---
title: "Wettelijk vermoeden, geheime commissielonen · Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, 7 januari 2025"
description: "Wettelijk vermoeden, geheime commissielonen, verworpen uitgaven, fraude. Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (België), 7 januari 2025."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzet-wettelijk-vermoeden-geheime-commissielonen-rechtbank-antwerpen-2025-01-07-cd52"
lang: "nl"
---

# Wettelijk vermoeden, geheime commissielonen, verworpen uitgaven, fraude

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

7 januari 2025

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

219 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen d.d. 07.01.2025 - Rolnr. 23/4386/A

WF 55162196/01

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – omzet- wettelijk vermoeden- geheime commissielonen- verworpen uitgaven- fraude*

## Wettelijke bepalingen

Art.64, W.Btw

Art. 57, WIB92

Art.219, WIB92

## Samenvatting

In dit dossier werd een omzetverhoging toegepast op basis van twee grote inkomende facturen die niet in de boekhouding waren opgenomen. Aangezien de betrokken goederen niet meer in voorraad waren, werd de vermoedelijke winst belast via artikel 64 W.BTW en de artikelen 219 en 57 WIB92.

De opgelegde sancties – een belastingverhoging van 50% en een proportionele fiscale geldboete van 200% – werden bevestigd zonder uitstel. Ook de toepassing van de fraudetermijn overeenkomstig artikel 81bis, §1, lid 2, 4° W.BTW werd aanvaard.

De tegenpartij voerde aan dat artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM geschonden zou zijn, maar dat argument werd verworpen.

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen,**

**07.01.2025**

## Rolnummer 23/4386/A en 23/4387/A

Inzake: 24/4386/A

X...

met maatschappelijke zetel te 2060 ANTWERPEN X...

ondernemingsnummer: X...

eiseres

\- niet aanwezig op de zitting noch iemand voor haar

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is in de Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, ondernemingsnummer: 0308.357.159, handelend ten verzoeke van Adviseur-generaal -Directeur te Gewestelijke Directie BBI Antwerpen, met correspondentieadres 9050 LEDEBERG, G. Crommenlaan 6 bus

verweerster

\- vertegenwoordigd op de zitting van 3 december 2024 door mevrouw X... , in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën

\- niet aanwezig op de zitting van 9 december 2024 doch hebbende als fiscaal deskundige mevrouw X...

Inzake: 24/4387/A

X...

met maatschappelijke zetel te 2060 ANTWERPEN 6, Lange Beeldekensstraat 136,

ondernemingsnummer: 0538.623.182

eiseres

\- niet aanwezig op de zitting noch iemand voor haar

TEGEN:

DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is in de Wetstraat 12 te 1000 BRUSSEL, ondernemingsnummer: 0308.357.159, handelend ten verzoeke van Adviseur-generaal -Directeur te Gewestelijke Directie BBI Antwerpen, met correspondentieadres 9050 LEDEBERG, G. Crommenlaan 6 bus

verweerster

\- vertegenwoordigd op de zitting door mevrouw X... , in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

In de zaak gekend onder algemeen rolnummer 23/4386/A:

De rechtbank heeft kennis genomen van:

\- het inleidend verzoekschrift van 27 oktober 2023, ingeschreven op 27 oktober 2023;

\- de beschikking op grond van artikel 747, § 1 van het gerechtelijk wetboek van 24 november 2023;

\- de wijzigende beschikking van 21 juni 2024;

\- de conclusie van verweerster, ontvangen op de griffie op 24 oktober 2024;

\- de stukken van partijen.

De rechtbank heeft de middelen en conclusies van aanwezige partij gehoord op de openbare terechtzitting van 3 en 9 december 2024.

In de zaak gekend onder algemeen rolnummer 23/4387/A:

De rechtbank heeft kennis genomen van:

\- het inleidend verzoekschrift van 27 oktober 2023, ingeschreven op 27 oktober 2023;

\- de beschikking op grond van artikel 747, § 1 van het gerechtelijk wetboek van 24 november 2023;

\- de wijzigende beschikking van 21 juni 2024;

\- de conclusie van verweerster, ontvangen op de griffie op 29 oktober 2024;

\- de stukken van partijen.

De rechtbank heeft de middelen en conclusies van aanwezige partij gehoord op de openbare terechtzitting van 3 december 2024.

De rechtbank stelt vast dat de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in rechtszaken nageleefd is.

## 1. Feiten en procedurele voorgaanden

Eiseres verkoopt stoffen en textiel. Teneinde deze activiteit te kunnen uitoefenen voert zij stoffen in van over de hele wereld en ontvangt zij ook regelmatig internationale klanten in Antwerpen.

