---
title: "Procedure, aangifte van een fiscaal ambtenaar · Hof van Cassatie van België, 23 december 2009"
description: "Procedure, aangifte van een fiscaal ambtenaar. Hof van Cassatie van België, 23 december 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/procedure-aangifte-fiscaal-ambtenaar-cassatie-brussel-2009-12-23-a886"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/procedure-denonciation-fonctionnaire-fiscal-cassation-bruxelles-2009-12-23-36cd"
---

# Procedure, aangifte van een fiscaal ambtenaar · procedure - aangifte van een fiscaal ambtenaar

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Datum**

23 december 2009

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

116 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

**Arrest van het Hof van Cassatie dd. 23.12.2009, Zaak** **P.09.1179.F**

*Procedure*

*Aangifte van een fiscaal ambtenaar*

## Samenvatting

Art. 29, tweede lid, Sv., verbiedt de in deze bepaling vermelde ambtenaren om, zonder machtiging van de gewestelijk directeur onder wie zij ressorteren, bij de procureur des Konings de feiten aan te geven die naar luid van de belastingwetten en van de ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafbaar zijn; de exceptie van niet-ontvankelijkheid van de vervolgingen die daaruit voortvloeit kan niet op de gemeenrechtelijke misdrijven worden toegepast.

Art. 29, tweede lid, Sv., slaat op de feiten die ter kennis van het parket worden gebracht door de ambtenaren die het aanwijst en niet op de inlichtingen die de procureur des Konings in de uitoefening van zijn algemene vervolgingsopdracht vraagt en verkrijgt, ook al worden de feiten die de belastingadministratie of de in het geding betrokken personen kennen, niet verduidelijkt door het vooronderzoek dat die magistraat heeft opgestart (1).

(1) Zie Cass., 20 juni 2000, AR P.00.0200.N, A.C., 2000, nr. 384 en Cass., 17 dec. 2008, AR P.08.0878.F, A.C., 2008, nr. 736.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

Hof van Cassatie van België

Arrest

Nr. P.09.1179.F

I. DE PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE LUIK,

II. BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, in de persoon van de

ontvanger van het eerste kantoor BTW-ontvangsten te Namen,

Mr. Benoît Lespire, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

1\. G. Y.,

Mr. Thibault Maudoux, advocaat bij de balie te Brussel,

2\. B. T., e.a.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik,

kamer van inbeschuldigingstelling, van 20 mei 2009, op verwijzing gewezen

ingevolge het arrest van het Hof van 17 december 2008.

De eisers voeren ieder in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen

aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel van de eerste eiser

De eiser verwijt het arrest dat het de vervolgingen die tegen de eerste negentien

verweerders zijn ingesteld, wegens gemeenrechtelijke misdrijven en

belastingmisdrijven, en die welke tegen de laatste twee verweerders zijn ingesteld,

wegens gemeenrechtelijke misdrijven, niet ontvankelijk verklaart.

Krachtens artikel 29, eerste lid, Wetboek van Strafvordering, is iedere ambtenaar

die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van een misdaad of van een

wanbedrijf, verplicht daarvan bericht te geven aan de procureur des Konings en

hem alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal en akten te doen

toekomen.

Artikel 29, tweede lid, van hetzelfde wetboek, verbiedt de in deze bepaling

vermelde ambtenaren om de feiten, die naar luid van de belastingwetten en van de

ter uitvoering ervan genomen besluiten, strafrechtelijk strafbaar zijn, zonder de

machtiging van de gewestelijk directeur onder wie zij ressorteren, bij de procureur

des Konings aan te geven.

Nadat de appelrechters erop hebben gewezen dat het dossier was geopend met een

aangifte wegens witwassen, verklaren zij de vervolgingen in hun geheel niet

ontvankelijk op grond dat de overtredingen die op belastingfraude betrekking

hebben, waren aangegeven door belastingambtenaren, zonder voorafgaande

machtiging van de bevoegde gewestelijke directeur.

