---
title: "Proces-verbaal, herberekening omzet · Hof van beroep te Antwerpen, 16 januari 2018"
description: "Proces-verbaal, herberekening omzet, bewijskracht proces-verbaal, bewijskracht boekhouding. Hof van beroep te Antwerpen (België), 16 januari 2018."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-herberekening-omzet-bewijskracht-hof-van-beroep-antwerpen-2018-01-16-5287"
lang: "nl"
---

# Proces-verbaal, herberekening omzet, bewijskracht proces-verbaal, bewijskracht boekhouding, verwerping boekhouding

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

16 januari 2018

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

ongunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

125 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 16.01.2018

WF 713-15-14/035397

\[Ongunstig voor de administratie\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – proces-verbaal – herberekening omzet - bewijskracht proces-verbaal – bewijskracht boekhouding - verwerping boekhouding*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 59 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59)

## Samenvatting

## 1)Feiten en procedure in eerste aanleg

De belastingplichtige is als btw-belastingplichtige geregistreerd voor de activiteit van caféhouder. Na gezamenlijk controle inzake btw en vennootschapsbelasting over de boekjaren 2010 en 2011 werd een proces-verbaal inzake btw opgemaakt waarbij een meeromzet aan btw werd berekend. Op basis van dit proces-verbaal werd ook een meerwinst berekend voor de vennootschapsbelasting. Het bestreden dwangbevel werd uitgevaardigd en uitvoerbaar verklaard. Hiertegen werd door belastingplichtige een verzoekschrift ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen neergelegd. De eerste rechter voegde de zaken vennootschapsbelasting en btw samen.

Inzake btw stelde de rechter vast dat een proces-verbaal geldt tot bewijs van het tegendeel. De berekening van de omzet gebeurde aan de hand van de prijslijst van de belastingplichtige. De eerste rechter oordeelde dat de belastingplichtige hiertegen enkel bewijsloze uiteenzettingen voorlegde.

Tegen dit vonnis ging de belastingplichtige in hoger beroep.

## 2)Procedure voor het hof van beroep

De rechter in hoger beroep stelt vast dat uit het proces-verbaal blijkt dat uit een vergelijking van de aankopen en de begin- en eindstock van de gecontroleerde jaren, werd vastgesteld dat er een stockaangroei is zonder dat er concrete aanwijzingen zijn uit de voorgelegde stukken dat er effectief meeraankopen zijn gebeurd.

Voor het gebruik van het bewijs door vermoedens is niet vereist dat de administratie vooraf de bewijskracht van de boekhouding verwerpt. Zulks wordt geenszins vooropgesteld in [art. 59 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59).

Het enkele feit dat de bewijskracht van de boekhouding niet werd verworpen, ontzegt de administratie dan ook niet het recht om aan de hand van vermoedens aan te tonen dat de aangegeven omzet niet correct is. De herberekening van de omzet is dan ook niet willekeurig.

De btw-administratie dient derhalve aan te tonen dat de door eiseres aangegeven bedragen onjuist zijn en zij kan zulks door een forfaitaire tegenberekening aan de hand van de prijslijst, de aankopen en door gedeeltelijke toepassing van het forfait inzake caféhouders.

Het is vervolgens aan de eiseres (belastingplichtige) om aan te tonen dat de aldus berekende omzet niet correct is. Dit bewijs kan worden geleverd aan de hand van een bewijskrachtige boekhouding.

Het hof stelt vast dat de bewijskracht van de boekhouding van de belastingplichtige niet werd verworpen, noch inzake btw, noch in de vennootschapsbelasting.

Het enkele feit dat de forfaitaire berekende omzet afwijkt van de aangegeven omzet bewijst op zich niet dat de boekhouding niet bewijskrachtig zou zijn. Zulks volgt evenmin uit de beperkte hiaten in de stock. Het hof merkt in casu op dat deze hiaten wijzen op een stockaangroei, wat bezwaarlijk aanleiding kan geven tot enige meeromzet.”

Het hof vernietigt het bestreden dwangbevel.