Huidige betwisting betreft enerzijds de aanslagen in de vennootschapsbelasting gevestigd in hoofde van eiseres voor de aanslagjaren 2015 (balans 30juni 2015), 2017 (balans 30 juni 2017) en 2019 (balans 30 juni 2019) onder de respectievelijke kohierartikelen 325.845.047, 325.845.062 en 325.845.064.

Anderzijds heeft de betwisting betrekking op de btw en de btw-boete voor een totaalbedrag van 53.792,78 euro met artikelnummer 500257643288.

1.1. Betreffende de betwiste aanslagen gevestigd voor de aanslagiaren 2015, 2017 en 2019

Eiseres heeft voor de aanslagjaren 2015, 2017 en 2019 tijdige aangiftes ingediend in de ven nootschapsbelasting.

Op 16 november 2020 heeft de belastingadministratie een onaangekondigde controle verricht op het adres van de maatschappelijke zetel van eiseres te Antwerpen. De vaststellingen werden opgenomen in het proces-verbaal dat medeondertekend werd door de zaakvoerder van eiseres (stuk 1 verweerder).

Op 10 december 2020 verstuurde de belastingadministratie een kennisgeving aan eiseres overeenkomstig artikel 333, derde lid W1B92, betreffende de uitbreiding van de onderzoekstermijn voor de aanslagjaren 2014 tot en met 2017 (stuk 2 verweerder).

Op 11 december 2020 werden boekhoudkundige stukken opgehaald bij de gevolmachtigde boekhouder van eiseres. Er werd een proces-verbaal van retentie opgesteld (stuk 3 verweerder).

Op 22 december 2020 ontving de belastingadministratie een e-mail met een deel van de nog ontbrekende stukken (stuk 16 verweerder).

Op 22 juni 2021 heeft de belastingadministratie een tweede onaangekondigde controle verricht op het adres van de maatschappelijke zetel van eiseres te Antwerpen. De vaststellingen werden opgenomen in het proces-verbaal dat medeondertekend werd door de zaakvoerder van eiseres (stuk 4 verweerder).

Op 23 november 2021 verstuurde de belastingadministratie een tweede kennisgeving aan eiseres overeenkomstig artikel 333, derde lid WIB92, betreffende de uitbreiding van de onderzoekstermijn voor de aanslagjaren 2015 tot en met 2018. Voor aanslagjaar 2018 ging het om de eerste kennisgeving (stuk 5 verweerder).

Op 10 maart 2022 vond er een bespreking plaats bij de gevolmachtigde boekhouder van eiseres. Er werd een proces-verbaal van retentie (stuk 6 verweerder) en een proces-verbaal van verklaringen opgesteld (stuk 7 verweerder).

Op 17 mei 2022 (aanslagjaar 2019) en 19 mei 2022 (aanslagjaren 2015 en 2017) verstuurde de belastingadministratie een bericht van wijziging waarin zij haar voornemen kenbaar maakte om de volgende bedragen te weerhouden onder een verdoken meerwinst (code 1507) en niet verantwoorde kosten (code 1225) :

Aanslagjaar 2015: 4.703,86 euro

\- Aanslagjaar 2017: 23 251,49 euro

\- Aanslagjaar 2019: 22 672,01 euro

Voor elk aanslagjaar werd een belastingverhoging aangekondigd ten bedrage van 50% (zie de stukken 8-10 verweerder). Eiseres ging niet akkoord met deze voorgenomen wijzigingen (stuk 11 verweerder).

Op 28 juni 2022 verstuurde de belastingadministratie een kennisgeving van beslissing tot taxatie voor de aanslagjaren 2015, 2017 en 2019 waarbij zij meedeelde de taxatie conform de berichten van wijziging te behouden (stuk 12 verweerder).

De aanslagen voor de aanslagjaren 2015, 2017 en 2019 werden vervolgens op 29 juni 2022 (aanslagjaar 2015), en cp 30 juni 2022 (aanslagjaren 2017 en 2019) ingekohierd onder de kohierartike!en 325.845.047, 325.845.062 en 325.845.064 voor een bedrag van 4.844,98 euro (aanslagjaar 2015), 35.969,04 euro (aanslagjaar 2017) en 30.531,37 euro (aanslagjaar 2019) (stukken 13, 14 en 15 verweerder).

Op 30 september 2022 werd namens eiseres een bezwaarschrift ingediend tegen voormelde aanslagen (stuk 17 verweerder).

