---
title: "Nieuw gebouw, Renovatie · Hof van beroep te Gent, 8 januari 2019"
description: "Het Gentse hof van beroep verklaart het beroep deels gegrond en vernietigt gedeeltelijk een Belgisch fiscaal dwangbevel."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-hof-van-beroep-gent-2019-01-08-7a5c"
lang: "nl"
---

# Nieuw gebouw, Renovatie, Werk in onroerende staat

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

8 januari 2019

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gemengd

## Tekst

217 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 08.01.2019

*Nieuw gebouw – Renovatie – Werk in onroerende staat – Tarief van de Btw – Recht op aftrek*

## [Arrest van het Hof van Cassatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-cassatie-brussel-2020-06-25-4e3a)

## Wettelijke bepalingen

[Artikel 45, § 1, Btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45)

[Artikel 1, 1°, van het koninklijk besluit nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1)

Rubriek XXXI, § 1 en § 3, 1°, van Tabel A van de bijlage bij het koninklijk besluit nr. 20

## Samenvatting

Niet beschikbaar.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep Gent, vijfde kamer**

Arrest d.d. 8 Januari 2019

Rol : 2017/AR/1782

In de zaak van:

**C.C.R. N.V**., met maatschappelijke zetel te …, Ingeschreven met KBO-nummer 041...85, appellante, hebbende als raadsman mr. …, advocaat te …

**tegen**

**BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, REKENPLICHTIGE AMBTENAAR, Team Invordering Gent 1, met kantoren te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 101, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. … advocaat te …,

wijst het hof het volgend arrest;

1\. Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 5.2.2014 en 6.2.2014 dagvaardde de appellante de Belgische Staat en de Rekenplichtige Ambtenaar voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent.

Voor deze rechter vorderde de appellante vóór tussenvonnis:

> *“De vordering van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren;*
>
> *Het dwangbevel dd. 6februari 2013, met referte RCIV 41-3.0121-37484 uitgevaardigd door de heer X, Ontvanger van het btw-ontvangkantoor Wetteren, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7 februari 2013 door mevrouw Y, e.a. Inspecteur van de btw controle Gent 6, waarvan een eensluidend verklaard afschrift ter kennis werd gebracht van verzoekster met aangetekende brief dd. 11 februari 2013, te vernietigen en van onwaarde te verklaren, zoals gevorderd;*
>
> *Het proces-verbaal, dd. 17 januari 2013, opgesteld door de heer Z, Fiscaal Deskundige bij de FOD Financiën, Belastingen en Invorderingen, verbonden aan de Administratie van de Ondernemings" en Inkomensfiscaliteit, Sector btw en in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Bijzondere Belastinginspectie, 5de Inspectie Gent, van onwaarde te verklaren, zoals gevorderd;*
>
> *Te zeggen dat concluante de van haar middels voornoemd dwangbevel en proces­ verbaal gevorderde bedragen niet verschuldigd is, zoals gevorderd, en verweerders te horen veroordelen om alle door concluante betaalde of van haar ingehouden bedragen terug te betalen, meer de Interesten;*
>
> *Ondergeschikt te zeggen voor recht dat concluante de van haar gevorderde geldboete ten bedrage van 910.140 euro, meer interesten niet verschuldigd is, minstens deze geldboete op substantiële wijze te verminderen, dan wel uitstel te verlenen van de invordering ervan met het oog op de economische reintegratie van concluante;*
>
> *Verweerders te horen veroordelen tot de kosten van het geding…”*

Bij het tussenvonnis dd. 21.9.2015 waarvan sprake besliste de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, als volgt:

> *“Verklaart de vorderingen van eiseres ontvankelijk en gegrond in de mate zoals hierna is bepaald.*
>
> *Verklaart het dwangbevel dat ten nadele van de eiseres werd uitgevaardigd op 6 februari 2013 nietig.*
>
> *Vermindert de in het proces-verbaal van 17 Januari 2013 ten nadele van de eiseres vastgestelde belasting, boeten en intresten zoals hoger weergegeven.*
>
> *Beveelt de verweerder tot terugbetaling van de overeenkomstig huidig vonnis door eiseres teveel betaalde bedragen, meer intresten.*
>
> *Alvorens verder recht te doen, heropent ambtshalve het debat teneinde de verweerder de mogelijkheid te geven uitleg te verschaffen nopens zijn Ingenomen standpunt met betrekking tot het project te Charleroi met duidelijk antwoord op het verweer wals uiteengezet door de eiseres op p. 18 van haar syntheseconclusie.*
>
> *Stelt de zaak vaar verdere behandeling op ...*
>
> *Bepaalt in toepassing van artikel 747 § 2 Ger. W. de conclusietermijnen ...*
>
> *Houdt de beslissing over de kasten aan.”*

Na dit tussenvonnis vorderde de appellante:

> *“De vordering van concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren;*
>
> *Dienvolgens, na het tussenvonnis van Uw Hechtbank van 21 september 20.15, verder recht te doen als volgt:*
>
> *Het dwangbevel dd. 6 februari 2013, met referte RCIV 413.012.l.37484 uitgevaardigd door de heer X, ontvanger van het btw~ontvangkantoor Wetteren (thans Team Invordering Gent .1), geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7februari 2013 door mevrouw Y, e.a. Inspecteur van de btw controle Gent 6, waarvan een eensluidend verklaard afschrift ter kennis werd gebracht van verwekster met aangetekende brief dd. 11 februari 2013, bijkomend te vernietigen en van onwaarde te verklaren, in de mate dat hierin met' betrekking tot het project Charleroi btw wordt gevorderd, zoals in deze conclusie vermeld, alsook In de mate dat hierin met betrekking tot het project Charleroi een proportionele geldboete wordt gevorderd van meer dan 10 %, alsook in de mate dot over deze sommen interesten worden geheven.*
>
> *Het proces-verbaal, dd. 17 januari 2013, opgesteld door de heer Z, Fiscaal Deskundige bij de FOD Flnanciën, Belastingen en Invorderingen, verbonden aan de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Sector btw en in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Bijzondere Belastinginspectie, 5**de* *Inspectie Gent, van onwaarde te verklaren, zoals gevorderd met betrekking tot het project Charleroi;*
>
> *Te zeggen dat concluante de van haar middels voornoemd dwangbevel en proces­ verbaal gevorderde bedrogen zoals hierboven vermeld niet verschuldigd is, zoals gevorderd, en verweerders te horen veroordelen om alle door concluante betaalde af van haar ingehouden bedrogen terug te betalen, meer de interesten;*
>
> *Ondergeschikt, te zeggen voor recht dat concluante de van haar gevorderde geldboete niet verschuldigd is in de mate dat deze meer bedraagt dan 10 %, minstens deze geldboete op substantiële wijze te verminderen, dan wel uitstel te verlenen van de invordering ervan met het oog op de economische re-integratie van concluante;*
>
> *Verweerders te horen veroordelen tot de kosten van het geding ...”.*

Bij eindvonnis van 3.4.2017 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, zesde kamer, werd de vordering van de appellante voor het overige niet gegrond verklaard en werd vastgesteld dat er geen kosten te begroten zijn,

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 27.9.2017 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het tussenvonnis dd. 21.9.2015 en het eindvonnis dd. 3.4.2017.

