---
title: "Recht op aftrek, Tergend en roekeloos geding · Hof van beroep te Antwerpen, 5 januari 2021"
description: "Recht op aftrek, Tergend en roekeloos geding, recht op aftrek van Btw, sanctie. Hof van beroep te Antwerpen (België), 5 januari 2021."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzet-boete-recht-aftrek-tergend-hof-van-beroep-antwerpen-2021-01-05-cd2c"
lang: "nl"
---

# Recht op aftrek, Tergend en roekeloos geding

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

5 januari 2021

## Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 5 maanden

1. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Antwerpen 05.01.2021
2. [Beslissing in cassatie Hof van Cassatie van België 23.06.2022](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gerechtelijke-geschillen-termijn-hoger-beroep-cassatie-brussel-2022-06-23-0c2a)

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

77 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen, d.d. 05.01.2021

WF 707-15-17/064382

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Omzet – Boete – Recht op aftrek - Tergend en roekeloos geding*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen [45, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45), [53, §1, eerste lid, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53), [53octies, §1, eerste lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53octies) WBTW

Artikel 780bis Ger W

Art 18 - KB nr. 1 van 29 december 1992 met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde

Art 1, §2, eerste lid - KB nr. 3 van 10 december 1969 met betrekking tot de aftrekregeling voor de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde

## Samenvatting

## 1) Feiten en voorgaande procedure

Tijdens een controle bij de belastingplichtige werd er vastgesteld dat de inschrijvingen in het dagontvangstenboek niet konden worden gestaafd door verantwoordingsstukken en dat de Z-totalen ontbraken. Uit de door de administratie gemaakte vergelijking bleek er te weinig omzet met betrekking tot voeding en drank werd aangegeven alsook dat de omzet uit de bingo-speeltoestellen niet correct werd aangegeven. Verder kon de belastingplichtige voor een aantal boekingen waarbij de btw in aftrek werd genomen geen geldige facturen voorleggen. Aangezien er niet tot een akkoord kon worden gekomen werd er een proces-verbaal opgesteld waarin de vastgestelde inbreuken werden opgenomen.

Tegen dit proces-verbaal werd door de belastingplichtige een administratief bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaar werd door de administratie afgewezen middels een gemotiveerde beslissing. Tegenpartij legde vervolgens een fiscaal verzoekschrift neer bij de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen. De eerste rechter verklaarde de vordering van tegenpartij toelaatbaar maar ongegrond en veroordeelde haar tot de kosten, waarna de belastingplichtige tegen dit vonnis hoger beroep instelde.

## 2) Het arrest van het hof van beroep

*\* Omzet*

Volgens de belastingplichtige zijn de teveel aangegeven omzet aan 12% en de te weinig aangegeven omzet aan 21% te verklaren door het verbruik van drank door het eigen personeel alsook door het feit dat de vorige zaakvoerder niet alle Z-totalen doorgaf aan de boekhouder. Verder zou de boekhouder van tegenpartij verbeteringen hebben doorgevoerd op basis van de werkelijke situatie om dit recht te zetten.

Het hof stelt vast dat tegenpartij geen controleerbare stukken voorlegt om de verschillen in omzet te verklaren. Verder blijkt dat er reeds een bedrag voor het eigen verbruik was opgenomen in de boekhouding. Daarnaast toont de belastingplichtige niet aan dat de vastgestelde inbreuken door de verbeteringen van de boekhouder zouden zijn rechtgezet. Ook wat de verschuldigde btw over de eindvoorraad betreft brengt tegenpartij geen enkel stuk bij.

*\* Recht op aftrek*

Het hof stelt vast dat tegenpartij met betrekking tot de op haar rustende bewijslast niet verder komt dan louter beweringen. Er wordt geen enkel stuk voorgelegd. Bijgevolg werd het recht op aftrek dan ook terecht geweigerd.

*\* Boete*

Het hof stelt vast dat de vordering inzake btw overeenstemt met de wettelijke bepalingen ter zake. Bijgevolg stelt het hof dat de vordering niet kan worden verminderd om billijkheidsredenen, aangezien er geen rechtsgrond is om tot vermindering over te gaan.

*\* Tergend en roekeloos geding*

De administratie was van mening dat er in dit geval sprake was van een tergend en roekeloos geding aangezien er in hoger beroep geen nieuwe argumentatie werd opgeworpen of nieuwe stukken werden bijgebracht. Volgens het hof is dit echter geen reden om het hoger beroep als tergend en roekeloos aan te merken. Verder toont de administratie ook niet aan dat zij hierdoor schade heeft geleden. De vordering wegens tergend en roekeloos geding werd bijgevolg dan ook afgewezen.

