Procesrecht, Verhaalbaarheid van de erelonen en advocaatkosten, Toepassingsgebied · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Grondwettelijk Hof Brussel 3 maart 2016

Zoeken

Procesrecht, Verhaalbaarheid van de erelonen en advocaatkosten, Toepassingsgebied

https://juriel.be/nl/rechtspraak/procesrecht-verhaalbaarheid-erelonen-advocaatkosten-grondwettelijk-hof-brussel-2016-03-00ca

Rechtscollege
Grondwettelijk Hof
Zetel
Brussel
Datum
3 maart 2016

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands
Strekking volgens de FOD
gemengd

Tekst

290 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest tot nietigverklaring

Procesrecht – Verhaalbaarheid van de erelonen en advocaatkosten – Toepassingsgebied – Publiekrechtelijk rechtspersoon die in het algemeen belang als partij optreedt in een geding – vrijstelling

Wetgeving

Wet van 25.04.2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (artikelen 17 en 18)

Samenvatting

I. Voorafgaande feiten

1. De beroepen zijn gericht tegen artikel 17 van de wet van 25 april 2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Die bepaling vult het achtste lid aan van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 « tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering », met een 3°, krachtens hetwelk geen enkele rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Staat verschuldigd is « wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding (overweging B.1.1).

Het beroep in de zaak nr. 6147 viseert eveneens artikel 18 van dezelfde wet, dat de inwerkingtreding van artikel 17 bepaalt op de dag waarop het voormelde artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 in werking treedt (overweging B.1.2).

2. De middelen in de zaken nrs. 6146, 6147 en 6160 tot 6163 zijn afgeleid uit de schending door het bestreden artikel 17 van de wet van 25 april 2014 van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere grondwetsbepalingen, met internationale en Europeesrechtelijke bepalingen, met wetsbepalingen en met algemene rechtsbeginselen (overweging B.5)

II. Samenvatting van het arrest

1. Het gelijktijdig bestaan van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarin het beginsel van de verhaalbaarheid bij de Raad van State werd ingevoerd, en van het bestreden achtste lid, 3°, van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zal wanneer het in werking zal treden, verschillen in behandeling doen ontstaan die moeilijk te verantwoorden lijken. Beide wetgevingen laten immers op onsamenhangende wijze toe dat een administratieve overheid meer of minder wordt blootgesteld aan het financiële risico van het proces naargelang haar tegenpartij, wanneer die over een dergelijke keuze beschikt, beslist om op te treden voor de burgerlijke rechter dan wel voor de Raad van State (overweging B.9.1).

2. Het in de bestreden bepaling neergelegde criterium van het algemeen belang houdt een risico van rechtsonzekerheid in, terwijl de wet van 21 april 2007 een dergelijke onzekerheid precies wilde vermijden (overweging B.9.2).

Het bestreden artikel 17 van de wet van 25 april 2014 schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Bijgevolg dient die bepaling te worden vernietigd.

Artikel 18 van dezelfde wet betreffende de inwerkingtreding van de vernietigde bepaling dient eveneens te worden vernietigd, vanwege het onlosmakelijke verband tussen beide bepalingen (overwegingen B.10 en B.11).

Bijgevolg vernietigt het Grondwettelijk Hof de artikelen 17 en 18 van de wet van 25 april 2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (dispositief).

Opmerking

De redenering van het Grondwettelijk Hof is grotendeels gebaseerd op de vroegere arresten nrs. 68/2015, 69/2015, 70/2015 van 21.05.2015.

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 34/2016 d.d. 03.03.2016 (rolnummers 6146, 6147, 6160, 6161, 6162 en 6163)

In zake : de beroepen tot vernietiging van de artikelen 17 en 18 van de wet van 25 april 2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (aanvulling van artikel 1022, achtste lid, van het Gerechtelijk Wetboek met een 3°), ingesteld door Wim Raeymaekers, door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », door de vzw « Genootschap Advocaten Publiekrecht » en anderen, door de Orde van Vlaamse balies en Dominique Matthys, door Roussana Bardarska en door de vzw « Touche pas à mes certificats verts ».

Het Grondwettelijk Hof,

samengesteld uit … , wijst na beraad het volgende arrest :

I.Onderwerp de beroepen en rechtspleging

a.Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 januari 2015 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 januari 2015, is beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 17 van de wet van 25 april 2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (aanvulling van artikel 1022, achtste lid, van het Gerechtelijk Wetboek met een 3°), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 augustus 2014, door Wim Raeymaekers.

b.Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 22 januari 2015 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 januari 2015, is beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 17 en 18 van dezelfde wet door de « Ordre des barreaux francophones et germanophone », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. V. Letellier, advocaat bij de balie te Brussel.

c.Bij twee verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 18 februari 2015 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 20 februari 2015, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van artikel 17 van dezelfde wet door de vzw « Genootschap Advocaten Publiekrecht », Peter Luypaers en Isabelle Cooreman en door de Orde van Vlaamse balies en Dominique Matthys, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Boullart, advocaat bij de balie te Gent.

d.Bij twee verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 19 februari 2015 ter post aangetekende brief en ter griffie zijn ingekomen op 20 februari 2015 en 23 februari 2015, zijn beroepen tot vernietiging ingesteld van hetzelfde artikel van dezelfde wet door Roussana Bardarska, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. H. Van de Cauter, advocaat bij de balie te Brussel, en door de vzw « Touche pas à mes certificats verts », bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. L. Misson, advocaat bij de balie te Luik.

Die zaken, ingeschreven onder de nummers 6146, 6147, 6160, 6161, 6162 en 6163 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.

De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door Mr. S. Ronse en Mr. G. Dewulf, advocaten bij de balie te Kortrijk, heeft memories ingediend en de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend.

Bij beschikking van 16 september 2015 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers

R.Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist :

-dat de zaken niet in staat van wijzen zijn;

-alle partijen uit te nodigen, in een uiterlijk op 16 oktober 2015 in te dienen aanvullende memorie, waarvan zij een kopie laten toekomen aan de andere partijen binnen dezelfde termijn, hun standpunt te bepalen over de invloed van de rechtspraak van het Hof in de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015 van 21 mei 2015 op onderhavige zaken.

Aanvullende memories zijn ingediend door :

-de verzoekende partij in de zaak nr. 6146;

-de verzoekende partijen in de zaak nr. 6160;

-de verzoekende partijen in de zaak nr. 6161;

-de verzoekende partij in de zaak nr. 6163;

-de Ministerraad, in alle zaken.

Bij beschikking van 25 november 2015 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers

R. Leysen en T. Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen zijn, dat geen terechtzitting zal worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek heeft ingediend om te worden gehoord, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zullen worden gesloten op 16 december 2015 en de zaken in beraad zullen worden genomen.

Ingevolge het verzoek van de Ministerraad om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 16 december 2015 de dag van de terechtzitting bepaald op 13 januari 2016.

Op de openbare terechtzitting van 13 januari 2016 :

- zijn verschenen :

. Wim Raeymaekers, verzoekende partij in de zaak nr. 6146, in eigen persoon;

. Mr. L. Laperche, advocaat bij de balie te Brussel, loco Mr. V. Letellier, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 6147;

. Mr. S. Boullart en Mr. N. Vermeire, advocaat bij de balie te Gent, voor de verzoekende partijen in de zaken nrs. 6160 en 6161;

. Mr. H. Van de Cauter, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 6162;

. Mr. A. Kettels, advocaat bij de balie te Luik, tevens loco Mr. L. Misson, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 6163;

. Mr. M. Descheemaeker, advocaat bij de balie te Kortrijk, loco Mr. S. Ronse en Mr. G. Dewulf, voor de Ministerraad;

-hebben de rechters-verslaggevers R. Leysen en T. Giet verslag uitgebracht;

-zijn de voornoemde partijen gehoord;

-zijn de zaken in beraad genomen.

De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.

II.In rechte

- A -

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de beroepen tot vernietiging

A.1.1.De verzoekende partij in de zaak nr. 6146 treedt op in haar hoedanigheid van procespartij ten aanzien van de fiscale administratie in een hangend rechtsgeding en in eventuele toekomstige rechtsgedingen. Zij zou rechtstreeks en ongunstig in haar persoonlijke processituatie worden geraakt door de bestreden bepaling.

A.1.2.De verzoekende partij in de zaak nr. 6162 beroept zich op haar hoedanigheid van procespartij in een hangend rechtsgeding bij de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel tegen de Belgische Staat, inzake vermeende fouten begaan door de laatstgenoemde bij de berekening van de successierechten. De bestreden bepaling zou kunnen verhinderen dat, indien de verzoekende partij in het gelijk wordt gesteld, de Belgische Staat wordt veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

A.1.3.De verzoekende partij in de zaak nr. 6163 beroept zich op haar hoedanigheid van rechtzoekende, die betrokken kan geraken in een procedure tegen een publiekrechtelijke rechtspersoon die de vrijstelling van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding, zoals daarin is voorzien in de bestreden bepaling, geniet. Voor zover als nodig beroept de verzoekende partij zich ook op haar hoedanigheid van procespartij in een hangende procedure voor het Hof van Beroep te Luik tegen de « Commission wallonne pour l’énergie » (hierna : CWaPE), zijnde een publiekrechtelijke rechtspersoon die - indien hij in het ongelijk wordt gesteld nadat de bestreden bepaling in werking is getreden - geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zal zijn.

A.2.1.De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 6146, 6162 en 6163. Het aangevoerde nadeel, zijnde de betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan een publiekrechtelijke rechtspersoon die in het algemeen belang optreedt en die in een rechtsgeding in het gelijk wordt gesteld, zou niet voortvloeien uit de bestreden bepaling, doch wel uit de artikelen 1017, eerste lid, en 1018, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek, die voorzien in de algemene regel dat de in het gelijk gestelde partij recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding.

Daarenboven zou het aangevoerde nadeel in de zaken nrs. 6146 en 6163 louter hypothetisch zijn. De loutere bewering dat een rechtsgeding hangende is, zonder dat daarvan enig bewijsstuk wordt voorgelegd, en dat de verzoekende partijen in de toekomst misschien nog zouden worden geconfronteerd met een rechtsgeding tegenover een orgaan dat optreedt in het algemeen belang, zou niet volstaan om hun het vereiste belang te verlenen.

A.2.2.De Ministerraad betwist voorts het belang van de verzoekende partijen in de zaak nr. 6160, dat in hun verzoekschrift niet wordt uiteengezet.

Wat de vzw « Genootschap Advocaten Publiekrecht » betreft, stelt de Ministerraad dat de bestreden bepaling niets uit te staan heeft met haar maatschappelijk doel. Meer in het bijzonder zou de bestreden bepaling de wetenschappelijke studie van het publiekrecht niet onmogelijk maken, noch zou zij de belangen van haar leden - zijnde allen advocaten - in het gedrang brengen.

De andere verzoekende partijen, natuurlijke personen, tonen niet aan dat zij betrokken zijn bij een gerechtelijke procedure waarin de bestreden norm toepassing zou kunnen vinden. De mogelijkheid dat zij in de toekomst misschien nog zullen worden geconfronteerd met een rechtsgeding tegenover een publiekrechtelijke rechtspersoon die optreedt in het algemeen belang, zou geheel afhankelijk zijn van allerlei nog af te wachten ontwikkelingen.

