---
title: "Nieuw gebouw, Verbouwing oud gebouw · Hof van Cassatie van België, 29 mei 2020, F.19.0076.F"
description: "Nieuw gebouw, Verbouwing oud gebouw, Enige dienst, Tarief, onroerend goed, verbouwd oud gebouw. Hof van Cassatie van België, 29 mei 2020, F.19.0076.F."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-verbouwing-oud-enige-cassatie-brussel-2020-05-29-3447"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/batiment-neuf-ancien-transforme-prestation-cassation-bruxelles-2020-05-29-db30"
---

# Nieuw gebouw, Verbouwing oud gebouw, Enige dienst, Tarief

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Zetel**

Brussel

**Rolnummer**

F.19.0076.F

**Datum**

29 mei 2020

## Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 11 maanden

1. [Bestreden beslissing Hof van beroep te Luik 22.06.2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-omgevormd-oud-enige-hof-van-beroep-luik-2018-06-22-f06a)
2. Weergegeven beslissing Hof van Cassatie van België 29.05.2020

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

66 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie d.d. 29.05.2020 (F.19.0076.F)

WF 704-15-14/040588

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Nieuw gebouw – Verbouwing oud gebouw – Enige dienst – Tarief*

## Wettelijke bepalingen

Artikel 44, §3, 1°, a), 2de lid WBTW

Artikelen [12, § 2](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-12) en [135, § 1, j)](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006

Artikel 170 van de Grondwet

## Samenvatting

## I. Voorafgaande feiten

Er wordt verwezen naar de publicatie in Fisconetplus van het [arrest van het hof van beroep van Luik (2017/RG/230) van 22 juni 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-omgevormd-oud-enige-hof-van-beroep-luik-2018-06-22-f06a).

Om haar beslissing te rechtvaardigen, was de administratie van mening "dat als nieuw gebouw moet worden beschouwd, niet enkel een nieuw opgericht gebouw, maar ook het oude gebouw dat zodanige verbouwingen heeft ondergaan dat het de kenmerken van een nieuw gebouw verkrijgt”.

Eiseres voerde aan dat volgens haar "alleen nieuwe gebouwen, d.w.z. die welke nog niet in gebruik zijn genomen, geleverd mogen worden met toepassing van de btw. Zij is van mening dat een oud gebouw, ook al wordt het gerenoveerd, nooit als nieuw in de zin van Richtlijn 2006/112 kan worden beschouwd, aangezien het reeds eerder in gebruik is genomen, hetgeen de verplichte vrijstelling van [artikel 135](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) van de richtlijn inhoudt, met dien verstande dat de lidstaten op grond van [artikel 12, § 2](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-12), van de richtlijn de mogelijkheid hebben om een gerenoveerd gebouw als nieuw te beschouwen".

Het hof van beroep van Luik heeft, na analyse van de zaak, geoordeeld:

\- dat "er op gewezen moet worden dat het gebruik van het betrokken gebouw volledig gewijzigd is, aangezien het vóór de verbouwing een school was, die qua inrichting en voorzieningen noodzakelijkerwijs sterk verschilt van een gebouw dat bestemd is voor bewoning en dat 22 appartementen omvat en daarnaast ook een dokterspraktijk",

\- dat "indien de buitenmuren behouden blijven", uit de volgende elementen blijkt dat de werkzaamheden vooral betrekking hadden op de structuur van het gebouw (...)",

\- dat de werkzaamheden "betrekking hadden op het volledige gebouw,

\- en "deze werkzaamheden de structuur binnen het gebouw gewijzigd hadden (bijvoorbeeld door het plaatsen van binnenmuren met van zware betonblokken voor de scheidingswanden tussen de appartementen)",

\- en dat "de kosten van de werkzaamheden ook getuigen van de omvang van de uitgevoerde verbouwingen".

Aan het eind van deze soevereine feitenbeoordeling werd in het bestreden arrest geoordeeld dat "uit al deze elementen volgt dat het gaat om "nieuwe" gebouwen die niet vallen onder de vrijstelling voor de levering van onroerende goederen uit hun aard als bedoeld in [artikel 44, §3, 1°, a) WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) en die aan de klanten van eiseres werden geleverd".