## Standpunt Belgische Staat

Berusting, geen voorziening in cassatie

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 16.01.2018 (2016/AR/1061)**

Tussenarrest. Heropening der debatten

**G. D. B. BVBA**, met maatschappelijke zetel te …, …, met KBO-nummer … eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door Mr. **D. G. l.**, advocaat te …, … tegen het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 21 maart 2016, met rolnummers 14/5414/A en 15/541/A

**tegen**

**DE BELGISCHE STAAT****,** in de persoon van de Minister van Financiën, Wetstraat 12, 1000 BRUSSEL, handelend ten verzoeke van de Adviseur-generaal te KMO Centrum Mechelen, met kantoor te Zwartzustersvest 24 bus 17 te 2800 Mechelen, verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door dhr. **D. S.**, inspecteur bij een fiscaal bestuur, mevr. **N. R.**, adviseur bij een fiscaal bestuur en mevr. **M. D. R**., adviseur bij een fiscaal bestuur.

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 21 maart 2016, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 17 mei 2016, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

**1.** **Feitelijke en procedurele retroacta.**

Huidige betwisting heeft betrekking op de aanvankelijke aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2011 en 2012, respectievelijk ingekohierd onder de artikelen 330071 en 840000386 en het dwangbevel RCIV nr. 500/1110/08994 inzake B.T.W. over de jaren 2010 en 2011, uitgevaardigd op 4 november 2013 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 6 november 2013. De betwisting betreft in het bijzonder een meeromzet die door de administratie werd berekend voor beide boekjaren en die in het zwart zou zijn gerealiseerd.

Voor beide aanslagjaren 2011 en 2012 werd een tijdige aangifte in de vennootschapsbelasting ingediend. Er werden geen aanslagen ingekohierd op grond van de gegevens in de aangiften.

Bij brief van 3 april 2012 werd een controle inzake B.T.W. en vennootschapsbelasting over de boekjaren 2010 en 2009 aangekondigd op 3 mei 2012.

Er zou een onaangekondigde controle hebben plaatsgevonden op 14 september 2012.

Bij brief van 20 december 2012 werd een controle inzake B.T.W. en vennootschapsbelasting over de boekjaren 2011 en 2010 aangekondigd op 10 januari 2013.

Op 24 oktober 2013 werd een proces-verbaal inzake B.T.W. opgesteld waarbij een meeromzet exclusief B.T.W. werd weerhouden ten bedrage van … EUR voor boekjaar 2010 en van … EUR voor boekjaar 2011. Het proces-verbaal werd bij brief van 24 oktober 2013 ter kennis gebracht van eiseres in hoger beroep.

Op 31 oktober 2013 werd een bericht van wijziging van aangifte toegezonden aan eiseres in hoger beroep waarbij werd aangekondigd dat een verdoken meerwinst ten bedrage van … EUR voor aanslagjaar 2011 en van … EUR voor aanslagjaar 2012 aan de afzonderlijke aanslag geheime commissielonen zou worden onderworpen. De meerwinst werd berekend op basis van het proces-verbaal dd. 24 oktober 2013 inzake B.T.W. met inachtneming van de verkochte hoeveelheden op basis van de geboekte aankopen dranken en de begin- min eindvoorraad. Het proces-verbaal met bijlagen werd ais bijlage aan het bericht van wijziging van aangifte gehecht. Op grond van artikel 340 W.I.B. 1992 werd vermoed dat deze meeromzet niet in het vermogen van de vennootschap is gekomen. Tevens werd de toepassing van een belastingverhoging van 10% aangekondigd wegens onvolledige of onjuiste aangifte zonder opzet de belasting te ontduiken.

Het bestreden dwangbevel inzake B.T.W. werd uitgevaardigd op 4 november 2013 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 6 november 2013.

Eiseres in hoger beroep deelde bij brief van 30 november 2013 haar niet akkoord mee met de aangekondigde wijzigingen inzake directe belastingen. Bij kennisgeving van beslissing tot taxatie dd. 16 december 2013 werd meegedeeld dat de aangekondigde wijzigingen zouden worden behouden.

De bestreden aanslagen werden ingekohierd op 17 december 2013 voor aanslagjaar 2011 onder artikel 330071 en op 10 januari 2014 voor aanslagjaar 2012 onder artikel 840000386. Er werd tijdig bezwaar aangetekend bij brief van 16 mei 2014, bezwaar dat werd afgewezen als ongegrond bij directoriale beslissing dd. 29 oktober 2014.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 17 juni 2014, vorderde eiseres in hoger beroep inzake B.T.W.