De rechtbank verklaart de vordering van tegenpartij ontvankelijk maar ongegrond.

## Opmerking

Tegenpartij berust in het arrest.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het hof van beroep te Antwerpen, d.d. 05.01.2021**

Rol: 2019/AR/1102

**TB. BV**, ON 0555...., met maatschappelijke zetel te ..., Eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door haar zaakvoerster mevrouw O.T. vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ... tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 13 maart 2019, gekend onder rolnummer 18/2001/A

**tegen**

**DE BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN**, ON 0308.357.159, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de ADVISEUR-GENERAAL-DIRECTEUR, ON 0308.357.159, met diensten te 2930 BRASSCHAAT, Ruiterijschool 3 bus 92, Verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. ..., advocaat te ...

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van de bestreden [vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzet-boete-recht-aftrek-tergend-rechtbank-antwerpen-2019-03-13-bb8b), afdeling Antwerpen, van 13 maart 2019, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 12 juni 2019, waarbij een tijdig en regelmatig hoger beroep wordt ingesteld.

**1.** **Feitelijke en procedurele retroacta.**

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op een correctieopgave inzake B.T.W. waarbij een bedrag van 4.825,77 EUR als B.T.W. en een geldboete van 900 EUR wordt nagevorderd.

Naar aanleiding van een controle over de periode van 7 juli 2014 tot en met 31 december 2015 werden een aantal inbreuken op de B.T.W.-wetgeving vastgesteld. Zo konden de inschrijvingen in het dagontvangstenboek niet gestaafd worden door gedetailleerde verantwoordingsstukken en bleken Z-totalen te ontbreken. Uit de vergelijking tussen de dagontvangsten en de Z-totalen bleek dat te weinig omzet drank en maaltijden werd aangegeven en dat de omzet 'bingo' die werd aangegeven niet overeenstemde met de omzet die bleek uit de maandelijkse overzichten van de eigenaar van de speeltoestellen. Tevens werden inbreuken vastgesteld ten aanzien van de verplichting in het bezit te zijn van een regelmatige factuur. Hiervan werd een proces-verbaal opgesteld op 19 september 2017. Ingevolge deze vaststellingen was eiseres in hoger beroep een bedrag van 4.825, 77 EUR als

B.T.W. verschuldigd en een geldboete van 900 EUR. Hiervoor werd een correctieopgave opgesteld die op 1 augustus 2017 aan eiseres in hoger beroep werd toegezonden.

De inbreuken werden opgenomen in een proces-verbaal d.d. 19 september 2017 dat bij brief van dezelfde datum aan eiseres in hoger beroep werd toegezonden.

Bij brief van 28 november 2017 werd bezwaar aangetekend tegen de correctieopgave omdat geen rekening zou zijn gehouden met het eigen verbruik. Het bezwaar werd bij beslissing

d.d. 12 maart 2018 afgewezen.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 16 april 2018, vorderde eiseres in hoger beroep de bestreden beslissing te vernietigen en/of te hervormen, het bezwaar ontvankelijk en gegrond te verklaren, de bijkomende aanslag onder kenmerk KMOEXPl/707-15- 17\_054382/BEOSSS.769.616/EVL te vernietigen, eiseres in hoger beroep volledig te ontlasten van verplichting om iets te betalen aan de Belgische Staat, tenslotte de tegenpartij te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op de kosten van het verzoekschrift en de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep toelaatbaar maar ongegrond en veroordeelde haar tot de kosten, niet begroot en niet vereffend.

De eerste rechter stelde dat de vordering van eiseres in hoger beroep nuttig gelezen kon worden als een vordering om voor recht te zeggen dat de vordering van B.T.W. en boetes zoals opgenomen in het proces-verbaal van 19 september 2017 niet verschuldigd is. De eerste rechter stelde dat in de conclusies geen middelen konden worden gelezen die specifiek betrekking hebben op de vordering in het proces-verbaal d.d. 19 september 2017. Hij oordeelde dat eiseres in hoger beroep geen duidelijke middelen of argumenten en zeker geen afdoende stukken bijbracht om de toepassing van het tarief van 12% op de omzet waarop 21% werd nagevorderd te verantwoorden. Wat betreft de B.T.W. gevorderd op basis van het ontbreken van de inventaris en de verworpen B.T.W.-aftrek kon de rechtbank geen enkel middel of argument aantreffen in de neergelegde conclusies. Eiseres in hoger beroep leek hoofdzakelijk in te gaan op een aanslag in de vennootschapsbelasting. De eerste rechter stelde dat hij dan ook niet kon vaststellen waarom de B.T.W. en boetes zoals gevorderd door de belastingadministratie niet verschuldigd zouden zijn.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 12 juni 2019, hoger beroep ingesteld.

