---
title: "Procedure, Verplichtingen · Hof van Cassatie van België, 25 april 2002, C.00.0373.N"
description: "Procedure, Verplichtingen, vrijwillige betaling, aangifteplicht. Hof van Cassatie van België, 25 april 2002, C.00.0373.N."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/procedure-verplichtingen-vrijwillige-betaling-aangifteplicht-cassatie-brussel-2002-04-25-6de7"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/procedure-recouvrement-acquiescement-tacite-judiciaire-cassation-bruxelles-2002-04-25-3fbc"
---

# Procedure, Verplichtingen, vrijwillige betaling, aangifteplicht

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Rolnummer**

C.00.0373.N

**Datum**

25 april 2002

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

92 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 25.04.2002 (C.00.0373.N)

*Procedure - Verplichtingen - vrijwillige betaling*

## Wettelijke bepalingen

Art. 6, Burgerlijk Wetboek

Artt. 2, 1044 en 1045, Gerechtelijk Wetboek

Artt. [45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45), [50, § 1, 3° en 4°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50), [59, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59), en [64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64), BTW-Wetboek

## Samenvatting

Betwistingen betreffende de invordering van achterstallige belastingen over de toegevoegde waarde raken de openbare orde. Het ontvankelijk verklaren bij gerechtelijke beslissing van een geding inzake de invordering is echter niet in strijd met de openbare orde en dus toelaatbaar.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van Cassatie

**dd. 25.04.2002**

**(C.00.0373.N)**

Z.A.M., wonende te..., eiser, vertegenwoordigd door mr. H.G., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ..., alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de Ontvanger van het Eerste B.T.W. -Ontvangkantoor te Antwerpen, met burelen te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4, bus 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te ...

## I. Bestreden uitspraak

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 21 maart 2000 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

## II. Rechtspleging voor het Hof

Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

## III. Middel

Eiser voert in zijn verzoekschrift een middel aan.

*Geschonden wettelijke bepalingen*

\- artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek;

\- de artikelen 2, 1044 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek;

\- de artikelen [45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45), [50, § 1, 3° en 4°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50), [59, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59), en [64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) van het BTW-Wetboek, zoals van toepassing voor de wijzigingen bij wetten van 22 december 1989 en 28 december 1992;

\- artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing zowel voor de wijziging bij koninklijke besluiten van 9 november 1982 en 17 december 1982 als voor de wijziging bij koninklijk besluit van 30 december 1986 ;

\- het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht strikt moet worden uitgelegd en enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.

*Aangevochten beslissingen*

Het Hof van Beroep te Antwerpen verklaart bij het bestreden arrest, rechtdoende op eisers hoger beroep, dit hoger beroep ontoelaatbaar en veroordeelt eiser tot betaling van een bedrag van 10.000 BEF wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep op grond :

"dat (verweerder) tevens de berusting in het bestreden vonnis inroept om te concluderen tot de ontoelaatbaarheid van het hoger beroep;

dat krachtens artikel 1044 van het Gerechtelijk Wetboek berusten in een beslissing, afstand doen is van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend;

dat te dezen geen enkel overgelegd gegeven toelaat vast te stellen dat (eiser) uitdrukkelijk heeft berust in het bestreden vonnis in de zin van artikel 1045, lid 2, van het Gerechtelijk Wetboek;

dat evenwel krachtens voornoemde wetsbepaling de berusting ook stilzwijgend kan gebeuren, wanneer zij kan worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing;

dat te dezen uit de overgelegde stukken blijkt dat :

1\. het bestreden vonnis werd gewezen op 19 oktober 1992;

2\. de ontvanger van de B.T.W. bij aangetekend schrijven van 14 december 1992, in uitvoering van het vonnis, de afrekening opstelde en (eiser) verzocht de som van 1.318.461 BEF te betalen;

