---
title: "Nietigheid dwangbevel · Hof van beroep te Antwerpen, 5 oktober 2021"
description: "Het hof van beroep te Antwerpen veroordeelt de Belgische Staat tot het betalen van moratoriuminteresten over een bedrag van 883,33 euro."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e"
lang: "nl"
---

# Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

5 oktober 2021

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

271 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 05.10.2021

WF 711-15-18/042878

\[Gunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Nietigheid dwangbevel – Openbare orde karakter van de belasting – Bewijs fraude – Uitbreiding termijn verjaring - Zwijgrecht*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen [60](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60), [61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61), [70, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70), [81bis, §1, tweede lid, 4°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) en [84ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) WBTW

## Samenvatting

1) Feiten en vonnis in eerste aanleg

De belastingplichtige is btw-belastingplichtige voor de activiteit van boekhouder-fiscalist.

Er werd een controle inzake toepassing van de btw uitgevoerd voor de periode 2011 tot en met 2016.

Bij toepassing van [art. 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) werd een kennisgeving van uitbreiding van de verjaringstermijn verzonden. In het proces-verbaal van regularisatie werd vastgesteld dat voor de jaren 2011 tot en met 2016 in de btw-aangiften aanzienlijk minder omzet werd opgenomen dan uit de boekhouding bleek.

De belastingadministratie weerhield fraude in hoofde van de belastingplichtige.

Tevens werd in toepassing van [art. 70 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) een proportionele geldboete van 200% opgelegd wegens de ernst van de overtredingen.

Tegen het dwangbevel werd een verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen.

De rechtbank oordeelde dat de belastingplichtige geen enkele zinnige uitleg gaf voor het minder aangeven van omzet en dat er geen sprake was van verjaring. Tegen dit vonnis werd hoger beroep gesteld.

2) Het arrest van het hof van beroep te Antwerpen

*1.* *Het dwangbevel, fraude en verjaring*

De belastingplichtige meent dat het dwangbevel niet uitgevaardigd werd door de juiste persoon of omwille van het niet naleven van de vormvoorschriften, nietig is en dienvolgens de verjaring niet kan stuiten.

De belasting raakt echter de openbare orde zodat de rechtscolleges zelf in feite en naar recht uitspraak moeten doen binnen de perken van het voorgelegde geschil. Dit geldt dus ook in geval van eventuele nietigheid van het dwangbevel omdat het niet zou uitgevaardigd zijn door de bevoegde persoon. Zelfs indien het dwangbevel nietig verklaard wordt, komt het immers de rechter toe te oordelen of er al dan niet een btw-schuld bestaat (vgl. Cass. AR [F.08.0082.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-bevoegdheid-viseren-uitvoerbaar-verklaren-cassatie-brussel-2011-03-8e80), 3 maart 2011, www.cass.be en Cass. En AR.[F.12.0188.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-motivering-openbare-orde-terugbetaling-cassatie-brussel-2014-05-22-2961), 22 mei 2014).

Krachtens [artikel 84ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) moet de administratie, op straffe van nietigheid, voorafgaandelijk aan de betrokken belastingplichtige schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode, indien zij voornemens is de verjaringstermijn van zeven jaar bepaald in artikel 81bis, §1, tweede lid, 4°, toe te passen.

In deze heeft de administratie in de kennisgeving op omstandige wijze omschreven en duidelijk vermeld over welke gegevens zij op dat ogenblik beschikte om belastingontduiking in hoofde van eiseres in hoger beroep te vermoeden voor de jaren 2011, 2012 en 2013. Uit de kennisgeving blijkt duidelijk dat in 2016 voor elke aangifte minder omzet werd aangegeven. Tevens werd vastgesteld dat in 2014 tot en met 30/09/2015 er diverse boekingen gebeurden waardoor aan de Schatkist verschuldigde btw werd onttrokken. Op basis hiervan mocht de belastingadministratie vermoeden dat de belastingplichtige zich ook vóór 2015 had ingelaten met het te kwader trouw niet-opnemen van belastbare handelingen in de daartoe bestemde periodieke aangiften. In de regel zijn het feiten uit andere jaren die de aanwijzingen vormen van belastingontduiking voor de eerdere jaren.

De belastingadministratie heeft vastgesteld dat er bij de belastingplichtige een techniek bestond om systematisch te weinig omzet op te nemen in de periodieke aangiftes. Het bestaan van een dergelijke praktijk was een voldoende aanwijzing dat ook fraude kon gepleegd zijn in de vorige jaren. De belastingplichtige is nochtans een boekhoudkantoor en kan hiervoor geen verantwoording geven.

De voorwaarden voor de uitbreiding van de verjaringstermijn waren vervuld en er is dus geen sprake van verjaring van de vordering.

*2.* *Het zwijgrecht*

De belastingplichtige verklaart dat ze geen inzage in de boekhouding over de kalenderjaren 2011, 2012 en 2013 wenste te geven.