Volgens mededeling in conclusie van de geïntimeerde zouden de beide bestreden vonnissen bij gerechtsdeurwaardersexploot van 28.8.2017 zijn betekend. Geen van de partijen legt het betekenlngsexploot voor.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig,

In graad van hoger beroep vordert de appellante:

> *“*
>
> ## *Betreffende het hoofdberoep:*
>
> *Dienvolgens het bestreden tussenvonnis van 2.1 september 2015 en het bestreden vonnis van 3 april 2017 te hervormen in de mate dat daarin de vordering van concluante wordt afgewezen, zoals in huidig verzoekschrift gevorderd, en doende wat de Eerste Rechter had moeten doen, te oordelen zoals hierna gevorderd;*
>
> *Dienvolgens het dwangbevel van 6 februari 2013, met referte RCIV 413....84 uitgevaardigd door de heer X, Ontvanger van het btw-ontvangkantoor Wetteren, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 7 februari 2013 door mevrouw Y, e.o. inspecteur van de btw-controle te Gent 6, waarvan een eensluidend verklaard afschrift ter kennis werd gebracht van concluante met aangetekende brief van 11 februari 2013, te vernietigen en van onwaarde te verklaren, zoals gevorderd;*
>
> *Dienvolgens het proces-verbaal van J 7 januari 2013, opgesteld door de heer Z, Fiscaal Deskundige bij de FOD Financiën, Belastingen en Invorderingen, verbonden aan de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Sector btw en in die hoedanigheid ter beschikking gesteld van de Bijzondere Belastinginspectie, 5d< Inspectie Gent, van onwaarde te verklaren, zoals gevorderd;*
>
> *Dienvolgens te zeggen dat concluante de van haar middels voornoemd dwangbevel en proces-verbaal gevorderde bedragen niet verschuldigd is, zoals gevorderd, en de fiscale administratie te horen veroordelen om alle door concluante betaalde of van haar ingehouden bedrogen terug te betalen, meer de intresten;*
>
> *Ondergeschikt, te zeggen voor recht dat concluante de van haar gevorderde geldboete, meer intresten niet verschuldigd is, minstens deze geldboete op substantiële wijze te verminderen, dan wel uitstel te verlenen van de invordering ervan;*
>
> ## *Betreffende het incidenteel beroep:*
>
> *Het incidenteel hoger beroep van de fiscale administratie, ingesteld bij conclusie van 22 januari 2018, ongegrond te verklaren;*
>
> *Dienvolgens het tussenvonnis van de Eerste Rechter van 21 september 2015 in de zaak gekend onder het rolnummer .14/500/A te bevestigen in de mate dat daarin de vordering van concluante werd ingewilligd;”*

De geïntimeerden van hun kant hebben incidenteel beroep ingesteld en vorderen:

*,,*

*Betreffende het hoofdberoep**:*

*de vordering in hoger beroep van appellante in hoofdberoep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren;*

*het tussenvonnis dd. 2.1 september 2015 van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost­ Vlaanderen, afdeling Gent te hervormen in de mate dat daarin de BTW-vordering van concluante zoals bepaald in het dwangbevel van 6 februari 2013 (RCIV 413....84) met in annex het proces-verbaal van 17 Januari 20.13 werd vernietigd en het eindvonnis dd. 3 opril 2017 van dezelfde Rechtbank te bevestigen; en vervolgens het dwangbevel van 6 februari 2013 uitgevaardigd door de Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor Wetteren (thans: het Team Invordering Rechtspersonen Gent 1, met kantoor te 9050 Ledeberg, Gaston Crommenlaan 6, bus 101} met bijhorend proces-verbaal van 17 januari 2013 te bevestigen in alle onderdelen en te zeggen voor recht dat de daarin opgenomen bedrogen terecht gevestigd zijn en dat deze bedragen aan BTW, gevorderde geldboete alsook de intresten terecht verschuldigd zijn door appellante in hoofdberoep;*

*dienvolgens te zeggen voor recht dat appellante in hoofdberoep tevens de van haar gevorderde geldboete meer de Intresten verschuldigd is, en haar geen uitstel te willen verlenen van de invordering ervan.*

*Betreffende het incidenteel beroep**:*

*het incidenteel beroep ingesteld bij wege van conclusies van 22 Januari 201.8 door concluante (tevens geïntimeerde in hoofdberoep) tegen het tussenvonnis van 21 september 2015 van de Rechtbank van Eerste Aanleg Oost~Vlaanderen, afdeling Gent, ontvankelijk en gegrond te verklaren;*

*dienvolgens het voormelde tussenvonnis te hervormen op volgende punten en in de mate .wals hiervoor weergegeven in het incidenteel beroep onder punt 11.B., en meer bepaald*

*-* *de vordering van concluante van de ten onrechte in aftrek gebrachte BTW over de facturen uitgaande van John De Smet en de facturen uitgaande van de BVBA Multi Construction met boete en intresten (punt 1..1. tot 1.3. van het tussenvonnis van 21 september 2015) als niet verjaard te beoordelen en terecht gevorderd;*

*-* *de navordering van de aangerekende BTW over de verhuur van ops/ogrulmte en porkeerruimte die enkel nog de boete betreft (punt 2 van het tussenvonnis a quo) als niet verjaard te beoordelen en terecht gevorderd;*

*-* *de vordering van de niet teruggestorte BTW na ontvangst van een creditnota en de opgelegde boete en intresten (punt 3. van het tussenvonnis) als niet verjaard te beoordelen en terecht gevorderd;*

*-* *de navordering van de niet-aangegeven BTW over werken in onroerende staat bij toepassing van het systeem van verlegging von heffing: meer bepaald mbt de facturen van N.V. Vertranics voor werken aan een rusthuis te Taintigny (punt 4.2. tussenvonnis) en de facturen van Decor assistance1 LD Entreprises en Vertronics (punt 4.3. tussenvonnis) het BTW-tarief van 21 % als terecht et beoordelen alsook de opgelegde boete en de intresten;*

*-* *de ten onrechte afgetrokken BTW over hotelkosten, de boete van 10 % en intrest op dit bedrag (punt 5. tussenvonnis) te beoordelen als zijnde niet verjaard en terecht gevorderd alsook het eindvonnis van de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, rolnummer .14/500/A, dd. 3 april 2017 volledig te bevestigen;*

*vervolgens te zeggen voor recht dat de bedrogen aan BTW, boeten en Intresten zoals opgenomen in het dwongbevel van 6 februari 2013 annex proces-verbaal van 17 Januari 20.13 terecht zijn gevorderd en don ook verschuldigd zijn door geïntimeerde in incidenteel beroep.”*

2\. De geïntimeerde verwierp de aftrek van BTW ten bedragen van 6.860,60 EUR gefactureerd bij factuur nr. 06/080512 dd. 30.6.2008 van de S.A. Carimat Matériaux. Volgens omschrijving in de factuur gaat om levering van "isover rollisol" voor de werf Tower Hotel.

Uit het proces-verbaal dd. 17.1.2013 (stuk 5 van de geïntimeerde, p. 93) blijkt dat ter gelegenheid van de BTW-controle op de voornoemde werf niet kon worden vastgesteld dat de goederen voorwerp van de factuur effectief werden verwerkt.

Volgens de appellante werd dit materiaal wel degelijk verwerkt ter gelegenheid van werken op de werf Tower Hotel. Steeds volgens de appellante zouden de werken waarin de materialen verwerkt werden werken zijn geweest aan het laag bijgebouw/Blok V, diende dan nadien - maar vóór de controle ter plaatse door de verbalisant (op 16.3.2011) ·- het laag bijgebouw/Blok V te worden afgebroken met inbegrip van de er reeds aan uitgevoerde werken. Deze afbraak zou gebeurd zijn ingevolge wijzigingen aan het project. Volgens een attest van de architect (bijlage bij het stuk 2 van de appellante) werd het oorspronkelijk project gewijzigd omdat een weigering van latere openingsvergunning door Zorg Vlaanderen (indien de bestemming een rusthuis zou worden) of Toerisme Vlaanderen (indien de bestemming een hotel zou worden) werd gevreesd.