3\. de fiscale raadgever van (eiser) bij schrijven van 4 februari 1993 de ontvanger in kennis stelde dat (eiser) het gevorderde bedrag niet in eenmaal kon voldoen en verzocht voorlopig niet tot uitvoering van het vonnis over te gaan;

4.(eiser) op 18 februari 1993 een eerste afbetaling t.b.v. 2.424 BEF aan (verweerder) deed;

5.de fiscale raadgever van (eiser) bij schrijven van 23 februari 1993 de ontvanger in kennis stelde dat (eiser) bereid was maandelijkse afbetalingen t.b.v. 10.000 BEF te verrichten, en dat een eerste betaling onmiddellijk zal worden gedaan;

6.(eiser) vervolgens op 27 februari 1993, 11 april 1993 en 26 juli 1993 betalingen van respectievelijk 10.000 BEF, 10.000 BEF en 50.000 BEF heeft verricht;

dat uit de lezing van de voornoemde brieven van de CV Euracco, geschreven in opdracht van (eiser) enkel kan worden afgeleid dat (eiser) de tegen hem uitgesproken veroordeling op geen enkel punt aanvecht en enkel om gemak van betaling verzoekt;

dat tevens blijkt dat de uitgevoerde betalingen zonder enig voorbehoud werden verricht en werden gedaan ter uitvoering van een zelf vooropgesteld afbetalingsplan tot voldoening van de gehele schuld;

dat dan ook het feit de schuld op geen enkel punt te betwisten, het feit om uitsluitend om gemak van betaling te verzoeken en de omstandigheden vrijwillig betalingen zonder enig voorbehoud te verrichten, onmiskenbaar duidelijk bepaalde en met elkaar overeenstemmende feiten en akten uitmaken, die enkel aanleiding kunnen geven tot het vaststellen dat (eiser) het vaste voornemen had zijn instemming met het vonnis van 19 oktober 1992 te betuigen, en hierin te berusten;

dat, rekening houdende met de vorenstaande vaststellingen, (verweerder) zeer terecht stelt dat (eiser) stilzwijgend in het bestreden vonnis heeft berust in de zin van artikel 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek en derhalve afstand heeft gedaan van de aanwending van enig rechtsmiddel tegen dit vonnis;

dat de door (eiser) ingeroepen verweermiddelen niet van aard zijn vorenstaande vaststellingen te ontkrachten of te weerleggen; dat immers ten onrechte wordt aangevoerd dat de betalingen werden verricht ingevolge de uitvoerbaarheid bij voorraad van het vonnis, daar de eerste rechter niet tot de uitvoerbaarheid heeft besloten;

dat dienvolgens het hoger beroep van (eiser) ingevolge de stilzwijgende berusting ontoelaatbaar is en hij in de kosten van hoger beroep, zoals hierna begroot, dient verwezen;

dat (verweerder) bij toelaatbare tegenvordering, ingesteld bij de op 28 september 1999 ingediende syntheseconclusie, de veroordeling van (eiser) tot betaling van de som van 25.000 BEF nastreeft, ten titel van schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep;

dat te dezen uit de hierboven vastgestelde berusting, duidelijk blijkend uit vaststaande feiten en akten, komt vast te staan dat (eiser) op duidelijke wijze met het bestreden vonnis had ingestemd en onmiskenbaar te kennen had gegeven afstand van het rechtsmiddel te doen; dat derhalve het instellen van hoger beroep een volkomen onverantwoorde daad uitmaakt, waardoor dit hoger beroep een tergend en roekeloos karakter verkrijgt;

dat derhalve (verweerder) in casu terecht een schadevergoeding wegens het instellen van een tergend en roekeloos hoger beroep vordert, doch geen concrete gegevens voorbrengt die uitwijzen dat de geleden schade 25.000 BEF bedraagt; dat dan ook de toekenning van een vergoeding van 10.000 BEF te dezen een billijke schadeloosstelling uitmaakt, zodat de tegenvordering van (verweerder) in vorenstaande zin gegrond is.