Bij administratieve beslissing van 27 juli 2023 werd het bezwaar ontvankelijk en ongegrond verklaard (stuk 21 verweerder).

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27 oktober 2023 stelde eiseres een vordering in rechte in. Afschriften van de beslissingen zijn aan het geding inleidend verzoekschrift gehecht.

1.2. Betreffende de btw-navordering

Voor het onderzoek van de btw-navordering verliep het onderzoek zoals voor de vennootschapsbelastingen (zie stukken 2, 3, 4, 5 verweerder).

Daarnaast werd op 9 mei 2022 aan de gevolmachtigde boekhouder van eiseres enkele vragen om inlichtingen gesteld (zie stuk 6 verweerder). Deze vragen werden, bij gebrek aan antwoord, op 23 mei 2022 herhaald (zie stuk 7 verweerder). Op 24 mei 2022 werd een antwoord ontvangen (zie stuk 8 verweerder).

Op 23 juni 2022 werd de voorafgaande kennisgeving bedoeld in artikel 84ter W.btw verzonden (zie stuk 9 verweerder).

Op 30 juni 2022 werd het proces-verbaal van taxatie uitgevaardigd voor een btw-schuld van 17.536,52 euro, een boete van 35.073,04 euro (200 %) te vermeerderen met de wettelijke nalatigheidsinteresten (stuk 1 verweerder).

De verschuldigde btw heeft betrekking op de aankoopfacturen van 29 augustus 2016 en 6 november 2018, met nummers 2016829 en 20181106, voor een bedrag van 31.200,00 usd en 31.050,00 usd, die niet werden teruggevonden de boekhouding van eiseres.

Namens eiseres werd een bezwaar ingediend (stuk 11 verweerder) dat bij administratieve beslissing van 27 juli 2023 werd afgewezen (stuk 16 verweerder),

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van deze rechtbank op 27 oktober 2023 stelde eiseres een vordering in rechte in.

## 2. Samenvoeging

In toepassing van artikel 30 Ger. W. worden samenhangende zaken samen behandeld wanneer zij onderling zo nauw verbonden zijn dat het wenselijk is ze samen te behandelen om onverenigbare oplossingen te vermijden.

Volgens de rechtbank is er sprake van samenhangende zaken met de rolnummers 23/4386/A en 23/4387/A. Het gaat immers om betwistingen waar eiseres betrokken is en waarbij de betwiste aanslagen werden gevestigd op grond van dezelfde aankoopfacturen die niet werden teruggevonden in de boekhouding van eiseres.

Volgens de rechtbank is er een reëel risico op tegenstrijdige uitspraken. De zaken met de rolnummers 23/4386/A en 23/4387/A worden bijgevolg samengevoegd.

## 3. Vorderingen van partijen

Voor eiseres worden er geen conclusies neergelegd. In de verzoekschriften wordt gevraagd:

o Inzake vennootschapsbelastingen:

In hoofdorde: de ontheffing, dan wel de vernietiging van de aanslagen en belastingverhoging in de vennootschapsbelasting gekend onder het kohierartikel 325.0845.047, 325.845.062 en 325.845.064;

In ondergeschikte orde: de bij de kohierartikels 325.845.047, 325.845.062, 325.845.064 opgelegde belastingverhoging te toetsen aan het evenredigheidsbeginsel en vervolgens kwijt te schelden of te rratigen, minstens het strafrechtelijk karakter van de opgelegde belastingverhoging te erkennen, minstens de gunstmaatregel van het uitstel toe te kennen:

verweerder te veroordelen tot de terugbetaling van a' de geldsommen die gedwongen of anders werden betaald en of werden aangerekend, vermeerderd met moratoriumintresten:

verweerder te veroordelen tot de betaling van de kosten van het geding, in hoofde van eiseres begroot op het rolrecnt, de gerechtskosten, meer de rechtsplegingsvergoeding begroot op 4.500 euro.

o Inzake btw:

in hoofdorde de vernietiging van het innings- en invorderingsregister d.d. 19 augustus 2022 waarin de btw en de btw-boete voor een totaalbedrag van 53.792,78 euro met artikelnummer 500257643288 uitvoerbaar verklaard wordt aangezien de vordering tot voldoening van de btw- schuld en btw-boete is verjaard;

in ondergeschikte orde de kwijtschelding van de btw-boete van 35.070,00 euro met artikelnummer 500257643288 zoals uitvoerbaar verklaard in het innings- en invorderingsregister d.d. 19 augustus 2022 gelet op het onevenredig en onredelijk karakter ervan, minstens over te gaan tot de matiging van deze btw-boete;

verweerder te veroordelen tot de terugbetaling van al de geldsommen die gedwongen of anders werden betaald of werden aangerekend, vermeerderd met moratoriumintresten;

verweerder te veroordelen tot de betaling van de kosten van het geding, in hoofde van eiseres begroot op het rolrecht, de gerechtskosten, meer de rechtsplegingsvergoeding begroot op 3.750,00 euro.

