Onroerende verhuur, Terbeschikkingstelling van hotelcomplex, Exploitatievergunning · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 10 juni 2003

Zoeken

Onroerende verhuur, Terbeschikkingstelling van hotelcomplex, Exploitatievergunning

https://juriel.be/nl/rechtspraak/onroerende-verhuur-terbeschikkingstelling-hotelcomplex-rechtbank-brugge-2003-06-10-5230

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
10 juni 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

88 paragrafen

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 10.06.2003

Onroerende verhuur - Terbeschikkingstelling van hotelcomplex - Exploitatievergunning

Belastingplichtige is eigenares van een gebouwencomplex met 28 kamers waarvoor zij een vergunning heeft voor de exploitatie van een logiesverstrekkend bedrijf. In die gebouwen wordt de hotelexploitatie uitgevoerd door een vennootschap die geleid wordt door de zoon van de bestuurder van belastingplichtige, waarvoor deze facturen met B.T.W. opmaakt. Er is geen schriftelijke overeenkomst tussen de twee vennootschappen.

Belastingplichtige stelt dat de terbeschikkingstelling van haar hotelcomplex aan de derde-vennootschap niet als een onroerende verhuur kan worden beschouwd. Deze laatste heeft geen exclusief recht op het complex en het voorwerp van wat ter beschikking wordt gesteld, bestaat niet hoofdzakelijk uit de kamers maar uit de vergunning tot exploitatie, waardoor de derde-vennootschap kan overgaan tot het voeren van een hotelactiviteit.

De rechtbank stelt vast dat belastingplichtige haar bewering op geen enkele manier bewijst. Waar de belastingplichtige inroept dat de derde-vennootschap de beschikking krijgt over het onroerend goed om er het hotel uit te baten, betwist belastingplichtige niet dat dit de volledige onroerende infrastructuur omvat. In die omstandigheden is het aan belastingplichtige om te bewijzen dat het geen exclusief recht was en dat zij zich het gebruik van bepaalde delen van het onroerend goed zou hebben voorbehouden. Dat bewijs ligt niet voor.

De argumentatie dat de vergunning tot exploitatie het overwegend deel zou uitmaken van wat ter beschikking is gesteld, wordt al evenmin hard gemaakt. Een vergunning voor logiesverstrekkende bedrijven heeft trouwens in Vlaanderen voor een belangrijk deel een persoonsgebonden karakter. Ze is immers, naast de vereisten van de onroerende infrastructuur, verbonden aan bepaalde persoonlijke kwaliteiten van de persoon die het dagelijks beheer van het logiesverstrekkende bedrijf uitoefent.

De rechtbank komt bijgevolg tot de vaststelling dat de terbeschikkingstelling van het hotelcomplex door belastingplichtige aan de derde-vennootschap als een verhuring van uit hun aard onroerende goederen moet worden beschouwd en derhalve vrijgesteld is van de B.T.W. overeenkomstig artikel 44, § 3, 2 van het W.B.T.W.

Alleenrechtsprekend rechter: M. Vandeputte

Avocats: Mr. Calus, Mr. Van der Perre

NV F.H.

tegen

de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

I. Procedure

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 13 mei 2003, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten:

1. de gedinginleidende dagvaarding van 20 juli 2001;

2. de conclusie voor verweerder van 22 mei 2002;

3. de conclusie voor eiseres van 22 oktober 2002;

4. de conclusie voor verweerder van 26 november 2002 en

5. de conclusie voor verweerder van 15 januari 2003.

In deze laatste conclusie heeft verweerder de wering gevraagd van een conclusie die eiseres nog had neergelegd op 27 december 2002. Verweerder laat terecht opmerkingen dat deze conclusie ter griffie werd neergelegd buiten de termijn die ingevolge de beschikking overeenkomstig artikel 747 § 2 Ger.W. door de Voorzitter van deze rechtbank was genomen op 12 september 2002. Vermits de antwoordtermijn voor eiseres volgens die beschikking verviel op 24 december 2002, weert de rechtbank de conclusie van eiseres van 27 december 2002 uit het debat.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

II. De bijzonderste gegevens van de zaak

1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Eiseres is eigenares van een gebouwencomplex met 28 kamers. Zij heeft voor dat complex een vergunning van Toerisme Vlaanderen «voor de exploitatie van een logiesverstrekkend bedrijf» en dit sinds 1 januari 1996.