## II. Het ingeroepen cassatiemiddel

Het enige cassatiemiddel dat, overwegende dat het "uitsluitend aan de Belgische wetgever toekomt om gebruik te maken van de door de Europese richtlijn geboden mogelijkheid om de levering van een verbouwd gebouw aan de belasting over de toegevoegde waarde te onderwerpen", verwijt het hof van beroep de betwiste handelingen aan de btw te hebben onderworpen op basis van "teksten met de waarde van een circulaire" (in casu punt 152/2 van het btw-handboek), zonder wetgevende tussenkomst, en dus de bepalingen in de titel van het middel geschonden te hebben (voorziening in cassatie, 13e blad).

Volgens eiseres " kan de toepassing van de belasting over de toegevoegde waarde op handelingen die niet bedoeld zijn in het WBTW, namelijk de verkoop van verbouwde onroerende goederen, niet uitsluitend op basis van administratieve circulaires worden uitgevoerd" (voorziening in cassatie, 15de blad).

Volgens eiseres is het bestreden arrest dat - na te hebben geoordeeld dat "het niet is uitgesloten dat een circulaire of een administratieve beslissing een geldige omzetting van een Europese richtlijn vormt"- beslist dat, de fiscale administratie zich voor het onderwerpen van de betwiste handelingen aan de belasting over de toegevoegde waarde kan beroepen "op teksten die de waarde van een circulaire hebben", in casu punt 152/2 van de btw-handleiding, in strijd met de artikelen [12, lid 2](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-12), en [135, lid 1, sub j](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135), van richtlijn 2006/112/EG en met artikel 170 van de Grondwet.

## III. Het arrest

Wat betreft "de mogelijkheid waarin [artikel 12, lid 2, tweede alinea](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-12), van de richtlijn voorziet \[die volgens eiseres\] noodzakelijkerwijs bij wet had moeten worden uitgevoerd", is het arrest van het hof van beroep van oordeel dat "een dergelijke verplichting niet uitdrukkelijk in deze tekst is opgenomen en dat de tekst evenmin formeel aangeeft dat een volledig verbouwd gebouw niet als nieuw kan worden beschouwd, en dat terwijl het onderwerpen van elke levering van goederen onder bezwarende titel door een belastingplichtige een algemeen beginsel van de belasting over de toegevoegde waarde is, maar dat de lidstaten nadere regels kunnen vaststellen voor de toepassing van het criterium bedoeld in lid 1, onder a), eerste streepje, namelijk in geval van (eerste ingebruikneming) bij de verbouwing van onroerende goederen".

Uit deze verklaringen volgt, volgens het hof van beroep, dat het niet toepassen van de in [artikel 12, lid 2, tweede alinea](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-12), van de richtlijn geboden mogelijkheid om nadere regels vast te stellen voor de toepassing van het criterium van de eerste ingebruikname bij verbouwingen van onroerende goederen, de toepassing van voornoemd artikel 44, §3, 1°, a), 2de lid WBTW, volgens de uitlegging van dat criterium, ingeval van verbouwingen van onroerende goederen, niet uitsluit.

Het middel, dat is gebaseerd op de bewering dat deze mogelijkheid slechts bij wet en niet bij een administratieve circulaire kan worden uitgevoerd, zonder dat het arrest dat oordeelt dat de uitvoering in ieder geval niet nodig is om de verbouwde onroerende goederen aan de belasting over de toegevoegde waarde te onderwerpen, wordt bekritiseerd, kan niet leiden tot vernietiging van het arrest en is derhalve niet-ontvankelijk.

## Opmerkingen

In een onaantastbare beoordeling van de feiten heeft het hof van beroep beslist dat dat de betwiste verkopen tussen 2007 en 2010 door de eiseres, verkopen van afgewerkte gebouwen waren.

Met andere woorden, het hof van beroep oordeelde dat de opgeleverde gebouwen niet het oude gebouw waren dat eerder als school was gebruikt, maar nieuwe gebouwen, die nog nooit eerder in gebruik waren genomen.