Verweerder verzoekt de rechtbank:

o Inzake vennootschapsbelastingen:

Het verzoekschrift van eiseres ontvankelijk te verklaren; de rechtsvordering ontvankelijk maar ongegrond te verklaren en de vordering van eiseres bijgevolg af te wijzen; de gevestigde aanslagen te bevestigen, minstens voor aanslagjaar 2015 toepassing te maken van artikel 356 WIB92.

o Inzake btw:

de vorderingen van eiseres ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren;

het bestreden invorderingsorder gekend onder het nummer 500257643288 te

handhaven;

eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding. In ondergeschikte orde, het

bedrag van de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen op het basisbedrag.

## 4. Ontvankelijkheid

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

De vordering van eiseres is dan ook ontvankelijk.

## 5. Beoordeling

5.1. Betreffende de betwiste aanslagen gevestigd voor de aanslagiaren 2015, 2017 en 2019

5.1.1. Betreffende de motivering van het bericht van wijziging voor aanslagjaar 2015

Eiseres werpt op dat het bericht van wijziging voor het aanslag jaar 2015 van 19 mei 2022 niet voldoet aan de motiveringsverplichting van artikel 346 W1B92 omdat pas in de kennisgeving van de beslissing tot taxatie melding wordt gemaakt dat de aangegeven verliezen als het volgt worden aangepast (zie stuk 12 verweerder):

\- code 1721 'Saldo van de compenseerbare verliezen" blijft -11682,19 euro;

\- code 1722 'Verlies van het belastbare tijdperk' wordt -4 678,50 euro i.p.v. -9 382,36 euro;

\- code 1730 'Verlies over te brengen naar het volgende BT' wordt -16 360,39 euro i.p.v.21 064,55 euro.

Verweerder betwist dit standpunt en stelt vast dat eiseres zich heeft kunnen verdedigen ten aanzien van de voor aanslagjaar 2015 doorgevoerde wijzigingen, wat blijkt uit het antwoord op het bericht van wijziging voor aanslagjaar 2015 en het ingediend bezwaar. Bovendien heeft de wijziging van de codes 1721, 1722 en 1730 geenszins de toestand van eiseres verzwaard en uit het nazicht van het aanslagjaar 2016 blijkt dat de voorgestelde wijziging van code 1721, 1722 en 1730 geen doorwerking heeft gekregen.

Het bericht van wijziging dient de belastingplichtige op een met redenen omklede wijze voldoende in te lichten over de inkomsten en andere gegevens die de belastingadministratie in de plaats wil stellen van die welke zijn aangegeven of aangenomen, zodat hij de geplande wijziging kan onderzoeken en ze vervolgens kan verwerpen of aannemen. De motiveringsplicht strekt ertoe de belastingplichtige de gelegenheid te geven zijn opmerkingen naar voor te brengen of met kennis van zaken desgevallend zijn akkoord te betuigen met de voorgenomen aanslag (zie ook Cass. 14 mei 2010, F.08.0051.F, www.juportal.be).

De vraag stelt zich of eiseres op basis van de inhoud van dit bericht van wijziging in de mogelijkheid was om de vooropgestelde taxatie voor aanslagjaar 2015 te onderzoeken, de gegrondheid ervan te beoordelen en deze desgevallend te betwisten.

De rechtbank stelt vast dat het betreffende bericht van wijziging voor aanslagjaar 2015 op overzichtelijke wijze de codes en de bedragen vermeld die de belastingadministratie wenst te wijzigen voor dat jaar.

De rechtbank stelt daarnaast vast dat de motivatie van het betreffende bericht van wijziging eiseres op geen enkele manier heeft belet om te begrijpen wat de belastingadministratie precies bedoelde, wat blijkt uit het bezwaar van 30 september 2022 dat namens eiseres werd Ingediend (zie stuk 17 verweerder).

Het bericht van wijziging heeft dan ook haar doel bereikt, namelijk het debat op gang te brengen en daartoe de belastingplichtige, in casu eiseres, duidelijk in te lichten van wat in feite en in rechte het inzicht was van de belastingadministratie wat betreft de voorgenomen taxatie voor aanslagjaar 2015.