In die gebouwen wordt de hotelexploitatie uitgevoerd door de NV L. een vennootschap die geleid wordt door de zoon van de bestuurder van eiseres. Sinds oktober 1996 factureert eiseres aan de NV L. vergoedingen voor hetgeen eiseres haar ter beschikking stelt.

Er is geen schriftelijke overeenkomst tussen de twee vennootschappen.

Bij eiseres werd aanvankelijk een controle uitgevoerd voor het tweede kwartaal 1998, controle die plaats vond op 1 september 1998. Uiteindelijk kwam het tot een diepgaandere controle voor de periode van 1 augustus 1996 tot 31 december 1998.

Van de bevindingen en conclusies van de controleambtenaren werd, bij gebrek aan akkoord van eiseres, op 7 december 2000 een proces-verbaal opgesteld. Daarin werd vooropgesteld dat eiseres geen beroepsactiviteit uitoefent die B.T.W.-plicht meebrengt waardoor haar het recht op aftrek van de B.T.W. op de ontvangen goederen en diensten ontzegd werd. Aldus werd geoordeeld dat eiseres aan verweerder betaling verschuldigd is van 83.562,28 euro B.T.W., meer een evenredige boete verminderd tot 8.354,01 euro en meer de interesten bedoeld in artikel 91 § 1, 1 W.B.T.W. vanaf 21 januari 1999.

Op 18 april 2001 werd voor dezelfde bedragen een dwangbevel uitgevaardigd dat op 22 juni 2001 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd.

Met een aangetekende brief van 27 juni 2001 werd dat dwangbevel aan eiseres betekend.

Met de dagvaarding van 20 juli 2001 stelde eiseres haar huidige vordering in.

2. De standpunten en vorderingen van de partijen

Eiseres vordert dat de rechtbank haar verzet tegen het dwangbevel van 18 april 2001 ontvankelijk en gegrond zou verklaren en bijgevolg zou zeggen voor recht dat het genoemde dwangbevel, waarin betaling gevraagd wordt van 4.435.814 frank of 109.960,96 euro, op onwettige redenen is gestoeld en het derhalve zou vernietigen.

Eiseres vordert dat de rechtbank verweerder zou veroordelen tot terugbetaling van wat op grond van het nietig verklaarde dwangbevel geïnd of ingehouden zou zijn, voorlopig begroot op één euro.

Eiseres vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiseres door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiseres zou verwezen worden in de gerechtskosten.

III. Beoordeling

1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering ontvankelijk.

2. Op grond van de vordering

2.1. Stelling van eiseres

Eiseres stelt dat de terbeschikkingstelling van haar hotelcomplex aan de NV L. niet een onroerende verhuur kan beschouwd worden. Zij ontkent dat de NV L. een exclusief recht op het complex zou hebben. Eiseres zou zelf nog over een deel van de faciliteiten kunnen beschikken. Zij wijst op het feit dat zij op het adres van het complex haar maatschappelijke zetel heeft en aldaar gebruik maakt van de receptie en van de sanitaire voorzieningen.

Haar eigen activiteit heeft volgens eiseres betrekking op de uitbating met inbegrip van het behoud in goede staat van het onroerend complex, het leveren van de nodige nutsvoorzieningen zoals elektriciteit, water, verwarming, het bezitten van een recht een erkend hotel te mogen exploiteren op dat adres met gebruik door de NV L. van de naam van eiseres. Zij zou er ook voor zorgen dat de ter beschikking gestelde kamers voorzien zijn van linnengoederen, telefoon en dat herstellingen worden uitgevoerd. Dat zou volgens eiseres met zich brengen dat eiseres steeds onvoorwaardelijk toegang kan nemen tot het complex en de kamers.

Eiseres stelt dat zij daadwerkelijk het verbruik van de nutsvoorzieningen en de telefoonrekeningen voor het hele complex betaalt.

Eiseres zou ook het aantal ter beschikking gestelde kamers kunnen verminderen.

Volgens eiseres is het voorwerp van wat door haar aan de NV L. ter beschikking gesteld wordt, niet hoofdzakelijk de kamers maar de vergunning tot exploitatie, waardoor de NV L. kan overgaan tot het voeren van een hotelactiviteit m.b.t. de F.H.G.G.

Eiseres voert verder aan dat verweerder ten onrechte inroept dat de vergoedingen die zij ontving van de NV L. aanvankelijk in haar boekhouding ingeschreven stonden als «huur». Zij stelt dat het uiterst bedenkelijk is dat verweerder dat afleidt uit een faxbericht dat als datum 28 augustus 1998 draagt, terwijl de controleur voor het eerst drie dagen later pas een bezoek bracht aan eiseres. Eiseres verwijst naar het proces-verbaal waarin de facturaties omschreven staan als «ontv.terbesch.hotelinfr.». Eiseres ontkent dat zij een jaar later een nieuw dagboek zou gefabriceerd hebben en noemt de bewering van verweerder een lasterlijke aantijging.

