---
title: "Onregelmatige boekhouding, Controle · Hof van beroep te Gent, 29 april 1999"
description: "Onregelmatige boekhouding, Controle, Verhoging belastbare grondslag, Akkoord, appelrechter. Hof van beroep te Gent (België), 29 april 1999."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/onregelmatige-boekhouding-controle-verhoging-belastbare-hof-van-beroep-gent-1999-04-29-e1e1"
lang: "nl"
---

# Onregelmatige boekhouding, Controle, Verhoging belastbare grondslag, Akkoord, appelrechter · Onregelmatige boekhouding,Controle,BTW,Verhoging belastbare grondslag,Akkoord

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

29 april 1999

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

36 paragrafen

### Tekst van de beslissing

**ARREST G 99/6**

**Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 29.04.1999**

*Onregelmatige boekhouding - Controle - BTW - Verhoging belastbare grondslag - Akkoord*

Een akkoord met de BTW-diensten behoudt al zijn bewijskracht, zolang het tegenbewijs niet wordt aangebracht dat het met enig gebrek in de toestemming of de wilsuiting is behept. De loutere bewering dat het akkoord onder morele of materiële dwang werd afgenomen zonder dat hiervan het minste bewijs wordt voorgelegd of zonder dat er een aanvang wordt gemaakt met een begin van bewijs ervan, is niet voldoende om de bewijskracht te betwisten.

**11FI****e** **Kamer**

Voorzitter: *Mevr. N. van Isterdael*

Raadsheren: *Dhr. A. De Meue*, *Dhr. M. Hanssens*

Griffier: *Dhr. M. Vanderbeeken*

Partijen: R••••••• N••• tegen de Belgische Staat

Rolnr.: 1979/FR/1517

Overwegende dat de eiser tijdig en regelmatig een voorziening heeft ingediend van de beslissing van de directeur der directe belastingen te Brugge van 12 november 1979, waarbij het bezwaar tegen de op zijn naam gevestigde aanslag in de personenbelasting en aanvullende gemeentebelasting voor het aanslagjaar 1973 (kohierartikel 547.566) werd afgewezen;

Overwegende dat de eiser tijdig en regelmatig een aangifte heeft ingediend;

Overwegende dat aan de eiser op 1 oktober 1974 een bericht van wijziging werd overgemaakt waarbij hem werd medegedeeld dat de door hem aangegeven brutowinst niet gestaafd is door een wettelijke boekhouding en te gering voorkomt in vergelijking met andere soortgelijke belastingplichtigen; dat een controle van de BTW heeft geleid tot de verhoging van de aankopen voor een bedrag van 750.000 F zonder facturen, waarmede de eiser zich akkoord verklaard had; dat daaruit werd afgeleid dat de belastbare basis dan ook dient verhoogd en de winstmarges moeten bepaald worden op 30%;

Overwegende dat niettegenstaande de eiser liet weten niet akkoord te gaan de aanslag toch werd gevestigd zoals aangekondigd, met dien verstande dat na aanvullend onderzoek het winstpercentage werd verminderd tot 25%;

Overwegende dat door de eiser bezwaar werd ingediend; dat hij voorhield dat hij zich inderdaad ten overstaan van de BTW akkoord verklaarde met een hoger aankoopbedrag van 750.000 F en het daarop berekende bruto-winstpercentage van 25%; dat hij evenwel dit akkoord niet met kennis van zaken ondertekende en hij onder zeer hoge druk stond omdat gedreigd werd met correctionele straffen; dat hij zowel het aanvullend bedrag van 750.000 F als de daarop berekende winst van 25% betwist; dat hij voorstelde om op het aanvullend bedrag van 750.000 F slechts een winst te bepalen van 2,5%;

Overwegende dat de directoriale beslissing deze bezwaren als ongegrond heeft afgewezen;

Overwegende dat door de eiser een voorziening werd ingediend; dat hij dezelfde argumentatie ontwikkelde als tijdens de bezwaarprocedure;

Overwegende dat de inspectie van de BTW op 30 april 1974 een regularisatieopgave opstelde, die door de eiser zonder voorbehoud werd ondertekend en aanvaard;

