---
title: "Nieuw gebouw, Renovatie · Hof van beroep te Gent, 29 oktober 2019"
description: "Nieuw gebouw, Renovatie, Werk in onroerende staat, Privéwoning, Tarief van de Btw, Btw-tarief. Hof van beroep te Gent (België), 29 oktober 2019."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-hof-van-beroep-gent-2019-10-29-7753"
lang: "nl"
---

# Nieuw gebouw, Renovatie, Werk in onroerende staat, Privéwoning

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

29 oktober 2019

## Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 7 maanden

1. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Gent 29.10.2019
2. [Beslissing in cassatie Hof van Cassatie van België 25.06.2021](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-cassatie-brussel-2021-06-25-b63a)

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

ongunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

120 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep Gent d.d. 29.10.2019

\[Ongunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde - Nieuw gebouw - Renovatie - Werk in onroerende staat - Privéwoning - Tarief van de Btw*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen [22](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22) en [37](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37), Btw-wetboek

KB nr. 20 van 20 juli 1970, Artikel 1, 1° en tabel A, rubriek XXXI, § 1, van de bijlage

## Samenvatting

Niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van beroep Gent d.d. 29.10.2019**

Rolnummer: 2018/AR/1715

In de zaak van:**B.D.B**. , ON 064…, wonende te …, appellant, hebbende als raadsman mr. …, advocaat te …

**tegen**

**BELGISCHE STAAT/ FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de Adviseur Generaal Centrum KMO Brugge, met burelen te 8000 BRUGGE, G. Vincke Dujardinstraat 4, en Centrum KMO Brugge, met burelen te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. …., advocaat te …

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift van 11 september 2018 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, vierde kamer, op 26 juni 2018 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 17/2577/A.

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 1 oktober 2019, waarna het debat werd gesloten. Het hof nam vervolgens de zaak in beraad.

Uit niets blijkt dat het bestreden vonnis werd betekend.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellant is samen met zijn echtgenote eigenaar van een woning gelegen in …. In 2016 lieten zij werken uitvoeren aan die woning waarmee ze het geheel zouden moderniseren en uitbreiden.

Op 19 augustus 2016 vroeg de controleagent van de geïntimeerde aan de appellant en zijn echtgenote de gegevens van de verbouwing.

Op 9 september 2016 kwam de controleagent ter plaatse op de werf. De controleagent maakte onder andere foto's van de toestand ter plaatse.

Op basis van de overgemaakte plannen en de vaststellingen ter plaatse oordeelde de controleagent dat het verlaagde btw-tarief van 6% niet kon toegepast worden. In die zin werd op 21 november 2016 een correctieopgave verstuurd om de toepassing van het verlaagde btw-tarief van 6% te regulariseren. De geïntimeerde was (en is) van oordeel dat de uitgevoerde werken in onroerende staat op grond van [artikel 37](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) en [38](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38) WBTW en van [artikel 1 KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) gefactureerd moeten worden met toepassing van het btw-tarief van 21 %.

Op 1 december 2016 werd door A. architectenbureau in opdracht van de appellant een bezwaar tegen de correctieopgave overgemaakt. In het bezwaar werd als standpunt ingenomen dat de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte na de werken. De totale oppervlakte zou gestegen zijn van 165,86 m2 naar 278,74 m2. Verder zou het totale volume van 554 m3 naar 901 m3 gestegen zijn.

Op 6 februari 2017 liet de geïntimeerde weten bij zijn standpunt te blijven.

Hij ging op 6 april 2017 over tot het opmaken van een proces-verbaal in die zin. Er werd een vordering geformuleerd voor 19.844,99 euro verschuldigde btw en voor 1.980,00 euro verminderde proportionele geldboete (10%). Het proces-verbaal werd aan de appellant en zijn echtgenote ter kennis gebracht.

Vervolgens werd voor de bedragen in dat proces-verbaal meer de bijkomende interest en kosten een dwangbevel met artikelnummer 500…., uitgevaardigd op 22 juni 2017, en vervolgens geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27 juni 2017.