Op de stelling van verweerder dat er voor een deel sprake kan zijn van de verhuring van roerende goederen overeenkomstig artikel 18 § 1, 4 W.B.T.W., repliceert eiseres dat verweerder daar voor het eerst in conclusies mee voor de dag komt en dat dit uiterst laattijdig en totaal ongepast is.

2.2. Stelling van verweerder

Volgens verweerder is het geding volledig te herleiden tot de vraag of de terbeschikkingstelling van welbepaalde lokalen door eiseres aan de NV L. onroerende verhuur is of niet.

Verweerder stelt dat daartoe het gemeen recht moet gehanteerd worden en komt tot de conclusie dat er sprake is van onroerende verhuring en dat kan aanvaard worden dat een deel verhuring van roerende goederen is maar dat de boekhoudwijze van eiseres niet toelaat daarin een uitsplitsing te maken.

Om de terbeschikkingstelling als onroerende verhuring te onderbouwen, verwijst verweerder in de eerste plaats naar zijn vaststelling dat op het verkoopjournaal dat op 28 augustus 1998 door eiseres aan de controledienst werd doorgefaxt, uitdrukkelijk de vermelding «ontvangen huur» vermeld stond. Pas later, zo stelt verweerder, heeft eiseres haar boekhouding gewijzigd en dezelfde bedragen geboekt als «ONTV.TERBESCHHOTELINFR». Dat de fax van vóór het eerste bezoek van de controleur dateert, is volgens verweerder normaal. Een en ander zou verklaarbaar zijn doordat er een gebruik bestaat om, ingeval er vragen zijn bij een B.T.W.-aangifte, eerst inlichtingen in te winnen bij de belastingplichtige over zijn boekhouder. Het onderzoek van die stukken zou aanleiding gegeven hebben tot een controlebezoek.

De werkwijze van eiseres zou slechts ingegeven zijn door onderlinge verbondenheid tussen haar en de NV L.

Volgens verweerder is het duidelijk dat alle genot over de gehele infrastructuur en inrichting aan de NV L. werd overgedragen. Verweerder stelt dat het feit dat eiseres nog steeds de nutsvoorzieningen en de telefoonrekeningen betaalt, onlogisch is omdat eiseres niets doorrekent in dat verband terwijl het evident is dat de NV L. het concrete verbruik doorrekent aan de hotelgasten. Verweerder beschouwt het doorfactureren van de nutsvoorzieningen en de telefoonkosten dan ook niet als een handelsactiviteit van eiseres.

De verwijzing door eiseres naar het gebruik van de «receptie» moet volgens verweerder met een korrel zout genomen worden. Verweerder stelt dat het eerder om een berging gaat en dat de controleagent tijdens de talrijke bezoeken er nooit iemand heeft aangetroffen.

Wat de sanitaire voorzieningen aangaat, stelt verweerder dat er hoogstens iemand van de zaakvoerders van eiseres ervan gebruik kan maken, maar dat het dan nog de vraag is of zij dan de hoedanigheid hebben van zaakvoerder van eiseres, dan wel van de NV L.

De stelling van eiseres dat in hoofdzaak de vergunning tot exploitatie ter beschikking gesteld werd aan de NV L. is naar het oordeel van verweerder een vrijblijvende opmerking. Welke de beweegredenen van de partijen zou geweest zijn, zo stelt verweerder, is niet relevant maar wel de praktisch uitvoering, gelet op het feit dat er geen schriftelijke overeenkomst is. Evengoed zou kunnen gezegd worden dat eiseres niet geïnteresseerd was in de uitbating van een hotel en de eigenlijke exploitatie daarom overliet aan een ander, zoals winkels in winkelcomplexen worden verhuurd.

Verweerder stelt dat er in het betreffende geval geen sprake is van het verlenen van een recht om een beroepswerkzaamheid uit te oefenen. Volgens hem zou dat het essentiële voorwerp van de overeenkomst moeten zijn en is dat hier niet het geval vermits een exclusief genot over het volledig hotelcomplex aan de NV L. verleend is.