•het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren;

•het dwangbevel inzake B.T.W. nietig te verklaren, minstens te zeggen dat de gevorderde sommen niet verschuldigd zijn;

•de uitvoering van het dwangbevel te verbieden, minstens te zeggen dat de in de correctieopgave gevorderde sommen niet verschuldigd zijn;

•de terugbetaling te bevelen van de volgens aflossingsplan betaalde bedragen, meer moratoriumintresten;

•de onmiddellijke uitvoerbaarheid van het vonnis te bevelen;

•de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten, begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 29 januari 2015, vorderde eiseres in hoger beroep inzake directe belastingen

•het verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren;

•de directoriale beslissing dd. 29 oktober 2014 te vernietigen;

•de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2011 en 2012 nietig te verklaren, minstens te ontheffen;

•de terugbetaling te bevelen van de reeds betaalde bedragen, meer moratoriumintresten;

•de onmiddellijke uitvoerbaarheid van het vonnis te bevelen;

•de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten, begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

De eerste rechter voegde beide zaken samen en verklaarde beide vorderingen toelaatbaar dan wel ontvankelijk doch ongegrond behoudens dat de berekening van de bijzondere aanslag van artikel 219 W.I.B. 1992 dient herberekend te worden met herleiding van 300% naar 100%. De administratie werd veroordeeld tot terugbetaling van het uit hoofde van de herberekening te veel betaalde, meer moratoriumintresten en eiseres in hoger beroep werd veroordeeld tot de kosten, niet begroot en niet vereffend.

De eerste rechter stelde vast dat de taxatie in de vennootschapsbelasting vertrok van het proces-verbaal inzake B.T.W. en dat de berekening van de omzet inzake B.T.W. geldt ais een aanwendbaar feitelijk vermoeden inzake directe belastingen. De bekomen meeromzet en daardoor meerwinst werd niet aangetroffen onder de bestanddelen van het vermogen van eiseres in hoger beroep en derhalve terecht belast in toepassing van artikel 219 W.I.B. 1992, mits herleiding in toepassing van artikel 40 van de Wet van 19 december 2014.

lnzake B.T.W. stelde de eerste rechter vast dat een proces-verbaal geldt tot bewijs van het tegendeel. Er bleek een stockaangroei zonder aanwijsbare aankopen. Er was geen voorraad sterke dranken bijgehouden en er werden geen sterke dranken aangekocht. De berekening van de omzet gebeurde aan de hand van de prijslijst van eiseres in hoger beroep, die de gegevens stelde te verklaren door bewijsloze uiteenzettingen omtrent verlies van drank en gratis omzet aan klanten.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 17 mei 2016, hoger beroep ingesteld.

2.**De vorderingen en standpunten in hoger beroep****.**

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en het vonnis van de eerste rechter teniet te doen en de oorspronkelijke vorderingen van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens,

•wat de vennootschapsbelasting betreft, de directoriale beslissing dd. 27 september 2013 te vernietigen, de aanslag in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2010 nietig te verklaren, minstens te ontheffen en de terugbetaling te bevelen van de reeds betaalde bedragen, meer moratoriumintresten.

•wat de B.T.W. betreft, het dwangbevel nietig te verklaren, minstens te zeggen dat de gevorderde sommen niet verschuldigd zijn, de uitvoering van het dwangbevel te verbieden, minstens te zeggen dat de in de correctieopgave gevorderde sommen niet verschuldigd zijn, de terugbetaling te bevelen van de volgens aflossingsplan betaalde bedragen, meer moratoriumintresten;

•de administratie te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op de rechtsplegingsvergoeding.

Eiseres in hoger beroep stelt dat de beweerde meeromzet gebaseerd is op onrechtmatig verkregen bewijs. Er werden tijdens de onaangekondigde controle diverse stukken uit de boekhouding opgevraagd en meegenomen, doch de voorlegging van de stukken gebeurde niet door een daartoe gemachtigde persoon. De controle gebeurde met miskenning van de rechten van verdediging.

Ten gronde stelt eiseres in hoger beroep dat de meeromzet op willekeurige wijze werd vastgesteld en dat de boekhouding bewijskrachtig is. Er werd geen rekening gehouden met de feitelijke omstandigheden. Er is sprake van een verboden opeenstapeling van vermoedens.

2.2. De Belgische Staat vordert het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en het bestreden vonnis en de bestreden aanslagen te bevestigen. De vraag tot gedeeltelijke ontheffing van de aanslag in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2010 maakt geen deel uit van het beroep.

Het onderzoek werd niet onregelmatig gevoerd en de bestreden aanslagen zijn niet gevestigd op grond van onregelmatig bekomen bewijs. De Belgische staat verwijst ter zake naar de Antigoon-doctrine.