**2.** **De vorderingen in hoger beroep.**

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te vernietigen in al haar beschikkingen en opnieuw rechtdoende de bestreden beslissing te vernietigen in alle delen en/of te hervormen, de bestreden beslissingen d.d. 19 september 2017 en 12 maart 2018 dienen te worden vernietigd of aangepast, het bezwaar van eiseres in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, de aanslag (sic) vervat in het aanslagbiljet (sic) te vernietigen, ondergeschikt de belasting ex aequo et bono aan te passen en tenslotte verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, begroot op 1.080 EUR rechtsplegingsvergoeding per aanleg en de gerechtskosten ten laste te leggen van de tegenpartij.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, bijgevolg het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen en aldus de inhoud van de bestreden directoriale beslissing alsook van het proces-verbaal van 19 september 2017 te bekrachtigen, de vordering tot schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ingesteld door verweerder in hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en eiseres in hoger beroep te veroordelen tot betaling van 1.500 EUR schadevergoeding en tot de kosten, begroot op 1.080 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

**3.** **Bespreking.**

3.1. De administratie verzoekt om de wering van het arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 13 november 2020 uit de debatten.

Artikel 740 Ger.W. bepaalt dat "alle memories, nota's of stukken die niet ten laatste tegelijk met de conclusies of, bij toepassing van artikel 735, vóór de sluiting der debatten zijn overgelegd, (... ) ambtshalve uit de debatten (worden) geweerd".

Het hof stelt vast dat het arrest onder nummer 19 als overtuigingsstuk werd neergelegd op 25 november 2020 na het verstrijken van de laatste conclusietermijn. Het hof weert dit stuk in toepassing van artikel 740 Ger.W. uit de debatten.

3.2. Het hof merkt vooraf op dat eiseres in hoger beroep in haar conclusie argumentatie opneemt die betrekking heeft op een aanslag in de vennootschapsbelasting waar in huidig geding een navordering inzake B.T.W. voorligt. Het hof gaat dan ook niet nader in op de argumentatie in zoverre deze de aanslag in de vennootschapsbelasting betreft.

3.3. De administratie stelt dat uit de vergelijking van de Z-totalen en de dagontvangsten is gebleken dat eiseres in hoger beroep in haar B.T.W.-aangiften 41.425,50 EUR te veel heeft aangegeven in de rubriek van 12% en 42.701,86 EUR te weinig in de rubriek van 21%. Er werd bovendien een bedrag van 401,04 EUR niet aangegeven. Zulks resulteert in een te betalen bedrag als B.T.W. van 4.020,39 EUR.

Eiseres in hoger beroep stelt dat het verschil te wijten is aan het eigen verbruik van dranken door het personeel waarvoor het tarief van 12% van toepassing is en aan het feit dat de vorige zaakvoerder niet alle Z-totalen aan de boekhouder gaf. Er zouden verbeteringen zijn gedaan door de boekhouder op basis van de werkelijke situatie.

Eiseres in hoger beroep toont niet aan de hand van controleerbare stukken aan dat de verschillen te verklaren zouden zijn door het eigen verbruik door het personeel. Er werd overigens reeds een bedrag van 4.100 EUR opgenomen in de balans voor eigen verbruik. Een bijkomend eigen verbruik wordt niet aangetoond. Evenmin wordt aangetoond dat er verbeteringen zouden zijn aangebracht door de boekhouder waardoor de vastgestelde inbreuken inzake B.T.W. zouden zijn rechtgezet. Zulks blijkt althans niet uit de neerlegging van een verbeterde jaarrekening voor 2015.

Wat de B.T.W. betreft, verschuldigd bij gebrek aan bewijs van de eindvoorraad, stelt het hof vast dat eiseres in hoger beroep geen bewijs bijbrengt.

Ten aanzien van de verwerping van het recht op aftrek van de B.T.W. aangerekend in een aantal aankoopfacturen dient eiseres in hoger beroep die het recht op aftrek inroept het bewijs te leveren dat zij zich in de vereiste voorwaarden bevindt om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen. Eiseres in hoger beroep blijft ter zake geheel in gebreke. Stukken worden niet voorgelegd. Loutere beweringen zijn oncontroleerbaar en volstaan derhalve niet.

Uit de malversaties door de vorige zaakvoerder van eiseres in hoger beroep, de heer TAHIR en diens veroordeling wegens verduistering, kan althans niet worden afgeleid dat de B.T.W.­ navordering niet correct zou zijn.

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is dan ook ongegrond.