Voorts stelt verweerder vast dat er naast onroerende goederen ook roerende goederen verhuurd worden en dat dit in principe belastbare handelingen zijn die aanleiding kunnen geven tot aftrek van B.T.W. afkomstig van ontvangen leveringen of diensten. Omdat eiseres ingebreke zou gebleven zijn om haar boekhouding en facturatie volgens de regels op te stellen, zou het onmogelijk zijn om de waarde van het aandeel van de roerende verhuring vast te stellen. Verweerder stelt dat hij zich niet zal verzetten mocht eiseres op een passende wijze bewijzen voor welke waarde roerende goederen (handdoeken, linnen meubilair enz.) werden verhuurd. In verhouding tot het aandeel van die roerende verhuringen zou verweerder bereid zijn om alsnog de B.T.W.-aftrek toe te staan.

2.3. Beoordeling

Het is onbetwist dat een deel van wat door eiseres aan de NV L. ter beschikking gesteld wordt, roerende goederen zijn (handdoeken, linnen, meubilair). Ongeacht of het als een «verhuring» moet gekwalificeerd worden, gaat het in elk geval om een niet-vrijgestelde, belastbare dienst in de zin van artikel 18 § 1, 2de lid, 4 W.B.T.W. Zelfs mocht het verhuring zijn, en al zou kunnen verdedigd worden dat die goederen «onroerend door bestemming» (artikel 524, 1ste lid B.W.) zijn, dan nog zouden zij niet onder de vrijstelling van artikel 44 § 3, 2 W.B.T.W. vallen. Die vrijstelling slaat immers slechts op onroerende goederen «uit hun aard».

In tegenstelling tot wat eiseres aanvoert, is het niet van belang op welk moment verweerder aan deze feitelijke vaststelling de conclusie vastgeknoopt heeft dat dit een niet-vrijgestelde belastbare handeling is. De B.T.W.-wetgeving is immers van openbare orde. De rechtbank zou desnoods ambtshalve de juiste conclusie moeten trekken.

Omdat deze vaststelling slechts relevant is voor zover het andere deel van de redenering van verweerder correct zou zijn, moet eerst worden ingegaan op de kwalificatie van de overeenkomst die bestaat tussen eiseres en de NV L.

Eiseres beweert dat er sprake zou zijn van het verlenen aan de NV L. van een recht om een beroepswerkzaamheid uit toe oefenen. Het ter beschikking stellen van de vergunning tot exploitatie zou overwegen en de onroerende goederen zouden niet exclusief aan de NV L. ter beschikking gesteld worden.

De rechtbank stelt vast dat eiseres haar bewering op geen enkele manier .met bewijzen hard maakt. Waar eiseres inroept dat de NV L. de beschikking krijgt over het onroerend goed om er het hotel uit te baten, betwist ze niet dat dit de volledige onroerende infrastructuur omvat. In die omstandigheden is het aan eiseres om te bewijzen dat het geen exclusief recht was en dat zij zich het gebruik van bepaalde delen van het onroerend goed zou hebben voorbehouden. Dat bewijs ligt niet voor.

Zelfs al is niet betwist dat er roerende goederen ter beschikking gesteld worden (handdoeken, linnen en meubilair) dan veronderstelt dat op zich nog niet dat er «gebruik» gemaakt wordt van de lokalen van het hotelcomplex. Het enkel afleveren van deze goederen, veronderstelt geen «gebruik» van het onroerend goed waarin dat gebeurt.

Mocht eiseres daadwerkelijk het onderhoud van het onroerend goed voor haar rekening genomen hebben - wat niet bewezen is vermits de overgelegde stukken alle betrekking hebben op een periode na deze waarop het bestreden dwangbevel betrekking heeft - dan nog houdt dat geen «eigen gebruik» van het onroerend goed in. Het uitvoeren van onderhoudsprestatie door de eigenaar, sluit de kwalificatie van onroerende verhuring niet uit.

Ook wat de nutsvoorzieningen en de telefonie aangaat, merkt verweerder terecht op dat het geen leveringen door eiseres zelf zijn en dus geen handelsdaden van haar kunnen zijn.

De bewering dat eiseres de receptie voor eigen doeleinden zou gebruiken, bewijst eiseres niet. Zij maakt dat zelfs niet aannemelijk en laat na te vermelden welke activiteiten zij daar dan wel zou uitvoeren. Evenmin ontkracht eiseres de pertinente opmerking van verweerder dat het eenvoudig feit dat personen die verbonden zijn aan eiseres, gebruik maken van de sanitaire voorzieningen, gelet op de verwevenheid tussen eiseres en de NV L. evengoed op dat moment in het gebouw zouden kunnen aanwezig zijn als mandataris of personeelslid van de NV L.