Deze vordering is bijgevolg dan ook niet gegrond.

5.1.2, Betreffende de aangevoerde schending van artikel 340 WIB92

Eiseres stelt dat er geen bewijs voorligt van enige meeromzet voor de aanslagjaren 2015, 2017 en 2019 en dat de taxaties willekeurig zijn.

Krachtens artikel 340 WIB92 kan de belastingadministratie, ter bepaling van het bestaan en van het bedrag van de belastingschuld, alle door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen aanvoeren, met uitzondering van de eed. De belastingadministratie kan aldus de belastbare grondslag ramen op grond van feitelijke vermoedens.

Wanneer de belastingadministratie het bewijs door vermoedens toepast, houdt dit in dat zij, vertrekkende van bekende en vaststaande feiten, door een normale en logische redenering tot een bepaald besluit komt met betrekking tot de fiscale situatie van de belastingplichtige.

De rechtbank stelt vast dat op basis van een grondig onderzoek van de belastingadministratie naar voren kwam dat bepaalde door eiseres aangekochte handelsgoederen niet in haar boekhouding werden opgenomen, zoals uitvoerig geargumenteerd in de berichten van wijziging van 17 mei 202? en 19 mei 20?2 (stukken R - 1n verweerder).

Voor de aanslagjaren 2015, 2017 en 2019 werd op basis van een analyse van de

invoerdocumenten vastgesteld dat eiseres de volgende facturen van een Chinese leverancier

niet opgenomen had in haar boekhouding:

\- factuur met nummer M140820 van 20 augustus 2014 voor een bedrag van 7500,00

usd;

factuur 2016829 van 29 augustus 2016 voor een bedrag van 31.200,00 usd;

factuur 20181106 van 6 november 2018 voor een bedrag van 31.050,00 usd.

De belastingadministratie ging ervan uit dat de niet geboekte aankopen verkocht werden met btw, waarbij rekening werd gehouden met een gemiddelde bruto winstmarge van 1,1515. Dit bedrag werd verminderd met de niet-geboekte aankoop om het bedrag van de verdoken meerwinst te berekenen.

De rechtbank is van oordeel dat van enige willekeur bij de berekening van de meeromzet geen sprake is en de belastingadministratie terecht een meerwinst heeft weerhouden van 4.703,86 euro voor aanslagjaar 2015, van 23 251,49 euro voor aanslagjaar 2017 en van 22.672,01 euro voor aanslagjaar 2019.

Eiseres voert aan dat verweerder niet aantoont dat de weerhouden meerwinsten het patrimonium van eiseres hebben verlaten zodat niet aan da voorwaarden van artikel 219 WIB 92 is voldaan.

Artikel 219 WIB 92 zoals van toepassing voor de betreffende aanslagjaren luidt als volgt:

> "Een afzonderlijke aanslag wordt gevestigd op kosten als bedoeld in artikel 57 en op voordelen van aile aard als bedoeld in de artikelen 31, tweede lid, 2°, en 32, tweede lid, 2°, die niet worden verantwoord door individuele fiches en een samenvattende opgave alsmede op de verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap worden teruggevonden en op de in artikel 53, 24°, bedoelde financiële voordelen of voordelen van alle aard.
>
> Die aanslag is gelijk aan 100 pct. van die kosten, voordelen van alle aard, financiële voordelen en verdoken neerwinsten, tenzij kan warden aangetoond dat de verkrijger van die kosten, die voordelen van alle aard en die financiële voordelen een rechtspersoon is, of dat de verdoken meerwinsten terug zijn opgenomen in de boekhouding, als bedoeld in het vierde lid, in welke gevallen de aanslag gelijk is aan 50 pct.
>
> (...)"

Het Hof van Cassatie definieert verdoken meerwinsten als de door de belastingadministratie vastgestelde, verzwegen of verborgen gehouden winsten die niet begrepen zijn in het boekhoudkundig resultaat van de vennootschap en derhalve evenmin onder de bestanddelen van de vennootschap kunnen teruggevonden worden (Cass. 20 februari 2014, F.12.0132.N).

Om onderworpen te kunnen worden, volstaat het dat vaststaat dat de betrokken meerwinst, die geen verworpen kost is, zich niet in het vermogen van de vennootschap bevindt. Het is daarbij niet vereist dat deze winst eerst wel in het vermogen van die vennootschap was opgenomen en er nadien uit Is verdwenen. Het volstaat dat die winst aan het vermogen van de vennootschap toebehoort, maar er nooit in werd opgenomen (zie Antwerpen 16 september 2019, rolnr. 2017/AR/2303, FJF 2020 , nr. 5, 176 ; Antwerpen 27 april 2021, rolnr. 2019/AR/2179, www.monkey.be).

