---
title: "Overdracht van een bedrijfsafdeling · Hof van beroep te Brussel, 13 september 2006"
description: "Overdracht van een bedrijfsafdeling. Hof van beroep te Brussel (België), 13 september 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/overdracht-bedrijfsafdeling-hof-van-beroep-brussel-2006-09-13-e69a"
lang: "nl"
---

# Overdracht van een bedrijfsafdeling

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

13 september 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

ongunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

71 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd

**Arrest van het Hof van Beroep te Brussel dd. 13.09.2006**

De Fiscale Koerier 2006/748

O*verdracht van een bedrijfsafdeling.*

## Samenvatting

Het is niet uitgesloten [artikel 11 van het WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) toe te passen indien de overdracht van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling door meerdere overeenkomsten wordt verwezenlijkt. In dergelijk geval is voor de toepassing van de vrijstellingsregeling enkel vereist dat de verschillende overeenkomsten een eenheid vormen en op dezelfde dag uitwerking hebben. De toepassing van de vrijstellingsregeling van [artikel 11 van het WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) kan niet worden geweigerd omdat niet alle overdrachten (onmiddellijk) aan dezelfde overnemer gebeurden of omdat de tussenliggende overdrachten niet ieder op zich een bedrijfsafdeling tot voorwerp hadden. Voor de toepassing van [artikel 11 van het WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) is vereist maar voldoende dat het geheel van de overdrachten, die onderling afhankelijk zijn en een eenheid vormen, de overdracht van een volledige bedrijfsafdeling tot stand brengen.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

Advocaten:

Meester L. V. H. - voor de Belgische Staat - appellant

Meester T. D. - voor de geïntimeerde

vonnis van de tweeëntwintigste kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel, na tegenspraak gewezen op 9 maart 1998

De feiten

Geïntimeerde, een vennootschap naar Amerikaans recht met zetel gevestigd in de Staat .., was sinds 6 januari 1983 eigenares van een gebouw gelegen te .. Dit eigendomsrecht berustte op erfpachtrechten, die geïntimeerde had verworven over het betreffende perceel grond.

Geïntimeerde had naar eigen zeggen in haar Belgische vestiging twee afzonderlijke bedrijfsafdelingen : één van deze bedrijfsafdelingen was actief als coördinatiecentrum, de andere betrof de uitbating van een onderzoekslaboratorium ten behoeve van de M-groep.

Met betrekking tot het gebouw waarin de laboratoriumafdeling was ondergebracht, werden tussen 1983 en 1988 door geïntimeerde belangrijke inrichtings- en uitbreidingswerken uitgevoerd. Als BTW-plichtige bracht geïntimeerde de op deze werken geheven BTW in aftrek.

In 1988 onderging de Belgische laboratoriumafdeling van geïntimeerde een reorganisatie. Deze reorganisatie kaderde in een akkoord dat tussen de toenmalige Amerikaanse petrochemische groep M en de Scandinavische groep N werd bereikt met betrekking tot de Belgische laboratoriumafdeling van geïntimeerde. Het doel van het akkoord was deze laboratoriumafdeling actief te laten worden voor beide groepen. Daartoe zou deze afdeling worden ondergebracht in een afzonderlijke nieuwe Belgische vennootschap met beide groepen als aandeelhouder (een 'joint-venture').

Op 11 april 1988 werd door geïntimeerde en een Belgische vennootschap van de N-groep, de NV N. P., een nieuwe Belgische NV opgericht met als maatschappelijke benaming 'P&C L.'.

Op 18 mei 1988 werd het akkoord tussen beide groepen afgerond en werd een formele overeenkomst, genoemd Joint Venture Agreement, afgesloten met als voorwerp de overdracht van de voormelde laboratoriumafdeling van geïntimeerde en haar verdere uitbating ten behoeve van beide groepen. Op 30 juni 1988 kreeg de overdracht uitvoering.