A.3.1.De verzoekende partij in de zaak nr. 6146 repliceert dat de bestreden bepaling niet louter an sich in een vacuüm moet worden beoordeeld, maar wel in het bredere kader van de bestaande regelgeving. Voorts verwijst zij naar het rolnummer van de zaak die zij heeft ingeleid bij de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel tegen de minister van Financiën, teneinde aan te tonen dat haar belang geenszins hypothetisch is.

A.3.2.In de zaak nr. 6160 stelt de vzw « Genootschap Advocaten Publiekrecht » dat de bestreden norm wel degelijk verband houdt met haar maatschappelijk doel, zijnde het verdedigen van de collectieve belangen van haar leden. Die leden, allen advocaten met ervaring in en kennis van het publiekrecht, die in hun beroepsuitoefening dagelijks cliënten verdedigen in geschillen tegenover publiekrechtelijke rechtspersonen, zullen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepaling. Hun cliënten zullen immers ervan worden weerhouden verweer te voeren of een procedure op te starten tegen een publiekrechtelijke rechtspersoon die optreedt in het algemeen belang, nu de kosten van de procedure hoger dreigen te worden in zoverre zij geen aanspraak kunnen maken op een rechtsplegingvergoeding wanneer zij in het gelijk worden gesteld.

Om dezelfde reden zouden ook de andere verzoekende partijen, zijnde advocaten met een aanzienlijke ervaring in het publiekrecht die in hun beroepsuitoefening voortdurend worden geconfronteerd met rechtsgedingen tegenover publiekrechtelijke rechtspersonen, over het rechtens vereiste belang beschikken.

A.3.3.De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6162 en 6163 repliceren dat hun vrees niet erin bestaat te worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding indien zij het rechtsgeding verliezen, doch wel geen recht te hebben op een rechtsplegingsvergoeding indien zij het rechtsgeding winnen. Dat nadeel zou wel degelijk rechtstreeks voortvloeien uit de bestreden bepaling.

De verzoekende partij in de zaak nr. 6163 verwijst voorts naar het rolnummer van de zaak die zij heeft ingeleid bij het Hof van Beroep te Luik tegen de CWaPE, hetgeen zou volstaan om te doen blijken van het rechtens vereiste belang. Zij zal immers geen rechtsplegingsvergoeding genieten indien zij in het gelijk wordt gesteld na de inwerkingtreding van de bestreden bepaling. Het zou overigens geenszins nodig zijn thans betrokken te zijn in een hangend rechtsgeding om van het rechtens vereiste belang te doen blijken. Elke rechtzoekende wordt mogelijkerwijs benadeeld door de bestreden bepaling, vermits elke rechtzoekende verwikkeld kan geraken in een rechtsgeding tegen een publiekrechtelijke rechtspersoon die de vrijstelling geniet. Daar de bestreden bepaling nog niet in werking is getreden, kan geen enkele rechtzoekende van een meer actueel belang doen blijken.

Ten gronde

A.4.De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6146, 6147 en 6160 tot 6163 vorderen de vernietiging van artikel 17 van de wet van 25 april 2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (hierna : de wet van 25 april 2014). De verzoekende partijen in de zaak nr. 6147 vorderen daarenboven de vernietiging van artikel 18 van dezelfde wet.

Zaak nr. 6146

A.5.Het enige middel in de zaak nr. 6146 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 13 en 23, derde lid, 2°, van de Grondwet, met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol en artikel 1 van het Twaalfde Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, met de artikelen 14 en

26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en met de beginselen van behoorlijke rechtsbedeling.

Volgens de verzoekende partij zou de bestreden bepaling, door een publiekrechtelijke rechtspersoon die optreedt in het algemeen belang vrij te stellen van de betaling van enige vergoeding aan de burger, ongeacht winst of verlies van het rechtsgeding, terwijl de eerstgenoemde zelf wel aanspraak kan maken op een vergoeding ten laste van de in het ongelijk gestelde burger, op discriminerende wijze de toegang tot de rechter beperken voor de burger, afbreuk doen aan het recht op juridische bijstand, een grote mate van wapenongelijkheid creëren en het vermogen van de burger aantasten.

De wetgever zou weliswaar een wettig doel nastreven door de regelgeving te willen aanpassen aan de bestaande rechtspraak van het Hof. Een correcte omzetting van die rechtspraak zou evenwel inhouden dat, indien de publiekrechtelijke rechtspersoon niet kan worden veroordeeld tot enige vergoeding wanneer hij optreedt in het algemeen belang, hem in die situatie ook geen vergoeding kan worden toegekend. De bestreden bepaling zou in die zin grondwetsconform kunnen worden geïnterpreteerd.

A.6.De Ministerraad antwoordt dat de bestreden bepaling redelijk verantwoord is, en tegemoet komt aan de rechtspraak van het Hof inzake de uitsluiting van publiekrechtelijke rechtspersonen uit het systeem van de rechtsplegingsvergoeding. Uit die rechtspraak zou blijken dat het feit dat de publiekrechtelijke rechtspersoon optreedt in het algemeen belang, volstaat om die uitsluiting te verantwoorden.

Voorts zou het gevreesde nadeel van de verzoekende partij om automatisch een rechtsplegingsvergoeding te moeten betalen aan een publiekrechtelijke rechtspersoon die optreedt in het algemeen belang en in een rechtsgeding in het gelijk wordt gesteld, niet voortvloeien uit de bestreden bepaling, doch wel uit de artikelen 1017, eerste lid, en 1018, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek, zodat het middel alleen al om die reden ongegrond is.

In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de bestreden bepaling op een grondwetsconforme wijze kan worden geïnterpreteerd, in die zin dat in zoverre een publiekrechtelijke rechtspersoon niet kan worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding wanneer hij in het ongelijk wordt gesteld, hem evenmin een rechtsplegingsvergoeding kan worden toegekend wanneer hij in het gelijk wordt gesteld.

A.7.De verzoekende partij aanvaardt de redelijke verantwoording die door de wetgever wordt geboden om een publiekrechtelijke rechtspersoon vrij te stellen van een rechtsplegingsvergoeding wanneer hij optreedt in het algemeen belang, maar benadrukt het probleem van de wederkerigheid. Zij sluit zich ter zake aan bij de grondwetsconforme interpretatie die door Ministerraad wordt voorgesteld.

Zaak nr. 6147

A.8.1.Het enige middel in de zaak nr. 6147 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag en met de artikelen 14 en 26 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten.

Volgens de verzoekende partij is de bestreden bepaling in strijd met de keuze die is neergelegd in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek om het risico van een rechtsgeding gelijk tussen de procespartijen te verdelen, alsook met de keuze die de wetgever enkele maanden vóór het aannemen van de bestreden bepaling heeft gemaakt om in de procedure bij de Raad van State een rechtsplegingsvergoeding in te stellen.

A.8.2.In het eerste onderdeel van het enige middel viseert de verzoekende partij het verschil in behandeling tussen de publiekrechtelijke rechtspersonen en de privépersonen, in zoverre de eerstgenoemden worden vrijgesteld van het procesrisico indien zij optreden in het algemeen belang, alsook het verschil in behandeling tussen in het gelijk gestelde rechtzoekenden, naargelang hun tegenpartij al dan niet een publiekrechtelijke rechtspersoon is die optreedt in het algemeen belang.

Volgens de verzoekende partij hebben de arresten nrs. 36/2012, 43/2012 en 132/2013, waaraan de wetgever met de bestreden bepaling is willen tegemoetkomen, betrekking op specifieke vorderingen die werden ingesteld door de betrokken overheidsorganen in het kader van de uitoefening van de aan hen toegewezen bevoegdheden ter bescherming van de openbare orde. Het is vanwege de bijzondere opdracht die hun is toegekend dat de betrokken overheidsorganen volgens het Hof vergelijkbaar zijn met het openbaar ministerie, dat overeenkomstig het arrest nr. 182/2008 kan worden vrijgesteld van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding omdat het, in het belang van de maatschappij, belast is met het onderzoek en de vervolging van misdrijven en het de strafvordering uitoefent, zodat het een bijzondere plaats in het strafproces inneemt. De verschillende behandeling die de betrokken overheidsorganen genieten, is niet verantwoord door het enkele feit dat zij optreden in het algemeen belang, doch wel door het feit dat zij een specifieke vordering uitoefenen ter bescherming van de openbare orde.

De bestreden bepaling zou de hypothesen vermeld in de voormelde arresten ruimschoots overschrijden, in zoverre zij elke situatie viseert waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon optreedt in het algemeen belang. Het gehanteerde criterium zou niet toelaatbaar zijn, temeer nu de overheid in beginsel steeds optreedt in het algemeen belang.

De bestreden bepaling zou aldus op onevenredige en discriminerende wijze afbreuk doen aan het recht op toegang tot de rechter.

A.8.3.In het tweede onderdeel van het enige middel viseert de verzoekende partij het verschil in behandeling tussen partijen in eenzelfde rechtsgeding, bij gebrek aan wederkerigheid van de vrijstelling van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding ten aanzien van de tegenpartij van een publiekrechtelijke rechtspersoon. Doordat slechts één van beide procespartijen het risico loopt om een rechtsplegingsvergoeding te moeten betalen, zou de bestreden bepaling op discriminerende wijze afbreuk doen aan het recht op gelijke wapens, neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

A.9.De Ministerraad neemt zijn argumentatie over zoals uiteengezet in de zaak nr. 6146 (zie A.6). Hij voegt daaraan toe dat het enkele feit dat het Hof in bepaalde arresten verwijst naar de taak van de betrokken publiekrechtelijke rechtspersoon om de openbare orde te vrijwaren, geen afbreuk doet aan het feit dat het optreden in het algemeen belang een redelijk verantwoord en pertinent criterium is voor de uitsluiting van publiekrechtelijke rechtspersonen uit het systeem van de rechtsplegingsvergoeding. Het is net vanwege die taak van algemeen belang dat het betrokken orgaan in alle onafhankelijkheid beslissingen moet kunnen nemen, zonder rekening te houden met het financiële risico verbonden aan een procedure die zou worden ingesteld tegen die beslissingen.

A.10.De verzoekende partij verwijst in haar memorie van antwoord naar de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015 van 21 mei 2015, waarin het Hof de kwestie inzake de rechtsplegingsvergoeding in rechtsgeschillen voor de burgerlijke rechter tussen een overheid en een particulier, opnieuw heeft beoordeeld, in het licht van de invoering van het beginsel van de verhaalbaarheid bij de Raad van State. Uit die arresten zou voortvloeien dat enkel de bijzondere behandeling van het openbaar ministerie en het arbeidsauditoraat verantwoord is, rekening houdend, enerzijds, met de bijzondere aard van het strafrechtelijk contentieux en, anderzijds, met de specifieke opdracht van het openbaar ministerie of het arbeidsauditoraat in strafzaken om de strafvordering uit naam van de maatschappij uit te oefenen.

In het licht van die rechtspraak zou het eerste onderdeel van het enige middel gegrond zijn, zodat het tweede onderdeel van het enige middel niet meer moet worden onderzocht.