*Grieven*

*1. Eerste onderdeel*

Overeenkomstig artikel 1044 van het Gerechtelijk Wetboek bestaat de berusting in een beslissing in het afstand doen van de rechtsmiddelen die een partij tegen alle of sommige punten van die beslissing kan aanwenden of reeds heeft aangewend.

Deze berusting kan zowel uitdrukkelijk als stilzwijgend zijn.

Stilzwijgende berusting kan evenwel enkel worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende handelingen of feiten, waaruit blijkt dat de partij het vast en ondubbelzinnig voornemen heeft haar instemming met deze beslissing te betuigen.

Krachtens een algemeen rechtsbeginsel, waarvan onder meer artikel 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek een toepassing uitmaakt, moet de afstand van een recht immers strikt worden uitgelegd en kan slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.

Het kan derhalve slechts worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn.

Overeenkomstig [artikel 92, tweede lid, van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92), zoals van toepassing voor de wijziging bij wet van 15 maart 1999, kan evenwel tegen de rechterlijke beslissing, waarbij het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, niet op geldige wijze enig rechtsmiddel worden aangewend indien het bedrag van de verschuldigde sommen niet in consignatie is gegeven binnen twee maanden na het verzoek dat de bevoegde ambtenaar bij aangetekende brief tot de belastingschuldige richt.

Door het hof van beroep zelf wordt te dezen uitdrukkelijk vastgesteld, op het derde blad van het bestreden arrest, dat uit de overgelegde stukken blijkt dat de ontvanger van de BTW te Antwerpen bij aangetekend schrijven van 14 december 1992 eiser verzocht de som van 1.318.461 BEF te consigneren bij de Depositoen Consignatiekas te Antwerpen indien hij wenste hoger beroep in te stellen tegen het bestreden vonnis.

De vraag van eiser om het bedrag niet in een keer binnen de vooropgestelde termijn te betalen, doch bij wijze van afbetalingen van 10.000 BEF, kon dan ook evenzeer te verklaren zijn door zijn wil om te voldoen aan de voorafgaande consignatieverplichting, waarvan de ontvankelijkheid van het in te stellen hoger beroep afhankelijk was, dan wel omdat eiser meende dat het vonnis uitvoerbaar was bij voorraad.

Zo ook kan het feit dat de schuld op geen enkel ogenblik in de briefwisseling gericht aan de BTW-ontvanger werd betwist te verklaren zijn door de omstandigheid dat bedoelde ambtenaar niet is aangewezen om in hoger beroep kennis te nemen van de grieven tegen de beslissing van de eerste rechter of door het feit dat de fiscale raadgever daartoe geen opdracht had gekregen.

Hieruit volgt dat het bestreden arrest op grond van de gedane vaststellingen niet wettig heeft kunnen besluiten dat eiser duidelijk te kennen had gegeven in het vonnis van de eerste rechter te berusten (schending van de artikelen 2, 1044 en 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, evenals van het algemeen rechtsbeginsel dat afstand van recht strikt moet worden uitgelegd en enkel kan worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn).

*2 Tweede onderdeel*

De bepalingen van het BTW-Wetboek verband houdende met de aftrekregeling, inzonderheid [artikel 45 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45), evenals met de regeling voor de voldoening van de belasting, inzonderheid artikel 50, § 1, 3° en 4°, aangaande de verplichtingen, opgelegd aan de belastingplichtigen, om maandelijks aangifte te doen van de al of niet belastbare handelingen die tijdens de vorige maand in de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid werden verricht en van alle gegevens, die nodig zijn voor het berekenen van de verschuldigde belasting en de toe te passen aftrekken, en om de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij 3° voorgeschreven aangifte, evenals artikel 16 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, waarbij de formaliteiten worden voorgeschreven die moeten worden nageleefd bij de indiening van de in [artikel 50 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50) bedoelde aangifte, en de bepalingen aangaande de bewijsmiddelen en controlemaatregelen, inzonderheid artikelen [59, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59), en [64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) van het BTW-Wetboek, raken de openbare orde.