Door aldus de door het arrest in aanmerking genomen exceptie van nietontvankelijkheid

toe te passen op de gemeenrechtelijke misdrijven, schendt het

arrest het voormelde artikel 29, eerste lid.

Het middel is gegrond.

Tweede middel van de eisers

Artikel 29, tweede lid, Wetboek van Strafvordering slaat op de feiten die ter

kennis van het parket worden gebracht door de ambtenaren die het artikel

aanwijst, en niet op de inlichtingen die door de procureur des Konings in de

uitoefening van zijn algemene vervolgingsopdracht zijn gevraagd en verkregen,

ook al worden de feiten die bij de belastingadministratie of door de in het geding

betrokken personen gekend zijn, niet verduidelijkt door het vooronderzoek dat die

magistraat heeft opgestart.

Om de akten van gerechtelijke politie die noodzakelijk zijn voor het door de

procureur des Konings gevorderde vooronderzoek, uit te voeren, moet bijgevolg

geen machtiging aan de gewestelijke directeur worden gevraagd door de

ambtenaren die onder hem ressorteren.

Het arrest vermeldt eerst dat het onderzoek van het parket werd geopend na een

aangifte wegens witwassen, uitgaande van de cel voor financiële

informatieverwerking, die op 11 juni 2001 aan de procureur des Konings is

doorgegeven. Die heeft de federale gerechtelijke politie opdracht gegeven om het

onderzoek voort te zetten bij de belastingdiensten omdat de transacties in het

kader van een BTW-carrousel konden zijn gebeurd. Het wijst er vervolgens op dat

het onderzoek informeel is voortgezet met een vergadering van 18 februari 2002,

waarop werd overeengekomen dat een ambtenaar van de Bijzondere

belastinginspectie de gevraagde inlichtingen zou verstrekken. Het stelt ten slotte

vast dat het proces-verbaal van de inspecteur van gerechtelijke politie van 14

maart 2002 de omvang van de bij de belastingadministratie verkregen informatie

aantoont. In dat proces-verbaal wordt de facturering in kaart gebracht, wat tot de

inverdenkingstelling van alle verweerders heeft geleid.

Uit de voormelde redenen blijkt dat de belastingfraude die de eerste negentien

verweerders wordt tenlastegelegd het resultaat was van de opsporingen die de

procureur des Konings in de uitoefening van zijn prerogatieven van gerechtelijke

politie heeft bevolen en dat dit misdrijf niet bij het parket werd aangegeven op

initiatief van de belastingambtenaren.

Het arrest wijst er verder op dat van de vergadering van 18 februari 2002 geen

verslag is opgemaakt, dat geen ambtenaar van de Bijzondere belastinginspectie na

deze vergadering verslag heeft opgemaakt, dat de ambtenaren zich probleemloos

hadden kunnen indekken met een voorafgaande machtiging alvorens met nieuwe

gegevens over derden bij te dragen tot de aanvankelijke, in het kader van de

witwasoperaties geplande opsporingen, dat er inlichtingen waren verstrekt zonder

dat uit de kantschriften en richtlijnen van het parket een duidelijk verzoek inzake

de bedoelde belastingmisdrijven en de betrokken personen blijkt. Uit de

voormelde feiten kan evenwel niet worden afgeleid dat voor de toezending van de

door de belastingadministratie verstrekte informatie een machtiging van de

gewestelijke directeur vereist was.

De appelrechters leiden bijgevolg de niet-ontvankelijkheid van de vervolgingen

niet naar recht af uit het ontbreken van de voormelde machtiging.

Het middel is gegrond.

Er is geen grond om het eerste middel van de tweede eiser te onderzoeken dat niet

tot cassatie kan leiden in andere dan in de hierna gestelde bewoordingen.

### Beschikkend gedeelte

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het

vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik, kamer van

inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door

afdelingsvoorzitter Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de

raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Alain Simon, en in openbare

terechtzitting van 23 december 2009 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Jean

de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met

bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en

overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,