Met een verzoekschrift van 6 september 2017 stelde de appellant zijn vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

In het vonnis van 26 juni 2018 heeft de vierde kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge als volgt uitspraak gedaan:

*Verklaart de vordering ontvankelijk en ongegrond.*

*Veroordeelt eiser tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van de verweerder begroot op 0,00 EUR.*

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### *3.1.* *De vordering van de appellant*

De appellant vraagt in hoger beroep aan het hof om:

#### *In hoofdorde*

*Het hoger beroep van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve:*

*Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 26 juni 2018, met rolnummer 17/2577/A, teniet te doen;*

*De vordering van concluant overeenkomstig artikel 569, eerste lid, 32° Ger. W. ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve:*

*Het bestreden dwangbevel met artikelnummer 500/…, uitgevaardigd op 22 juni 2017, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27 juni 2017, te vernietigen;*

*De in het dwangbevel opgenomen vordering van btw, interesten en btw-boete ongegrond te verklaren, aangezien voldaan is aan de wettelijke voorwaarden van het verlaagde btw-tarief van 6%;*

*Geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van de bedragen die onder voorbehoud van alle rechten zouden zijn ingevorderd bij concluant, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf de datum van de betaling;*

*Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding van 2.400,00 EUR per aanleg (voor in geld waardeerbare zaken van 20.000,01 EUR tot 40.000,00 EUR), in toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het uitvoeringsbesluit van 26 oktober 2007.*

#### *In ondergeschikte orde*

*Het hoger beroep van concluant ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve:*

*Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, van 26 juni 2018, met rolnummer 17/2577/A, te hervormen;*

*De vordering van concluant overeenkomstig artikel 569, eerste lid, 32° Ger. W. ontvankelijk en gegrond te verklaren en derhalve:*

*De in het dwangbevel opgenomen vordering van de btw-boete ongegrond te verklaren, omdat die onevenredig is.*

*Geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van de btw-boete die onder voorbehoud van alle rechten zouden zijn ingevorderd bij concluant, vermeerderd met de wettelijke interesten vanaf de datum van de betaling;*

*Geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding, waaronder het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding van 480,00 EUR per aanleg (voor in geld waardeerbare zaken van 750,01 EUR tot 2.500,00 EUR), in toepassing van de wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en het uitvoeringsbesluit van 26 oktober 2007.*

### *3.2.* *De vordering van de .geïntimeerde*

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

*Het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren;*

*Bijgevolg, het bestreden vonnis te bevestigen in al zijn beschikkingen.*

*Appellant tot de kosten van beide aanleggen te veroordelen, begroot aan de zijde van de Belgische Staat op 2.400,00 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.*

*Mocht het hof van oordeel zijn dat geïntimeerde in het ongelijk dient te worden gesteld en dat hij daarom de kosten van het geding dient te dragen, dan wordt het hof verzocht om de rechtsplegingsvergoeding vast te stellen op het basisbedrag van 2.400,00 EUR.*

*Gezien geïntimeerde in eerste aanleg zonder advocaat optrad, kan hij in graad van eerste aanleg geen recht laten gelden op een rechtsplegingsvergoeding.*

## 4. De betwistingen en hun beoordeling

De appellant betwist dat de uitgevoerde bouwwerken van die aard zijn dat het verlaagde tarief niet zou kunnen toegepast worden.

Hij stelt dat aan de begrippen 'omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud, met uitsluiting van de reiniging' de gebruikelijke betekenis moet gegeven worden, waarbij moet in acht genomen worden dat de werken niet zover mogen reiken dat tot een nieuwbouw wordt overgegaan.

De appellant benadrukt dat de administratieve richtlijnen niet bindend zijn, terwijl vergroting en/of uitbreiding wettelijk niet zou uitgesloten zijn van het verlaagd btw-tarief; de oppervlakte zou geen allesbepalend criterium zijn.

Concreet, zo stelt hij, werden alle elementen die behouden konden worden, ook effectief behouden. Waar gaan betwisting bestaat over het behoud van de volledige kelder en de volledige benedenverdieping uit het oud gedeelte, betwist hij dat een nieuwe etage zou toegevoegd zijn aan dat oud gedeelte. Het deel van de eerste verdieping boven de 'oude' woning steunt volgens hem op relevante wijze op de oude dragende muren en vormt geen uitbreiding. De roostering en het dak zouden enkel vervangen zijn wegens de slechte staat ervan, wat nog niet zou betekenen dat een volledig nieuwe verdieping werd opgetrokken. Het enige echt 'nieuwe' gedeelte is naar het oordeel van de appellant de uitbreiding naar de achterkant (met een beneden- en eerste verdieping).