Het nemo tenetur-beginsel of zwijgrecht is een principe uit het strafrecht en betreft het recht om zichzelf niet te beschuldigen, te zwijgen en niet te moeten meewerken aan het bewijs van het eigen misdrijf. Het Grondwettelijk Hof oordeelde in het arrest nr. 116/2017 van 12 oktober 2017 dat voor zover de finaliteit enkel gericht is op de juiste belastingheffing, de belastingplichtige zich niet kan beroepen op het zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te beschuldigen teneinde te ontkomen aan zijn verplichting tot medewerking.

De belastingplichtige is aldus verplicht om in te gaan op vragen die louter betrekking hebben op de belastingheffing, zelfs indien dit tot gevolg zou hebben dat een misdrijf kenbaar wordt gemaakt. De belastingplichtige kan zich niet beroepen op het zwijgrecht wanneer hem enkel wordt gevraagd om documenten voor te leggen die onbetwistbaar bestaan. Zo kan niet op algemene wijze worden toegestaan dat de belastingplichtige, zich beroepend op het zwijgrecht, zou weigeren om de boekhouding en de boekhoudkundige stukken voor te leggen.

In beginsel valt de verplichting tot voorleggen van de door de wet verplicht bij te houden boeken en documenten niet onder het zwijgrecht, gezien zij onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige reeds bestaan.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep Antwerpen, Kamer B6M, burgerlijke zaken**

Arrest van 5 oktober 2021

2020/AR/495

**B.A.F.BV**, ON 044...02, met maatschappelijke zetel te …, Eiseres in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. …, advocaat te … tegen het vonnis van de AFi1 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 24 januari 2020, gekend onder rolnummer 18/4253/A

**tegen**

**BELGISCHE STAAT, ON 0308.357.159, FOD FINANCIËN**, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van het ADVISEUR-GENERAAL VAN HET KMO CENTRUM HASSELT, ON 0308.357.159, met diensten te 3500 HASSELT, Voorstraat 43 bus 106, Verweerder in hoger beroep, vertegenwoordigd door mr. …, advocaat te …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 24 januari 2020, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 18 maart 2020, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

***1.1.*** ***Voorwerp van de betwisting.***

Het geschil heeft betrekking op het verzet tegen dwangbevel met RCIV 500/.../...29, uitgevaardigd op 17/05/2018 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24/05/2018.

***1.2.*** ***Feiten en voorgaanden.***

Eiseres in hoger beroep is geïdentificeerd als BTW-belastingplichtige voor de activiteit van boekhouders en boekhouders-fiscalisten.

Er werd een controle inzake toepassing van de BTW uitgevoerd voor de periode van 01/01/2011 tot en met 31/12/2016.

Op 06/03/2018 werd een kennisgeving van uitbreiding van de verjaringstermijn verzonden bij toepassing van [artikel 84 ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter). De raadsman van eiseres in hoger beroep deelde bij brief van 12/03/2018 een aantal opmerkingen mee betreffende deze kennisgeving.

Op 23/03/2018 volgde een nieuwe kennisgeving bij toepassing van [artikel 84 ter WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) dat het schrijven van 06/03/2018 verving.

Op 23/03/2018 werd een proces-verbaal van regularisatie opgesteld. De belastingadministratie had vastgesteld dat onder meer voor de jaren 2011, 2012 en 2013, 2014, 2015 en 2016 in de periodieke BTW-aangiften aanzienlijk minder omzet werd opgenomen dan de omzet vermeld op de jaarlijkse lijst van de BTW-plichtige afnemers en/of uit de boekhouding bleek.

De verkoopdagboeken van de periode van 01/01/2011 tot en met 31/12/2013 werden niet voorgelegd.

De verkoopdagboeken met betrekking tot de jaren 2014, 2015 en 2016 bevestigden dat in de periodieke BTW-aangiften aanzienlijk minder omzet werd opgenomen dan de omzet die bleek uit de boekhouding.

Voor het jaar 2014 en 2015 gebeurde een laattijdige rechtzetting zodat hierdoor nihil verschuldigd was volgens het proces-verbaal.

Volgens het proces-verbaal d.d. 23/03/2018 was voor het jaar:

\- 2011: 29.173,43 euro aan BTW verschuldigd

\- 2012: 20.192,55 euro aan BTW verschuldigd

\- 2013: 24.202,12 euro aan BTW verschuldigd

\- 2014: 0,00 euro aan BTW verschuldigd

\- 2015: 0,00 euro aan BTW verschuldigd

\- 2016: 33.803,10 euro aan BTW verschuldigd

Tevens stelde de belastingadministratie vast dat in het divers dagboek van het boekjaar 2015 gelden die als verschuldigde BTW op het passief op de balans stonden en dienden te worden afgedragen aan de Schatkist (debet rekening 451000 R/C BTW) werden overgeboekt naar de rekening 173000 'Kredietinst. schuld op rekening' (credit) voor een bedrag van 44.170,21 euro. Uit nazicht bleek dat dit slechts 224,46 euro minder was dan de niet aangegeven verschuldigde BTW over de jaren 2012 en 2013 (20.192,55 + 24.202,12 = 44.394,67 euro).