De stelling van de appellante is onvoldoende gestaafd. Er worden geen stukken voorgelegd die de effectieve levering en verwerking van de gefactureerde materialen zouden kunnen staven (zoals bvb. bestelbonnen, leveringsnota's, vervoerdocumenten, contracten, e.d.). Ook de door de architect geattesteerde "vrees" voor weigering van een latere openingsvergunning Is eerder een vaag gegeven en wordt niet nader toegelicht en gestaafd, afgezien van de vraag of de architect te dezen voldoende onafhankelijkheid had tegenover de appellante om een bewijskrachtig attest te kunnen afleveren.

Het is te dezen dan ook niet bewezen dat de materialen vermeld In de voormelde factuur effectief werden geleverd en verwerkt, zodat de aftrek van 6.860,60 EUR aan BTW terecht door de administratie werd verworpen.”

3\. De N.V. Van Hoorebeeck heeft aan de appellante een aantal facturen uitgereikt, waaronder de factuur nr. 8019 dd. 24.10.2008 voor een belastbare basis van 89.178,52 EUR. Hierop was een BTW verschuldigd van 21 %, hetzij 18.727,49 EUR. In de factuur werden de prestaties omschreven als "Wegen.., en rioleringswerken Poverstraat te Asse-Relegem, augustus­ oktober Voor leveren en plaatsen van wegen" en rioleringswerken Deel 1 bestaande toegangsweg, Deel 2 DWA-riool Hallevit, Nutssleuf ". De factuur vermeldt dat de BTW te voldoen is door de medecontractant in toepassing v,m [artikel 20 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) (dd. 29.12.1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde). De appellante heeft evenwel nagelaten deze BTW aan te geven in haar BTW-aangifte.

De appellante was derhalve het bedrag van 18.727,49 EUR aan BTW verschuldigd, waar,Jan dienen toegevoegd de door de administratie opgelegde administratieve geldboete van 37.454,98 EUR (200 %) en de nalatigheidsintresten.

Anders. dan door de appellante voorgehouden, heeft het feit dat de administratie compensatie voor de BTW toe Het (zie het proces-verbaal dd. 17.1.2013, stuk 5 van de geïntimeerde, p. 154), niet tot gevolg dat hierdoor boete en nalatigheidsintresten kwamen te vervallen. Er is geen compensatie van rechtswege inzake belastingen, en door toelating van de administratie tot compensatie voor de BTW liet de administratie op deze bijzondere wijze enkel toe dat hierdoor de BTW ais voldaan werd beschouwd, niet de boete en de nalatigheidsintresten.

Het middel van de appellante is ongegrond.

4\. De BVBA Vertronics Editions heeft aan de appellante een factuur nr. 112 dd. 10.10.2008 uitgereikt voor een belastbare basis van 24.000,00 EUR. Hierop was een BTW verschuldigd van 21 %, hetzij 5.040,00 EUR. In de factuur werden de prestaties omschreven als "diverse werken op uw werf te Relegem voor de forfaitaire som voor een totaal bedrag van" (vrije vertaling uit het Frans van "Travoux divers sur votre chantier de Relegem pour la somme forfaitaire d'un montant total de "). De factuur vermeldt dat de BTW te voldoen is door de medecontractant in toepassing van [artikel 20 van het KB nr.1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) l (dd. 29.12.1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde). De appellante heeft evenwel nagelaten deze BTW aan te geven in haar BTW­ aangifte.

De appellante was derhalve het bedrag van 5.040,00 EUR aan BTW verschuldigd, waaraan dienen toegevoegd de door de administratie opgelegde administratieve geldboete van 10.080,00 EUR (200 %) en de nalatigheidsintresten.

Ten onrechte voert de appellante aan dat de administratie ook voor deze factuur compensatie van de BTW had moeten aanvaarden om reden dat deze factuur betrekking had op hetzelfde project als de hierboven besproken factuur van de N.V. Van Hoorebeeck waarvoor wel compensatie van de BTW werd toegelaten.

In het proces-verbaal dd. 17.1.2013 (stuk 5 van de geïntimeerde, p. 18) werd vastgesteld dat in de factuur in kwestie;

\- de datum waarop het belastbaar feit van de levering van goederen of de dienstverrichting heeft plaatsgevonden of de datum van de incassering van de prijs of een deel ervan, voor zover die datum vastgesteld is en verschilt van de uitreikingsdatum van de factuur, niet werd vermeld (Inbreuk op artikel 5 § 1, 6° KB nr. l (dd. 29.12.1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde);

\- de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, Inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten, niet werden vermeld op de factuur (inbreuk op [artikel 5 § 1, 6° KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) (dd. 29.12.1992, met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde);

\- het fabrieksgebouw met aanhorigheden op en met grond gelegen te Relegem, Poverstraat 82 bij notariële akte van 13.6.2008 werd verkocht aan de N.V. Steenoven (nota van het hof; d.i. dus vóór de facturatie, facturatie die gebeurde op een ogenblik waarop de appellante geen eigenaar meer was van het onroerend goed te Relegem).

De rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie in die zin gevestigd is dat het niet naleven van de formele voorwaarden de aftrek van BTW niet kan verhinderen indien de belastingadministratie beschikt over de nodige gegevens om vast te stellen dat is voldaan aan de materiële voorwaarden (zie bvb. HvJ, dd. 11.12.2014, C-590/J.3, inzake ldexx Laboratories ltalia Sri tegen Agenzia delle Entrate (ltalia), cijfers 30 e.v. en meer bepaald cijfer 40, vindplaats https://curia.europa.eu).

Te dezen moet worden vastgesteld dat de appellante op het ogenblik van de facturatie geen eigenaar meer was van het onroerend goed te Relegem, zodat zij geen aanspraak kon maken op het recht op aftrek van de BTW en dus ook geen compensatie kon toegelaten worden door de administratie.

Volledigheidshalve moet worden opgemerkt dat zelfs indien compensatie had dienen te worden toegelaten de appellante nog steeds de administratieve boete en nalatigheidsinteresten verschuldigd zou zijn geweest, dit om dezelfde reden als hierboven aangehaald met betrekking tot de besproken factuur van de N.V. Van Hoorebeeck.

Het middel van de appellante Is ongegrond.

5.

a.

Tussen de partijen bestaat betwisting over het toe te passen BTW-tarief voor het project te Charleroi, meer bepaald of het tarief van 21 % van toepassing Is ([artikel 1 eerste lid KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) dd. 20.7.1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven; standpunt van de geïntimeerde) dan wel het tarief van 6 % (artikel 1 tweede lid, a, l(B nr. 20 dd. 20.7.1970, tabel A, XXXI, werk in onroerende staat met betrekking tot privé-woningen, standpunt van de appellante).

Uit de structuur van het [artikel 1 van het KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1) is af te leiden dat principieel het tarief van 21 % van toepassing is, en het tarief van 6 % een uitzondering vormt op het principieel tarief. Hieruit moet worden afgeleid dat het aan de appellante behoort te bewijzen dat de voorwaarden voor de uitzondering (6 %) op het principieel tarief (21 %) voorhanden zijn.

Het project te Charleroi behelsde de omvorming van een vroeger kantoorgebouw (Belgacom) tot een appartementsgebouw.

De mogelijke toepassing van het BTW-tarief van 6 % dient te worden onderzocht rekening houdend met het gegeven dat niet het volledig gebouw bestemd is tot privé-woning (het uitsluitend hetzij hoofdzakelijk gebruik als privé-woning is een voorwaarde voor toepassing van het verlaagd tarief van 6 %, zie artikel 1 tweede lid, a, KB nr. 20 dd. 20.7.1970, tabel A, XXXI, § 1, 2°), nu in het gebouw drie kantoren werden voorzien.

Wat de appartementen betreft bestemd voor privéwoning moet acht geslagen worden op artikel 1 tweede lid, a, KB nr. 20 dd. 20.7.1970, tabel A, XXXI, § 1, 1• volgens hetwelk "de handelingen moeten de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben".