Overwegende dat uit deze regularisatie-opgave blijkt dat de eiser uitdrukkelijk erkende in 1972 voor een bedrag van 750.000 F kippen en konijnen te hebben aangekocht, zonder dat hem hiervoor een factuur werd uitgereikt; dat tevens werd vastgesteld dat verschillende vervoerdocumenten sporen van vervalsing vertonen en er na de leveringen wijzigingen werden aangebracht aan de cijfers die de hoeveelheden vermelden en er slechts overeenkomstig de verminderde hoeveelheden werd gefactureerd;

Overwegende dat de administratie van de BTW derhalve aan de hand van deze documenten de ontdoken omzet kon wedersamenstellen;

Overwegende dat de eiser de aldus herberekende omzet alsmede de daarop berekende winst van 25% onvoorwaardelijk aanvaardde en hij ingevolge deze regularisatie de BTW en de boeten op de herberekende en aanvaarde omzet zonder voorbehoud heeft betaald;

Overwegende dat de eiser ook in zijn brief gericht aan de inspecteur der directe belastingen van 23 juni 1978 erkende dat er onregelmatigheden waren vastgesteld en hij zich akkoord verklaarde een meerwinst te aanvaarden op basis van de vooropgestelde meeraankopen van 750.000 F, op voorwaarde dat slechts een bruto-winstmarge zou worden aanvaard van 10% (stuk 13);

Overwegende dat de eiser handhaaft dat het door hem ondertekende akkoord met een wilsgebrek is behept, nl. dat hij dit slechts onder grote dwang ondertekende, zodat het akkoord door nietigheid is aangetast tengevolge van een gebrek in de toestemming;

Overwegende evenwel dat de eiser geen enkel concreet element voorlegt waaruit de beweerde dwang zou kunnen afgeleid worden; dat hij in gebreke blijft er het minste bewijs van te leveren, noch aanbiedt dergelijk bewijs te leveren; dat hij integendeel het akkoord zonder voorbehoud heeft aanvaard en de verschuldigde BTW en boeten zonder voorbehoud betaalde, zonder zich op het beweerde wilsgebrek te beroepen;

Overwegende dat een gegeven akkoord al zijn bewijskracht behoudt, zolang het tegenbewijs niet wordt aangebracht dat het met enig gebrek in de toestemming of de wilsuiting is behept; dat het inderdaad niet opgaat te beweren dat het akkoord onder morele of materiële dwang werd afgenomen zonder dat hiervan het minste bewijs wordt voorgelegd of zonder dat er een aanvang wordt gemaakt met een begin van bewijs ervan;

Overwegende dat de BTW-controle de niet aangegeven aankopen kon wedersamenstellen aan de hand van de voorhanden zijnde vervoerdocumenten en daarop de normale winst berekende; dat er dientengevolge geen dwaling bestaat omtrent het omzetcijfer zelf, dat de eiser overigens thans voor het Hof erkent (conclusie 18.1.1999 p. 5);

Overwegende dat wat betreft de berekende winst, de vergelijking met een vorig aanslagjaar, gelet op het anualiteitsbeginsel, niet opgaat; dat overigens de winstbepaling werd berekend aan de hand van de gemiddelde winst op de aankoop zowel van geslachte als van levend aangekochte dieren;

Overwegende dat het akkoord met de BTW-diensten het resultaat was van een nauwkeurig onderzoek ook wat betreft de berekening van de winstbepaling en de eiser geen afdoend bewijs levert dat een vergissing in zijn nadeel zou zijn begaan bij het betwiste akkoord;

Overwegende dat het de administratie toegelaten is uiteindelijk te steunen op een gegeven akkoord van de eiser ten overstaan van de BTW-administratie; dat hij niet bewijst dat het akkoord is aangetast door een vergissing in feite of in rechte, of door een weglating, een dubbel gebruik, een wilsgebrek of andere omstandigheden;

Overwegende dat de voorziening dan ook ongegrond dient te worden verklaard;

### Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24bis van de wet van 15 juni 1935.

Gehoord in openbare terechtzitting het verslag van raadsheer *Marc Hanssens* en de partijen in hun middelen en conclusies.

Verklaart de voorziening toelaatbaar doch ongegrond.

Verwijst de eiser in de kosten, begroot op 192 F.

De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.