Op 18 mei 1988 werd in uitvoering van de joint-venture overeenkomst nog een overeenkomst, genoemd 'Asset Purchase Agreement' afgesloten, waardoor op 30 juni 1988 de volgende operaties plaatsvonden :

\- geïntimeerde verkocht aan de NV N. P. de roerende uitrusting van de laboratoriumafdeling;

\- de NV N. P. deed vervolgens (middels een kapitaalinbreng in natura) inbreng in het kapitaal van de NV P&C L. van de roerende laboratoriumuitrusting die zij van geïntimeerde had verworven;

\- geïntimeerde deed (eveneens middels een kapitaalinbreng in natura) inbreng in het kapitaal van de NV P&C L. van de eigendom van voornoemd gebouw en van de erfpachtrechten waarop dit eigendomsrecht was gesteund;

\- geïntimeerde droeg het personeel van haar laboratoriumafdeling over aan de NV P&C L.;

\- geïntimeerde droeg ook alle activiteiten en lopende contracten van de laboratoriumafdeling over aan de NV P&C L.

Ter gelegenheid van een BTW-controle van geïntimeerde werd door de controlerende ambtenaar in vraag gesteld of de overdracht op 30 juni 1988 van het eigendomsrecht van het gebouw geen aanleiding gaf tot een herziening van de in de voorafgaande jaren toegepaste aftrek van BTW geheven op de uitbreidings- en verbouwingswerken van het gebouw.

Geïntimeerde stelde aan de controlerende ambtenaar dat de overdracht van het gebouw onder de toepassing viel van art. 11 W.B.T.W., zodat geen toepassing diende te worden gemaakt van de herzieningsregels.

Op 15 mei 1991 werd geïntimeerde op de hoogte gesteld van het standpunt van de administratie dat art. 11 W.B.T.W. in deze geen toepassing kon vinden.

Op 17 mei 1993 werd een proces-verbaal opgesteld, waarin het bedrag van de herziening werd bepaald op 22.531.291 BEF (558.536,11 EUR).

Op 24 mei 1993 werd op grond van dit proces-verbaal een dwangbevel uitgevaardigd dat op 3 juni 1993 werd betekend.

Op 8 juli 1993 tekende geïntimeerde verzet aan tegen dit dwangbevel. In de dagvaarding stond geïntimeerde evenwel verkeerdelijk vermeld als hebbende haar maatschappelijke zetel op de ..., terwijl aldaar enkel haar Belgische zetel was gevestigd.

Op 10 augustus 1993 tekende geïntimeerde zekerheidshalve een tweede maal verzet aan tegen het dwangbevel.

Het voorwerp van het geschil

De betwisting tussen partijen betreft de vraag of art. 11 W.B.T.W. al dan niet van toepassing is met name op de overdracht van het bedrijfsgebouw.

In zijn versie toepasselijk in 1988 luidde art. 11 W.B.T.W. als

volgt :

> "Als levering wordt niet beschouwd de overdracht bij wege van inbreng in vennootschap of anderszins van een algemeenheid van goederen of van een bedrijfsafdeling, wanneer de overnemer belastingplichtige is. In dat geval wordt de overnemer geacht de persoon van de overdrager voort te zetten".

De gevraagde wering van besluiten uit de debatten

Geïntimeerde vraagt de besluiten van appellant van 3 januari 2005, neergelegd ter griffie van het hof op 6 januari 2005, op grond van art. 747,§ 2 Ger. W. uit de debatten te weren.

Het hof stelt vast dat de besluiten van appellant inderdaad laattijdig werden neergelegd, en derhalve uit de debatten dienen te worden geweerd.

Beoordeling

In hoofdorde meent appellant dat geïntimeerde ten onrechte, onder verwijzing naar de administratieve beslissing nr. E.T. 9449 van 28 december 1971 (BTW-Revue, nr. 6, p. 201), voorhoudt dat de toepassing van art. 11 W.B.T.W. geenszins wordt belet ingeval een overdracht van een algemeenheid van goederen of bedrijfsafdeling door meerdere overeenkomsten wordt verwezenlijkt, op voorwaarde dat deze overeenkomsten een eenheid vormen en op dezelfde datum uitwerking hebben.