De appellante toont niet aan dat de voorwaarden voor toepassing van het BTW-tarief van 6% vervuld zijn. De aan het vroeger kantoorgebouw te Charleroi uitgevoerde werken veronderstellen immers een zware ingreep. Er werden appartementen gecreëerd die er voordien niet waren, wat veronderstelt dat een volledig nieuwe indeling tot stand wordt gebracht gezien normalerwijze elk appartement (bestemd voor privé-bewoning) toch beschikt over een badkamer, een keuken, een hal, nieuwe ingangen e.d. meer, ruimtes, inrichtingen en voorzieningen die normalerwijze niet voorhanden zijn in kantoren. Het kantoorgebouw wordt grondig omgevormd tot delen (appartementen) die volledig verschillend zijn van aard, indeling, inhoud en gebruik dan het oorspronkelijk kantoorgebouw. Bevestiging van dergelijke zware ingreep is te vinden in de grote omvang van de uitgevoerde werken zoals die naar voor komt uit de kostprijs ervan. Uit de aankoop­ en verkoopfacturen Is af te leiden dat de totale kostprijs van de appartementen en de grond 571.433,33 EUR bedroeg, terwijl de kostprijs van de omvormingswerken 363.055,08 EUR bedroeg (zie de laatste conclusie van de geïntimeerde, p. 22., niet betwist door de appellante), wat inhoudt dat de kostprijs van de werken 63,53 % van de verkoopprijs bedraagt, dan nog zonder de waarde van de grond uit de berekening te sluiten zodat dit percentage eigenlijk nog hoger ligt. Op grond van deze gegevens is aan te nemen dat de appellante in werkelijkheid een nieuwbouw tot stand heeft gebracht en niet de in artikel 1 tweede lid, a, KB nr. 20 dd. 20.7.1970, tabel A, XXXI,§ 1, 1' bedoelde omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging. De appellante toont in elk geval niet het tegengestelde aan.

Er dient ten andere te worden opgemerkt dat ook de door de appellante voorgelegde plannen dit bevestigen. Zo valt op dat de appartementen op de eerste t/m de vierde verdieping ten opzichte van de vroegere toestand een volledig ander formaat hebben dan de oorspronkelijke lokalen. Van de vijfde verdieping is enkel een plan voorhanden na bouw van de appartementen, niet van voordien. Opgemerkt moet ook worden dat de voorgelegde plannen van na de werken blijkbaar door de appellante zo gekozen zijn dat de diverse hoger aangehaalde voorzieningen (normalerwijze aanwezig in een appartement) niet gedetailleerd weergegeven zijn, en derhalve een onvolledig beeld geven.

Tevergeefs verwijst de appellante ook naar de circulaire nr. 86/006 van 22.8.1986 en de beslissing E.T.106.933 van 1.9.1994. Zo deze documenten mogelijk als leidraad voor de ambtenaren van de administratie nuttig kan zijn, kunnen zij niet tot gevolg hebben dat de toepassing van de fiscale wet wordt verhinderd en maar sprake zou kunnen zijn van de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, bedoeld bij het artikel 1 tweede lid, a, KB nr. 20 dd. 20.7.1970, tabel A, XXXI, § 1, 1' indien de voorwaarden in de circulaire vermeld zijn vervuld. Het hof is gehouden die bepaling toe te passen zonder gebonden te zijn door de door de appellante aangehaalde circulaire en beslissing.

Anders dan door de appellante voorgehouden is de toepassing van het tarief van 2.1 % (in plaats van 6 %) wel degelijk gemotiveerd. Zo wordt op p. 148 van het proces-verbaal dd. 17.1.2013 (stuk 5 van de geïntimeerde) vermeld dat krachtens artikel 37 en 38 van het BTW•• wetboek en [artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1), van 20 juli 1970, achteraf gewijzigd, inzake de tarieven, de BTW moet geheven worden tegen het in kolom 6 (van de aldaar opgenomen tabellen) vermelde tarief. Het in de kolom 6 vermelde tarief is 21 %. Aldus geeft het proces-verbaal duidelijk weer dat het tarief van 21 % van toepassing is, onder verwijzing naar onder meer [artikel 1 van het KB nr. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3#ar20-art1). Zoals hoger aangegeven is dit het principiële tarief, naar hetwelk de geïntimeerde kan volstaan te verwijzen, zonder nader te moeten uiteenzetten om welke redenen het tarief van 6 %, voorgestaan door de appellante, niet weerhouden wordt. Zoals ook reeds aangehaald is het immers aan de appellante om aan te tonen dat de belastbare handeling voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van het BTW-tarief van 6 % en af te wijken van het principiële tarief van 21 %

Terecht heeft de administratie dan ook het tarief van 21 % toepasselijk geacht.

b.

De administratie heeft in het proces-verbaal dd. 17.J..2013 (stuk 5 van de geïntimeerde) in verband met de werf te Charleroi een nog verschuldigde BTW In rekening gebracht van 175.042,78 EUR (p. 150, 83-84 van het proces-verbaal; facturen van de BVBA Multi Construction) + 112.793,67 EUR (p. 151, 85; geen facturen uitgereikt door de BVBA Multi Construction), hetzij In totaal 287.836,45 EUR.

Volgens de geïntimeerde heeft de appellante nadien een aantal rechtzettingen gedaan en aldus een deel v,m de verschuldigde BTW voldaan, zodat met het dwangbevel slechts een bedrag van 112.793,67 EUR werd ingevorderd. Steeds volgens de administratie is hierbij de vergissing begaan 175.042.,78 EUR in mindering te brengen (21 % BTW) terwijl dit maar 50.012,2.2 EUR mocht zijn (6 % BTW). Met laattijdig door de BVBA Multi Construction aan andere afnemers dan de appellante gestuurde rechtzettingen kon geen rekening worden gehouden nu dit geen rechtzettingen zijn van de BTW door de appellante verschuldigd, terwijl de BVBA Multi Construction onverschuldigd 6 % BTW voldeed waarvan zij teruggaaf moet vorderen. Indien de appellante in de gerechtelijke procedure haar middelen ontwikkelt ter ondersteuning van de toepassing van het tarief van 6 %, zal het de geïntimeerde op dat ogenblik behoren de stelling van de appellante te weerleggen. Dit neemt niet weg dat de toepassing van het tarief van 21 % in het proces-verbaal dd. 17.1.2013 afdoende gemotiveerd is.

Volledigheidshalve moet ook worden opgemerkt dat het de administratie niet mogelijk is om tegen de fiscale wettelijke bepalingen in bindend aan te nemen of te erkennen dat slechts 6 % aan BTW zou verschuldigd zijn.

De door de administratie toegelaten compensatie van de BTW(!) heeft niet tot gevolg dat de boete en intresten ook komen te vervallen. De appellante heeft niet spontaan de rechtzetting doorgevoerd en om de redenen reeds hoger aangehaald (zie het cijfer 3 hoger) blijven de boete en intresten verschuldigd.

6\. De administratie heeft e0n geldboete van 200 % opgelegd voor de inbreuken in verband met de factuur Van Hoorebeeck, de factuur van de BVBA Vertronics Editlons en voor de facturaties met betrekking tot het project te Charleroi. Dit is de boete voorzien bij de artikelen 70 § 1 en 70 §1lbis BTW-wetboek. Deze boete werd niet verminderd overeenkomstig het KB nr. 41 dd. 30.1.1987 (tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde), nu de bedoelde verminderingen niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Anders dan door de appellante voorgehouden werd de opgelegde boete wel degelijk afdoende gemotiveerd. Zo wordt op de bladzijden 152-153-154 van het proces-verbaal van 17.1.2013, bijlage bij het dwangbevel, verwezen naar de toepasselijke wettelijke bepalingen, wordt gepreciseerd dat de boete wordt opgelegd wegens het niet voldoen van de verschuldigde belasting en onrechtmatige aftrek wat blijkt Nuit hetgeen voorafgaat" (d.i. de uitvoerige uiteenzetting zowel feitelijk als Juridisch van de door de appellante begane inbreuken), wordt ook gepreciseerd dat de verminderingen voorzien bij het KB nr. 41 niet van toepassing zijn ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken, en wordt uitvoerig uiteengezet waaruit dit frauduleus oogmerk blijkt. Hierbij belet niets de administratie de motieven die ten grondslag liggen van de boete in één welbepaald deel van het proces-verbaal te verzamelen bij wijze van gezamenlijke bespreking van de Inbreuken.