Los van de oppervlakteberekening voert de appellant aan dat uit de stedenbouwkundige vergunning blijkt dat de schaal van de bestaande woning werd gerespecteerd en dat de eenvoudige woning door de uitgevoerde handelingen gerenoveerd werd en aangepast aan de hedendaagse eisen van comfort. De uitbreiding was volgens hem 'dienstig voor de bestaande woning'. Het aanzicht van de woning zou duidelijk maken dat het in essentie om hetzelfde gebouw gaat. De plaats van ramen en deuren werd zo goed mogelijk behouden en het dak werd niet opgetrokken.

### *Beoordeling*

In wezen wordt de vraag of er sprake is van werken in onroerende staat die onder het btw-tarief van 6% vallen gedetermineerd door de feiten. Uiteraard is het nochtans essentieel te weten wat het juridische kader is waaraan die feiten moeten worden getoetst.

Sinds [artikel 1 KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) is bij artikel 57 van de wet van 27 december 2006 (8.S. 28 december 2006, 3de ed.) gewijzigd werd, wordt het tarief van 21% als het 'normale tarief' beschouwd. Wie van het 'afwijkende' tarief van 6% wil genieten, moet vanaf de inwerkingtreding van die wetswijziging dan ook aantonen dat de voorwaarden vervuld zijn om onder een van de toestanden te vallen die in de bijlage A bij het KB nr. 20 van 20 juli 1970 zijn opgesomd.

De appellant maakt aanspraak op het verlaagd tarief op grond van rubriek XXXI §1 van KB nr. 20. Onder de handelingen die van dat gunstregime genieten, vallen volgens §1, 1° van die rubriek, deze die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van een woning tot voorwerp hebben.

Zoals in de aanhef van §1 van die rubriek staat, moet het om werk in onroerende staat en andere handelingen gaan bedoeld in §3. In §1, 3° is meer bepaald sprake van het verbouwen, het afwerken, het inrichten, het herstellen en het onderhouden, met uitsluiting van het reinigen, geheel of ten dele, van een uit zijn aard onroerend goed.

De geïntimeerde verwijst terecht naar de rechtspraak, die ook deze van het hof is, waarin gesteld wordt dat de administratieve toelichtingen die de geïntimeerde in de loop der jaren heeft verstrekt, in wezen een administratieve toegeving vormen ten opzichte van de (strengere) wettekst. De wettekst is immers veel beperkter dan de administratieve invulling in de [circulaire nr. 6/1986](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/6-1986-aanschrijving-7f20) waarnaar de partijen verwijzen. De begrippen 'omvorming, renovatie, rehabilitatie en verbetering' ( in het Frans: transformation, rénovation, réhabilitation, amélioration), moeten in hun gewone betekening worden uitgelegd. Zij omvatten normaal gezien geen handelingen of behandelingen die tot 'uitbreiding' leiden. Overeenkomstig rubriek XXXI, §3, 1° van KB nr. 20 van 20 juli 1970 wordt met de bedoelde werken onder andere 'het verbouwen' beoogd. Dat geeft op zich geen andere dimensie aan de genoemde begrippen, vermits het uitgangspunt steeds is dat niet van 'nul' vertrokken wordt, met name doordat er al een bestaande woning is; het gaat dus in het meest verregaande geval over 'verbouwen'.

Zelfs wanneer er redelijkerwijze met enige marge moet rekening gehouden worden, dan blijkt dat de mate waarin de [circulaire nr. 6/1986](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/6-1986-aanschrijving-7f20) toelaat om onder 'omvorming' ook de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken en de uitbreiding van bestaande vertrekken te verstaan, een administratieve toegeving op de wettekst is. Dat is zeker het geval waar de administratie in 1994 besliste om tot maximaal een verdubbeling van de oppervlakte toe te staan door het standpunt als volgt aan te vullen:

De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als een omvorming (of verbouwing) van dat gebouw voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte. Er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken.

Bovendien is vereist dat het nieuwe gedeelte niet onafhankelijk van het oude gedeelte kan functioneren maar het oude gedeelte aanvult en er dus inzake aanwending van het gebouw een geheel mee vormt.

Rekening houdend met het rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, neemt het hof dan ook aan dat de appellant, zoals alle andere belastingplichtigen, recht heeft op toepassing van het verlaagd btw-tarief van 6% wanneer zijn renovatie in die zin beperkt blijft dat de oppervlakte van het oude gedeelte nog betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte en het nieuwe gedeelte het oude gedeelte aanvult.

