---
title: "Ontvankelijkheid, vrijwillige tussenkomst · Hof van beroep te Brussel, 4 maart 2010"
description: "Ontvankelijkheid, vrijwillige tussenkomst, voorziening. Hof van beroep te Brussel (België), 4 maart 2010."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/ontvankelijkheid-vrijwillige-tussenkomst-voorziening-hof-van-beroep-brussel-2010-03-04-8482"
lang: "nl"
---

# Ontvankelijkheid, vrijwillige tussenkomst, voorziening · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

4 maart 2010

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

74 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 04.03.2010

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer**

Nr. van de zaak : **2004/FR/12**

**IN ZAKE VAN :**

Mevrouw **E. W.**, wonende te …, …, in haar hoedanigheid van vereffenaar van de VOF **T.**, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd was te …, …, en welke firma blijkens de Bijlagen tot het Belgisch Staatsblad van 15 april 2000 op 2 maart 2000 in vereffening werd gesteld en op 31 maart 2000 definitief werd vereffend,

**verzoekster,**

vertegenwoordigd door Meester **H. V.**, advocaat te …, …,

**TEGEN :**

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Gewestelijke directie der directe belastingen te Hasselt, met kantoren te 3500 Hasselt, Voorstraat 43,

Vertegenwoordigd door Meester **B.**, loco Meester **J. H.**, advocaat te …, …,

## MEDE IN ZAKE :

De NV **A. W.**, voorheen NV **B.** genaamd, met maatschappelijke zetel te …, …, met ondernemingsnummer …,

vrijwillig tussenkomende partij,

vertegenwoordigd door Meester **H. S.**, advocaat te …, …,

**R.1010/1168**

**Tussenarrest - HDD op 02.09.2010 om 10.40u**

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

Deze zaak is voor dit hof gekomen ingevolge de vernietiging op 1 oktober 2004 door het Hof van Cassatie van een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 23 oktober 2001.

## I. De feiten

De VOF **T.**, waarvan mevrouw **W.** zaakvoerster en nadien vereffenaar was, baatte een bar uit waar er gelegenheid was voor de bezoekers om drank te gebruiken in het gezelschap van het aanwezige vrouwelijke personeel.

Voor de aanslagjaren 1994 en 1995 deed de VOF **T.** regelmatige aangiften in de vennootschapsbelasting (Venn. B.). Voor het aanslagjaar 1994 werd een omzet aangegeven van … BEF, wat als fiscaal resultaat een verlies van … BEF gaf. Voor het aanslagjaar 1995 werd een omzet aangegeven van … BEF, wat als fiscaal resultaat een winst van … BEF gaf.

Op 14 februari 1995 werd door de opsporingsinspectie der directe belastingen een toezicht uitgevoerd bij de VOF **T.**, waarbij werd vastgesteld dat er geen kasboek aanwezig was en er geen inventarisboek werd voorgelegd.

Op 15 februari 1995 begon de VOF **T.** met het houden van een kasboek.

Op 25 september 1996 werd de VOF **T.** in kennis gesteld van het feit dat er een onderzoek van haar belastingtoestand op haar zetel zou worden doorgevoerd op 11 oktober 1996.

Op 21 oktober 1996 werd een vraag om inlichtingen gericht aan de NV **B.**, thans de NV **A. W.**. Er werd verzocht op te geven op welk rekeningnummer de gestorte sommen, die werden ontvangen via het verkooppunt … F, moesten worden doorgestort, alsook een overzicht te geven van deze stortingen per datum betreffende de periode aanvangend op 1 januari 1994 tot en met 31 december 1995.

Op 4 november 1996 verschafte de NV **B.** de gevraagde inlichtingen.

Op 27 januari 1997 stuurde de administratie een bericht van wijziging, waarin werd verwezen naar art. 340 WIB 1992, en waarin werd gesteld dat de door de VOF **T.** voorgelegde boekhouding niet bewijskrachtig was omdat de juistheid van de geboekte cijfers onmogelijk te verifiëren was omwille van de volgende feiten :

\- er was geen kasboek of financieel dagboek voorhanden;

\- er was geen kasregister aanwezig;

\- de dagontvangsten konden niet worden getoetst met kasticketten, omdat deze niet voorhanden waren;

\- de betalingen door klanten langs elektronische betalingsystemen werden niet gestort op de rekening van de vennootschap, maar wel op de rekening van de heer **K.**, zijnde de echtgenoot van de werkende vennoot, mevrouw **W.**.

Met dit bericht van wijziging werd de belastbare grondslag voor het aanslagjaar 1995 op … BEF en deze voor het aanslagjaar 1996 op … BEF gebracht. De verhogingen volgden onder meer uit de meerwinst ingevolge de elektronische betalingen. Tevens werd een passende belastingverhoging aangekondigd.