Wat het frauduleus opzet betreft wordt - naast de motieven voor de boete voor de niet met frauduleus opzet begane inbreuken - !n het proces-verbaal van 17.1.2013 aangehaald waaruit dit opzet blijkt en meer bepaald:

> *“... onder meer door systematisch en voor grotere bedragen belastbare handelingen niet te factureren (zie III.E., pagina 146-151), verschuldigde BTW niet aan te rekenen (zie 111.B, pagina 141-143) en het niet terugstorten van BTW op ontvangen creditnota's (zie 1.5., p. 22 en 1.13,, zie p. 87 - 91); door gebruik te maken van onregelmatige inkomende facturen. Overeenkomstig* [*artikel 5, § 1, 5° van het koninklijk besluit nr 1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa)*, dienen de gegevens die nodig zijn om de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen, inzonderheid de gebruikelijke benaming van de geleverde goederen en van de verstrekte diensten en hun hoeveelheid alsook het voorwerp van de diensten vermeld te worden. De omschrijvingen op de hiervoor vermelde facturen laat niet toe de handeling te determineren en om het tarief van de verschuldigde belasting vast te stellen. Verder wordt verwezen naar de elementen opgesomd op p. 33, 82 en 91 en volgende die, in /Jun samenhang genomen, bijkomend het oogmerk om de belasting te ontduiken af de ontduiking ervan mogelijk te maken aantonen.*
>
> *Dat de NV Floder, de NV Creative Construction & Renovation en de BVBA Multi Construction, wisten of moest weten dat er sprake was van Btw-fraude waaraan zij aldus deelnam blijkt o.m. uit de volgende elementen (in hun samenhang genomen):*
>
> *Als gevolg van de beslissing van de bijzondere algemene vergadering van de aandeelhouders van de NV F/ader, gehouden op 1/12/2008, werd de Heer Thomas De Witte benoemd tot gedelegeerd bestuurder en bestuurder, in de NV Floder met ingang van 1/12/2008.*
>
> *Bij unanieme beslissing van de buitengewone algemene vergadering van de NV Floder van 9/06/2005, werd de NV Floder benoemd tot zaakvoerder van de BVBA Multi Construction en tot bestuurder en gedelegeerd bestuurder van de NV Creative Construction and Renovation, met ingang van 13/06/2005.*
>
> *Bij beslissing van de raad van bestuur van 11/08/2005, werd de Heer Thomas De Witte benoemd tot de functie van gedelegeerd bestuurder van de NV Creative Constructian and Renovation.*
>
> *De algemene vergadering van de BVBA Multi Construction van 12/09/2005, besliste het mandaat van zaakvoerder van de Heer De Witte Thomas te verlengen voor 6jaar.*
>
> *Bij unanieme beslissing van de algemene vergadering van aandeelhouders van de NV Creative Construction and Renovation, van 6/05/2008, werd de NV Floder, met als vaste vertegenwoordiger de Heer Derek Michel, De Witte Thomas, De Witte Florence, benoemd als bestuurder. Tevens werd beslist dat de NV Floder, met vaste vertegenwoordiger de Heren Derck Michel en Thomas De Witte, et benoemen als gedelegeerd bestuurders.*
>
> *Evenzeer volgt hieruit de vaststelling dat de waarachtigheid van de facturen niet kan worden aangetoond. De NV Creative Construct/on and Renovation was slechts eigenaar van de verkochte onroerende goederen ten belope van 1 % onverdeeld in volle eigendom en die onroerende goederen werden niet in die jaren verkocht door Creative Construct/on and Renovation. De betreffende vennootschap kan dan ook geen kosten vaar bemiddeling bij de verkoop van de betreffende onroerende goederen ten laste nemen voor het volle pand.*
>
> *Tevens werd de aangerekende BTW op commissielonen afgetrokken terwijl die commissieloon betrekking hadden op de verkoop van gronden en oude gebouwen.*
>
> *Dezelfde commissielonen werden aangetroffen bij zowel de NV Creative Construction and Renovation als bij de BVBA Multi Construct/on. Dat de Neer De Witte Thomas, in de hiervoor vermelde vennootschappen, :zowel gedelegeerd bestuurder als bestuurder bij de NV Creative Construction, als zaakvoerder bij de BVBA Multi Construction (zie 1.1.B. p. 4 -· p..12 en 111.A. p. 135}.*
>
> *Op grond van artikel 1 van voornoemd Koninklijk Besluit nummer 41 van 30 januari 1987, wordt toepassing gemaakt van de hij dit besluit genomen scha/en tot vermindering van deze geldboeten. Deze boete wordt echter verminderd tot 1.153,96 euro, overeenkomstig tabel G, eerste afdeling, rubriek IV, van de bijlage tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW vaar de overtredingen die vermeld zijn onder rubriek III.D, en tot 3.021,10 euro overeenkomstig tabel H, van de bijlage tot vaststelling van het bedrog van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW voor de overige overtredingen die vermeld zijn onder rubriek 111.A en 111.F.”*

Deze redengeving kan alleen maar beaamd worden en is een afdoende motivering voor het frauduleus opzet van de appellante bij de diverse weerhouden inbreuken (met uitzondering van die inbreuken waarop wel de vermindering van het KB nr. 41 kon worden toegepast).

De opgelegde boete is te beschouwen als een strafsanctie in de zin van het artikel 6 EVRM. Zij strekt ertoe op algemene wijze elke belastingplichtige ertoe aan te zetten de fiscale wetgeving correct toe te passen om zowel de boete te vermijden als om de onjuiste toepassing van de fiscale wetgeving te bestraffen en herhaling van inbreuken te voorkomen.

De rechter aan wie in het kader van het fiscaal verhaal gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM, moet de wettigheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende ei,en van Internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet In het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig Is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang, De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (vergelijk o.m. met Cass. 21.9.2018, rolnr. F. 17.0141"N, vindplaats http://jure.juridat.Just.fgov.be),

Gezien het hoger omschreven opzet de belasting te ontduiken, voor niet onbelangrijke bedragen, en op verschillende wijzen wat toch de zeer negatieve asociale ingesteldheid van de appellante nog meer benadrukt bij het vervullen van haar fiscale verplichtingen, is de opgelegde boete als evenredig met de begane inbreuk te beschouwen. Men kan er niet omheen dat de appellante heeft gepoogd systematisch en voor grote bedragen belastbare handelingen niet te factureren, verschuldigde BTW niet aan te rekenen, ten onrechte BTW af te trekken, e.d., wat voor de appellante onrechtmatige financiële voordelen oplevert. Men komt niet tot andere vaststellingen omdat de appellante, pas nadat ten gevolge van de controle de inbreuken aan het licht zijn gekomen, overging tot regularisatie van ontdoken belastingen. De opgelegde boete is geschikt om de appellante ertoe aan te zetten haar fiscale verplichtingen na te komen in plaats van op allerlei wijzen te pogen frauduleus de belasting te ontduiken. De administratie kon dan ook in redelijkheid de voormelde boete aan de appellante opleggen.

De ernst van de frauduleuze praktijken van de appellante verzet zich bovendien tegen het verlenen van de gunst die het uitstel is.