Overeenkomstig de artikelen 1044 en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek kan evenwel niet worden berust in beslissingen, gewezen in aangelegenheden die de openbare orde raken.

Te dezen hield de betwisting, voorgelegd aan de feitenrechter ingevolge het verzet, door eiser ingesteld tegen een dwangbevel, uitgevaardigd door de BTW-ontvanger op 24 februari 1987, verband met hoger vernoemde bepalingen, zoals kan worden afgeleid uit de besluiten die door beiden partijen voor de eerste rechter, evenals in hoger beroep werden uitgewisseld.

Hieruit volgt dat in zoverre het bestreden arrest oordeelt dat eiser vermocht stilzwijgend te berusten in de beslissing, genomen door de eerste rechter over het verzet tegen het dwangbevel van 24 februari 1987, uitgevaardigd voor een bedrag van 757.975 BEF wegens achterstallige BTW, vermeerderd met de intresten en boeten, het niet naar recht is verantwoord (schending van de artikelen 6 van het Burgerlijk Wetboek, 2, 1044, en 1045 van het Gerechtelijk Wetboek, 45, 50, § 1, 3° en 4°, 59, §1, 64 van het BTW-Wetboek, zoals van toepassing voor de wijzigingen bij wetten van 22 december 1989 en 28 december 1992, en 16 van het koninklijk besluit nr. 1 van 23 juli 1969 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde, zoals van toepassing zowel voor de wijziging bij koninklijke besluiten van 9 november 1982 en 17 december 1982 als voor de wijziging bij koninklijk besluit van 30 december 1986).

## IV. Beslissing van het Hof

*1. Eerste onderdeel*

Overwegende dat, krachtens artikel 1045, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de stilzwijgende berusting in een rechterlijke beslissing alleen kan worden afgeleid uit bepaalde en met elkaar overeenstemmende akten of feiten waaruit blijkt dat de partij het vaste voornemen heeft haar instemming te betuigen met de beslissing;

Dat de afstand van het recht om hoger beroep in te stellen strikt moet worden uitgelegd en slechts mag worden afgeleid uit feiten die voor geen andere uitlegging vatbaar zijn;

Overwegende dat de appèlrechters, op grond van de feitelijke vaststellingen vermeld op bladzijde 5 van het arrest, oordelen dat uit de lezing van de brieven van de fiscale raadgever, geschreven in opdracht van eiser, uitsluitend kan worden afgeleid dat eiser de tegen hem uitgesproken veroordeling op geen enkel punt aanvecht en enkel om gemak van betaling verzoekt;

Dat zij tevens oordelen dat de uitgevoerde betalingen zonder enig voorbehoud werden verricht en werden gedaan ter uitvoering van een zelf vooropgesteld afbetalingsplan tot het voldoen van de gehele schuld;

Overwegende dat de appèlrechters zodoende, niet alleen aangeven uit welke overeenstemmende feiten blijkt dat eiser het vaste voornemen had in het beroepen vonnis te berusten, maar tevens uitsluiten dat eiser de afbetalingen heeft gedaan ter uitvoering van de voorafgaandelijke consignatieplicht of dat eiser zijn schuld heeft betwist omdat de aangeschreven ambtenaar niet is aangewezen om in hoger beroep kennis te nemen van de grieven tegen het beroepen vonnis of dat eiser geen opdracht zou gegeven hebben aan zijn fiscaal raadgever;

Dat de appèlrechters door aldus te oordelen, hun beslissing dat eiser stilzwijgend heeft berust in het beroepen vonnis, naar recht verantwoorden;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