Zaken nrs. 6160 en 6161

A.11.1. Het eerste middel in de zaken nrs. 6160 en 6161 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 16 van de Grondwet.

Doordat wordt voorzien in een vrijstelling van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding voor publiekrechtelijke rechtspersonen die in een geding optreden in het algemeen belang, zou de rechtzoekende burger worden geconfronteerd met een eigendomsberoving, minstens met een eigendomsbeperking waarvoor geen redelijke verantwoording bestaat en die bovendien disproportioneel zijn eigendomsrecht aantast.

De enige bestaansreden van de overheid bestaat erin het algemeen belang te dienen, en dat algemeen belang mag niet per definitie boven het particulier belang worden geplaatst. Bovendien zou een publiekrechtelijke rechtspersoon die in een geding in het ongelijk wordt gesteld, nooit kunnen worden geacht te zijn opgetreden in het algemeen belang, vermits hij in dat geval op onrechtmatige of onwettige wijze is opgetreden.

A.11.2.1.Het tweede middel is afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel, van het recht op toegang tot de rechter, van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, van de beginselen van de wapengelijkheid, van het recht op verdediging en van het rechtszekerheidsbeginsel, zoals neergelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet, met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 47 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, alsook uit een schending van het rechtszekerheidsbeginsel en van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

A.11.2.2.Het eerste onderdeel van het tweede middel viseert het verschil in behandeling dat wordt ingevoerd tussen de rechtzoekenden die in het gelijk worden gesteld ten aanzien van een overheid en diegenen die in het gelijk worden gesteld ten aanzien van een privépersoon, nu enkel de eerste categorie het voordeel van de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding wordt ontzegd. Dat verschil in behandeling zou niet kunnen worden verantwoord, om dezelfde redenen als vermeld in A.11.1. Bovendien zou de bestreden bepaling door de wetgever niet zijn verantwoord in het licht van de vereiste onafhankelijkheid van de overheid bij het optreden in rechte, waaraan het Hof in zijn rechtspraak veel gewicht heeft toegekend.

A.11.2.3.In het tweede onderdeel van het tweede middel wordt aangevoerd dat de bestreden bepaling op disproportionele wijze ingrijpt in het recht op toegang tot de rechter en het recht op een doeltreffend rechtsmiddel, doordat de veralgemeende vrijstelling van een rechtsplegingsvergoeding voor publiekrechtelijke rechtspersonen een ontradend effect heeft op de rechtzoekende die wil procederen tegen de overheid dan wel een deugdelijk verweer wil voeren, vanuit de schrik om er financieel bekaaid af te komen in zoverre geen rechtsplegingsvergoeding wordt toegekend indien hij in het gelijk wordt gesteld.

Meteen zou een schending van het recht op verdediging en het recht op wapengelijkheid vaststaan, vermits de overheid kan procederen zonder te vrezen voor de tenlastelegging van een rechtsplegingsvergoeding, terwijl zij doorgaans over meer juridische expertise beschikt binnen haar eigen bevoegdheidsdomein.

A.11.2.4.In het derde onderdeel van het tweede middel wordt aangevoerd dat de bestreden bepaling het rechtszekerheidsbeginsel schendt, nu die bepaling bij gebrek aan overgangsmaatregelen van toepassing zal zijn op hangende rechtsgedingen, en de betrokken procespartijen hun gedragingen niet hebben kunnen afstemmen op de nieuwe norm. Dit geldt des te meer daar de rechter niet over de mogelijkheid beschikt om de toepassing van de nieuwe norm te milderen.

A.11.3.Het derde middel is afgeleid uit de schending van het gelijkheidsbeginsel en het recht op toegang tot de rechter, zoals neergelegd in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet en met de artikelen 6.1 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat de rechtzoekenden die door de hoven en de rechtbanken in het gelijk worden gesteld ten aanzien van een publiekrechtelijke rechtspersoon die optreedt in het algemeen belang geen rechtsplegingsvergoeding kunnen genieten, terwijl de rechtzoekenden die door de Raad van State in het gelijk worden gesteld ten aanzien van diezelfde publiekrechtelijke rechtspersoon wel een rechtsplegingsvergoeding kunnen genieten.

Noch in de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling, noch in de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 januari 2014, die het beginsel van de verhaalbaarheid bij de Raad van State heeft ingevoerd, zou een verantwoording worden geboden voor dat onderscheid.

A.11.4.Het vierde middel is afgeleid uit de schending van artikel 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 47 en 52, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, met de artikelen 1, 3, 6 en 9, leden 4 en 5, van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, met artikel 16 van de richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 inzake geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging en met artikel 11 van de richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten.

De bestreden bepaling zou de rechtzoekende ontraden zich te wenden tot de milieurechter, waardoor het recht op toegang tot de milieurechter op onverantwoorde en onevenredige wijze wordt aangetast.

Vermits dat middel het Hof zou uitnodigen invulling te geven aan het Europees Unierecht, strekt het volgens de verzoekende partijen tot aanbeveling een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te stellen.

A.11.5.Het vijfde middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 16 van de Grondwet, doordat de onteigende geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding wanneer de vrederechter de publiekrechtelijke rechtspersoon die onteigent in het ongelijk stelt door de voorlopige onteigeningsvergoeding hoger te bepalen dan door de onteigenaar vooropgesteld, terwijl de onteigende kan worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding aan diezelfde onteigenaar wanneer de vrederechter de onteigende in het ongelijk stelt door de voorlopige onteigeningsvergoeding lager te bepalen dan door de onteigende gevorderd.

Voor dat verschil in behandeling zou er geen redelijke verantwoording bestaan. Bovendien zou er ingevolge de bestreden bepaling, die, enerzijds, toelaat dat de onteigende wordt veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding en, anderzijds, uitsluit dat hij aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding, geen sprake zijn van een « billijke schadeloosstelling » in de zin van artikel 16 van de Grondwet, noch van een

« billijk evenwicht » in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

A.12.1.Wat het eerste middel en het eerste en het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, neemt de Ministerraad zijn argumentatie over zoals uiteengezet in de zaak nr. 6146 (zie A.6).

Hij voegt daaraan toe dat het instellen van een ongegronde vordering of het voeren van een onvoldoende verweer niet per definitie kan worden gelijkgesteld met een optreden in strijd met het algemeen belang. Het begaan van een fout in de uitoefening van een opdracht zou niets zeggen over het door de publiekrechtelijke rechtspersoon nagestreefde doel. De publiekrechtelijke rechtspersonen zouden net moeten worden vrijgesteld van het systeem van de rechtsplegingsvergoeding teneinde hun toe te laten een standpunt in te nemen met het oog op het vrijwaren van het belang dat hun bij wet is toegekend, en dat wordt geacht het algemeen belang te dienen.

Daarenboven zou de verzoekende partij steeds de mogelijkheid hebben om een aansprakelijkheidsvordering in te stellen tegen de publiekrechtelijke rechtspersoon, indien zij van oordeel is dat de laatstgenoemde een fout heeft begaan in de uitoefening van zijn opdracht.

A.12.2.Wat het in het derde onderdeel van het tweede middel aangevoerde gebrek aan overgangsbepaling betreft, benadrukt de Ministerraad dat de wetgever snel wilde optreden om een einde te maken aan de onzekerheden die zijn ontstaan na de rechtspraak van het Hof. De bestreden bepaling zou een pertinente maatregel zijn om duidelijkheid te scheppen omtrent de verhaalbaarheid van een rechtsplegingsvergoeding ten aanzien van een publiekrechtelijke rechtspersoon. Bovendien zou de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling op hangende rechtsgedingen geen onevenredige gevolgen hebben, gelet op het feit dat de privépersonen ook geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd zullen zijn wanneer zij in een rechtsgeding tegenover een publiekrechtelijke rechtspersoon in het ongelijk worden gesteld, en gelet op de forfaitaire grondslag van de rechtsplegingsvergoeding.

A.12.3.Inzake het derde middel stelt de Ministerraad dat het bestreden verschil in behandeling tussen procespartijen voor de burgerlijke rechtbanken en hoven, enerzijds, en voor de Raad van State, anderzijds, niet voortvloeit uit de bestreden bepaling, doch wel uit de regelgeving inzake de rechtsplegingsvergoeding voor de Raad van State, die niet het voorwerp uitmaakt van het onderhavige beroep.

A.12.4.Inzake het vierde middel antwoordt de Ministerraad dat de bestreden bepaling geen onevenredige financiële last op de privépersoon legt, die het hem onmogelijk maakt zich tot de milieurechter te wenden. De Ministerraad wijst daarbij op de wederkerigheid van de bestreden norm, op het forfaitaire en beperkte bedrag van de rechtsplegingsvergoeding, alsmede op de mogelijkheid voor de privépersoon om zich tot de Raad van State te wenden, waar hij wel aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding. De toegang tot de milieurechter zou dan ook niet op onevenredige wijze worden beperkt.

A.12.5.Wat het vijfde middel betreft, wijst de Ministerraad nogmaals op de wederkerigheid van de bestreden bepaling. In ieder geval zou de rechtsplegingsvergoeding geen deel uitmaken van de « billijke schadevergoeding » voor de onteigening, die immers enkel betrekking heeft op het verlies van het onroerend goed. Bovendien zou het de onteigende vrijstaan lopende de administratieve fase een overeenkomst omtrent het te onteigenen goed te bereiken, zodat de gerechtelijke fase wordt vermeden.

A.13.1.Wat het eerste middel en het eerste onderdeel van het tweede middel betreft, repliceren de verzoekende partijen dat de vrijstelling van de publiekrechtelijke rechtspersonen van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding niet redelijk verantwoord is. De verzoekende partijen verwijzen ter zake naar de overwegingen van het Hof in de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015, waaruit genoegzaam zou blijken dat de opdracht van algemeen belang zich niet verzet tegen de betaling van een rechtsplegingsvergoeding en dat het forfaitaire systeem van de rechtsplegingsvergoeding op alle partijen van toepassing dient te zijn.

De Ministerraad zou de problematiek ten onrechte minimaliseren door te verwijzen naar het forfaitaire karakter van de rechtsplegingsvergoeding. Het bedrag daarvan kan immers oplopen tot 33 000 euro, zodat de vrijstelling van de rechtsplegingsvergoeding wel degelijk kan leiden tot een fundamentele eigendomsberoving of -beperking.

De bewering van de Ministerraad dat de rechtzoekende steeds een aansprakelijkheidsvordering kan instellen, zou niets ter zake doen, nu die vordering een andere finaliteit heeft dan het initiële geschil. Bovendien zou het probleem enkel worden verlegd naar die (overbodige) procedure, waar de publiekrechtelijke rechtspersoon dan andermaal wordt vrijgesteld van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

A.13.2.Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, benadrukken de verzoekende partijen dat de aangevoerde schendingen van de betrokken grondrechten en de ongelijke behandeling die eruit voortvloeit, wel degelijk het gevolg zijn van de bestreden bepaling, hetgeen ook zou blijken uit de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015 van het Hof. Door de publiekrechtelijke rechtspersonen die optreden in het algemeen belang op veralgemeende wijze uit te sluiten uit het systeem van de rechtsplegingsvergoeding, heeft de bestreden bepaling van de weeromstuit tot gevolg dat de privépersoon die in het ongelijk wordt gesteld, per definitie niet wordt vrijgesteld van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

De verzoekende partijen verwerpen de door de Ministerraad voorgestelde « grondwetsconforme interpretatie », nu de aangevoerde wederkerigheid van de uitsluiting uit het systeem van de rechtsplegingsvergoeding zou leiden tot een uitholling van dat systeem. De verzoekende partijen verwijzen daarbij ook naar de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015, waarin het Hof het beginsel van de toepassing van de bepalingen inzake de rechtsplegingsvergoeding op alle partijen, ongeacht of het gaat om privépersonen of overheden die optreden in het algemeen belang, heeft herbevestigd.