Zoals hiervoor reeds werd geoordeeld, heeft de belastingadministratie in casu vastgesteld dat er sprake is van verdoken meerwinsten die niet onder de bestanddelen van het vermogen van de vennootschap, in casu eiseres, werden teruggevonden. Rekening houdend met het gegeven dat het gaat om winsten, die niet Werden opgenomen in de boekhouding, mag ook aangenomen worden dat deze meerwinsten het vermogen van de vennootschap verlater hebben.

De belastingadministratie heeft dan ook terecht de meerwinsten aan de bijzondere geheime commissielonen onderworpen.

Eiseres stelt dat de weerhouden meerwinsten niet mochten worden opgenomen onder de verworpen uitgaven.

Verweerder verdedigt het standpunt dat verdoken meerwinsten, die aan de afzonderlijke aanslag worden onderworpen, moeten worden opgenomen in de verworpen uitgaven, zoals gesteld in de circulaire 2017/C/16 van 4 april 2017 betreffende het toepassingsgebied van de afzonderlijke aanslag zoals bedoeld in art. 219 WIB92 en de administratieve commentaar op artikel 219 (Com/IB 219/1-34).

De rechtbank is van oordeel dat een verdoken meerwinst die niet terug te vinden is in het vermogen van de vennootschap, effectieve en bepaalde uitgaven betreffen, waarvan de aftrekbaarheid dient te worden beoordeeld op grond van artikel 49 WIB92 (vgl. Cassatie, 12 september 2024, F.22.0129.F).

In huidig geval konden de bewezen verdoken meerwinsten eveneens onder de verworpen uitgaven worden opgenomen gelet op de afwezigheid van bewijsstukken die het beroepskarakter ervan aantonen.

Deze vordering is bijgevolg eveneens ongegrond.

5.1.5. Betreffende de opgelegde belastingverhoging van 50%

In de berichten van wijziging werd de opgelegde belastingverhoging gemotiveerd vanuit de vaststelling dat de weerhouden aankoopfacturen voor de aanslagjaren 2015, 2017 en 2019, niet teruggevonden werden in de boekhouding van eiseres.

Daarnaast werd de verhoging van 50 % ook geargumenteerd vanuit de vaststelling dat eiseres

geen bewijskrachtige boekhouding voert. Meer in het bijzonder werd geconstateerd : dat eiseres stoffen verkoopt van het merk Vlisco doch in haar boekhouding is hiervan geen enkel spoor terug te vinden; idem wat de door eiseres verkochte hoofd- en lendendoeken betreft;

dat er geen enkel ontvangstbewijs of controleerbaar stuk kon worden voorgelegd wat de ontvangsten betreft;

er werd geen kasboek bijgehouden, hoewel de zaakvoerder en diens gevolmachtigde boekhouder verklaarden dat alle aankopen cash betaald worden.

De rechtbank is van oordeel dat de betreffende belastingverhoging opgelegd werd overeenkomstig artikel 444 WIB92 en artikel 225 KB/WIB92 en bovendien is ze wettelijk, afdoende gemotiveerd en kennelijk evenredig met de gepleegde inbreuk. Er zijn geen gegronde redenen om de belastingverhoging te verminderen of kwijt te schelden.

Verder ziet de rechtbank geen specifieke omstandigheden om de belastingverhoging met uitstel op te leggen mocht de wetgever in deze mogelijkheid hebben voorzien.

De vordering van eiseres is op dit pint dan ook ongegrond.

5.2. Betreffende de betwiste btw-navordering

5.2.1. Betreffende de toepassing van de fraudetermijn,

Eiseres argumenteert dat de belastingadministratie niet voldaan heeft aan de bewijslast die op haar rust wanneer zij artikel 81bis §1, lid 2, 4° W.btw toepast doordat de voorafgaande kennisgeving d.d. 23 juni 2022 onvoldoende gemotiveerd was en aangezien er niet wordt aangetoond dat eiseres de intentie had om de belasting te ontduiken,

Artikel 81bis §1, lid 2, 4° W.btw, zoals van toepassing was voor de betwisting, bepaalt:

> "§ 1. Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan. In afwijking van het eerste lid is er evenwel verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer:
>
> (... )
>
> 4O de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het
>
> oogmerk te schaden.... "

Artikel 84ter W.btw bepaalt: Indien zij voornemens is de verjaringstermijn bepaald in artikel 8ibis, § 1, tweede lid, 40, toe te passen, moet de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokkene schriftelijk en nauwkeurig kennisgeven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode.