7.

a.

De geïntimeerde vordert de ten onrechte in aftrek gebrachte BTW op de volgende facturen (zie het proces-verbaal dd. 17.1.2013, p. 4-5; p. 36·41, 41-42, 43-45):

\* Facturen John De Smet (BTW afgetrokken in 2006):

\- factuur nr. 601460 dd. 5.10.2006, belastbare basis 55.500,00 EUR, BTW 11.655,00 EUR 21 %:

\- factuur nr. 601461 dd. 5.10.2006, belastbare basis 13.200,00 EUR BTW 2.772,00 EUR BTW 21%

Samen: 14.427,00 EUR

\* Facturen BVBA Multi Construction:

A) factuur nr. 290019 dd. 25.3.2009 voor een bedrag van 415.000,00 EUR, waarop geen BTW werd aangerekend om reden dat de BTW zou te voldoen zijn door de medecontractant volgens KB nr. 1, artikel 20:

Belastbare basis van de ten onrechte In aftrek gebrachte BTW:

\- aankopen: 11.528,62 EUR

\- werfopvolging erelonen: 1.050,00 EUR

\- directe werf-huurkosten: 2.457,60 EUR

\- erelonen directe werfkosten: 4.250,00 EUR

\- werfkosten containers: 1.445,00 EUR

Samen: 20.731,22 EUR

\- waarop ten onrechte afgetrokken BTW 21 %: : 4.353,56 EUR

B) factuur nr. 700073 dd. 7.6.2007 voor een bedrag van 16.500,00 EUR, waarop geen BTW werd aangerekend om reden dat de BTW zou te voldoen zijn door de medecontractant volgens l<B nr. 1, artikel 20:

Belastbare basis van de ten onrechte In aftrek gebrachte BTW:

\- aankopen: 8.817,94 EUR

\- waarop ten onrechte afgetrokken BTW 21 %: 1.851,77 EUR

C) factuur nr. 300057 dd. 30.8.2010 (per vergissing wordt p. 43 van het proces-verbaal van 17.1.2013 als datum 4.9.2010 opgegeven, wat de vervaldatum is; zie de factuur, stuk 22 van de appellante) voor een bedrag van 24.000,00 EUR, waarop geen BTW werd aangerekend om reden dat de BTW zou te voldoen zijn door de medecontractant volgens KB nr. 1, artikel 20:

Belastbare basis van de ten onrechte in aftrek gebrachte BTW:

\- aankopen: 12147,66 EUR

\- waarop ten onrechte afgetrokken BTW 21 %: 2.551,01 EUR

D) Totaal ten onrechte afgetrokken BTW Multi Construction: 4.353,56 EUR + 1.851,77 EUR + 2.551,01 EUR = Samen: 8.736,.34 EUR

\* Totaal ten onrechte afgetrokken BTW John De Smet en Multi Construction BVBA: 14.427,00 EUR + 8.756,34 EUR = Samen: 23 .183 ,34 EUR

De eerste rechter heeft aangenomen dat de vordering van de administratie voor het bedrag van 23.183,34 EUR aan BTW verjaard was, wat betwist wordt door de geïntimeerde.

Voor de hier besproken inbreuken werd een boete van 10 % opgelegd, Op zich houdt dit evenwel niet noodzakelijk in dat de appellante niet gehandeld heeft met bedrieglijk opzet en het thans gevatte hof dergelijk bedrieglijk opzet niet zou mogen vaststellen (vergelijk met Cass. 18.10.2007, Pas. 2007, nr. 492 p. 1821).

Er moet aangenomen worden dat van de beoogde toepassing van de verjaringstermijn van zeven jaar voorzien bij het artikel 81bis § 1., tweede lid, 4" BTW-wetboek rechtsgeldig kennis werd gegeven ([artikel 84ter BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter)) bij de brief dd. 26.11.2009 van de geïntimeerde (stuk 7 van de geïntimeerde), Met deze brief werd voorafgaandelijk aan de appellante schriftelijk en nauwkeurig kennis gegeven van de vermoedens van belastingontduiking.

Krachtens [artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4° BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) is de verjaringstermijn van zeven jaar evenwel maar toepasselijk wanneer de overtreding bedoeld in artikel 70 of 71 begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden. Het behoort de geïntimeerde om, voor elke specifieke overtreding waarvoor de verlengde verjaringstermijn wordt toegepast, aan te tonen dat dit opzet/oogmerk voorhanden is.

Dergelijk bewijs wordt door de geïntimeerde met betrekking tot de BTW van de besproken facturen niet geleverd, zodat de termijn van drie jaar voorzien bij [artikel 81bis, § 1, eerste lid BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) van toepassing blijft.

Wel dient eventueel rekening te worden gehouden met de schriftelijke afstand van de verlopen tijd van verjaring dd. 16.12.2011 door de gevolmachtigde van de appellante (stuk 28 van de geïntimeerde). Hiermee wordt geen afstand gedaan van een reeds verkregen verjaring (zulks is in het geheel niet af te leiden uit dit document), maar er wordt enkel afstand gedaan van de "verlopen tijd" van de verjaring, wat er duidelijk op wijst dat het gaat om een verjaring die nog aan het lopen is. Deze afstand van de verlopen tijd van de verjaring heeft slechts stuitende werking in zoverre de verjaring nog niet verkregen werd kenmerk van de stuiting is dat zij ingrijpt op de loop van de verjaring.

Indien men deze principes toepast wat de BTW betreft op de hoger aangehaalde facturen, moet men tot het besluit komen dat er verjaring is voor de invordering (1} van de BTW op basis van de beide voormelde facturen van John De Smet (14.427,00 EUR), en (2} van de BTW op basis van de voormelde factuur van Multi Construction BVBA dd. 7.6.2007 (1.851,77 EUR). De invordering van de BTW op overige twee facturen van Multi Construction BVBA werd tijdig gestuit door de afstand van de verlopen tijd van verjaring dd. 16.12.2011.

b.

De appellante voert verder aan dat de BTW over de facturen van Multi Construction BVBA terecht door haar In aftrek werd gebracht, anders dan de geïntimeerde die het standpunt huldigt dat de aftrek ten onrechte is gebeurd.

Gezien de hierboven vastgestelde verjaring kan zulks alleen maar onderzocht worden wat betreft de facturen nr. 290019 dd. 25.3.2009 (afgetrokken BTW: 4.353,56 EUR) en nr. 300057 dd. 30.8.2010 (afgetrokken BTW: 2.551,01 EUR).

Het behoort de appellante, die de aftrek van BTW nastreeft, om te bewijzen dat voldaan Is aan de voorwaarden voor deze aftrek. Zulks houdt ook in dat de appellante de realiteit van de gefactureerde prestaties bewijst.

Dit bewijs wordt door de appellante niet geleverd. Zoals aangehaald in het proces-verbaal dd. 17.1.2013 (p. 137) konden voor de bedoelde prestaties geen bestelbonnen, leveringsnota's, vervoerdocumenten of contracten worden voorgelegd. Het enkel voorleggen van een factuur volstaat te dezen niet als bewijs. Bij gebrek aan de minimale wettelijk voorziene vermeldingen op de facturen (zie het proces-verbaal dd. 17.1.2013, onder meer p. 140-141) is het ook niet mogelijk aan de hand van dergelijke vermeldingen enig bewijs van de werkelijkheid van die prestaties te leveren. Voor zoveel als nodig moet ook worden opgemerkt dat het de administratie mogelijk is slechts een deel van de prestaties op een bepaalde factuur in vraag te stellen, zonder verplicht te zijn dit voor de volledige factuur te doen. Verder merkt de geïntimeerde ook terecht op dat de appellante slechts eigenaar was van de verkochte onroerende goederen ten belope van 1 % onverdeeld in volle eigendom, die onroerende goederen niet werden verkocht door de appellante in de besproken jaren, en er dan ook niet kan aanvaard worden dat er kosten voor bemiddeling bij de verkoop van de onroerende goederen volledig ten laste zouden genomen worden door de appellante; dat de aangerekende BTW op commissielonen werd afgetrokken terwijl die BTW niet in België verschuldigd was of betrekking had op de verkoop van gronden en oude gebouwen; dezelfde commissielonen en onderaannemingen werden aangetroffen bij zowel de appellante als bij Multi Construction BVBA.