A.13.3.Inzake het derde onderdeel van het tweede middel repliceren de verzoekende partijen dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling geen pertinente maatregel is om duidelijkheid te scheppen omtrent de verhaalbaarheid van de rechtsplegingsvergoeding, laat staan dat de wetgever daartoe een verantwoording zou hebben geboden.

A.13.4.Wat het derde middel betreft, volstaan de verzoekende partijen met een verwijzing naar de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015, waarin het Hof reeds geoordeeld zou hebben dat het verschil in behandeling tussen procespartijen voor de burgerlijke hoven en rechtbanken, enerzijds, en voor de Raad van State, anderzijds, niet redelijk verantwoord is.

A.13.5.Wat het vierde middel betreft, wijzen de verzoekende partijen nogmaals erop dat het Hof in de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015 niet langer vasthoudt aan de bijzondere rol van de publiekrechtelijke rechtspersonen, maar oordeelt dat het systeem van de rechtsplegingsvergoeding van toepassing dient te zijn op alle procespartijen. Daar de financiële last kan oplopen tot 33 000 euro, zou er wel degelijk sprake zijn van een onevenredige financiële last die enkel rust op de schouders van de privépersonen.

Met het argument dat de milieubewuste procespartij zich steeds kan wenden tot de Raad van State, waar wel een rechtsplegingsvergoeding kan worden verkregen, zou de Ministerraad zelf aangeven dat er een extra onderscheid wordt gecreëerd tussen de rechtzoekenden die zich willen wenden tot de milieurechter dan wel tot de niet-milieurechter, hetgeen geenszins redelijk kan worden verantwoord. De geponeerde « vrije keuze » zou bovendien niet steeds aanwezig zijn, gelet op de onderscheiden rechtsmacht van de gewone hoven en rechtbanken, enerzijds, en van de Raad van State, anderzijds.

A.13.6.Inzake het vijfde middel repliceren de verzoekende partijen dat de Ministerraad bezwaarlijk kan beweren dat de onteigende in voorkomend geval geen rechtsplegingsvergoeding dient te betalen aan de onteigenaar, nu het Hof in de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015 heeft geoordeeld dat het systeem van de rechtsplegingsvergoeding op alle partijen van toepassing dient te zijn.

Tot slot benadrukken de verzoekende partijen dat de onteigende zich ter bescherming van zijn eigendom zal dienen te verweren tegen de eenzijdige beslissing van het bestuur, hetgeen niet zou kunnen worden geminimaliseerd door te poneren dat de onteigende maar dient mee te gaan met de minnelijke verwervingsregeling.

Zaak nr. 6162

A.14.1.Het eerste middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

De verzoekende partij begrijpt niet waarom een publiekrechtelijke rechtspersoon geen rechtsplegingsvergoeding moet betalen wanneer hij een rechtsgeding verliest, nu in dat geval bezwaarlijk staande kan worden gehouden dat hij optreedt in het algemeen belang. De bestreden bepaling zou aldus een ongerechtvaardigd verschil in behandeling invoeren.

A.14.2.Het tweede middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op een eerlijk proces zoals neergelegd in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

Er zou geen sprake zijn van een eerlijk proces indien de overheid - in beginsel de sterkste procespartij - wordt vrijgesteld van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding wanneer zij het proces verliest, terwijl de belastingplichtige - in beginsel de zwakste procespartij - die vrijstelling niet geniet. Aldus zou de rechtzoekende in het kader van een proces worden benadeeld ten aanzien van de publiekrechtelijke rechtspersoon, zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Bovendien zou de weigering om een deel van de gerechtskosten terug te betalen via de rechtsplegingsvergoeding, de toegang tot de rechter beperken.

A.15.De Ministerraad neemt zijn argumentatie over zoals uiteengezet in de zaken nrs. 6160 en 6161 (zie A.12.1).

A.16.De verzoekende partij repliceert dat de aangevoerde rechtspraak van het Hof, waarin wordt geoordeeld dat het openbaar ministerie, het arbeidsauditoraat en de ambtenaren die stedenbouwkundige inbreuken bestraffen, niet kunnen worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding, niet relevant is. De genoemde overheden treden immers op in het kader van een strafrechtelijke procedure. Ofschoon zij iemand ten onrechte kunnen verdenken van het begaan van een inbreuk, hebben zij zelf geen fout begaan voorafgaandelijk aan het proces en zijn zij niet door de beklaagde gedagvaard.

In het kader van een burgerrechtelijke procedure waarin de publiekrechtelijke rechtspersoon partij is als eiser, verweerder of tussenkomende partij, treedt hij weliswaar op in het kader van zijn openbare dienst, maar in dat geval is hij een partij zoals een andere. Indien hij het proces verliest, staat vast dat hij een fout heeft begaan die de verplichting meebrengt om een deel van de advocatenkosten van de privépersoon te vergoeden.

Daarenboven voorziet de bestreden bepaling niet dat de privépersoon die ten aanzien van een publiekrechtelijke rechtspersoon in het ongelijk wordt gesteld, wordt vrijgesteld van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding, hetgeen de enige eerlijke oplossing zou zijn indien de uitzondering voor de publiekrechtelijke rechtspersoon behouden wordt. De verzoekende partij stelt vast dat de Ministerraad zich bij die zienswijze aansluit.

Tot slot ziet de verzoekende partij geen voordeel in het verdubbelen van de procedures, om tot een resultaat te komen, namelijk de betaling van een rechtsplegingsvergoeding, die via één enkele procedure zou kunnen worden bereikt.

Zaak nr. 6163

A.17.Het enige middel in de zaak nr. 6163 is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen, met de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag, in zoverre de bestreden bepaling de vrijstelling van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding uitbreidt tot alle publiekrechtelijke rechtspersonen die optreden in het algemeen belang als partij in een geding.

A.18.1.1.In het eerste onderdeel van het enige middel voert de verzoekende partij een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.

A.18.1.2.De verzoekende partij viseert het verschil in behandeling dat wordt ingesteld tussen de rechtzoekenden naargelang hun tegenpartij een publiekrechtelijke rechtspersoon, dan wel een andere partij is : enkel de eerste categorie van rechtzoekenden zal geen rechtsplegingsvergoeding genieten indien zij in het gelijk wordt gesteld.

De verantwoording van de wetgever voor dat verschil in behandeling, zijnde het optreden in het algemeen belang en in het bijzonder de noodzaak om de onafhankelijkheid van een publiekrechtelijke rechtspersoon die verwikkeld is in een proces te vrijwaren, zou niet pertinent, noch adequaat zijn om de bestreden maatregel te verantwoorden, en de aangewende middelen zouden niet evenredig zijn met het nagestreefde doel. De publiekrechtelijke rechtspersoon treedt mogelijkerwijs steeds op in het algemeen belang, zodat de bestreden bepaling de publiekrechtelijke rechtspersoon steeds vrijstelt van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding, ongeacht de vraag of zijn onafhankelijkheid al dan niet moet worden beschermd. Nochtans ligt die vereiste van onafhankelijkheid aan de bestreden bepaling ten grondslag, nu in de arresten van het Hof - waaraan de wetgever met de bestreden bepaling wou tegemoetkomen - enkel sprake was van een vrijstelling om de onafhankelijkheid van de betrokken publiekrechtelijke rechtspersoon te vrijwaren. Het in de bestreden bepaling vermelde criterium van het algemeen belang houdt dan ook geen verband met het nagestreefde doel, in zoverre het ook situaties omvat waarin er geen noodzaak is om de onafhankelijkheid van de publiekrechtelijke rechtspersoon te vrijwaren, en leidt bijgevolg tot een verschil in behandeling dat niet verantwoord is.

A.18.1.3.De verzoekende partij viseert voorts het verschil in behandeling dat door de bestreden bepaling wordt ingesteld tussen een privépersoon en een publiekrechtelijke rechtspersoon die betrokken zijn in dezelfde procedure, in zoverre de wetgever enkel voor de publiekrechtelijke rechtspersoon heeft voorzien in een vrijstelling van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

Dat verschil in behandeling zou niet kunnen worden verantwoord, om dezelfde reden als vermeld in.

A.18.1.2.Zelfs in de gevallen waarin het Hof heeft geoordeeld dat de onafhankelijkheid van de overheid mogelijkerwijs in het gedrang komt door het risico een rechtsplegingsvergoeding te moeten betalen, is dat verschil in behandeling volgens de verzoekende partij niet verantwoord. In die gevallen zou moeten worden vastgesteld dat geen enkele rechtsplegingsvergoeding ten laste moet worden gelegd van de in het ongelijk gestelde partij, ongeacht of het de privépersoon dan wel de publiekrechtelijke rechtspersoon betreft.

A.18.1.4. Die dubbele discriminatie zou eveneens een schending inhouden van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in het bijzonder van het recht op toegang tot de rechter en de rechten van verdediging die daarin zijn neergelegd, alsmede van de rechten beschermd door artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het voormelde Verdrag.

A.18.2. In het tweede onderdeel van het enige middel voert de verzoekende partij een schending aan van de beginselen van rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen, in zoverre de vrijstelling van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding afhankelijk is van het al dan niet optreden in het algemeen belang. Dat omvangrijke begrip kan op een ruime wijze worden geïnterpreteerd door de rechter, en kan aldus aanleiding geven tot een rechtsonzekerheid die de twijfel van de rechtzoekende om zich tot de rechter te wenden, versterkt. De rechtzoekende zal immers niet op voorhand kunnen inschatten of de publiekrechtelijke rechtspersoon al dan niet zal worden geacht op te treden in het algemeen belang en of hij bijgevolg zal worden vrijgesteld van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

Bovendien is er een schending van de beginselen van rechtszekerheid en van gewettigd vertrouwen, in zoverre de rechtzoekende erop rekende om een rechtsplegingsvergoeding te ontvangen in geval van winst van het rechtsgeding. Dit zal in het bijzonder het geval zijn voor de rechtzoekende die in een rechtsgeding verwikkeld is op het ogenblik van de inwerkingtreding van de bestreden bepaling, en die dus geen rekening kon houden met de gevolgen van die bepaling op het ogenblik dat zij besliste om tegen een overheid in rechte op te treden als eiser of als verweerder.

A.18.3.1.In het derde onderdeel van het enige middel voert de verzoekende partij een schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

A.18.3.2.De privépersoon die in rechte optreedt als eiser of als verweerder weet dat hij de advocatenkosten van de overheid zal moeten betalen indien hij in het ongelijk wordt gesteld, terwijl zijn eigen kosten steeds te zijnen laste blijven, zelfs indien hij in het gelijk wordt gesteld. De overheid daarentegen loopt geen enkel risico om een rechtsplegingsvergoeding te moeten betalen indien zij in het ongelijk wordt gesteld, en moet in dat geval enkel haar eigen advocatenkosten dragen, terwijl zij wel een rechtsplegingsvergoeding kan genieten indien zij in het gelijk wordt gesteld.