Ook de stelling van eiseres dat zij in geval van noodzaak zelfs het aantal ter beschikking gestelde kamers zou kunnen verminderen om de uitbating, onderhoud enzovoort ervan te kunnen verzekeren in de toekomst, is een loutere bewering die door eiseres niet bewezen wordt. Het feit dat de NV L. er een hotel mag in uitbaten, laat het tegendeel veronderstellen.

De argumentatie dat de vergunning tot exploitatie het overwegend deel zou uitmaken van wat ter beschikking is gesteld, wordt al evenmin hard gemaakt. Eiseres legt het vergunningsbesluit zelf niet voor.

Een vergunning voor logiesverstrekkende bedrijven heeft in Vlaanderen trouwens voor een belangrijk deel een persoonsgebonden karakter. Ze is immers, naast de vereisten van de onroerende infrastructuur, verbonden aan bepaalde persoonlijke kwaliteiten van de persoon die het dagelijks beheer van het logiesverstrekkend bedrijf uitoefent. Dat valt af te leiden uit artikel 6, 2 van het Decreet houdende statuut van de logiesverstrekkende bedrijven van 20 maart 1984 ( B.S. 16 mei 1984), zoals laatst gewijzigd bij Decreet van de Vlaamse Raad van 18 mei 1999 ( B.S. 15 juli 1999) waarin gevolgen gekoppeld worden aan een veroordeling van de persoon die het dagelijks beheer waarneemt of moet waarnemen. Hetzelfde geldt voor artikel 6, 2 van het Besluit van de Vlaamse Executieve tot vaststelling van de voor logiesverstrekkende bedrijven geldende exploitatievoorwaarden en tot regeling van de toekenning van de voor die exploitatie vereiste vergunningen van 29 juli 1987 ( B.S. 27 mei 1988), waarin een recent bewijs van goed zedelijk gedrag geëist wordt op naam van de persoon die het dagelijks beheer van de inrichting zal voeren. Dat brengt met zich dat de vergunning op naam van eiseres, zelfs mocht ze kunnen «ter beschikking gesteld worden» van de NV L., nog niet automatisch het recht verleent aan de NV L. om het hotel uit te baten. Meteen staat vast dat de vergunning niet het voornaamste element kan zijn van hetgeen eiseres aan de NV L. ter beschikking stelt. De vergunning heeft in de overeenkomst met de NV L. immers vooral een betekenis ten aanzien van de vereisten en kwaliteiten van het onroerend goed. Gelet op het persoonsgebonden aspect ervan voegt de vergunning weinig toe aan het onroerend goed. Het feit dat in het onroerend complex van eiseres een hotel kan geëxploiteerd worden door de NV L. is inherent aan de kwaliteiten van het onroerend goed en niet zozeer aan het feit dat eiseres er met ingang van 1 januari 1996 een exploitatievergunning voor gekregen heeft.

De rechtbank komt bijgevolg tot de vaststelling dat de terbeschikkingstelling van het hotelcomplex door eiseres aan de NV L. als een verhuring van uit hun aard onroerende goederen is en derhalve vrijgesteld is van de B.T.W. overeenkomstig artikel 44 § 3, 2 W.B.T.W.

In die omstandigheden is het wel degelijk relevant dat er ook roerende goederen worden ter beschikking gesteld. Terecht laat verweerder evenwel gelden dat eiseres nalaat om enig bewijs te leveren over de waarde van die roerende goederen. Er liggen zelfs geen stukken voor die slaan op de roerende goederen in kwestie, zeker niet uit de kwartalen waarop het dwangbevel betrekking heeft. In die omstandigheden kan zelfs niet gedeeltelijk een recht van aftrek worden toegestaan.

De vordering van eiseres is dus in haar geheel ongegrond.

3. De gerechtskosten

Eiseres wordt in het ongelijk gesteld. Overeenkomstig artikel 1017, 1ste lid van het Gerechtelijk Wetboek, moet zij de gerechtskosten dragen.

4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

Nu de vordering van eiseres niet kan ingewilligd worden, heeft een voorlopige tenuitvoerlegging voor haar geen nut. Ook dat deel van de vordering is dus ongegrond.

Beschikkend gedeelte

IV. Uitspraak

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk maar wijst ze af als ongegrond.

De rechtbank verwijst eiseres in de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast:

aan de zijde van verweerder:

- rechtsplegingsvergoeding: 334,66 euro

terwijl de kosten aan de zijde van eiseres niet moeten vastgesteld worden vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.