Volledigheidshalve dient te worden opgemerkt dat de appellante zich ten onrechte beroept op het vertrouwensbeginsel, nu dergelijk beginsel de juiste toepassing van de fiscale wet niet kan verhinderen. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet blijkt dat bij de controle van de BVBA Multi Construction de vraag naar de realiteit van de gefactureerde prestaties werd onderzocht, terwijl volgens de brief dd. 7.2.2012 (stuk 25 van de appellante) de vermindering van de vordering van de administratie met 11.272,41 EUR afhankelijk wordt gesteld van een akkoord, zodat de toegeving van de administratie in dat kader moet worden gezien.

De hier onder b vermelde aftrek van BTW werd terecht door de administratie verworpen.

8\. De geïntimeerde vordert van de appellante een bedrag van 51.662,06 EUR aan BTW (50.651.,96 EUR voor verhuur van bergruimte voor het opslaan win goederen+ 1.010,10 EUR voor verhuur van garages/porkeerruimten, zie p. 141-1.43 van het proces-verbaal dd. 17.1.2013; zie ook p. 1.52 van dit proces-verbaal).

De appellante verdedigt de stelling dat zij van oordeel was dat voor de voormelde handelingen vrijstelling van BTW was. De geïntimeerde van zijn kant wijst (terecht} op het bepaalde in artikel 44, § 3, 2', a BTW-wetboek volgens het welk (eerste en tweede gedachtestreepje) er vrijstelling is voor de verpachting, de verhuur en de overdracht van huur van uit hun aard onroerende goederen, met uitzondering van de terbeschikkingstelling van stalling van voertuigen en de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen.

Het gaat om huuropbrengsten die zich uitstrekken over de periode december 2006 tot augustus 2011 (zie p. 45"66, en p. 142-143 van het proces-verbaal dd, 17.1.2013).

Terecht heeft de geïntimeerde aangenomen dat er oogmerk was om de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken door verschuldigde BTW niet aan te rekenen (p. 152-153 van het proces--verbaal van 17.1.20113 dat verwijst naar de bladzijden 141-143 waarin de thans besproken overtredingen worden besproken). Het gaat om flagrante overtredingen, op grote schaal begaan, voor grote bedragen, en dit terwijl de appellante werd bijgestaan door een professioneel/boekhouder (zie bvb. de vermelding p. 45 van het proces-verbaal dd. 17.1.2013). Het is niet aan te nemen dat de appellante (die ten overvloede de door de geïntlrneerde opgeworpen ervaring In onroerende goederen niet ontkent) wel zou weten dat onroerende verhuur in beginsel vrijgesteld is maar niet zou weten dat die vrijstelling niet geldt voor verhuur van stalling voor rijtuigen en bergruimte voor opslag van goederen, wat volstrekt ongeloofwaardig zou zijn.

In deze omstandigheden moet aangenomen worden dat de invordering van de hier besproken verschuldigde BTW niet verjaard is (verlengde termijn van zeven jaar en stuiting door de afstand van de verlopen tijd van verjaring dd. 16.12.2011, zoals hoger uiteengezet sub punt 7.a).

Evenzeer volgt hieruit dat de administratie terecht een administratieve boete van 200 % heeft opgelegd. De vermindering van de proportionele fiscale geldboeten voorzien bij het voormeld KB nr. 41 zijn niet van toepassing (artikel 1 laatste lid van dit KB). Er zijn ook geen redenen om de administratieve boete te verminderen of er uitstel voor te verlenen om de redenen hoger uiteengezet onder het punt 6.

9\. De SPRL Aquasambra heeft aan de appellante een factuur nr. 502407 dd. 24.11.2005 gericht voor een bedrag van 305.940,30 EUR+ 18.356,42 EUR BTW, hetzij in totaal 324.296,72 EUR. De BTW ten bedrage van 18.356,42 EUR werd door de appellante afgetrokken.

De SPRL Aquasambra heeft aan de appellante een creditnota nr. 21000229062 dd. 9.12.2005 gericht waarbij de factuur nr. 502407 dd. 24.11.2005 werd gecrediteerd. De appellante heeft echter de BTW niet tijdig aan de Staat teruggestort zoals voorzien bij [artikel 79 BTW­ wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-79). De appellante heeft de BTW pas teruggestort aan de Staat, na vaststelling van de inbreuk, in de BTW-aangifte van juni 2011. Met het bestreden dwangbevel vordert de geïntimeerde thans nog de wegens de inbreuk opgelegde administratieve boete van 200 % en wettelijke intrest voor het laattijdig terugstorten van de BTW.

Hieromtrent ondervraagd door de administratie gaf de appellante als uitleg dat ofwel de creditnota niet werd ontvangen ofwel ze beschouwd werd als dezelfde creditnota als creditnota 210001116597 (zie p. 90 van het proces-verbaal van 17.1.2013). Deze uitleg is niet ongeloofwaardig en mogelijk. Er blijkt immers meer dan één factuur voor dezelfde bedragen te zijn opgesteld en gericht aan de appellante (zie het proces-verbaal dd. 17.1.2013, p. 88).

Het bedrieglijk oogmerk Is In die omstandigheden door de geïntimeerde (die de bewijslast daarvan draagt) niet afdoende bewezen.

Dit heeft tot gevolg dat de Invordering van de boete en intresten verjaard is, door verloop van de termijn van drie jaar (eindigend op 31.12.2008). De verjaring werd niet tijdig en nuttig gestuit.

Zo de appellante uiteindelijk, na controle, de nog verschuldigde BTW heeft voldaan zonder zich op de verjaring te beroepen, dan heeft zij Impliciet afgezien van de exceptie van verjaring voor wat de betaalde BTW(!} betreft. Dit laat voor de appellante de mogelijkheid onaangetast om zich nog te beroepen op de verjaring van de administratieve geldboete en van de nalatigheidsintresten.

10\. De facturen van de N.V. Vertronics voor werken in onroerende staat aan het rusthuis te Taintignies

Het geschilpunt heeft betrekking op drie facturen uitgereikt door de N.V. Vertronics aan de appellante, met BTW te voldoen door de medecontractant:

…

De facturen hadden betrekking op alarm" en elektriciteitswerken In een rusthuis te Taintignies.

Volgens de appellante heeft zij oorspronkelijk per vergissing de aan te geven BTW berekend op 21 %, BTW die ook onmiddellijk in aftrek werd aangegeven; heeft zij zich vervolgens gerealiseerd dat de BTW diende te worden berekend aan 6 % en die BTW niet mocht worden afgetrokken (rubriek XXXI, tabel A van het KB nr. 20 dd 20.7.1970) om reden dat het werken betrof aan een rusthuis; heeft zij deze vergissing spontaan rechtgezet in 2008 door storting aan de geïntimeerde van een bedrag van 4.569,06 EUR aan BTW (zie p. 22-23 van het proces-verbaal).

Volgens de conclusie van de geïntimeerde (1) kon geen aftrek toegestaan worden op de voormelde facturen omdat de nodige verplichte vermeldingen ontbreken, wals ook op de creditnota's, die ook niet werden ingeschreven In de boekhouding; (2) was de appellante een BTW verschuldigd berekend à 21 % (in plaats van 6 %) zodat, na directe compensatie van het bedrag van 4.569,06 EUR, nog 15.991,67 EUR BTW verschuldigd was.

