Fiche van de FOD Financiën
Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Antwerpen, Afdeling Antwerpen d.d. 13.03.2019
WF 707-15-17/064382
[Gunstig voor de Belgische Staat]
Belasting over de toegevoegde waarde – Omzet – Boete – Recht op aftrek - Tergend en roekeloos geding
Samenvatting
Niet beschikbaar.
Tekst van het vonnis
Tekst van de beslissing
Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, Sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi4
Vonnis van 13 maart 2019
Rol: 18/2001/A
Inzake:
TB. BVBA met maatschappelijke zetel te ..., KBO: 0555...., eisende partij - vertegenwoordigd ter zitting door Mr. ... , advocaat te ...,
TEGEN:
DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op vervolging en benaarstiging van de Advsieur Ontvanger van het Team Invordering Rechtspersonen Antwerpen 1 met kantoren te 2000 ANTWERPEN, ltaliëlei 4 bus 2, verwerende partij vertegenwoordigd door dhr. X, rijksambtenaar,
Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, zoals ze voorkomen op de inventaris ervan;
Gelet op de Wet van 15/6/1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 6 februari 2019.
Vordering van eiseres
De vordering van eiseres kan nuttig worden gelezen als een vordering om voor recht te zeggen dat de vordering van btw en boetes zoals opgenomen in het door de belastingadministratie opgestelde proces-verbaal van 19 september 2017, niet verschuldigd is.
Ten gronde
De rechtbank leest in de conclusies neergelegd namens eiseres geen middelen die specifiek betrekking op de vordering zoals opgenomen in het proces-verbaal van 19 september 2017, op de daaraan voorafgaande correctieopgave inzake btw die bij brief van 1 augustus 2017 werd verzonden aan eiseres, dan wel op de onderbouwing van de beslissing van 12 maart 2018 over het door eiseres ingediende bezwaar tegen de correctieopgave.
De nagevorderde btw heeft voor een groot gedeelte betrekking op, de toepassing van het btw tarief van 21% in plaats van 12%. Eiseres brengt geen duidelijke middelen of argumenten en zeker geen afdoende stukken bij om de toepassing van het tarief van 12% op de omzet waarop 21% btw werd nagevorderd (meer bepaald het verschil tussen de aangegeven 12% en 21%) te verantwoorden.
Voor wat betreft de btw gevorderd op basis van het ontbreken van de inventaris en de verworpen btw-aftrek kan de rechtbank geen enkel op eenduidige wijze middel of argument aantreffen in de namens eiseres neergelegde conclusies. Eiseres lijkt hoofdzakelijk in te gaan op een aanslag vennootschapsbelasting.
De rechtbank kan dan ook niet vaststellen waarom de btw en boetes zoals gevorderd door de belastingadministratie niet verschuldigd zouden zijn.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN, DE RECHTBANK,
recht doende op tegenspraak,
verklaart de vordering van eisers toelaatbaar maar ongegrond.
Veroordeelt eiseres tot de kosten, door verweerder niet begroot en door de rechtbank bepaald op nul euro.
Dit vonnis werd uitgesproken op dertien maart tweeduizend negentien in openbare zitting van de Kamer AFi4, die samengesteld was uit:
Ondertekeningen
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.
Rechtspraak
1België
1Hof van beroep te Antwerpen05.01.2021