Ten gronde besluit de Belgische Staat dat de meerwinsten niet willekeurig werden bepaald. De bewijskracht van de boekhouding werd niet verworpen, al werd de boekhouding niet­ bewijskrachtig bevonden.

**3.** **Bespreking.**

3.1. Wat betreft de regelmatigheid van verkregen stukken en de opgeworpen schending van de rechten van verdediging.

3.1.1. Uit het administratief dossier inzake directe belastingen (A.D. 234, 238 en 241) blijkt dat op 14 september 2012 een onaangekondigde controle heeft plaatsgevonden inzake

B.T.W. en directe belastingen op de zetel van eiseres in hoger beroep waarbij bediende mevrouw **L. V.** aanwezig was. Blijkens het werkrapport (A.D. 241) werd tijdens deze controle de werking van het kassasysteem besproken en werden de *"stukken van de boekhouding (...) door mevr.* ***V.*** *vrijwillig meegegeven".* Welke stukken werden meegegeven, werd niet toegelicht. Ook blijkt de herstelling aan het dak te zijn getoond.

Eiseres in hoger beroep stelt dat de stukken die door mevrouw **V.** vrijwillig werden meegegeven, onrechtmatig zouden zijn bekomen omdat mevrouw **V.** hiertoe niet gemachtigd was.

3.1.2. ln toepassing van artikel 61 W.B.T.W. en diens tegenhanger inzake directe belastingen, artikel 315 W.I.B. 1992, is eenieder gehouden de boeken en bescheiden op ieder verzoek van de administratie zonder verplaatsing en zonder onnodig uitstel, voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde te kunnen nagaan. De administratie is derhalve gerechtigd om de belastingplichtige te vragen de boeken, facturen en andere stukken zonder verplaatsing voor te leggen, wat betekent dat van de belastingplichtige niet kan geëist worden deze stukken naar het kantoor van de administratie te brengen. Het is de administratie die ze zelf bij de belastingplichtige moet gaan inkijken en de belastingplichtige is verplicht de boeken en bescheiden voor te leggen.

ln het kader van artikel 61 W.B.T.W. en artikel 315 W.I.B. 1992 werd blijkbaar aan mevrouw **V.** om de voorlegging gevraagd van de stukken van de boekhouding die zij vrijwillig blijkt te hebben meegegeven.

Het hof is van oordeel dat uit de stukken van het administratief dossier inzake directe belastingen en inzake B.T.W. noch uit de stukken van eiseres in hoger beroep blijkt dat mevrouw **V.** niet gemachtigd zou zijn geweest om de betrokken stukken namens eiseres in hoger beroep voor te leggen aan de administratie. Het enkele feit dat mevrouw **V.** geen zaakvoerder meer was van eiseres in hoger beroep op datum van de onaangekondigde controle bewijst niet dat zij niet gerechtigd was de stukken van de boekhouding voor te leggen. Zij kan ook ais bediende hiertoe gerechtigd zijn geweest. Het tegendeel blijkt in ieder geval niet uit haar arbeidsovereenkomst. Aan de hand van de voorgelegde stukken kan het hof dan ook niet vaststellen dat deze onregelmatig zouden zijn verkregen door de administratie tijdens de onaangekondigde controle op 14 september 2012.

Bovendien stelt het hof vast dat de administratie in toepassing van de artikelen 63 W.B.T.W. en 319 W.I.B. 1992 het recht heeft tot vrije toegang tot de beroepslokalen onder meer, om alle boeken en bescheiden te onderzoeken die zich in de beroepslokalen bevinden. Aldus hebben de bedoelde controleambtenaren *"het recht na te gaan welke boeken en stukken zich bevinden in de ruimten waar de activiteit wordt uitgeoefend alsook de boeken en stukken die zij aldaar aantreffen, te onderzoeken, zonder voorafgaand om de voorlegging van die boeken en stukken te moeten verzoeken"* ([Cass. 16 december 2003](https://juriel.be/nl/rechtspraak/onderzoeksbevoegdheid-fiscale-ambtenaren-vrije-toegang-cassatie-brussel-2003-12-16-3cc9), *F.J.F.,* nr. 2004/117). De controleambtenaren hadden tijdens hun onaangekondigde controle op de zetel van eiseres in hoger beroep derhalve hoe dan ook het recht tot inzage van de boeken en bescheiden, zonder dat zij om de voorlegging daartoe dienden te vragen. Dat de stukken zouden zijn voorgelegd door iemand die daartoe niet gemachtigd was, wat het hot niet kan vaststellen, kan dan ook niet tot een onrechtmatige bewijsgaring leiden.