Hieruit is af te leiden dat de geïntimeerde om de aftrek te weigeren steunt op het niet naleven van louter formele voorwaarden, terwijl niet ter betwisting staat dat de materiële voorwaarden vervuld zijn. In navolging van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (zie hoger) kan de aftrek in die omstandigheden niet geweigerd worden. In het proces-verbaal dd. 17.1.2013 vindt men bevestiging dat gesteund wordt op louter formele gebreken, nu nergens hierin wordt betwist dat de appellante aan de overige voorwaarden voldoet om te kunnen genieten van de bedoelde vrijstelling, motieven die deze zijn van het dwangbevel waaraan dit proces••verbaal in bijlage Is gevoegd.

Het middel van de appellante is gegrond.

11\. De facturen van de BVBA Decor Assistance, de SPRL L.D. Entreprise, de SPRh Larimont en de

N.V. Vertronics voor werken inonroerende staat de rusthuizen te Tainiignies en te Mont-sur-Marchiennes.

De voormelde vennootschappen hebben een aantal facturen opgemaakt met de BVBA Multi Construction als geadresseerde. Het betreft de volgende facturen (vergelijk p. 33-36 en 149- 150 van het proces-verbaal dd. 17.1.2013):

…

Normalerwijze dienden deze facturen te worden doorgefactureerd door de BVBA Multi Construction aan de appellante {opdrachtgever), doch dit gebeurde oorspronkelijk niet. Pas op 31.7.2011 (ongeveer drie jaar nadien) stelt de BVBA Multi Construction twee facturen op gericht aa;fdc appellante, waarin 6 % BTW wordt aangerekend:·.

…

Volgens de administratie is evenwel een BTW van 21 % verschuldigd, terwijl de heffingsmaatstaf ook deze is van de hierboven vermelde facturen van de BVBA Decor Assistance, de SPRL L.D. Entreprise, de SPRL Larimont en de N.V. Vetronics, hetzij 263.673,65 EUR x 21 % = 55.371,65 EUR volgens de berekening door de administratie {p. 150 van het proces-verbaal dd.17.1.2013).

De administratie liet compensatie toe voor de BTW op de laattijdige facturen dd. 31.7.2011 (1.43.000,00 EUR x 0,21 = 30.030,00 EUR en 19.574,94 EUR x 0,21 = 4.110,74 EUR), maar legde een administratieve boete van 200%, berekend op de verschuldigde BTW vóór compensatie.

Te dezen staat niet ter betwisting dat de werken voorwerp van de heffing werken in onroerende staat waren aan een rusthuis. De BTW hierop bedraagt dan ook niet 21 % maar 6 % {rubriek XXXI, tabel A van het kB nr. 20 dd 20.7.1970), zodat de geïntimeerde ten onrechte navordering doet van BTW à 21 %.

De administratieve boete van 2.00 %, berekend op de verschuldigde BTW vóór compensatie, werd wel degelijk gemotiveerd, p. 153 van het proces-verbaal dd. 17.1.2013, nl. : "onder meer door systematisch en voor grote bedragen belastbare handelingen niet te factureren (de hier besproken facturen staan vermeld op p. 149-150), Nazicht van de blzn. 146-151 van het proces-verbaal leert inderdaad dat nagelaten werd belastbare handelingen voor grote bedragen niet te factureren, en dat dit ook veelvuldig gebeurde zodat men dit als systematisch mag betitelen. Dit toont het bedrieglijk oogmerk afdoende aan. De frequentie van dergelijke niet-facturatie sluit uit dat het om vergissingen of toevallige omissies zou gaan. Het hier toegepast systeem is maar uit te leggen doordat de appellante zich heeft verstaan met de BVBA Multi Construction, een met de appellante verbonden vennootschap, om niet te factureren. Een administratieve boete van 200 % werd dan ook terecht opgelegd door de geïntimeerde op de verschuldigde BTW vóór de toegelaten compensatie, Hierbij moet worden opgemerkt dat de facturen van 31.7.2011 dateren van een ogenblik waarop het controle-onderzoek bij de appellante volop aan de gang was.

12\. De appellante heeft voor de volgende facturen voor hotelkosten de BTW In aftrek gebracht:

…

De geïntimeerde is van oordeel dat deze aftrek ten onrechte gebeurde en de appellante dit bedrag dient terug te storten. Volgens het proces-verbaal van 17.1.201.3 (p. 151) zou het gaan onkosten bedoeld in [artikel 45 § 3 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) die niet voor aftrek in aanmerking komen.

Op grond van dezelfde principes als aangehaald onder het cijfer 7.a van het huidig arrest, dient deze vordering van de geïntimeerde als verjaard te worden beschouwd. Ook hier wordt door de geïntimeerde niet aangetoond dat de inbreuk werd begaan met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

### Beschikkend gedeelte

## OP DEZE GRONDEN

HET HOF, rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Ontvangt het hoofdberoep en het incidenteel beroep;

Verklaart het hoofdberoep ongegrond en het incidenteel beroep deels gegrond; Vernietigt de bestreden vonnissen dd. 21.9.2015 en 3.4.2017;

Opnieuw wijzende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellante ontvankelijk en deels gegrond;

Vernietigt het bestreden dwangbevel (RCIV nr. 413...84) uitgevaardigd op 6.2.2013 door X, e.a. Inspecteur a.i., en op 7.2.2013 geviseerd en uitvoerbaar verklaard door Y, e.a. Inspecteur, daartoe gedelegeerd door de gewestelijke directeur van de BTW te Gent, in de mate waarin de oorspronkelijke vorderingen van de appellante bij het huidig arrest gegrond worden verklaard;

Gezien het wederzijds gelijk en ongelijk, compenseert de kosten van de partijen In de beide aanleggen;

Aldus gewezen en uitgesproken In openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent,

VIJFDE KAMER, zitting houdende In fiscale zaken, van 8 januari 2019,

Aanwezig:

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

7

[KB nr. 20 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-20-juli-vaststelling-tarieven-belasting-toegevoegde-52d3) 6 voorkomens

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 3 voorkomens

[KB nr. 1 art. 20](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-20-136d) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 2 voorkomens

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 2 voorkomens

[WBTW art. 79](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-79) 1 voorkomen

[WBTW art. 84ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) 1 voorkomen

## Rechtspraak

1

### België

1

Hof van Cassatie F.19.0069.N 25.06.2020

#### [Nieuw gebouw, Renovatie, Werk in onroerende staat, Privéwoning](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nieuw-gebouw-renovatie-werk-in-cassatie-brussel-2020-06-25-4e3a)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Valse facturen, Melding van aanwijzingen voor fraude, Evenredige boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/valse-facturen-melding-aanwijzingen-fraude-rechtbank-brussel-2026-03-26-850b) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlengde verjaringstermijn, Vermoeden belastingontduiking, Intracommunautaire levering, Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlengde-verjaringstermijn-vermoeden-belastingontduiking-hof-van-beroep-gent-2026-02-17-e499) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Laattijdige BTW-aangifte, Verlegging van heffing, Slecht gevoerde boekhouding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/laattijdige-btw-aangifte-verlegging-heffing-hof-van-beroep-antwerpen-2020-01-21-586c) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling, andere vrijstelling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/werkingssfeer-dienst-belastbare-handeling-vrijstelling-rechtbank-brussel-2009-06-17-9563) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek van belasting, voldoening van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-voldoening-vervolging-rechtbank-brussel-2011-06-10-dcf9) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafdossier, Inzage, Verjaring, Rechten van de verdediging, Aftrek, Neutraliteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafdossier-inzage-verjaring-rechten-verdediging-hof-van-beroep-luik-2020-04-24-5cae) 3 gemeenschappelijke bepalingen