Hieruit volgt dat, zoals het bestreden arrest stelt, voor zover dergelijke leveringen van nieuwe gebouwen door eiseres, belastingplichtige werden verricht, deze onderworpen zijn aan de btw overeenkomstig de artikelen 2, 9, 10, 16 en 44, §3, 1° a), 2° lid WBTW.

Het hof oordeelt dat in dit geval, de aanpassingen aan het gebouw "zo ingrijpend zijn dat het als een nieuw gebouw moet worden beschouwd".

Het cassatiemiddel van eiseres levert geen kritiek op deze overwegingen waaruit volgens het bestreden arrest volgt dat de betrokken gebouwen die door eiseres worden geleverd, niet het voormalige schoolgebouw waren, zodat het feit dat dit voormalige gebouw in het verleden "bewoond" is geweest, niet relevant is.

Met andere woorden, het hof is in feite van oordeel dat de door de eiser geleverde gebouwen niet het oude gebouw zijn dat in het verleden werd gebruikt (en dat dus van btw zou moeten worden vrijgesteld), maar nieuwe gebouwen die, aangezien ze nog niet in gebruik werden genomen, aan de belasting onderworpen waren.

De kwalificatie van een ‘nieuw’ gebouw is een soevereine beoordeling door de bodemrechter, die niet kan worden bekritiseerd voor het Hof van Cassatie.

Alleen al uit deze kwalificatie volgt dat de belasting op grond van het WBTW (en niet op basis van een circulaire) verschuldigd is. Deze conclusie is gebaseerd op een eigen beoordeling door de rechters van het hof van beroep en niet op toepassing door hen van de criteria van een circulaire of de btw-handleiding.

Door op zeer uitvoerige wijze te preciseren dat “het niet is uitgesloten dat in een nationale rechtsorde, een circulaire of een administratieve beslissing een geldige omzetting van een Europese Richtlijn kunnen vormen” (blz. 11, punt 17), bevestigt het bestreden arrest niet dat de Richtlijn 2006/112 omgezet mocht worden door een circulaire of een administratieve beslissing, maar verwerpt ze de argumentatie van belastingplichtige die beweert dat de in [artikel 12, lid 2, tweede alinea](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-12), van de richtlijn geboden mogelijkheid noodzakelijkerwijs bij wet had moeten worden omgezet, waarbij hij erop wijst dat een dergelijke verplichting niet uitdrukkelijk in die tekst is opgenomen en beroept zich daartoe op de relevante rechtspraak van het EHVJ (zie HJEU, 8 januari 2002, [C-409/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-409-99-arrest), Metropol en Stadler, Jurisprudentie). 2002 I-81, punt 49).

In dit arrest [C-409/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-409-99-conclusie) volgde het Hof het standpunt van advocaat-generaal Geelhoed in deze zaak. Deze laatste wees er op dat " het Hof de vraag of het nationale recht in overeenstemming is met het gemeenschapsrecht niet alleen beoordeelt aan de hand van de nationale wetgeving, maar ook aan de hand van de vraag of de administratieve praktijk in een lidstaat overeenkomt met de inhoud van die nationale wetgeving.(15) Die brede toetsing door het Hof is noodzakelijk vanwege het nuttig effect van het gemeenschapsrecht, dat in de lidstaten moet worden verzekerd. Een goed voorbeeld van deze rechtspraak op het gebied van de richtlijn is het recente arrest Commissie/Frankrijk.(16) Dit arrest had betrekking op een door de richtlijn niet toegestane btw-vrijstelling voor bedieningsgeld in de Franse horeca. Deze vrijstelling - waarin de Franse belastingwetgeving niet voorzag - vond zijn grondslag in een dienstinstructie van de Franse belastingdienst. De toepassing van deze vrijstelling leidde tot een veroordeling van de Franse Republiek door het Hof. (Conclusie van de advocaat-generaal van 4 oktober 2001, zaak [C-409/99](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-409-99-conclusie), punt 39).