3.1.3. Geheel ten overvloede merkt het hot op dat, zelfs indien mevrouw **V.** niet gemachtigd zou zijn geweest de boeken voor te leggen, dit niet per definitie leidt tot de uitsluiting ervan ais bewijs. Het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs door de administratie moet getoetst worden aan de beginselen van behoorlijk bestuur en het recht op een eerlijk proces. Het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs kan in fiscale zaken dan slechts geweerd worden *"indien de bewijsmiddelen verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag verwacht worden dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht of indien dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt"* (zie [Cass. 22 mei 2015](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-ontvankelijkheid-regelmatigheid-intracommunautaire-levering-cassatie-brussel-2015-05-22-bd5e), *Arr.Coss.,* 2015, afl. 5, 1349).

e rechter dient in concreto een belangenafweging te maken waarbij hij onder meer rekening kan houden met één of meer van volgende omstandigheden:

**-** het zuiver formeel karakter van de onregelmatigheid;

**-** de weerslag ervan op het recht of de vrijheid die door de overschreden norm worden beschermd;

**-** het al dan niet opzettelijk karakter van de door de overheid begane onregelmatigheid;

**-** en de omstandigheid dat de ernst van de inbreuk veruit de begane onrechtmatigheid overstijgt.

Het gebruik van onrechtmatig verkregen bewijs zal niet alleen getoetst worden aan het recht op een eerlijk proces, maar ook aan de beginselen van behoorlijk bestuur (zoals het fair play-beginsel, het redelijkheidsbeginsel of de zorgvuldigheidsplicht). Er dient dus steeds een concrete belangenafweging gemaakt te worden tussen het individueel belang van de belastingplichtige en het belang van de fiscus.

Het hot oordeelt dat, rekening houdend met de concrete gegevens van de zaak, de voorlegging van de boeken en bescheiden tijdens de onaangekondigde controle door bediende mevrouw **V.** niet tot gevolg heeft dat de bedoelde stukken door de administratie niet konden aangewend worden, dat dergelijke aanwending onwettig is of dat de aanslagen en B.T.W.-navordering die mede op grand van deze stukken tot stand zijn gekomen niet geldig zouden zijn en evenmin dat de taxatieprocedure onwettig of nietig zou zijn. Er is geen sprake van schending van een regel die op straffe van nietigheid is voorgeschreven. De bewijsgaring tijdens een bezoek van de beroepslokalen in toepassing van de artikelen 63 W.B.T.W. en 319 W.I.B. 1992 was hoe dan ook gerechtvaardigd en druist dan ook niet zozeer in tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag verwacht worden dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet geacht worden en er is geen schending van het recht op een eerlijk proces. De controleambtenaren hadden het recht om kennis te nemen van de boekhouding. Deze blijft sowieso dezelfde en diende alleszins voorgelegd te worden indien de controleambtenaar zulks vroeg. De rechten van verdediging zijn niet geschonden evenmin ais het recht op een eerlijk proces (vgl. Gent, 24 februari 2015, zoals bevestigd door Cass. 4 november 2016, nr. F.15.0106.N). Het tegendeel kan niet worden afgeleid uit de vaststelling dat geen afzonderlijk controleverslag werd voorgelegd van de onaangekondigde controle. Er werd immers een overzicht van de controle opgenomen in het werkrapport, waardoor eiseres in hoger beroep de draagwijdte ervan kan beoordelen (A.D. 241).

De bestreden aanslagen en de B.T.W.-navordering dienen niet te worden vernietigd wegens onrechtmatige bewijsgaring of schending van de rechten van verdediging.

3.2. Wat betreft de opgeworpen willekeur van de B.T.W.-navordering en van de bestreden aanslagen in de vennootschapsbelasting.