Een dergelijke situatie beperkt de toegang tot de rechter, in strijd met artikel 6 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens, en is kennelijk discriminerend. Bovendien moet een inbreuk op de wapengelijkheid worden vastgesteld, terwijl de overheid zich van nature reeds in een gunstigere situatie bevindt dan de privépersoon wat betreft de beschikbare financiële middelen om zich te verdedigen.

A.18.3.3.In het ergste geval kan die beperking om in rechte op te treden ertoe leiden dat de overheid wordt vrijgesteld van haar aansprakelijkheid, met name wanneer de Staat duidelijk aansprakelijk is voor een foutief gedrag, maar de rechtzoekende geen vordering instelt uit angst om zijn advocatenkosten niet te kunnen terugvorderen. Om die reden schendt de bestreden bepaling de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek.

A.18.4. In het vierde onderdeel van het enige middel voert de verzoekende partij een schending aan van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre de in het gelijkgestelde rechtzoekende zijn advocatenkosten niet kan terugvorderen.

Aldus zou de bestreden bepaling afbreuk doen aan het eigendomsrecht. De rechtzoekende beschikt immers over een rechtsvordering strekkende tot terugvordering van de advocatenkosten die hij ingevolge de fout van de betrokken overheid heeft geleden. Die afbreuk aan het eigendomsrecht is des te ernstig indien de overheid eiser is, nu de rechtzoekende in dat geval geen andere keuze heeft dan zich te verdedigen en de procedurekosten te betalen.

Om dezelfde redenen als vermeld in A.18.1.2, zou die inbreuk op het eigendomsrecht niet verantwoord, noch evenredig zijn.

A.19. De Ministerraad herneemt zijn argumentatie zoals uiteengezet in de zaak nr. 6146 (zie A.6).

Hij bevestigt de zienswijze van de verzoekende partij dat de publiekrechtelijke rechtspersonen steeds worden geacht op te treden in het algemeen belang. Volgens de Ministerraad is het dan ook steeds noodzakelijk dat zij in alle onafhankelijkheid kunnen optreden, zonder rekening te moeten houden met de financiële gevolgen van een beroep. Beide begrippen zouden onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

Voor zover als nodig merkt de Ministerraad op dat, daargelaten het feit dat het Hof de bestreden bepaling niet mag toetsen aan de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek, die bepaling geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de verzoekende partij om de aansprakelijkheid van een publiekrechtelijke rechtspersoon die optreedt in het algemeen belang aan te voeren indien de laatstgenoemde een (buiten)contractuele fout zou hebben begaan. De regeling inzake de rechtsplegingsvergoeding zou immers niets uit te staan hebben met de vraag naar de foutaansprakelijkheid.

A.20.1.De verzoekende partij repliceert dat de uitbreiding van de vrijstelling van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding buitensporig is in het licht van de door de Ministerraad aangehaalde rechtspraak van het Hof, nu de Staat steeds wordt geacht op te treden in het algemeen belang.

De verzoekende partij verwijst ter ondersteuning van haar zienswijze naar de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015, waarin het Hof terugkomt van zijn vroegere rechtspraak inzake de rechtsplegingsvergoeding.

A.20.2.De verzoekende partij benadrukt voorts dat zij de bestreden bepaling verwijt een onevenwicht te creëren door het gebrek aan wederkerigheid. Aldus dient de rechtzoekende, wanneer hij als partij wil optreden in een geding waarin de Staat de tegenpartij is, het risico te nemen te moeten betalen als hij verliest, maar daarenboven om niets te ontvangen als hij wint. De rechtzoekende zal aldus in geen enkel geval worden vergoed.

Wat de door de Ministerraad voorgestelde grondwetsconforme interpretatie betreft, merkt de verzoekende partij op dat de bestreden bepaling thans in geen wederkerigheid voorziet. Zelfs indien daarin zou zijn voorzien, dan nog zou die bepaling een beperking inhouden op het recht op toegang tot de rechter. De rechtzoekende moet immers een aanzienlijk bedrag aan procedurekosten betalen dat hij nooit zal kunnen terugvorderen, zelfs niet indien hij in het gelijk wordt gesteld. Om die reden zou het begrip « algemeen belang » zo beperkt mogelijk moeten worden geïnterpreteerd, teneinde te vermijden dat die beperking van toepassing is op alle burgers die de Belgische Staat als tegenstander hebben.

Aanvullende memories

A.21.De Ministerraad benadrukt in zijn gemeenschappelijke aanvullende memorie voor de samengevoegde zaken dat het subjectieve contentieux en het objectieve contentieux uit hun aard dermate verschillend zijn dat zij onvergelijkbaar zijn, en dat een verschillende aanpak op het vlak van de rechtsplegingsvergoeding bijgevolg verantwoord is.

De Ministerraad wijst voorts op de verschillende kenmerken van de beide rechtsplegingsvergoedingen. Wat de tarieven betreft, zouden de forfaitaire bedragen die gelden voor de Raad van State (tussen 140 en 1 400 euro) aanzienlijk lager zijn dan de bedragen die gelden voor de hoven en de rechtbanken (tussen 150 en 30 000 euro), hetgeen de onvergelijkbaarheid van de betrokken procedures beklemtoont. De zienswijze van het Hof dat de wetgever met de invoering van de rechtsplegingsvergoeding voor de Raad van State heeft aanvaard dat het opleggen van een forfaitaire rechtsplegingsvergoeding niet als dusdanig van dien aard is dat de onafhankelijkheid van de overheden die optreden in het algemeen belang wordt bedreigd, zou - gezien dit significante verschil in tarieven - niet zonder meer kunnen worden doorgetrokken naar de hoven en de rechtbanken.

Voorst benadrukt de Ministerraad dat de hoven en de rechtbanken ruimere mogelijkheden hebben om de rechtsplegingsvergoeding te verhogen of te matigen dan de Raad van State, hetgeen nogmaals zou aantonen dat de wetgever een duidelijk onderscheid heeft willen maken tussen beide procedures.

A.22.In de zaak nr. 6146 betwist de verzoekende partij in haar aanvullende memorie de zienswijze van het Hof in de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015 dat de wetgever, door het invoeren bij de wet van 20 januari 2014 van het stelsel van de rechtsplegingsvergoeding bij de Raad van State, heeft aanvaard dat het nastreven van het algemeen belang door een van de procespartijen niet uitsluit dat zij kan worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding, hetgeen een wezenlijke breuk zou vormen in de ontwikkeling van het stelsel van de rechtsplegingsvergoeding. Volgens de verzoekende partij kan niet worden aangenomen dat de wetgever, via een wijziging van de regeling van de rechtspleging bij de Raad van State, heeft willen ingrijpen in de regeling inzake de rechtsplegingsvergoeding bij de justitiële rechter.

Indien de wetgever die bedoeling had, zou hij de betrokken artikelen van het Gerechtelijk Wetboek zelf hebben gewijzigd, hetgeen ook is gebeurd bij de bestreden wet van 25 april 2014. Nu die wetswijziging dateert van na de wet van 20 januari 2014, zou bij eventuele interpretatieproblemen de latere wet in ieder geval voorrang hebben.

De verzoekende partij benadrukt dat zij veeleer nastreeft de grondwetsconforme interpretatie van de bestreden bepaling, waarover zij en de Ministerraad het eens zijn, voor recht te horen zeggen, dan de vernietiging van de bestreden bepaling te verkrijgen.

In zoverre het Hof in de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015 een onverantwoord verschil in behandeling vaststelt tussen de privépersoon die zich in een geschil met de overheid bevindt, naargelang dat geschil door de justitiële rechter dan wel door de Raad van State wordt beslecht, wijst de verzoekende partij erop dat die discrepantie reeds op identieke wijze bestond vóór de wet van 20 januari 2014. Voorts verwerpt de verzoekende partij de zienswijze van het Hof dat het criterium van het algemeen belang een risico van rechtsonzekerheid inhoudt. Het zou net eigen zijn aan het recht dat een dergelijk abstract begrip in zijn concrete toepassingen invulling krijgt.

A.23.De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6160 en 6161 sluiten zich in hun aanvullende memorie uitdrukkelijk aan bij de zienswijze van het Hof in de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015. Voorts herhalen de verzoekende partijen de zienswijze die reeds in hun verzoekschrift en in hun memorie van antwoord werd uiteengezet.

A.24.De verzoekende partij in de zaak nr. 6163 zet in haar aanvullende memorie uiteen dat uit de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015 voortvloeit dat het optreden in het algemeen belang niet volstaat om een vrijstelling van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding te verantwoorden : in zoverre de onafhankelijkheid die vereist is voor het nastreven van een opdracht van algemeen belang niet bedreigd wordt door het opleggen van een rechtsplegingsvergoeding, zou het evident zijn dat het enkele feit dat een overheid een dergelijke opdracht nastreeft, geenszins inhoudt dat zij in die mate moet worden vrijgesteld van de rechtsplegingsvergoeding.

Volgens de verzoekende partij bevestigen de voormelde arresten dan ook dat de aangevoerde middelen gegrond zijn.

- B -

Ten aanzien van de bestreden bepalingen

B.1.1.De beroepen zijn gericht tegen artikel 17 van de wet van 25 april 2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet (hierna : de wet van 25 april 2014).

Die bepaling vult het achtste lid aan van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 « tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering », met een 3°, krachtens hetwelk geen enkele rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Staat verschuldigd is « wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding ».

B.1.2.Het beroep in de zaak nr. 6147 viseert eveneens artikel 18 van dezelfde wet, dat de inwerkingtreding van artikel 17 bepaalt op de dag waarop het voormelde artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 in werking treedt, hetgeen nog niet is gebeurd.

Ten aanzien van de ontvankelijkheid

B.2.1.De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen in de zaken nrs. 6146, 6160, 6162 en 6163.

B.2.2.De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt.

B.2.3.1.De verzoekende partijen in de zaken nrs. 6146, 6162 en 6163 maken aannemelijk dat zij betrokken zijn in hangende procedures bij de hoven en rechtbanken tegen publiekrechtelijke rechtspersonen.

Zij kunnen rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door de bestreden bepaling, die tot gevolg heeft dat zij geen aanspraak kunnen maken op een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Staat indien zij in het gelijk worden gesteld ten aanzien van een publiekrechtelijke rechtspersoon die in het algemeen belang optreedt als partij in het geding, en doen derhalve blijken van het rechtens vereiste belang.

B.2.3.2.De tweede en de derde verzoekende partij in de zaak nr. 6160 beroepen zich op hun hoedanigheid van advocaat. Er kan worden aangenomen dat de bestreden bepaling nadelige gevolgen heeft voor de uitoefening van hun beroep, met name wat betreft de verdediging in rechte van hun cliënten in geschillen tegenover publiekrechtelijke rechtspersonen die optreden in het algemeen belang. Hun cliënten kunnen immers ervan worden weerhouden zich in een dergelijk geschil door een advocaat te laten verdedigen, in zoverre zij geen aanspraak zullen kunnen maken op een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van hun advocaat indien zij in het gelijk worden gesteld.

