Procesverloop
2 stappen · 2 jaar 3 maanden- Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Antwerpen27.10.2000
- Weergegeven beslissingHof van beroep te Antwerpen18.02.2003
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen dd. 18.02.2003
FJF 2003/145
De Fiscale Koerier 2003/688
Plaats van de dienst.
Intellectueel werk.
Uitgevers van grammofoonplaten of andere klankdragers.
Samenvatting
De belastingplichtige is uitbaatster van een geluidsopnamestudio, waarnaar, in opdracht van platenmaatschappijen, zangers en muzikanten komen. De belastingplichtige maakt er opnames van muzikale werken, die ze vervolgens (o.m.) mengt, zuivert en voorziet van geluidseffecten om uiteindelijke tot een «master tape» te komen, die zij levert aan haar opdrachtgevers. De opdrachtgevers gebruiken deze master tape om kopieën (m.n. cd's en andere geluidsdragers) te produceren. Aangezien de belastingplichtige niet de macht had om over deze master tapes te beschikken, is het hof van oordeel dat er geen sprake kan zijn van een levering van een goed in de zin van artikel 10, § 1, 1º van het W.B.T.W., maar wel van een dienst, m.n. een materieel of intellectueel werk dat zelfstandig wordt verricht in de zin van artikel 18, § 1, 1º van het W.B.T.W. Het materieel werk dat door de belastingplichtige wordt verricht is niet ondergeschikt aan het afgeleverd eindproduct. De materiële levering van de master tape is echter onafscheidelijk verbonden aan de dienst, zijnde het ter beschikking stellen van de opnamestudio aan de platenmaatschappijen en het bewerken van de geluidsopnames. De levering van de master tape volgt dezelfde regeling als die welke voor de dienstverlening geldt. Deze werkzaamheden kunnen evenmin beschouwd worden als diensten inzake informatieverwerking (art. 21 § 3 7º d W.B.T.W.).
Volledige tekst
Tekst van de beslissing
Advocaten : Mr. Smets, Mr. Buyckx loco Mr. van der Straten
N.V. G.S.
tegen
de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 27 oktober 2000, waarvan geen betekening voorligt, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 29 december 2000, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld;
Het hoger beroep van appellante strekt ertoe het bestreden vonnis te horen tenietdoen en opnieuw recht doende de oorspronkelijke vordering van appellante ontvankelijk en gegrond te horen verklaren en dienvolgens te horen zeggen voor recht dat de activiteit van appellante namelijk het maken en afleveren van een «mastertape» een levering van een goed is in de zin van het W.B.T.W.
In ondergeschikte orde, in afwachting van een eenvormige Europese afspraak tussen de diverse lidstaten van de Europese Unie m.b.t. de kwalificatie van kwestieuze verrichting, minstens te zeggen voor recht dat de activiteit van appellante, namelijk het maken en afleveren van een «master tape» een levering van een goed is in de zin van het W.B.T.W. en de dwangmatige opeising van de B.T.W. te schorsen en het blokkeren van de B.T.W.-tegoeden te verbieden;
Feiten en voorgaanden
Het hof verwijst naar de feitelijke uiteenzetting in het bestreden vonnis, die zij voor de duidelijkheid volledig herneemt.
Appellante is uitbaatster van een geluidsopnamestudio. In opdracht van binnen- en buitenlandse platenmaatschappijen komen zangers en muzikanten naar de geluidsopnamestudio en worden de muzikale werken opgenomen door appellante, die ze vervolgens onder meer mengt, zuivert en voorziet van geluidseffecten om uiteindelijk tot een «master tape» te komen.
De opdrachtgevers gebruiken deze «master tapes» om kopieën, met name CD's en andere geluidsdragers, te produceren; zonder deze «master tapes» kunnen geen kopieën geproduceerd worden.
Appellante werd op 18 november 1993, tijdens een B.T.W.-controle over de periode 1991 en 1992 op de hoogte gebracht dat de door haar verrichte activiteit een dienstverrichting is, zodat de dienst dan ook in België plaatsvindt en zij bijgevolg B.T.W. dient aan te rekenen ongeacht de hoedanigheid van de ontvanger van de dienst of de plaats waar de ontvangst van de dienst gevestigd is.