In de voorafgaande kennisgeving van 23 juni 2022 werden de vermoedens van belastingontduiking onder andere afgeleid uit de volgende gedane vaststellingen (zie stuk 9 verweerder):

> "Op 10.03.2022 (zie proces-verbaal van 10.03.2022 opgesteld door Luc Averhals, Attaché en Greet Marcus, Adjunct-fiscaal deskundige, beiden ambtenaren van de AABBI Antwerpen, inspectie 2) vindt te Herselt op het accountantskantoor B. Beckers bv, vertegenwoordigd door Bart Beckers, extern boekhouder van X... , een informatieve controle plaats.
>
> De heer Beckers bevestigt wat de heer Mamadou Sy reeds tijdens onze twee controles (bij X... ) ter plaatse verklaarde ni:
>
> \- dat Dhr. Mamadou Sy tot 2019 -2020 'altijd' alles cash betaalde;
>
> \- dat de betalingen n.a.v. de verkopen naar Ghana altijd in de winkel van X... cash werden ontvangen;
>
> \- dat de inventaris van de stoffen van X... niet op basis van een telling, maar op basis van een schatting werd gemaakt;
>
> \- dat er geen lijst wordt bijgehouden van deze inventaris."

Op basis deze vaststellingen werd vervolgens het volgende geconcludeerd:

\- er werden geen aankoopfacturen gevonden van de Nederlandse leverancier Viisco in de boekhouding, noch van andere textielleveranciers uit Duitsland en Frankrijk; betalingen van aankopen gebeuren veelal cash terwijl het dagboek van ontvangsten zulke grootte aan bedragen niet vermeldt;

\- dat van de cashbetalingen n.a.v. de leveringen naar Ghana geen enkel spoor te vinden is, noch in de boekhouding, noch op de bankrekening van X... ;

\- praktisch alle gedane en ontvangen betalingen door X... gebeuren cash;

\- een jaarlijkse inventaris wordt enkel op basis van een schatting gemaakt en niet bijgehouden.

De rechtbank is van oordeel dat de belastingadministratie, eiseres schriftelijk en op een nauwkeurige wijze op voorhand in kennis heeft gesteld van de vermoedens van belastingontduiking die tegen haar bestonden in de periode van controle.

Toepassing kan worden gemaakt van de 7-jarige fraudetermijn wanneer een overtreding wordt vastgesteld in de zin van artikel 70 of 71 W.btw welke is begaan met bedrieglijk opzet of het oogmerk om de schatkist te schaden.

Het onderzoek van de belastingadministratie wees uit dat eiseres de aankoopfacturen van 29 augustus 2016 en 6 november 2018, met nummers 2016829 en 20181106, voor een bedrag van 31,200,00 usd en 31.050,00 usd, niet inboekte als aankopen, doch wel de betaalde btw in aftrek nam.

Daarnaast werd de werkwijze van eiseres gekenmerkt door cashbetalingen van zelfs grote facturen, het in cash in ontvangst namen van betalingen door klanten en het niet correct opmaken van een inventaris. De belastingadministratie baseerde zich hierbij op de verklaringen van de boekhouder van eiseres die de eerdere verklaringen van zijn cliënte bevestigde. Het standpunt van eiseres dat de verklaringen afgelegd tijdens de controle ter plaatse op 16 november 2020 niet kunnen worden gebruikt omdat er met zekerheid zich communicatiefouten hebben voorgedaan, is dan ook van geen enkel belang.

Gelet op de grove onregelmatigheden die de belastingadministratie in de boekhouding van eiseres heeft vastgesteld, kan hieruit worden besloten dat eiseres heeft gehandeld met bedrieglijk opzet, minstens met het oogmerk te schaden.

De vordering van eiseres is ter zake ongegrond.

De belastingadministratie stelde vast dat de aankoopfacturen van 29 augustus 2016 en 6 november 2018, met nummers 2016829 en 20181106, voor een bedrag van 31,200,00 usd en 31.050,00 usd, niet werden opgenomen als inkomende handelsgoederen in het rooster 81 van de btw-aangifte. De facturen betreffen 208, respectievelijk 207 balen textiel. Omgerekend naar euro bedragen deze facturen 27.212,40 euro en 27.907,92 euro. Rekening houdende met een winstmarge van 1.515 werd het totaalbedrag van de omzet berekend op 83.507,27 euro, waarop de btw verschuldigd is van 17,536,52 euro.