Tegen die achtergrond kan het hof niets anders dan vaststellen dat de controleagent de juiste analyse gemaakt heeft en de correcte conclusie heeft getrokken.

Zelfs in de redenering van de appellant waarin het hoger vermelde beoordelingsveld afgemeten wordt aan de vraag of de totale oppervlakte na de werken al dan niet minder bedraagt dan het dubbel van de oppervlakte van het oude gedeelte, moet worden aangenomen dat voor het bepalen van de oppervlakte van het oude gedeelte alleen die oorspronkelijke oppervlakte in aanmerking wordt genomen die 'behouden' werd ('de totale oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering' — zie Parlementaire [vraag nr. 1117 van de heer Leterme van 9 oktober 2002](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1117-verlaagd-btw-tarief-onderscheid-verbouwing-95ee), Vr. en Antw., Kamer, 50/153, pp. 19612¬19614).

In het (toegeeflijke) administratieve standpunt wordt ook aangenomen dat bij het maken van de oppervlaktetoets moet rekening worden gehouden met de totale oppervlakte van ieder vlak gedeelte (draagvloer) van de woning, inclusief dus "verloren oppervlakte, zoals onder een schuin dak (zie zie Parlementaire [vraag nr. 1117 van de heer Leterme van 9 oktober 2002](https://juriel.be/nl/parlementaire-vragen/1117-verlaagd-btw-tarief-onderscheid-verbouwing-95ee), Vr. en Antw., Kamer, 50/153, p. 19613 (antwoord op vraag 2).

Vooreerst kan het hof slechts vaststellen dat de uitbreiding die door de betreffende werken heeft plaatsgevonden, overkomt als een uitvoerige uitbreiding en daardoor ook fundamentele wijziging van de oorspronkelijke woning. Het valt niet te betwisten dat de werken tot gevolg hebben dat van een eenvoudig landhuisje een ruime villa werd gemaakt.

Zoals hoger gesteld houdt het hof rekening met de administratieve toegeeflijkheid door de toets van de oppervlakte 'voor-en-na' te maken.

Cruciaal in de betwisting tussen de partijen is te weten of de wijziging die werd aangebracht aan de bovenverdieping boven de oorspronkelijke woning al dan niet moet beschouwd worden als deel dat behoort tot 'de totale oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering'. Het hof kan de geïntimeerde niet volgen in zijn stelling dat het totaal verwijderen van het oorspronkelijke dakgebinte en van de houten roostering tot gevolg heeft dat die bovenruimte niet als 'overblijvend' deel moet worden aangemerkt. Belangrijk is immers dat de gevelmuren waartussen het dakgebinte en de roostering zich bevonden integraal behouden zijn. Dat in de rechter topgevel nu een deurgat is gemaakt (om een verbinding mogelijk te maken tussen het oude gebouw en het nieuw gebouwd deel op de verdieping) belet niet dat die gevel werd behouden. Het nieuwe dakgebinte steunt noodzakelijk evengoed als het verwijderde dakgebinte op de behouden gevels (de beide topgevels en de voor-en achtergevel). Ook de nieuwe roostering steunt opnieuw, zoals de verwijderde roostering, op de behouden gevels. Dat die nieuwe roostering niet meer een gewone houten roostering is, maar bestaat uit beton gestort op dikke houten platen, verandert daar niets aan.

Van dan af komt men tot de vaststelling dat de totale oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering van de werken overeenstemt met de volledige oppervlakte van de oorspronkelijke woning. De geïntimeerde laat met reden opmerken dat, anders dan in het proces-verbaal werd aangenomen ook voor de bovenverdieping de oppervlakte onder het schuine dak in rekening moet worden gebracht (zie hoger) zodat de oppervlakte van de bovenverdieping in wezen gelijk is aan deze van de benedenverdieping.

De oppervlakte die overblijft is bijgevolg als volgt te berekenen:

\- kelder: 3,5 x 3,2 + 0,8 x 1,25 = 12,20 m2

\- benedenverdieping: 12,91 x 7,35 = 94,89 m2

\- bovenverdieping: idem benedenverdieping = 94,89 m2 Dat geeft een totaal van 201,98 m2.

De oppervlakte na verbouwing moet als volgt worden berekend:

\- kelder: 3,5 x 3,2 + 0,8 x 1,25 = 12,20 m2

\- benedenverdieping: 17,05 x 7,79 + 8 x 6 - 0,5 x 3,2 = 179,22 m2

\- bovenverdieping: idem benedenverdieping = 179,22 m2

Dat geeft een totaal van 370,64 m2.