Appellant wijst erop dat voormelde beslissing in casu geen toepassing vindt, nu deze beslissing een overeenkomst tussen slechts twee partijen betreft, nl. de overdrager en de overnemer van het handelsfonds, terwijl huidig geschil een situatie betreft waar twee overeenkomsten werden gesloten tussen drie partijen, waarbij een volledige bedrijfsafdeling in afzonderlijke onderdelen wordt overgedragen aan twee vennootschappen om uiteindelijk in een volgend stadium terug te worden samengevoegd in één en dezelfde vennootschap.

Verder stelt appellant dat de administratie in haar beslissing van 10 januari 1978, nr. E.T. 26.573 (BTW-Revue, nr. 34, p. 305) uitsluitend in het geval van splitsing van vennootschappen heeft beslist dat het voor de toepasbaarheid van art. 11 W.B.T.W. niet vereist is dat de overdrachten aan dezelfde persoon gebeuren, noch dat elke afzonderlijke overdracht aan eenzelfde persoon op zich een volledige bedrijfsafdeling tot voorwerp heeft.

Tenslotte doet appellant gelden dat hetgeen door M. DONNAY werd geponeerd in zijn artikel "Cession de l'universalité ou de branche d'activité, régime de l'article 11 du Code (T.V.A.)", gepubliceerd in de Rec. Gén. Enr. Not., nr. 21.704, alinea 2, in fine, uitsluitend geldt in de hypothese waarin de vennootschap enkel blijft bestaan voor de loutere uitoefening van haar eigendomsrechten (zoals het incasseren van dividenden, koop en verkoop van aandelen), terwijl zij geen economische activiteit meer heeft en dus geen BTW-plichtige meer is, terwijl in deze de overdragende vennootschap als BTW-plichtige blijft bestaan.

---

Met reden doet geïntimeerde gelden dat art. 11 W.B.T.W. in zeer algemene bewoordingen werd opgesteld en dat het toepassing vindt wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan :

\- de overnemer en de overdrager zijn BTW-plichtigen, en

\- de overdracht heeft een algemeenheid van goederen of een bedrijfsafdeling tot voorwerp.

Daarbij wordt de toepassing van dit art. 11 W.B.T.W. geenszins belet indien de overdracht van een algemeenheid van goederen of, zoals in casu, van een bedrijfsafdeling door meerdere overeenkomsten wordt verwezenlijkt, op voorwaarde dat deze overeenkomsten een eenheid vormen en op dezelfde dag uitwerking hebben.

Dit vloeit duidelijk voort uit voormelde administratieve beslissing nr. E.T. 9449 van 28 december 1971, die letterlijk als volgt luidt :

> "Niets verzet zich (…) tegen de toepassing van dit artikel ingeval de overdracht van een handelsfonds aan een vennootschap plaatsvindt door middel van twee overeenkomsten, zoals een inbreng en een verkoop, die ieder betrekking hebben op een gedeelte van de handelszaak, voor zover beide contracten, volgens het inzicht van de partijen, op zodanige wijze afhankelijk van elkaar zijn dat ze niet alleen gelijktijdig uitwerking hebben, maar dat tevens de ene niet zonder de andere kan bestaan".

In casu kan als vaststaand worden beschouwd dat de voorwaarden van onderlinge samenhang tussen de betrokken overdrachten vervuld zijn. De diverse overdrachten hadden inderdaad alle uitwerking per 30 juni 1988 en maakten alle het voorwerp uit van één globale overeenkomst, nl. de Joint Venture Agreement van 18 mei 1988.

Het hof treedt dan ook geïntimeerde bij, wanneer deze stelt dat de Joint Venture Agreement en de Asset Purchase Agreement naar het inzicht van de daarbij betrokken partijen, evenals de daarin overeengekomen overdrachten afhankelijk waren van elkaar en de ene niet zonder de andere uitvoering kon krijgen.

Appellant merkt wel met reden op dat voormelde administratieve beslissing nr. E.T. 9449 van 28 december 1971 een overeenkomst tussen slechts twee partijen betreft, nl. de overdrager en de overnemer van het handelsfonds.

Het hof meent evenwel dat de toepassing van art. 11 W.B.T.W. niet kan worden geweigerd op grond van het feit dat niet alle overdrachten (onmiddellijk) aan dezelfde entiteit gebeuren of nog dat deze overdrachten niet ieder een bedrijfsafdeling tot voorwerp hebben.