Overeenkomstig artikel 59, §1 W.btw kunnen overtredingen of misbruiken van de bepalingen van dat Btw-Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de btw of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie bewezen worden volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën, die bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen,

Op grond van de wettelijke vermoedens opgenomen in het artikel 64, § 1 (goederen), en in het artikel 64, § 2 (diensten) W.btw wordt hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen, behoudens tegenbewijs, geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting.

Aangezien verweerder door middel van het bewijs aan de hand van vermoedens het bewijs heeft geleverd dat alle goederen van de aankoopfacturen van 29 augustus 2016 en 6 november 2018 werden geleverd aan eiseres, kon verweerder zich op deze niet gefactureerde aankopen steunen voor de toepassing van het wettelijk vermoeden van artikel 64, §1 W.btw.

De belastingadministratie heeft bovendien nagekeken of de verkopen van de aangekochte balen textiel m.b.t. de twee betreffende aankoopfacturen al dan niet werden opgenomen in de btw-aangiftes van eiseres, wat niet het geval bleek zijn (zie stuk 7 verweerder).

De vordering van eiseres is dan ook niet gegrond,

5.2.3. Betreffende de BTW-boete van 200%

Eiseres betwist de opgelegde boete van 200% omdat het bedrieglijk opzet in haar hoofde niet zou zijn bewezen. Minstens stelt eiseres dat de boete niet op een afdoende wijze werd gemotiveerd en er een schending voorligt van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het EVRM, zijnde het recht op eigendom. In ondergeschikte orde verzoekt eiseres vast te stellen dat de boete kennelijk onredelijk is in het licht van de aard van de overtreding en vraagt ze de boete kwijt te schelden of minstens te matigen. Verder ondergeschikt vraagt eiseres de gunst van het uitstel te verlenen.

In casu werd de boete van 200% in het proces-verbaal van taxatie gemotiveerd verwijzend naar de toepassing van artikel 70, §1 W.btw,

De motiveringsverplichting van de btw-boete vloeit voort uit artikel 109 van de wet van 4 augustus 1986 die stelt dat telkens wanneer een belastingadministratie aan een belastingplichtige een bericht zendt, waarbij hem een administratieve geldboete wordt opgelegd, dit bericht de feiten dient te vermelden die de overtreding opleveren en de verwijzing naar de toegepaste wet- of verordeningsteksten. Het bericht moet tevens de motieven opgeven die gediend hebben om het bedrag van de boete vast te stellen.

De rechtbank stelt vast dat de boete afdoende en wettelijk werd gemotiveerd in het proces¬verbaal van taxatie (zie stuk 1 verweerder) en dat op basis van de daarin opgenomen vaststellingen aangaande het niet bewijskrachtig zijn van de boekhouding van eiseres, de belastingadministratie het bewijs heeft geleverd dat eiseres heeft gehandeld met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het EVRM tast op geen enkele wijze het recht aan een boete van 200 % op te leggen indien de wettelijke voorwaarden hiervoor zijn vervuld, wat naar het oordeel van de rechtbank in huidig geschil wel degelijk het geval is.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.btw te toetsen mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Dit toetsingsrecht moet de rechter ín het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie Cassatie, 18 januari 2018, F.16.0160.N).

De rechtbank is van oordeel dat de geldboete van 200 % in casu evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering betreft van de door eiseres gepleegde feiten. Uit de vaststelling dat eiseres twee belangrijke aankoopfacturen niet heeft geboekt kan niet anders dan worden afgeleid dat gehandeld werd met de intentie de belasting op de daaruit volgende zwarte verkopen te ontduiken.

Verder ziet de rechtbank geen specifieke omstandigheden om de boete van 200 % met uitstel op te leggen mocht de wetgever in deze mogelijkheid hebben voorzien.

De vordering van eiseres is op dit punt dan ook ongegrond.

## 6. Kosten van het geding

Eiseres dient als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden tot de kosten van het geding.

Aangezien verweerder niet wordt vertegenwoordigd of wordt bijgestaan door een raadsman, is er geen rechtsplegingsvergoeding verschuldigd.

### Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN

DE RECHTBANK

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Voegt de zaken gekend onder de rolnummers 23/4386/A en 23/4387/A samen wegens samenhang in het belang van een goede rechtsbedeling en doet uitspraak in één vonnis.

Verklaart de vorderingen van eiseres ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, in hoofde van de Belgische Staat niet begroot en welke door de rechtbank vereffend worden op 0,00 euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op zeven januari tweeduizend vijfentwintig in openbare zitting van de Kamer AFil, die samengesteld was uit:

X…