Aangezien de tweede en de derde verzoekende partij in de zaak nr. 6160 doen blijken van een belang bij het beroep, is het niet noodzakelijk te onderzoeken of de eerste verzoekende partij in dezelfde zaak eveneens doet blijken van een belang om de vernietiging van de bestreden bepalingen te vorderen.

B.3.1.De verzoekende partij in de zaak nr. 6146 vraagt het Hof om de aanvullende memorie die werd ingediend door de Ministerraad uit de debatten te weren, nu ze niet tijdig een kopie van die memorie heeft ontvangen.

B.3.2.Bij beschikking van 16 september 2015 heeft het Hof beslist dat de zaken niet in staat van wijzen waren, en heeft het alle partijen uitgenodigd om in een uiterlijk op 16 oktober 2015 in te dienen aanvullende memorie, waarvan zij een kopie moesten laten toekomen aan de andere partijen binnen dezelfde termijn, hun standpunt te bepalen over de invloed van de rechtspraak van het Hof in de arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015 van 21 mei 2015 op de onderhavige zaken.

De Ministerraad heeft binnen de gestelde termijn, namelijk op 12 oktober 2015, een aanvullende memorie ingediend ter griffie, doch heeft nagelaten binnen diezelfde termijn een kopie daarvan aan de andere partijen over te zenden, hetgeen later alsnog geschiedde.

In die omstandigheid dient te worden vastgesteld dat de laattijdige naleving van de verplichting om een kopie van de aanvullende memorie aan de andere partijen over te zenden - die niet is neergelegd in de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, maar voortvloeit uit de voormelde beschikking van 16 september 2015 - geen afbreuk doet aan de rechten van verdediging van de andere partijen.

De aanvullende memorie van de Ministerraad dient niet uit de debatten te worden geweerd.

B.4.De excepties worden verworpen.

Ten gronde

B.5.De middelen in de zaken nrs. 6146, 6147 en 6160 tot 6163 zijn afgeleid uit de schending door het bestreden artikel 17 van de wet van 25 april 2014 van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere grondwetsbepalingen, met internationale en Europeesrechtelijke bepalingen, met wetsbepalingen en met algemene rechtsbeginselen.

Aangezien de aangevoerde middelen tegen de bestreden bepaling nauw met elkaar verbonden zijn, dienen zij samen te worden onderzocht. De aangevoerde grieven komen samengevat neer op de schending van:

-het gelijkheidsbeginsel, doordat een niet-verantwoord verschil in behandeling wordt ingesteld (1) tussen de publiekrechtelijke rechtspersonen en de privépersonen, in zoverre de eerstgenoemden worden vrijgesteld van het procesrisico indien zij optreden in het algemeen belang, en in zoverre die vrijstelling niet wederkerig is, hetgeen tevens afbreuk zou doen aan de wapengelijkheid, (2) tussen de rechtzoekenden, naargelang zij in het gelijk worden gesteld ten aanzien van een privépersoon of een publiekrechtelijke rechtspersoon, (3) tussen de procespartijen voor de Raad van State en voor de burgerlijke rechtscolleges, in zoverre een publiekrechtelijke rechtspersoon die optreedt voor de Raad van State wel kan worden veroordeeld tot betaling van een rechtsplegingsvergoeding;

-het recht op toegang tot de rechter en het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel, doordat de algemene vrijstelling van publiekrechtelijke rechtspersonen van de betaling van een rechtsplegingsvergoeding een ontradend effect heeft op de rechtzoekende die tegen een dergelijke rechtspersoon wil procederen, waardoor tevens afbreuk zou worden gedaan aan het recht van verdediging, aan de wapengelijkheid, aan het recht op juridische bijstand, aan de waarborgen vervat in het Verdrag van Aarhus en het Unierecht, en aan de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

-het eigendomsrecht, doordat de rechtzoekende die ten aanzien van een publiekrechtelijke rechtspersoon in het gelijk wordt gesteld geen aanspraak kan maken op een rechtsplegingsvergoeding, hetgeen in onteigeningsgeschillen meteen tot gevolg zou hebben dat er geen sprake is van een « billijke schadeloosstelling » in de zin van artikel 16 van de Grondwet of van een « billijk evenwicht » in de zin van artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens;

-het rechtszekerheidsbeginsel, doordat de bestreden bepaling bij gebrek aan overgangsmaatregelen onmiddellijk van toepassing zal zijn op hangende rechtsgedingen en doordat het ruime begrip « optreden in het algemeen belang » aanleiding zou kunnen geven tot rechtsonzekerheid.

B.6.1.Artikel 1017, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« Tenzij bijzondere wetten anders bepalen, verwijst ieder eindvonnis, zelfs ambtshalve, de in het ongelijk gestelde partij in de kosten, onverminderd de overeenkomst tussen partijen, die het eventueel bekrachtigt ».

Artikel 1018 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt :

« De kosten omvatten :

1° de diverse, griffie- en registratierechten, alsook de zegelrechten die voor de afschaffing van het Wetboek der zegelrechten zijn betaald;

2° de prijs en de emolumenten en lonen van de gerechtelijke akten; 3° de prijs van de uitgifte van het vonnis;

4° de uitgaven betreffende alle onderzoeksmaatregelen, onder meer het getuigen- en deskundigengeld;

5° de reis- en verblijfkosten van de magistraten, de griffiers en van de partijen, wanneer hun reis door de rechter bevolen is, en de kosten van de akten, wanneer deze uitsluitend met het oog op het geding opgemaakt zijn;

6° de rechtsplegingsvergoeding, zoals bepaald in artikel 1022;

7° het ereloon, de emolumenten en de kosten van de bemiddelaar die aangewezen is overeenkomstig artikel 1734.

De bedragen die als basis dienen voor de berekening van de in het eerste lid bedoelde kosten worden omgerekend in euro de dag dat het vonnis of het arrest dat in de kosten verwijst, wordt uitgesproken ».

Artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals het thans van kracht is, bepaalt :

« De rechtsplegingsvergoeding is een forfaitaire tegemoetkoming in de kosten en erelonen van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies te hebben ingewonnen van de Orde van Vlaamse Balies en van de Ordre des barreaux francophones et germanophone, stelt de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basis-, minimum- en maximumbedragen vast van de rechtsplegingsvergoeding, onder meer in functie van de aard van de zaak en van de belangrijkheid van het geschil.

Op verzoek van een van de partijen, dat in voorkomend geval wordt gedaan na ondervraging door de rechter, kan deze bij een met bijzondere redenen omklede beslissing ofwel de vergoeding verminderen, ofwel die verhogen, zonder de door de Koning bepaalde maximum- en minimumbedragen te overschrijden. Bij zijn beoordeling houdt de rechter rekening met :

-de financiële draagkracht van de verliezende partij, om het bedrag van de vergoeding te verminderen;

-de complexiteit van de zaak;

-de contractueel bepaalde vergoedingen voor de in het gelijk gestelde partij;

-het kennelijk onredelijk karakter van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij van de tweedelijns juridische bijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning vastgestelde minimum, tenzij in geval van een kennelijk onredelijke situatie. De rechter motiveert in het bijzonder zijn beslissing op dat punt.

Wanneer meerdere partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van dezelfde in het ongelijk gestelde partij genieten, bedraagt het bedrag ervan maximum het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen aanspraak kan maken. Ze wordt door de rechter tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij ».

B.6.2.Artikel 2 van de wet van 21 februari 2010 tot wijziging van de artikelen 1022 van het Gerechtelijk Wetboek en 162bis van het Wetboek van strafvordering heeft een lid ingevoegd in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek krachtens hetwelk geen enkele rechtsplegingsvergoeding verschuldigd is ten laste van de Staat wanneer het openbaar ministerie bij wege van een rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt overeenkomstig artikel 138bis, § 1, van hetzelfde Wetboek, of wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten overeenkomstig artikel 138bis, § 2, van hetzelfde Wetboek.

Het bestreden artikel 17 van de wet van 25 april 2014 heeft datzelfde lid aangevuld door erin te voorzien dat geen enkele rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Staat verschuldigd is wanneer een publiekrechtelijk rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding.

Artikel 1022, laatste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat nog niet in werking is getreden, bepaalt aldus :

« Geen enkele vergoeding is verschuldigd ten laste van de Staat :

1° wanneer het openbaar ministerie bij wege van rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt overeenkomstig artikel 138bis, § 1;

2° wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten overeenkomstig artikel 138bis, § 2.

3° wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding ».

B.7. Bij zijn arrest nr. 68/2015 van 21 mei 2015 heeft het Hof in verband met de kwestie van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten in geschillen voor de burgerlijke rechter tussen een overheid die in het algemeen belang optreedt en een particulier, geoordeeld :

« B.3.1. Het bij de [artikelen 1017, 1018 en 1019] van het Gerechtelijk Wetboek gevestigde beginsel luidt dat iedere partij die in het ongelijk wordt gesteld, gehouden is tot de betaling van de rechtsplegingsvergoeding, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en erelonen van de advocaat van de partij die in het gelijk is gesteld.

B.3.2.Met die bepalingen uit de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat wilde de wetgever een einde maken aan de rechtsonzekerheid die voortvloeide uit een sterk uiteenlopende rechtspraak ter zake (Parl. St., Senaat, 2006-2007, nr. 3-1686/5, p. 14).

Hij wilde overigens voorkomen dat een nieuw proces moest worden ingesteld teneinde het herstel te verkrijgen van de schade die bestaat in de door de winnende partij gemaakte kosten en erelonen van een advocaat.

De wetgever beoogde ten slotte een einde te maken aan het verschil in behandeling ten aanzien van het financiële risico van het proces tussen de partijen bij een burgerlijk proces, waarbij elk van hen in beginsel de verdediging van haar persoonlijke belangen nastreeft. Meer bepaald strekte de keuze van de wetgever om de verhaalbaarheid te verankeren in het burgerlijk procedurerecht en om van de rechtsplegingsvergoeding een forfaitaire deelname in de kosten en erelonen van de advocaat van de winnende partij ten laste van de in het ongelijk gestelde partij te maken, ertoe alle partijen bij een burgerlijk proces op gelijke wijze te behandelen door het financiële risico gelijkelijk onder hen te verdelen. Een dergelijk doel is in overeenstemming met het beginsel van de gelijke toegang tot het gerecht, zoals gewaarborgd bij artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.

B.3.3.Dezelfde wet van 21 april 2007 heeft evenwel elke verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten in de betrekkingen tussen de beklaagde en het openbaar ministerie uitgesloten. De artikelen 128, 162bis, 194 en 211 van het Wetboek van strafvordering breiden het beginsel van de verhaalbaarheid enkel voor de betrekkingen tussen de beklaagde en de burgerlijke partij uit tot de strafzaken.

Bij zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 betreffende de beroepen tot vernietiging van de wet van 21 april 2007 heeft het Hof geoordeeld dat de fundamentele verschillen tussen het openbaar ministerie, dat in het belang van de maatschappij belast is met het onderzoek en de vervolging van misdrijven en de strafvordering uitoefent, en de burgerlijke partij, die haar eigen belang nastreeft, de niet-toepassing, ten laste van de Staat, van het systeem van de forfaitaire vergoeding waarin de wet van 21 april 2007 voorziet, konden verantwoorden.