**Tekst van het arrest**

***Het arrest wordt enkel gepubliceerd in de oorspronkelijke taal***

### Tekst van de beslissing

**Cour de cassation de Belgique, arrêt N° F.19.0076.F**

**I.P.,** société anonyme, dont le siège est établi à ..., inscrite à la banque-carrefour des entreprises sous le numéro 0875...., demanderesse en cassation, représentée par Maître ..., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à ..., où il est fait élection de domicile,

**contre**

**ÉTAT BELGE,** représenté par le ministre des Finances, dont le cabinet est établi à Bruxelles, rue de la Loi, 12, défendeur en cassation, représenté par Maître ..., avocat à la Cour de cassation, dont le cabinet est établi à ..., où il est fait élection de domicile.

## I. La procédure devant la Cour

Le pourvoi en cassation est dirigé contre [l’arrêt rendu le 22 juin 2018 par la cour d’appel de Liège](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-omgevormd-oud-enige-hof-van-beroep-luik-2018-06-22-f06a).

Le 8 mai 2020, le procureur général André Henkes a déposé des conclusions au greffe.

Le conseiller Marie-Claire Ernotte a fait rapport et le procureur général André Henkes a été entendu en ses conclusions.

## II. Le moyen de cassation

Dans la requête en cassation, jointe au présent arrêt en copie certifiée conforme, la demanderesse présente un moyen.

## III. La décision de la Cour

### *Sur le moyen :*

L’arrêt relève, d’une part, que « l’article 135.1.j) de la directive 2006/112/CE du Conseil du 28 novembre 2006 relative au système commun de taxe sur la valeur ajoutée prévoit que les États membres exonèrent les livraisons de bâtiments ou d’une fraction de bâtiment et du sol y attenant autres que ceux visés à l’article 12, paragraphe 1 er, point a) », que celui-ci a trait à « la livraison d’un bâtiment ou d’une fraction de bâtiment et du sol y attenant, effectuée avant sa première occupation » et que l’article 12, § 2, alinéa 2, dispose que « les États membres peuvent définir les modalités d’application du critère visé au paragraphe 1 er, point a), aux transformations d’immeubles, ainsi que la notion de sol y attenant » tandis qu’en vertu de l’alinéa 3 de cet article, « les États membres peuvent appliquer d’autres critères que celui de la première occupation » dans les conditions qu’il détermine, d’autre part, qu’« en vertu de l’[article 44, § 1er, du Code de la taxe sur la valeur ajoutée](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), sont exemptées de la taxe : 1° \[…\] a) les livraisons de biens immeubles par nature \[et que\] sont toutefois exceptées les livraisons de bâtiments, fractions de bâtiments et du sol y attenant visés à l’article 1 er, § 9, lorsque leurs cessions sont effectuées au plus tard le 31 décembre de la deuxième année qui suit celle au cours de laquelle a lieu la première occupation ou la première utilisation des biens ».

Il énonce que, « selon la jurisprudence constante de la Cour de justice de l’Union européenne, en matière de taxe sur la valeur ajoutée, les exemptions sont d’interprétation stricte, celles-ci étant des dérogations au principe général selon lequel la taxe est perçue sur chaque livraison de bien ou prestation de service effectuée à titre onéreux par un assujetti » et que, « par conséquent, les exceptions aux exemptions de la taxe sur la valeur ajoutée doivent se voir reconnaître une portée extensive ».

Il considère que « c’est à la lumière de ces principes d’interprétation qu’il convient d’apprécier la signification de la portée de la soumission à la taxe des livraisons de bâtiments ‘neufs’ » et que, « sauf à restreindre abusivement cette notion aux seuls bâtiments érigés sur un terrain nu, ou encore occupé préalablement par un immeuble entièrement démoli avant travaux, la détermination du caractère ‘neuf’ d’un bien emporte nécessairement l’exercice d’un certain pouvoir d’appréciation » et que, dès lors, « il ne peut être considéré \[…\] qu’un bâtiment existant puisse subir des travaux entraînant des modifications profondes, au point d’en dénaturer la substance, et pourtant toujours rester lui-même de sorte qu’il devrait être admis qu’il ne pourrait jamais y avoir une première occupation ou une première utilisation de celui-ci en dépit de tels travaux ».