Niettegenstaande het niet-akkoord van de VOF **T.** dd 24 februari 1997 werden aanvullende aanslagen ingekohierd voor het aanslagjaar 1995 op 10 maart 1997 met als belastbare grondslag … BEF en met toepassing van een belastingverhoging van 20 %, en voor het aanslagjaar 1996 op 17 maart 1997 met als belastbare grondslag … BEF en met toepassing van een belastingverhoging van 20 %.

Tegen beide voormelde aanslagen tekende de VOF **T.** bezwaar aan, waarbij zij voorhield dat de inkomsten uit de betaalautomaat waren begrepen in de dagontvangsten en dus niet extra belast moesten worden.

Op 16 maart 1998 werden beide bezwaren bij directoriale beslissing afgewezen.

Daarop legde de VOF **T.** op 17 september 1998 eert voorziening neer ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen.

Na een tussenarrest van 15 mei 2001 willigde het hof te Antwerpen bij eindarrest van 23 oktober 2001 het beroep van de VOF **T.** volledig in, en vernietigde het de bestreden aanslagen.

De Belgische Staat tekende tegen dit arrest cassatieberoep aan.

Op 1 oktober 2004 vernietigde het Hof van Cassatie het arrest van het hof te Antwerpen van 23 oktober 2001 behoudens in zoverre de fiscale voorziening ontvankelijk werd verklaard, en verwees het de zaak naar dit hof.

## II. Discussie

### a) Wat de ontvankelijkheid van de voorziening betreft

Het hof stelde vast dat pas nadat het Hof van Cassatie zijn arrest van 1 oktober 2004 velde, in de conclusies van partijen melding werd gemaakt van het feit dat de vereffening van de VOF **T.** op 31 maart 2000 werd afgesloten. Dit gebeurde immers voor de eerste maal door verzoekster in haar op 29 maart 2005 ter griffie van dit hof neergelegde besluiten. Uit de inmiddels door appellante neergelegde publicatie in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad van 15 april 2000 blijkt deze afsluiting van de vereffening op datum van 31 maart 2000.

Deze afsluiting van de vereffening heeft verregaande gevolgen op het bestaan en de procesbekwaamheid van de VOF **T.**. Wanneer de vereffening van een vennootschap werd afgesloten, houdt zij op te bestaan, anders uitgedrukt verliest zij de rechtspersoonlijkheid. Deze blijft evenwel passief voortbestaan gedurende vijf jaar volgend op de afsluiting van de vereffening teneinde de schuldeisers toe te laten op te treden tegen de vennootschap in de persoon van de vereffenaar. In dat kader kan zij zich verweren tegen de vorderingen die tegen haar worden ingesteld. De sluiting van de vereffening heeft bijgevolg niet tot gevolg dat de lopende procedures niet meer kunnen worden voortgezet tegen de vennootschap in de persoon van haar vereffenaar (zie: Cass. 17 april 2008, T.B.H. 2008, 870).

Eenmaal de verjaringstermijn van vijf jaar is verstreken, houdt de vennootschap helemaal op te bestaan, behalve voor de rechtsvorderingen die voordien reeds werden ingesteld, waarvoor de verjaring immers werd gestuit.

De theorie van de passieve rechtspersoonlijkheid laat de vennootschap enkel toe om zich te verweren. De lopende procedures die de vennootschap zelf heeft ingesteld kunnen derhalve niet meer worden voortgezet. De vennootschap wordt geacht afstand te hebben gedaan van haar rechten. De afsluiting van de vereffening, ondanks het feit dat er nog een fiscaal geschil hangende is, waarin de vereffende vennootschap als verzoekende partij optreedt, toont impliciet, maar zeker haar bedoeling aan om afstand te doen van het hangende geding.

Hetgeen voorafgaat neemt evenwel niet weg dat het Hof van Cassatie in zijn arrest van 1 oktober 2004 het bestreden arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 23 oktober 2001 heeft vernietigd behoudens in zoverre de fiscale voorziening ontvankelijk werd verklaard.

Dit hof is gebonden door het gezag van gewijsde van dit cassatiearrest en dient zich derhalve te houden aan de beslissing van het Hof van Cassatie dat de fiscale voorziening ontvankelijk is.

### b) Wat de ontvankelijkheid van de vrijwillige tussenkomst betreft

In de Com.l.B. 1992 nr. 385/10 (oud) werd de mogelijkheid van vrijwillige tussenkomst voor het hof van beroep in de oude fiscale procedure afgewezen.