Een dergelijke specifieke regeling is verantwoord rekening houdend met, enerzijds, de bijzondere aard van het strafrechtelijk contentieux, dat tot doel heeft de misdrijven te vervolgen en te bestraffen en dat niet ertoe strekt het bestaan of de schending van een subjectief recht te laten vaststellen, noch, in beginsel, uitspraak te doen over de wettigheid van een handeling van een overheid en gelet op, anderzijds, de specifieke opdracht van het openbaar ministerie of het arbeidsauditoraat in strafzaken - die ermee belast zijn de strafvordering uit naam van de maatschappij uit te oefenen. Ten slotte zijn de functies van het openbaar ministerie en van het arbeidsauditoraat dat, inzake het sociaal strafrecht, de functies van het openbaar ministerie uitvoert (artikelen 145 en 152 van het Gerechtelijk Wetboek), of dat voor de arbeidsrechtbank de vordering instelt bepaald in artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek die vergelijkbaar is met de strafvordering die het openbaar ministerie instelt voor de strafrechter vermits die tot doel heeft het plegen van een misdrijf vast te stellen verankerd in en is hun onafhankelijkheid gewaarborgd bij artikel 151, § 1, van de Grondwet.

B.4. Het Hof heeft kennis genomen van verschillende prejudiciële vragen die de toepassing in het geding brengen van de rechtsplegingsvergoeding bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek in het kader van geschillen voor de burgerlijke rechter, maar waarbij een overheid is betrokken, zodat zij zich onderscheiden van de burgerlijke geschillen waar de twee partijen alleen de verdediging van hun private belangen nastreven.

Herhaaldelijk heeft het Hof geoordeeld dat, rekening houdende met de verwantschap tussen de opdrachten van die overheden en de functies die het openbaar ministerie uitoefent wanneer het in strafzaken optreedt, en in het bijzonder met het bestaan in beide gevallen van een opdracht van algemeen belang, die overheden, eisende of verwerende partijen in het kader van een burgerlijk geschil, op dezelfde manier moesten worden behandeld als het openbaar ministerie dat in strafzaken optreedt, en bijgevolg dat elke betaling van de rechtsplegingsvergoeding moest worden uitgesloten in het kader van geschillen tussen dergelijke overheden en een particulier.

Bij zijn arrest nr. 83/2011 van 18 mei 2011 heeft het Hof aldus voor recht gezegd dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kon worden gelegd wanneer het arbeidsauditoraat in het ongelijk wordt gesteld in zijn rechtsvordering ingesteld op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek. Het Hof oordeelde immers dat het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie vereiste dat die vorderingen, die worden ingesteld door een publiek orgaan in naam van het algemeen belang en in alle onafhankelijkheid, op dezelfde wijze worden behandeld als de strafvorderingen.

Bij zijn arrest nr. 43/2012 van 8 maart 2012 heeft het Hof zich op analoge wijze uitgesproken ten aanzien van de herstelvordering die de stedenbouwkundige inspecteur voor de burgerlijke rechtbank instelt op grond van artikel 6.1.43 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

Bij zijn arrest nr. 36/2013 van 7 maart 2013 is het Hof tot dezelfde conclusie gekomen ten aanzien van de herstelvordering die de gemachtigde ambtenaar voor de burgerlijke rechtbank instelt op grond van artikel 157 van het Waalse Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie.

Bij zijn arrest nr. 42/2013 van 21 maart 2013 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond, in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de Belgische Staat kon worden gelegd wanneer de procureur des Konings in het ongelijk wordt gesteld in zijn op grond van artikel 184 van het Burgerlijk Wetboek ingestelde vordering tot nietigverklaring van een huwelijk.

Bij zijn arrest nr. 57/2013 van 25 april 2013 heeft het Hof geoordeeld dat, om redenen die analoog zijn aan die van het arrest nr. 135/2009 van 1 september 2009 en van het voormelde arrest nr. 83/2011, geen enkele rechtsplegingsvergoeding kon worden opgelegd aan de overheid die herstelmaatregelen inzake stedenbouw vordert, maar dat haar ook geen enkele rechtsplegingsvergoeding kon worden toegekend.

Bij zijn arrest nr. 132/2013 van 26 september 2013 heeft het Hof geoordeeld dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2010, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schond, in zoverre een rechtsplegingsvergoeding ten laste van de ambtenaar van de burgerlijke stand kon worden gelegd wanneer hij in het ongelijk werd gesteld in een op grond van artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek ingesteld beroep tegen zijn weigering om een huwelijk te voltrekken. Het Hof heeft immers geoordeeld dat de ambtenaar van de burgerlijke stand zich moest verzetten tegen het huwelijk wanneer hij meende dat het ging om een schijnhuwelijk en dat een dergelijke beslissing werd genomen om uitsluitend de openbare orde en tenslotte het algemeen belang te vrijwaren, zodat de ambtenaar van de burgerlijke stand in alle onafhankelijkheid moet kunnen optreden.

B.5.1.Zoals in B.1.2 is vermeld, heeft de wetgever tot tweemaal toe artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek gewijzigd.

Artikel 1022, laatste lid, dat nog niet in werking is getreden, bepaalt : ‘ Geen enkele vergoeding is verschuldigd ten laste van de Staat :

1° wanneer het openbaar ministerie bij wege van rechtsvordering in burgerlijke procedures tussenkomt overeenkomstig artikel 138bis, § 1;

2° wanneer het arbeidsauditoraat een rechtsvordering instelt voor de arbeidsgerechten overeenkomstig artikel 138bis, § 2.

3° wanneer een publiekrechtelijke rechtspersoon in het algemeen belang als partij optreedt in een geding ’.

B.5.2.Die ontwikkeling van de wetgeving is ingegeven door de zorg om tegemoet te komen aan de rechtspraak waaraan in B.4 is herinnerd (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3098/005, p. 3).

B.6.1.De wetgever heeft daarentegen, bij de wet van 20 januari 2014 houdende hervorming van de bevoegdheid, de procedureregeling en de organisatie van de Raad van State, het beginsel van de verhaalbaarheid bij de Raad van State ingevoerd. Artikel 11 van die wet voegt een artikel 30/1 in de gecoördineerde wetten op de Raad van State in, dat luidt :

‘ Art. 30/1. § 1. De afdeling bestuursrechtspraak kan een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de in het gelijk gestelde partij.

Na het advies ingewonnen te hebben van de Orde van Vlaamse Balies en van de “ Ordre des barreaux francophones et germanophone ” bepaalt de Koning bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad de basisbedragen en de minimale en maximale bedragen van de rechtsplegingsvergoeding, afhankelijk van onder meer de aard van de zaak en het belang van het geschil.

§ 2. De afdeling bestuursrechtspraak kan, bij met bijzondere redenen omklede beslissing, de vergoeding verlagen of verhogen, zonder echter de door de Koning voorziene maximale en minimale bedragen te overschrijden. In haar beoordeling houdt ze rekening met :

1° de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het bedrag van de vergoeding te verlagen;

2° de complexiteit van de zaak;

3° de kennelijk onredelijke aard van de situatie.

Indien de in het ongelijk gestelde partij juridische tweedelijnsbijstand geniet, wordt de rechtsplegingsvergoeding vastgelegd op het door de Koning bepaalde minimale bedrag, behalve in geval van een kennelijk onredelijke situatie. Wat dit betreft, omkleedt de afdeling bestuursrechtspraak haar beslissing tot vermindering of verhoging met bijzondere redenen.

Wanneer meer partijen de rechtsplegingsvergoeding ten laste van een of meer in het ongelijk gestelde partijen genieten, is het bedrag ervan maximaal het dubbel van de maximale rechtsplegingsvergoeding waarop de begunstigde die gerechtigd is om de hoogste vergoeding te eisen, aanspraak kan maken. Ze wordt door de afdeling bestuursrechtspraak tussen de partijen verdeeld.

Geen partij kan boven het bedrag van de rechtsplegingsvergoeding worden aangesproken tot betaling van een vergoeding voor de tussenkomst van de advocaat van een andere partij. De tussenkomende partijen kunnen niet worden gehouden tot de betaling van deze rechtsplegingsvergoeding of ervan genieten ’.

B.6.2.Met die wet van 20 januari 2014 maakt de wetgever het mogelijk de kwestie te beslechten van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van een advocaat tijdens de procedure waarvoor die advocatenkosten zijn gemaakt. Aldus wordt vermeden dat de procedure voor de Raad van State moet worden gevolgd door een nieuwe vordering voor de burgerlijke rechter, hetgeen een grotere procedurele doeltreffendheid verzekert en de toegang tot het gerecht bevordert door de procedurekosten te verminderen.

Bovendien heeft de wetgever, met die wijziging in de gecoördineerde wetten op de Raad van State, uitdrukkelijk aanvaard dat het nastreven van het algemeen belang door een van de partijen bij de procedure niet uitsluit dat zij kan worden veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding wanneer zij in het ongelijk wordt gesteld. Het Hof hecht in dat verband bijzondere aandacht aan het feit dat de wetgever hoofdzakelijk ervoor heeft gekozen het stelsel van de verhaalbaarheid bepaald in artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek om te zetten naar het contentieux voor de Raad van State, terwijl dat stelsel bedoeld is om in principe het herstel te regelen van de procesrisico’s in het kader van geschillen tussen privépersonen die hun belangen nastreven.

B.6.3.Hieruit vloeit voort dat de wetgever uitdrukkelijk heeft aanvaard dat het opleggen van een forfaitaire rechtsplegingsvergoeding niet als dusdanig van dien aard was dat het de onafhankelijkheid bedreigt van de overheden wanneer zij - in voorkomend geval als partij bij een jurisdictionele procedure - de aan hen toevertrouwde opdracht van algemeen belang moeten verzekeren.

B.7.1.Die stellingname van de wetgever vormt een wezenlijke breuk in de ontwikkeling van het stelsel van de rechtsplegingsvergoeding en heeft tot gevolg dat, hoewel zij, zoals het openbaar ministerie of het arbeidsauditoraat in strafzaken, een opdracht van algemeen belang nastreven, de overheden, eisende of verwerende partijen in het kader van een burgerlijk geschil, kunnen worden onderworpen aan het stelsel van de rechtsplegingsvergoeding.

B.7.2.Het gelijktijdig bestaan van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van het achtste lid, 3°, van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer het in werking zal treden, zal overigens verschillen in behandeling tot stand brengen die moeilijk te verantwoorden lijken. Dat geldt aldus voor het verschil in behandeling tussen de particulier die zich bevindt in een geschil met een overheid, naargelang dat geschil wordt gebracht voor een rechtscollege van de rechterlijke orde dan wel voor de Raad van State. Dat geldt eveneens voor het verschil in behandeling onder de overheden, naargelang het contentieux waarin zij betrokken zijn, valt onder de rechtscolleges van de rechterlijke orde dan wel onder de Raad van State.