S’agissant de « la possibilité prévue à l’article 12, § 2, alinéa 2, de la directive, \[qui, selon la demanderesse,\] aurait dû nécessairement être mise en œuvre par une loi », l’arrêt considère qu’« une telle obligation ne figure pas expressément dans ce texte, pas plus d’ailleurs qu’il n’indique formellement qu’un immeuble radicalement transformé ne pourrait être considéré comme neuf, et ce alors que la soumission de toute livraison de bien effectuée à titre onéreux par un assujetti est un principe général en matière de taxe sur la valeur ajoutée, mais seulement que les États membres peuvent définir les modalités d’application du critère visé au paragraphe 1 er, point a), (la première occupation) aux transformations d’immeubles ».

Il suit de ces énonciations qu’aux yeux de la cour d’appel, l’absence de mise en œuvre de la faculté offerte par l’article 12, § 2, alinéa 2, de la directive de définir les modalités d’application du critère de la première occupation pour les transformations d’immeubles, n’exclut pas l’application de l’[article 44, § 3, a), alinéa 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), précité, par l’interprétation de ce critère, au cas de transformation d’immeubles.

Le moyen, qui repose sur l’affirmation que cette faculté ne peut être mise en œuvre que par une loi et non par une circulaire administrative, sans critiquer la décision de l’arrêt qu’une mise en œuvre n’est en toute hypothèse pas nécessaire pour soumettre les immeubles transformés à la taxe sur la valeur ajoutée, ne saurait entraîner la cassation, partant, est irrecevable.

### Beschikkend gedeelte

**Par ces motifs,**

La Cour

Rejette le pourvoi ;

Condamne la demanderesse aux dépens.

Les dépens taxés à la somme de quatre cent cinquante-sept euros nonante-huit centimes envers la partie demanderesse, y compris la somme de vingt euros au profit du fonds budgétaire relatif à l’aide juridique de deuxième ligne.

Ainsi jugé par la Cour de cassation, première chambre, à Bruxelles, où siégeaient le président de section Mireille Delange, les conseillers Marie-Claire Ernotte, Sabine Geubel, Maxime Marchandise et Marielle Moris, et prononcé en audience publique du vingt-neuf mai deux mille vingt par le président de section Mireille Delange, en présence du procureur général André Henkes, avec l’assistance du greffier Patricia De Wadripont.

Signatures

## Aangehaalde teksten

4

[btw-richtlijn 2006/112 art. 12](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-12) 7 voorkomens

[btw-richtlijn 2006/112 art. 135](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-135) 4 voorkomens

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 3 voorkomens

[C-409/99, arrest van 8 januari 2002](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-409-99-arrest) 3 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Begrip nieuwbouw, herziening, herzieningstijdvak van vijftien jaar, onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/begrip-nieuwbouw-herziening-herzieningstijdvak-vijftien-hof-van-beroep-gent-2022-11-22-71fc) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Begrip nieuw gebouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/begrip-nieuw-gebouw-omzetting-europese-cassatie-brussel-2023-11-13-03f0) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingplicht, Beroepsoprichter, Misbruik, Tarief, Verjaring, Boete 200%](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingplicht-beroepsoprichter-misbruik-tarief-verjaring-hof-van-beroep-gent-2026-06-09-8423) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verbouwings- of renovatiewerken, Oud geklasseerd gebouw, (geen) Nieuw gebouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verbouwings-renovatiewerken-oud-geklasseerd-gebouw-hof-van-beroep-luik-2021-05-03-4dfd) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Optionele btw, heffing voor professionele onroerende verhuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/optionele-btw-heffing-professionele-onroerende-hof-van-beroep-brussel-2024-11-27-204f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Kunstmatige opsplitsing van handelingen, misbruik, tarief, splitsing van prestatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/kunstmatige-opsplitsing-handelingen-misbruik-tarief-hof-van-beroep-gent-2024-10-15-26d8) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen -Terbeschikkingstelling van uit hun aard onroerende goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/terbeschikkingstelling-stalling-rijtuigen-aard-onroerende-rechtbank-brussel-2023-11-10-4388) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Spelen, Herziening, spelen en weddenschappen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/spelen-herziening-weddenschappen-rechtbank-brugge-2025-11-28-e7bf) 2 gemeenschappelijke bepalingen