*2. Tweede onderdeel*

Overwegende dat uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan blijkt dat eiser verzet heeft ingesteld tegen het dwangbevel uitgevaardigd door de ontvanger van de BTW op 24 februari 1987;

Dat eiser betwist de gevorderde achterstallige BTW verschuldigd te zijn, met uitzondering van een bedrag van 78.253 BEF, te vermeerderen met boeten en intrest;

Overwegende dat de wetgeving die de wezenlijke belangen van de Staat of van de gemeenschap betreft of die, in het privaatrecht de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde berust, van openbare orde is;

Dat een betwisting over de invordering van de belasting over de toegevoegde waarde de openbare orde raakt;

Overwegende dat de berusting in een vonnis dat een lastens de belastingplichtige ingestelde vordering inwilligt evenwel de wezenlijke belangen van de Staat of van de gemeenschap niet bedreigt en derhalve de openbare orde niet verstoort;

Overwegende dat uit de stukken het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het beroepen vonnis het verzet van eiser tegen het dwangbevel als ongegrond heeft afgewezen, met veroordeling van eiser in de kosten en dat verweerder voor de appèlrechters, in ondergeschikte orde, de bevestiging vroeg van het beroepen vonnis;

Dat de appèlrechters door in die omstandigheden te oordelen, op grond van de feitelijke omstandigheden die zij vaststellen, dat eiser stilzwijgend heeft berust in het beroepen vonnis zodat het hoger beroep niet ontvankelijk is, hun beslissing naar recht verantwoorden;

Dat het onderdeel niet kan worden aangenomen;

### Beschikkend gedeelte

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF,**

Verwerpt de voorziening;

Veroordeelt eiser in de kosten.

De kosten begroot op de som van zeshonderd eenendertig euro achtenzestig cent jegens de eisende partij en op de som van achtennegentig euro tweeëntwintig cent jegens de verwerende partij.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste Kamer, te Brussel, door voorzitter ...

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

5

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 4 voorkomens

[WBTW art. 50](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-50) 4 voorkomens

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 4 voorkomens

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 4 voorkomens

[WBTW art. 92](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-92) 1 voorkomen

## Rechtspraak

10

### België

10

Hof van Cassatie F.14.0070.N 07.04.2016

#### [Berusten, afstand doen van rechtsmiddelen, bijzondere volmacht voor advocaat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/berusten-afstand-doen-rechtsmiddelen-bijzondere-cassatie-brussel-2016-04-07-adfc)

Hof van beroep te Gent 17.02.2009

#### [Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, vervolging, geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-hof-van-beroep-gent-2009-02-17-4e65)

Hof van beroep te Gent 27.06.2006

#### [Strafbepaling, administratieve geldboete, teruggaaf van belasting, vervolging, geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-teruggaaf-belasting-hof-van-beroep-gent-2006-06-27-587b)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Gerechtelijke procedure, Kracht van gewijsde, Vaststellingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gerechtelijke-procedure-kracht-gewijsde-vaststellingen-hof-van-beroep-bergen-2021-10-20-32fc) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Transport, Schulden, Weigering BTW-aftrek, vervoer, weigering van de Btw-aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/transport-schulden-weigering-btw-aftrek-rechtbank-2026-03-02-0053) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-bankonderzoek-wedersamenstelling-omzet-wettelijke-hof-van-beroep-gent-2023-12-19-05f6) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingen over toegevoegde waarde, Akkoordverklaring, Afstand van Geding, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van management fees](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-management-fees-rechtbank-brussel-2023-09-29-d7df) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautair handelsverkeer, Btw-boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautair-handelsverkeer-btw-boete-rechtbank-brussel-2025-11-14-f437) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Gezamenlijke controle Inkomstenbelastingen en BTW, Vordering in rechte](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aoif-gezamenlijke-controle-inkomstenbelastingen-btw-rechtbank-bergen-2007-11-29-04b4) 3 gemeenschappelijke bepalingen