Hierbij werd aan appellante medegedeeld dat er niet werd teruggekomen op eventuele misvattingen wat het verleden betreft, doch dat zij zich aan de wettelijke bepalingen diende aan te passen wat betreft de toekomst.
Naar aanleiding van een B.T.W.-controle op 3 februari 1998 over de periode 1993 tot 1997 werd vastgesteld dat appellante op haar uitgaande facturen, waarbij de ontvanger van de dienst als belastingplichtige in een andere lidstaat of in een derde land geregistreerd is, nog steeds geen B.T.W. heeft aangerekend.
Op 5 oktober 1998 werd hiervan proces-verbaal opgesteld door de B.T.W.-administratie en werd vastgesteld dat de totaal verschuldigde B.T.W. 1.972.474,- BEF bedraagt, hetgeen aan appellante werd medegedeeld op 23 november 1998.
Bij gebreke aan betaling werd op 14 juni 1999 een dwangbevel uitgevaardigd, dat op 16 juni 1999 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard en op 22 juni 1999 ter kennis werd gebracht aan appellante bij aangetekende brief.
Appellante had reeds voor de uitvaardiging van het dwangbevel de inleidende dagvaarding voor de rechtbank van eerste aanleg betekend en had ook in kort geding gedagvaard.
Bij beschikking van 12 juli 1999 schorste de heer voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg te Turnhout, zetelend in kort geding, in afwachting van een definitieve uitspraak ten gronde, de dwangmatige opeising van de B.T.W. en verbood, eveneens in afwachting van een definitieve uitspraak ten gronde, het blokkeren van de B.T.W. tegoeden.
De eerste rechter oordeelde dat het bewezen is dat appellante voor de opname van de «master tapes» niet louter haar geluidsopnamestudio ter beschikking heeft gesteld van de platenmaatschappijen, hetgeen immers dient beschouwd te worden als een verhuur van goederen, die vrijgesteld is van de B.T.W. in de mate waarin hij betrekking heeft op onroerende goederen uit hun aard, zodat haar activiteiten, conform art. 18 § 1 van het wetboek van B.T.W., als dienstverlening te worden beschouwd.
Appellante doet in haar laatste synthesebesluiten een uitbreiding van vordering op grond van art. 807 Ger. Wb. Deze uitbreiding van eis bestaat erin te horen zeggen dat in de mate de activiteiten van appellante zouden gekwalificeerd worden als een dienst, de door appellante uitgevoerde werkzaamheden gekwalificeerd dienen te worden als een dienst in de informatieverwerking overeenkomstig art. 21 § 37º d van het W.B.T.W.
Ten gronde
Bij haar beslissing van 26 maart 1997 heeft de centrale Administratie van het A.O.I.F. met betrekking tot de met B.T.W. belaste werkzaamheden van appellante gesteld dat de handeling die bestaat in de terbeschikkingstelling van een geluidsopname studio, de uitrusting en het technisch personeel ervan, dient te worden aangemerkt als een dienst die de uitvoering van een werk tot voorwerp heeft en derhalve bedoeld is in art. 18 § 1 1º W.B.T.W.;
Daarbij is het niet van belang wie de geluidsdragers van de opname verschaft; Op grond van art. 21 § 2 W.B.T.W. wordt die dienst geacht in België plaats te vinden wanneer de dienstverrichter, zijnde de exploitant van de studio, er de zetel van zijn beroepswerkzaamheid of een vaste inrichting heeft gevestigd van waaruit de dienst wordt verricht. Voornoemde belastingplichtige dient bijgevolg voor bedoelde handelingen B.T.W. aan te rekenen, ongeacht de hoedanigheid van de ontvanger van de dienst of de plaats waar hij gevestigd is.
Op 27 april 1997 werd appellante door de hoofdcontroleur van de B.T.W. te Mol op de hoogte gebracht van de inhoud van deze beslissing.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.