3.4. Eiseres in hoger beroep verzoekt ondergeschikt tot vermindering van de B.T.W.­ navordering ex aequo et bono rekening houdend met de feiten. De administratie zou een te strenge beslissing hebben genomen.

De B.T.W.-navordering is in casu in overeenstemming met de wettelijke bepalingen ter zake. Het hof is dan ook niet bevoegd om de navordering te verminderen om billijkheidsredenen. Zulks volgt uit het legaliteitsbeginsel, verankerd in artikel 172 G.W., dat bepaalt dat geen vrijstelling of vermindering van belasting kan worden ingevoerd dan door de wet. Enige rechtsgrond om de navordering inzake B.T.W. te verminderen is onbestaand, zodat de vordering van eiseres in hoger beroep op dit punt dient te worden afgewezen.

3.5. Verweerder in hoger beroep verzoekt eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep en begroot deze op 1.500 EUR.

Artikel 780bis Ger. W. bepaalt dat de partij die de rechtspleging aanwendt voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden tot een geldboete van 15 EUR tot 2.500 EUR kan worden veroordeeld. Hiervoor moet een duidelijk intentioneel element voorhanden zijn. Er moet wetens en willens misbruik zijn gemaakt van de procedure, wanneer een partij haar recht om op te treden in rechte, uitoefent op een wijze die kennelijk de perken van de normale uitoefening van dat recht door een bedachtzame en zorgvuldige persoon te buiten gaat (Cass. 31 oktober 2003, J. T., 2004, 135).

In casu voerden partijen een betwisting over een B.î.W.-navordering waarbij eiseres in hoger beroep van oordeel is dat deze in hoofdorde het gevolg is van het eigen verbruik door het personeel. Zulks werd reeds in het bezwaar tegen de correctieopgave opgeworpen. Een louter meningsverschil in feite tussen procespartijen kan geen procesmisbruik staven. Ook de vaststelling dat eiseres in hoger beroep geen nieuwe argumentatie voerde voor het hof en geen nieuwe stukken bijbracht, is op zich onvoldoende om het hoger beroep als tergend en roekeloos aan te merken.

Eiseres in hoger beroep heeft dan ook slechts gebruik gemaakt van haar recht een vordering in te leiden tegen het bestreden vonnis van de eerste rechter, zonder dat blijkt dat wetens en willens misbruik werd gemaakt van de procedure voor kennelijk vertragende of onrechtmatige doeleinden. Dat de ontvanger door het hoger beroep verdere invorderingsmaatregelen diende te staken, doet hieraan geen afbreuk.

Verweerder in hoger beroep toont evenmin aan schade te hebben geleden ten gevolge van de inleiding van de beroepsprocedure door eiseres in hoger beroep. De vordering wegens tergend en roekeloos hoger beroep wordt dan ook afgewezen.

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond. Het bestreden vonnis wordt bevestigd.

Partijen begroten de rechtsplegingsvergoeding op een bedrag van 1.080 EUR per aanleg. De kosten van het geding worden integraal ten laste gelegd van eiseres in hoger beroep, de in het ongelijk gestelde partij.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg"

### Beschikkend gedeelte

**4.** **Beslissing.**

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter.

Het hof verklaart de vordering van verweerder in hoger beroep tot betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op en door het hof vereffend op 1.080 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 05 januari 2021 door ...

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 2 voorkomens

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 2 voorkomens

[WBTW art. 53octies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53octies) 2 voorkomens

## Rechtspraak

1

### België

1

Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen 13.03.2019

#### [Recht op aftrek, Tergend en roekeloos geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/omzet-boete-recht-aftrek-tergend-rechtbank-antwerpen-2019-03-13-bb8b)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Bijzondere rekening, Overeenstemming met het unierecht](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-overeenstemming-unierecht-rechtbank-brussel-2022-12-21-5d36) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast, Niet-opeisbare belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-jacht-bewijslast-opeisbare-rechtbank-hasselt-2023-04-20-b8af) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Beroepsoprichter, voldoening van de btw, recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/beroepsoprichter-voldoening-btw-recht-aftrek-hof-van-beroep-antwerpen-2023-10-17-1c50) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast, Niet-opeisbare belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-jacht-bewijslast-opeisbare-hof-van-beroep-antwerpen-2026-03-17-4b56) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op teruggaaf, niet in België gevestigde belastingplichtigen, verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-teruggaaf-in-belgie-gevestigde-hof-van-beroep-brussel-2019-12-03-1e6c) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Terbeschikkingstelling stalling van rijtuigen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-terbeschikkingstelling-stalling-rijtuigen-rechtbank-brussel-2025-03-17-0370) 3 gemeenschappelijke bepalingen