De geïntimeerde maakt nog melding van de carport met een oppervlakte van 30,25 m2. Waar verdedigbaar is dat die carport integraal deel uitmaakt van de (nieuwe) woning (vgl. Gent 3 september 2013, rolnummer 2012/AR /749, onuitgeg.), zou dat de totale oppervlakte nog steeds maar op (370,64 + 30,25 =) 400,89 m2 brengen.

De totale oppervlakte van het oude gedeelte dat overblijft na de uitvoering van de werken is dus meer dan de helft van de totale oppervlakte van de totale woning na de werken.

De geïntimeerde maakt ook nog melding van de stallingen (24 m2) die integraal werden behouden. Als deze zouden worden meegeteld moet dat gebeuren in beide berekeningen en blijft de conclusie ongewijzigd.

De toepassing van het verlaagde tarief van 6% was dus terecht en het dwangbevel moet worden vernietigd.

Het hoger beroep is gegrond.

## 5. De gerechtskosten

De geïntimeerde wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de gerechtskosten van de beide instanties dragen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt, recht op een rechtsplegingsvergoeding.

Voor het bepalen van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen toegepast worden.

De waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. bevindt zich in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 euro.

Aangepast aan de index op datum van de uitspraak (26/06/2018), bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor de eerste aanleg 2.400 euro.

Aangepast aan de index op datum van de uitspraak, vandaag, bedraagt het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding voor het hoger beroep 2.400 euro.

### Beschikkend gedeelte

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

\- het hoger beroep is ontvankelijk en gegrond;

\- het bestreden vonnis wordt vernietigd behoudens waar het de vordering van de appellant ontvankelijk verklaart;

\- het hof doet opnieuw recht voor het overige en verklaart de vordering van de appellant als volgt gegrond;

\* het bestreden dwangbevel met artikelnummer 500/1794/11071, uitgevaardigd op 22 juni 2017, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 27 juni 2017, wordt vernietigd;

\* de geïntimeerde wordt bevolen om terugbetaling uit te voeren van het eventueel reeds teveel betaalde, te vermeerderen met de wettelijke moratoriumintresten;

\- het hof veroordeelt de geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

\* aan de kant van de appellant:

· rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 2.400,00 EUR

· bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 EUR

· rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 2.400,00 EUR

\* aan de kant van de geïntimeerde: nihil

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 29 oktober 2019.

Ondertekeningen

Dit arrest werd bevestigd door het Hof van Cassatie bij het [arrest d.d. 25.06.2021 (nr. F.20.0032.N)](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-cassatie-brussel-2021-06-25-b63a)

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 37](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-37) 3 voorkomens

[KB nr. 20 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3) 2 voorkomens

[WBTW art. 22](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-22) 2 voorkomens

[WBTW art. 38](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-38) 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### België

1

Hof van Cassatie 25.06.2021

#### [Nieuw gebouw, Renovatie, Werk in onroerende staat, Privéwoning](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-cassatie-brussel-2021-06-25-b63a)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Renovatie, nieuwbouw, verlaagd tarief in de bouwsector](https://juriel.be/nl/rechtspraak/renovatie-nieuwbouw-verlaagd-tarief-in-hof-van-beroep-bergen-2026-06-05-76f2) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Nieuw gebouw, Renovatie, Werk in onroerende staat, Privéwoning](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-cassatie-brussel-2021-06-25-b63a) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlaagd tarief, vertrouwensbeginsel, levering van goederen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlaagd-tarief-vertrouwensbeginsel-levering-goederen-rechtbank-gent-2022-06-13-1e62) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Verlaagd tarief, Geluidswerende panelen, Principekwestie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-verlaagd-rechtbank-antwerpen-2022-03-16-3c8e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de belasting, Verlegging van de btw-heffing -Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-belasting-verlegging-btw-heffing-rechtbank-brussel-2019-12-05-6dc1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werken in onroerende staat, verlaagd btw-tarief, rechtsmisbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werken-in-onroerende-staat-verlaagd-cassatie-brussel-2021-01-29-7647) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Werk in onroerende staat, Verbouwingen en uitbreidingen, Toepasselijk tarief](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werk-in-onroerende-staat-verbouwingen-rechtbank-luik-2023-10-24-1646) 2 gemeenschappelijke bepalingen