3.2.1. Het hof stelt vast dat een gezamenlijke controle werd uitgevoerd inzake B.T.W. en directe belastingen, waarbij inzake B.T.W. op 24 oktober 2013 een proces-verbaal werd opgesteld waarin het volgende werd vastgesteld

> *"Uit een vergelijking van de aankopen, de begin- en eindstock van de gecontroleerde jaren werd vastgesteld dat er een stockaangroei is zonder dat er concrete aanwijzingen zijn uit de voorgelegde stukken dat er effectief meeraankopen zijn gebeurd.*
>
> *ln concreto werd het volgende vastgesteld :*
>
> \- *De belastingplichtige beschikt eind 2010 over 72 flesjes trappist ais eindstock, terwijl de beginstock 48 flesjes telde en er gedurende het ganse jaar 2010 geen aankopen zijn gebeurd van trappist.*
>
> ***-*** *Hetzelfde deed zich in 2010 voor met Palm 33cl Corsendonk Agnus, Corsendonk Pater, Kwak en Canada Dry 20 cl. Hier kon de stockvermeerdering ook niet worden verklaard door gerealiseerde aankopen. Althans niet door bewijskrachtige stukken die deze aankopen verrechtvaardigen.*
>
> *Er is dus voor deze bieren een grotere stockvermeerdering dan er aankopen werden gedaan.*
>
> *Voor het jaar 2011 wordt voor Koninck 25cl een zelfde vaststelling gedaan zoals supra aangehaald voor trappist, Palm, Corsendonk Agnus, Corsendonk Pater, Kwak en Canada Dry 20 cl. Met andere woorden een stockaangroei zonder aanwijsbare stukken die mogelijke aankopen verrechtvaardigen.*
>
> *Voor sterke dranken werd geen gedetailleerde vaarraad bijgehouden. ln 2010 zijn er geen aankopen sterke drank geweest, alhoewel deze dranken wel op de prijslijst staan."*

De verbalisant stelde voorts vast dat eiseres in hoger beroep de verschillen niet kon verantwoorden en stelde dat de administratie op grond van artikel 64 W.B.T.W. over een weerlegbaar wettelijk vermoeden beschikt dat hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, wordt geacht ze te hebben geleverd onder omstandigheden waaronder de belasting opeisbaar wordt. Vervolgens wordt in toepassing van artikel 59, §1 en artikel 64 W.B.T.W. overgegaan tot herberekening van de omzet, *"op basis van de input, rekening houdend met de brutowinst en/of rendementsnormen en/of eigen productieve prestaties".*

Op basis van het proces-verbaal inzake B.T.W. werd vervolgens de meeromzet in de vennootschapsbelasting berekend. Deze meeromzet werd vermoed niet in het vermogen van de vennootschap te zijn gekomen en werd aldus onderworpen aan de bijzondere aanslag geheime commissielonen (artikel 219 W.I.B. 1992).

Eiseres in hoger beroep stelt dat het niet zou zijn toegestaan de omzet te herberekenen op grond van vermoedens en de aangegeven omzet te vervangen door geschatte cijfers, indien vooraf de bewijskracht van de boekhouding niet werd verworpen. Eiseres in hoger beroep besluit tot de willekeur van de forfaitaire omzetberekening.

3.2.2. De B.T.W.-administratie draagt in toepassing van de artikelen 59 W.B.T.W. en volgende de bewijslast van de overtredingen van het W.B.T.W. alsmede van de feiten die de opeisbaarheid van de B.T.W. en een geldboete aantonen. Zij beschikt daartoe over de bewijsmiddelen van gemeen recht, onder meer over het bewijs door vermoedens dat in casu werd gehanteerd. De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

Voor het gebruik van het bewijs door vermoedens is niet vereist dat de administratie vooraf de bewijskracht van de boekhouding verwerpt. Zulks wordt geenszins vooropgesteld in artikel 59 W.B.T.W. en volgende, zodat aldus een voorwaarde zou worden toegevoegd aan de wet. Het enkele feit dat de bewijskracht van de boekhouding niet werd verworpen, ontzegt de administratie dan ook niet het recht om aan de hand van vermoedens aan te tonen dat de aangegeven omzet niet correct is. De herberekening van de omzet is dan ook niet willekeurig, enkel omdat de bewijskracht van de boekhouding vooraf niet werd verworpen. Zulks houdt geen rechtsdwaling in, noch heeft de administratie zich aldus gesteund op onjuiste feiten of heeft zij uit juiste feiten niet te verantwoorden gevolgtrekkingen afgeleid.

De B.T.W.-administratie dient derhalve aan te tonen dat de door de eiseres in hoger beroep aangegeven bedragen onjuist zijn en zij kan zulks door een forfaitaire tegenberekening aan de hand van de begin- en eindvoorraad, de aankopen, prijslijst en door gedeeltelijke toepassing van het forfait inzake caféhouders. Het is vervolgens aan eiseres in hoger beroep om aan te tonen dat de aldus berekende omzet niet correct is. Dit bewijs kan worden geleverd aan de hand van een bewijskrachtige boekhouding.