Met reden merkt de NV **A. W.** evenwel op dat de artikelen 377 en 378 WlB 1992, zoals van toepassing voor de in het geding zijnde aanslagjaren, niets bepalen in verband met een eventuele vordering tot vrijwillige tussenkomst. In art. 812 Ger. W. is bepaald dat tussenkomst voor alle gerechten kan geschieden, ongeacht de vorm van de rechtspleging, zonder dat echter reeds bevolen onderzoeksverrichtingen afbreuk mogen doen aan de rechten van verdediging.

Met voormalig procureur-generaal bij het Hof van Cassatie **E. K.** ("De toepassing van het Gerechtelijk Wetboek in fiscale geschillen", in Actuele problemen van fiscaal recht, XVe Postuniversitaire lessencyclus Willy Delva 1988-1989, Deurne, Kluwer Rechtswetenschappen, 1989, nr. 22, p. 196) kan worden gesteld dat tussenkomst in de oude fiscale procedure niet a priori uit te sluiten valt, nu de bepalingen die deze instelling regelen alleszins niet onbestaanbaar zijn met de rechtspleging inzake inkomstenbelastingen. Weliswaar heeft het Hof van Cassatie onder gelding van de Wet van 6 september 1895 geoordeeld dat tussenkomst niet toegelaten was (zie : Cass. 17 januari 1956, Pas. 1956, I, 478; Cass. 8 januari 1957, Pas. 1957, I, 513). De reden van afwijzing was gelegen in het feit dat het indienen van het bezwaar een persoonlijk recht was en dat derhalve de tussenkomst van een derde uitgesloten was. Toen gold immers de mogelijkheid dat de belastingplichtige, ingevolge het ingediende bezwaarschrift, uiteindelijk zwaarder werd belast omdat de directeur een nieuwe aanslag ten laste van de belastingplichtige vestigde. Sinds de Wet van 16 maart 1976 is het de directeur evenwel niet meer toegelaten de belastingplichtige zwaarder te belasten door het vestigen van een nieuwe of aanvullende aanslag.

Ingevolge deze wetswijziging dient de tussenkomst van een derde dan ook voor mogelijk te worden gehouden. Overigens verwijst de Com.l.B. 1992 nr. 385/10 (oud) naar rechtspraak die dateert van voor voornoemde wetswijziging van 1976.

Daarnaast is er nog de kwestie van het door de artikelen 17 en 18 Ger. W. vereiste belang. Het hof gaat met de NV **A. W.** akkoord dat haar vrijwillige tussenkomst niet agressief te noemen valt (in tegenstelling tot hetgeen wordt voorgehouden door de Belgische Staat), maar louter ten bewarende titel is gebeurd.

De vrijwillige tussenkomst is er immers niet op gericht om een veroordeling te horen uitspreken of vrijwaring te horen bevelen. Zij strekt er enkel toe de belangen van één van de partijen in het geding, in casu verzoekster, te beschermen. Door vrijwillig tussen te komen vermijdt de vrijwillig tussenkomende partij dat de uitspraak in een geding, dat wordt gevoerd tussen andere partijen, haar rechten in het gedrang zou brengen en dat zij aldus verplicht zou zijn tot het instellen van een derdenverzet tegen een nadelige rechterlijke beslissing waarbij zij geen partij is.

De NV **A. W.** wijst erop dat zij actief is in de ontwikkeling en in het beheer van betaalsystemen, en zich specifiek bezighoudt met het beheer en de verwerking van het elektronisch betaalverkeer tussen de Belgische banken, handelaars en consumenten. Met reden doet de NV **A. W.** gelden dat indien dit hof zou oordelen dat de door haar verwerkte gegevens niet kunnen genieten van het bankgeheim, het risico bestaat dat haar klanten het beheer en de verwerking van het elektronisch betaalverkeer niet meer aan haar zullen uitbesteden.

Nu in deze de aanslagen werden gevestigd op basis van gegevens die bij de NV **A. W.** werden opgevraagd, heeft deze wel degelijk het bij de artikelen 17 en 18 Ger. W. vereiste wettig belang. Derhalve dient ook de vrijwillige tussenkomst ontvankelijk te worden verklaard.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,** rechtsprekend na tegenspraak,.

Gelet op art 24bis van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart de voorziening van verzoekster ontvankelijk;

Verleent de NV **A.W.** akte van haar vrijwillige tussenkomst;

Verklaart deze ontvankelijk;

Stelt de zaak voor verdere behandeling wat de grond betreft vast op de zitting van **2 september 2010 om 10.40 uur (60')**;

Houdt de kosten aan :

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **zesde fiscale kamer** van het hof van beroep te Brussel, op **4 maart 2010**.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

\- **J. V.**, raadsheer dd voorzitter,

\- **P. V.**, raadsheer,

\- **C. V.**, raadsheer,

\- **C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **C. V.**

**P. V.** **J. V.**
