beroep te Luik 26.10.2021

#### [Geldboeten, Vermindering van de geldboeten bij wijze van gunst](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldboeten-vermindering-wijze-gunst-uitstel-hof-van-beroep-luik-2021-10-26-7d90)

Hof van beroep te Luik 24.03.2020

#### [Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-voorwaarden-oefenen-rechtstreeks-hof-van-beroep-luik-2020-03-24-ab9f)

## Administratieve doctrine

3

[Fiches van de administratieve commentaar 3](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-administratieve-sancties-cassatie-brussel-2020-03-13-e05f/documenten?type=commentaar)

« … Btw-Wetboek. Het arrest van het Hof van Cassatie van 13.03.2020 (F19.0008.F) verfijnt deze jurisprudentie en geeft aanvullende richtsnoeren met betrekking tot de gevolgen van de gedeeltelijke ongrondwettigheid van de bepalingen inzake fiscale geldboetes ( Arrest van het Hof van Cassatie nr. F.19.0008.F van 13.03.2020 ). Het Hof van Cassatie is van oordeel dat, motiverend met de voorwaarde ‘3.’ uit het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 13/2013 -volgens welke ‘er geen reden zou zijn geweest om uitstel te verlenen, zelfs indien de wet in die maatregel had voorzien’- … »

[Het geding (01.05.2023)](https://juriel.be/nl/btw-commentaar/geding-d0af) Administratieve commentaar 06.11.2023

[Bekijk de 7 documenten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-fiscale-geldboeten-administratieve-sancties-cassatie-brussel-2020-03-13-e05f/documenten)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Grossierbedrijf;facturatie;geldboete, groothandel, facturering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/grossierbedrijf-facturatie-geldboete-groothandel-hof-van-beroep-antwerpen-2005-02-08-618f) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Boetes, Bedrieglijk opzet, Proportionaliteitsbeginsel, frauduleuze intentie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boetes-bedrieglijk-opzet-proportionaliteitsbeginsel-boete-rechtbank-bergen-2026-03-25-7630) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, levering van goederen, belastbare handeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-levering-goederen-belastbare-handeling-rechtbank-leuven-2002-09-06-06b7) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Interest, Systeem van verrekening, Tarief interest](https://juriel.be/nl/rechtspraak/interest-systeem-verrekening-tarief-strijdigheid-cassatie-brussel-2023-03-24-9b56) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa, Niet-proportionele geldboeten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-2021-03-29-a73f) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa, Niet-proportionele geldboeten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-2021-10-18-b86f) 4 gemeenschappelijke bepalingen