Het hof stelt vast dat de bewijskracht van de boekhouding van eiseres in hoger beroep over de betrokken boekjaren niet werd verworpen, noch inzake B.T.W., noch in de vennootschapsbelasting. Er werden weliswaar enkele hiaten vastgesteld in de stock met betrekking tot enkele dranken en er zou geen gedetailleerde voorraad van sterke dranken zijn bijgehouden, doch dit heeft niet geleid tot de verwerping van de bewijskracht van de boekhouding in het proces-verbaal dd. 24 oktober 2013. De argumentatie van de administratie inzake B.T.W. a posteriori in conclusie, waarin wordt geponeerd dat eiseres in hoger beroep nagelaten zou hebben een boekhouding te voeren die een samenhangend, betrouwbaar en controleerbaar geheel vormt zonder zulks echter nader te onderbouwen (B.T.W.-conclusie p. 4 en 10) kan geen afbreuk doen aan de vaststelling dat de B.T.W.-administratie, alvorens over te gaan tot herberekening van de omzet, in het proces-verbaal dd. 24 oktober 2013 de bewijskracht van de boekhouding heeft aanvaard, zoals wordt bevestigd door de administratie in de vennootschapsbelasting (conclusie vennootschapsbelasting sub B.3).

Het enkele feit dat de forfaitair berekende omzet afwijkt van de aangegeven omzet, bewijst op zich niet dat de aangegeven bedragen onjuist zijn en evenmin dat de boekhouding niet bewijskrachtig zou zijn. Zulks volgt evenmin uit de enkele beperkte hiaten in de stock. ln casu merkt het hot daarbij op dat deze hiaten wijzen op een stockaangroei, wat bezwaarlijk aanleiding kan geven tot enige meeromzet.

Het hof merkt op dat uitgebreide controles ter plaatse zijn gebeurd, in aanwezigheid van de zaakvoerder van eiseres in hoger beroep en van de boekhouder, waarbij de volledige boekhouding werd voorgelegd en gecontroleerd, hierin begrepen het *"aankoopjournaa/journaal kredietnota's op aankopen, aankoopfacturen en kredietnota's aankopen, verkoopjournaal, journaal kredietnota's verkopen, verkoopfacturen en kredietnota's op verkopen, ontvangstendagboek, kasboek, financiële dagboeken, journaal diverse boekingen, uittreksels financiële rekeningen, historiek algemene rekeningen"* (bijlage 4 bij het proces-verbaal dd. 24 oktober 2013). Tevens blijken inventarissen te zijn voorgelegd en prijslijsten. Er blijkt niet uit de controles dat de voorgelegde stukken van de boekhouding een oncontroleerbaar geheel zouden vormen, niet met elkaar zouden overeenstemmen of niet zouden zijn onderbouwd door bewijsstukken. Zulks wordt ook niet voorgehouden door de administratie, noch inzake B.T.W., noch inzake directe belastingen. Fouten en tekortkomingen in de boekhouding dienen te worden rechtgezet, doch dit houdt niet in dat iedere fout of tekortkoming zonder meer de bewijskracht aantast van de boekhouding.

Aangezien de B.T.W.-administratie de bewijskracht van de boekhouding heeft aanvaard en door het hof niet kan worden vastgesteld dat zulks ten onrechte zou zijn, toont eiseres in hoger beroep op afdoende wijze aan de hand van haar bewijskrachtige boekhouding aan dat de door haar aangegeven omzet correct is en dat de herberekening van de omzet, zoals uitgevoerd door de B.T.W.-administratie, niet correct is. Ten onrechte wordt dan ook een meeromzet weerhouden in hoofde van eiseres in hoger beroep.

De bestreden B.T.W.-vordering is dan ook onterecht en het bestreden dwangbevel dient derhalve te worden vernietigd.

Het vonnis van de eerste rechter dient op dit punt dan ook te worden hervormd.

3.2.3. De meeromzet in de vennootschapsbelasting werd berekend op grand van feitelijke vermoedens in toepassing van artikel 340 W.1.8.1992 waarbij wordt verwezen voor de berekening van de meeromzet naar het proces-verbaal inzake B.T.W. dat integraal werd overgenomen.