Dit vloeit duidelijk voort uit voormelde administratieve beslissing nr. E.T. 26.573 van 10 januari 1978, die inderdaad, zoals appellant terecht voorhoudt, betrekking heeft op een geval van splitsing van vennootschappen, maar naar het oordeel van het hof, en in tegenstelling tot wat appellant voorhoudt, niet tot de hypothese van een splitsing beperkt is.

Terecht verwijst geïntimeerde naar voormelde bijdrage van M. DONNAY, die op de aangehaalde plaats stelt dat art. 11 W.B.T.W. kan worden toegepast bij inbreng van een vennootschap aan twee of meer vennootschappen, zelfs indien het niet gaat om een splitsing in de strikte zin van het woord omdat de vennootschap, die tot de inbrengen overgaat, blijft bestaan terwijl zij de aandelen, die haar ter vergoeding van de inbrengen werden toegekend, in portefeuille houdt.

Appellant kan niet worden gevolgd wanneer hij hetgeen door M. DONNAY werd geschreven tracht te beperken tot het geval waarin de overdragende vennootschap, na de overdracht, geen BTW-plichtige meer is. Daardoor voegt appellant een voorwaarde toe aan de tekst van art. 11 W.B.T.W.

Het is derhalve vereist, maar voldoende dat het geheel van de overdrachten, die onderling afhankelijk zijn en een eenheid vormen, de overdracht van een volledige bedrijfsafdeling tot stand brengen.

En aan deze voorwaarden is in deze onmiskenbaar voldaan.

Ten slotte wordt aan hetgeen voorafgaat geen afbreuk gedaan door het feit dat geïntimeerde met betrekking tot de laboratoriumuitrusting een factuur heeft uitgereikt.

Zoals geïntimeerde terecht opmerkt, is art. 11 W.B.T.W. een bepaling van dwingend recht. Indien dit artikel van toepassing is, is er geen levering, zodat de partijen die betrokken zijn bij de overdracht van de algemeenheid van goederen of de bedrijfsafdeling ertoe verplicht zijn van de BTW-heffing af te zien.

Derhalve werd art. 11 W.B.T.W. door geïntimeerde terecht ingeroepen en dient het hoger beroep van appellant te worden afgewezen, zonder dat het daarbij nodig is zijn andere middelen te onderzoeken.

### Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Weert de besluiten van appellant, neergelegd ter griffie van het hof op 6 januari 2005, uit de debatten;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt appellant tot de gerechtskosten in hoger beroep

Hof :

J. V., raadsheer

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 11](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-11) 3 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Overdracht van een algemeenheid van goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/overdracht-algemeenheid-goederen-herziening-btw-rechtbank-gent-2021-02-04-23e8) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Historische btw-aftrek, Niet belastingplichtige rechtspersoon](https://juriel.be/nl/rechtspraak/historische-btw-aftrek-belastingplichtige-rechtspersoon-hof-van-beroep-brussel-2022-09-13-905e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Inrichtingswerken, Aftrek, Overdracht van het handelsfonds, Onroerende verhuur, Herziening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/inrichtingswerken-aftrek-overdracht-handelsfonds-onroerende-rechtbank-luik-2021-02-15-9d0e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Herziening van het recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/herziening-recht-aftrek-overdracht-algemeenheid-hof-van-beroep-antwerpen-2023-02-07-a07e) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Overdracht van een handelsfonds, Handelshuurovereenkomst](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-overdracht-handelsfonds-handelshuurovereenkomst-rechtbank-namen-2020-11-25-d11b) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de vordering, Verjaring, Handeling onder bezwarende titel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-vordering-verjaring-handeling-onder-hof-van-beroep-antwerpen-2024-03-05-3cdb) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Historische btw-aftrek, Belastingplicht -Diensten van advocaten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-historische-btw-belastingplicht-cassatie-brussel-2024-01-11-f3e4) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Herziening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-herziening-overdracht-algemeenheid-cassatie-brussel-2019-01-17-1dba) 1 gemeenschappelijke bepalingen