De wetgever kan weliswaar rekening houden met de procedurele verschillen tussen beide contentieux om het stelsel van de rechtsplegingsvergoeding aan te passen aan de kenmerken van elk daarvan. Dergelijke verschillen kunnen daarentegen geen dermate grote discrepantie verantwoorden tussen de situatie van een overheid die in het ongelijk wordt gesteld voor de burgerlijke rechter dan wel voor de administratieve rechter, terwijl de inzet van het geschil en de geschilpartijen identiek kunnen zijn. Beide wetgevingen laten op onsamenhangende wijze toe dat een administratieve overheid meer of minder wordt blootgesteld aan het financiële risico van het proces naargelang haar tegenpartij, wanneer die over een dergelijke keuze beschikt, beslist om op te treden voor de burgerlijke rechter dan wel voor de Raad van State.

Hieruit vloeit voort dat het objectieve karakter van het contentieux voor de Raad van State niet redelijkerwijs toelaat de overheid die voor dat rechtscollege partij is en de overheid die partij is bij een geschil voor een rechtscollege van de rechterlijke orde dermate verschillend te behandelen.

B.7.3.Ten slotte houdt het criterium van het algemeen belang een risico van rechtsonzekerheid in, terwijl de wet van 21 april 2007 een dergelijke onzekerheid precies wilde vermijden.

B.8. Bij zijn arrest nr. 48/2015 van 30 april 2015 heeft het Hof het beroep tot vernietiging verworpen dat was ingesteld tegen het voormelde artikel 11 van de wet van 20 januari 2014, dat een artikel 30/1 in de gecoördineerde wetten op de Raad van State invoegt. Bij dat arrest heeft het geoordeeld dat het niet strijdig is met de artikelen 10, 11, 13 en 23 van de Grondwet, met name in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, die onder meer het recht op een eerlijk proces en het recht op toegang tot de rechter waarborgen, en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, om de overheid, tegenpartij voor de Raad van State die in het ongelijk wordt gesteld, de betaling op te leggen van een rechtsplegingsvergoeding die de kosten en erelonen van de advocaten van de verzoekende partij op forfaitaire wijze dekt. Omgekeerd heeft het geoordeeld dat het evenmin in strijd is met dezelfde bepalingen om aan de verzoekende partij voor de Raad van State de betaling op te leggen van een rechtsplegingsvergoeding ten gunste van de tegenpartij die in het gelijk is gesteld.

B.9.1.Ook al bevestigen, volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, ‘ de vereisten van de rechtszekerheid en van de bescherming van het gewettigd vertrouwen van de rechtzoekenden geen verworven recht op een vaste rechtspraak ’ (EHRM, 18 december 2008, Unedic t. Frankrijk, § 74), toch moet het Hof waken over de samenhang van zijn rechtspraak en ‘ het is in het belang van de rechtszekerheid, van de voorzienbaarheid en van de gelijkheid voor de wet dat het niet zonder geldig motief afwijkt van zijn precedenten ’ (zie EHRM, grote kamer, 15 oktober 2009, Micallef t. Malta, § 81).

B.9.2.Het Hof vermag het aldus noodzakelijk te achten terug te komen op een deel van zijn rechtspraak, met name wanneer de juridische context waarin het zich had uitgesproken, een normatieve ontwikkeling heeft gekend die van dien aard is dat de motivering van zijn vroegere arresten erdoor wordt beïnvloed. Bovendien kan de rechtszekerheid vereisen dat het Hof, na een onderzoek van zijn rechtspraak, sommige criteria waarvoor het had gekozen op basis van de voorgelegde individuele zaken, laat evolueren. Immers, ‘ de ontstentenis van een dynamische en evolutieve benadering zou elke verandering of verbetering beletten ’ (EHRM, 26 mei 2011, Legrand t. Frankrijk, § 37).

B.9.3.Gelet op de voormelde ontwikkeling van de wetgeving, alsook het voormelde arrest nr. 48/2015 en in het belang van de rechtszekerheid, dient de kwestie van de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten in de geschillen voor de burgerlijke rechter tussen een overheid die in het algemeen belang optreedt en een particulier, in haar geheel te worden heroverwogen.

B.10.1.Voor de burgerlijke rechtscolleges moet het beginsel van de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding op alle partijen, ongeacht of het gaat om privépersonen dan wel om overheden die handelen in het algemeen belang, namelijk het beginsel dat de wetgever in acht heeft genomen wanneer hij de verhaalbaarheid van de kosten en erelonen van advocaten tot stand heeft gebracht, worden herbevestigd, enerzijds, omwille van de rechtszekerheid en de samenhang van de wetgeving waarnaar in B.7 tot B.9 is verwezen en, anderzijds, teneinde de doelstellingen van procedurele doeltreffendheid en billijkheid te bereiken die de wetgever nastreefde wanneer hij die reglementering tot stand heeft gebracht en die zich, volgens hem, niet ertegen verzetten de opdracht van algemeen belang van de overheden in alle onafhankelijkheid voort te zetten.

B.10.2.Om dezelfde redenen moet het openbaar ministerie dat in het ongelijk wordt gesteld in een vordering die voor een burgerlijk rechtscollege is ingesteld op grond van artikel 138bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek, kunnen worden veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding.

Wanneer daarentegen het arbeidsauditoraat voor de arbeidsrechtbank optreedt op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek stelt het evenwel een vordering in die vergelijkbaar is met de strafvordering die het openbaar ministerie instelt voor de strafgerechten, vermits die tot doel heeft het plegen van een misdrijf vast te stellen en niet louter een herstel van burgerlijke aard te verkrijgen. Bovendien doet het instellen, door de arbeidsauditeur, van een vordering op grond van artikel 138bis, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek, in tegenstelling tot een burgerlijke vordering, de strafvordering vervallen (artikel 20bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering). Dit onderscheidt die vordering van de vorderingen die aan de orde waren in de in B.4 vermelde arresten nr. 43/2012 (vordering van de stedenbouwkundige inspecteur voor de burgerlijke rechtbank), nr. 36/2013 (vordering van de gemachtigde ambtenaar voor de burgerlijke rechtbank), en nr. 42/2013 (vordering van de procureur des Konings tot nietigverklaring van een huwelijk). Bijgevolg dient de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding, anders dan in het geval van de herstelvorderingen die ingesteld worden voor de burgerlijke rechtbank, te worden uitgesloten in de betrekkingen tussen het arbeidsauditoraat en de persoon tegen wie het optreedt op grond van die bijzondere procedure.

B.11.Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 182/2008 van 18 december 2008 brengt de toepassing van de bepalingen betreffende de rechtsplegingsvergoeding op alle partijen bij een geschil voor een burgerlijk rechtscollege geen onevenredige gevolgen met zich mee, aangezien de wetgever erover heeft gewaakt de toegang tot het gerecht niet te belemmeren door te voorzien in een forfaitair systeem en door, binnen dat systeem, een zekere beoordelingsbevoegdheid toe te kennen aan de rechter ten aanzien van het uiteindelijke bedrag van de rechtsplegingsvergoeding waartoe de in het ongelijk gestelde partij kan worden veroordeeld.

De wederkerigheid bij de toepassing van de bepalingen met betrekking tot de rechtsplegingsvergoeding bevordert overigens de wapengelijkheid tussen de partijen, aangezien dat systeem inhoudt dat zij beiden instaan voor het financiële risico van het proces.

B.12.Daar de in het geding zijnde bepalingen in die zin dienen te worden geïnterpreteerd dat zij de ambtenaar van de burgerlijke stand die in het ongelijk wordt gesteld in een geschil voor de burgerlijke rechter op grond van artikel 146bis juncto artikel 167 van het Burgerlijk Wetboek, niet beletten te worden veroordeeld tot de betaling van een rechtsplegingsvergoeding ten gunste van de personen die een beroep hebben ingesteld tegen zijn beslissing om het voltrekken van het huwelijk te weigeren, is het in de prejudiciële vraag aangehaalde verschil in behandeling onbestaande ».

B.8. Bij zijn arresten nrs. 69/2015 en 70/2015 van 21 mei 2015, heeft het Hof in dezelfde zin geoordeeld.

Meer in het bijzonder beslist het Hof in die arresten dat artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, vóór de inwerkingtreding van het bestreden nieuwe achtste lid, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre die bepaling het mogelijk maakt dat een rechtsplegingsvergoeding ten laste wordt gelegd van een gemeente die in het ongelijk wordt gesteld naar aanleiding van een beroep ingesteld tegen een beslissing van haar ambtenaar belast met de gemeentelijke administratieve sancties (arrest nr. 69/2015), alsook dat een rechtsplegingsvergoeding ten laste wordt gelegd van de Staat of van een gemeente die in het ongelijk wordt gesteld in het kader van een fiscaal geschil, ook wanneer het fiscaal geschil voor de burgerlijke rechter gaat over de wettigheid van een administratieve geldboete met een strafrechtelijk karakter (arrest nr. 70/2015).

B.9.1.Zoals is vermeld in B.7.2 van de voormelde arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015, zal het gelijktijdig bestaan van artikel 30/1 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarin het beginsel van de verhaalbaarheid bij de Raad van State werd ingevoerd, en van het bestreden achtste lid, 3°, van artikel 1022 van het Gerechtelijk Wetboek, wanneer het in werking zal treden, verschillen in behandeling doen ontstaan die moeilijk te verantwoorden lijken. Beide wetgevingen laten immers op onsamenhangende wijze toe dat een administratieve overheid meer of minder wordt blootgesteld aan het financiële risico van het proces naargelang haar tegenpartij, wanneer die over een dergelijke keuze beschikt, beslist om op te treden voor de burgerlijke rechter dan wel voor de Raad van State.

In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, en zoals het Hof reeds bij de voormelde arresten heeft geoordeeld, laat het objectieve karakter van het contentieux voor de Raad van State niet redelijkerwijs toe de overheid die voor dat rechtscollege partij is en de overheid die partij is bij een geschil voor de burgerlijke rechter dermate verschillend te behandelen. Hetzelfde geldt voor het verschil in behandeling tussen de particulier die zich bevindt in een geschil met een overheid, naargelang dat geschil wordt gebracht voor de Raad van State dan wel voor de burgerlijke rechter.

B.9.2.Bovendien heeft het Hof in de voormelde arresten nrs. 68/2015, 69/2015 en 70/2015 geoordeeld dat het in de bestreden bepaling neergelegde criterium van het algemeen belang een risico van rechtsonzekerheid inhoudt, terwijl de wet van 21 april 2007 een dergelijke onzekerheid precies wilde vermijden.

B.10.Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het bestreden artikel 17 van de wet van 25 april 2014 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt. Bijgevolg dient die bepaling te worden vernietigd.

Vermits de overige grieven niet tot een ruimere vernietiging kunnen leiden, dienen zij niet te worden onderzocht.

B.11.Artikel 18 van dezelfde wet betreffende de inwerkingtreding van de vernietigde bepaling dient eveneens te worden vernietigd, vanwege het onlosmakelijke verband tussen beide bepalingen.

Beschikkend gedeelte

Om die redenen, het Hof

vernietigt de artikelen 17 en 18 van de wet van 25 april 2014 ter verbetering van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 3 maart 2016.

Ondertekeningen

Aangehaalde teksten

2
richtlijn 2008/1 art. 161 voorkomen
richtlijn 2011/92 art. 111 voorkomen