Aangezien inzake B.T.W. niet werd aangetoond dat de aangegeven bedragen onjuist zijn, kan de aldus berekende omzet niet als feitelijk vermoeden worden aangewend ter staving van een identieke meeromzet, zoals overgenomen inzake directe belastingen.

Ook inzake directe belastingen is de administratie gehouden om in toepassing van artikel 340 W.I.B. 1992 te bewijzen dat de aangegeven bedragen onjuist zijn, in het bijzonder gelet op de bewijskracht van de aangifte in toepassing van artikel 314bis W.I.B. 1992. Een voorafgaande verwerping van de bewijskracht van de boekhouding is niet noodzakelijk. Het bewijs dat de aangegeven bedragen onjuist zijn, wordt niet geleverd door de verwijzing naar een onjuiste omzet inzake B.T.W. en in geen geval gelet op de uitdrukkelijke bevestiging ter zitting dat de aangegeven bedragen, in casu de aangegeven verliezen, niet worden betwist.

Ook de bestreden aanslagen in de vennootschapsbelasting voor de aanslagjaren 2011 en 2012 werden dan ook onterecht gevestigd en dienen te worden ontheven. Het vonnis van de eerste rechter dient op dit punt dan ook te worden hervormd.

3.2.4. Gelet op de vernietiging van het bestreden dwangbevel en de ontheffing van de bestreden aanslagen, dient niet nader te worden ingegaan op de overige argumentatie van partijen aangezien deze niet tot een verdere vernietiging dan wel ontheffing kan leiden.

3.3. **Subsidiaire aanslag.**

Aangezien de betwiste aanslagen in de vennootschapsbelasting niet werden vernietigd op grond van de verjaring, beveelt het hof in toepassing van artikel 356 W.I.B. 1992 de heropening der debatten, teneinde de Belgische Staat de mogelijkheid te bieden om binnen de zes maanden te rekenen vanaf onderhavig arrest, subsidiaire aanslagen ter beoordeling voor te leggen aan het hof.

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is gegrond en het bestreden vonnis dient hervormd te worden.

### Beschikkend gedeelte

4.**Beslissing.**

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en ais volgt gegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis als volgt.

Het hof vernietigt het dwangbevel RCIV nr. …, uitgevaardigd op 4 november 2013 en uitvoerbaar verklaard op 6 november 2013. Het hof beveelt de terugbetaling van alle bedragen die uit hoofde van het aldus vernietigde dwangbevel ten onrechte werden betaald en / of ingehouden, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 91 W.B.T.W.

Het hof vernietigt de aanslagen in de vennootschapsbelasting voor aanslagjaar 2011, gekend onder artikel 330071 en voor aanslagjaar 2012, gekend onder artikel 840000386. Het hof beveelt de terugbetaling van alle bedragen die uit hoofde van de aldus vernietigde aanslagen ten onrechte werden betaald en / of ingehouden, vermeerderd met de moratoriumintresten overeenkomstig artikel 418 W.I.B. 1992.

Het hof beveelt de heropening der debatten op de terechtzitting van 26 november 2018 om 16u20 (pleitduur: 40 minuten) teneinde de procedure te regelen indien de Belgische Staat binnen de wettelijke termijn een subsidiaire aanslagen ter beoordeling aan het hot voorlegt en/of standpunt in te nemen betreffende de kosten van het geding.

Het hof houdt de beslissing over de kosten aan.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 16 januari 2018 door

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 3 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Percentage van het beroepsmatig gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-percentage-beroepsmatig-gebruik-hof-van-beroep-bergen-2023-05-31-09c2) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer, Forfait caféhouders, Motivering van bestuurshandelingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-forfait-cafehouders-motivering-hof-van-beroep-luik-2021-10-08-0aae) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-namen-2020-12-10-0baa) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Wedersamenstelling van het omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wedersamenstelling-omzetcijfer-bewijs-grond-feitelijke-rechtbank-luik-2022-03-01-1554) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Omzetberekening, Onttrekking, Bewijskracht van de boekhouding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzetberekening-onttrekking-bewijskracht-boekhouding-sociale-hof-van-beroep-gent-2022-06-14-170e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Uitgaven zonder bedrijfskarakter, Gebouw, Gedeeltelijk beroepsgebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-uitgaven-zonder-bedrijfskarakter-hof-van-beroep-luik-2020-09-04-17c5) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale controle, Proces-verbaal](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-controle-proces-verbaal-rechten-rechtbank-namen-2021-06-23-191f) 1 gemeenschappelijke bepalingen