Verder stelde de belastingadministratie dat de rekening 173000 'Kreditinst. schuld op rekening' op 18/08/2016 werd gedebiteerd ten belope van een bedrag van 60.000 euro, terwijl de rekening 551200 BNP PARIBAS 235-...-88 werd gecrediteerd voor hetzelfde bedrag.

De belastingadministratie weerhield fraude in hoofde van eiseres in hoger beroep. Voor de overtredingen bedoeld in de artikelen [61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) en [62](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62) WBTW (niet voorleggen verkoopdagboeken van de jaren 2011, 2012 en 2013) werd een boete van 5.000 euro opgelegd. Volgens de belastingadministratie wou eiseres in hoger beroep verhinderen dat de ontduiking van de belasting aan het licht zou komen.

Tevens werd in toepassing van [art. 70 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) een proportionele geldboete van 200% opgelegd wegens de ernst van de overtredingen, zijnde het feit dat de verschuldigde BTW met betrekking tot de belastbare handelingen, door eiseres in hoger beroep systematisch en te kwader trouw niet werd opgenomen in een ingediende BTW-aangifte noch werd doorgestort aan de Belgische Staat.

Op 09/05/2018 en 16/05/2018 verrichtte eiseres in hoger beroep twee betalingen, op het rekeningnummer van de BTW-ontvangsten Mechelen, met als mededeling "BE044...02 betaling onder alle voorbehoud van rechten en zonder erkenning juistheid correctieopgave, die in rechte en feite betwist wordt".

Op 17/05/2018 werd een dwangbevel uitgevaardigd met nummer 500/.../...29, dat op 24/05/2018 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, waarin geen melding werd gemaakt van de voormelde betalingen.

Het dwangbevel werd samen met het proces-verbaal d.d. 23/03/2018 aangetekend te kennis gebracht van eiseres in hoger beroep op 08/06/2018.

Middels voormeld dwangbevel wordt betaling gevorderd van eiseres in hoger beroep van: 107.371,20 aan BTW, 214.742,40 euro aan proportionele boete, 5.000 euro aan niet-proportionele boete meer interesten en kosten.

***1.3.*** ***Procedure voor de eerste rechter.***

Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 03/09/2018 tekende eiseres in hoger beroep verzet aan tegen voormeld dwangbevel.

De vordering van eiseres in hoger beroep strekte ertoe het dwangbevel inzake BTW met referentie 500/.../...29 uitgevaardigd op 17/05/2018, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 02/05/2018 (lees 24/05/2018) te vernietigen en te zeggen voor recht dat de BTW en geldboeten evenals interesten vermeld in het proces-verbaal van 23/03/2018 waarvan een afschrift was gevoegd bij voormeld dwangbevel niet verschuldigd waren wegens het bereiken van de verjaring en wegens de afwezigheid van een juridische en/of feitelijke grondslag.

Eiseres in hoger beroep vorderde verder de terugbetaling te bevelen van de bedragen van 200.000 euro, betaald op 28/05/2018 en het bedrag van 140.856,96 euro betaald op dezelfde datum, en de moratoriuminteresten over het bedrag van 883,33 euro, betaald op 27/10/2017 op grond van [artikel 91 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), berekend vanaf de dag van 27/10/2017 tot de datum van creditering van de rekening-courant van eiseres in hoger beroep op 883,33 euro, zijnde 28/08/2019.

Tevens vorderde eiseres in hoger beroep de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, ten laste van de Belgische Staat te leggen, begroot op 8.400 euro rechtsplegingsvergoeding en een bijzondere bijdrage voor het fonds voor tweedelijnsbijstand van 20,00 euro.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder in hoger beroep niet begroot en door de rechtbank vereffend op nul euro.

De eerste rechter oordeelde dat het al dan niet vermelden van de controle inzake inkomstenbelasting in het proces-verbaal van 23 maart 2018 geen enkele invloed had op de bewijswaarde ervan en de rechtbank kon niet vaststellen dat door de wijze waarop het proces-verbaal was opgesteld eiseres in hoger beroep beperkt zou geweest zijn in het voeren van haar verdediging.

De rechtbank kon geen schending vaststellen van enige regel betreffende onderzoekstermijnen.

De rechtbank oordeelde dat voor elk van de betrokken jaren 2011, 2012, 2013 en 2016 aangetoond was dat de in het proces-verbaal van 21 maart 2018 (lees 23 maart 2018) vastgestelde overtredingen werden begaan met bedrieglijk opzet of minstens met het oogmerk om te schaden. De rechtbank oordeelde dat bleek dat eiseres in hoger beroep op zeer systematische wijze naliet om omzet (die bleek uit de lijsten van de BTW-plichtige afnemers) op te nemen in de door haar ingediende kwartaalaangiftes inzake BTW en dat eiseres in hoger beroep geen enkele zinnige uitleg hiervoor gaf.

De rechtbank oordeelde tenslotte dat er geen sprake was van verjaring ([art. 81 bis §1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis)).

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 18/03/2020, hoger beroep ingesteld.

***1.4.*** ***Procedure voor het hof van beroep.***

Eiseres in hoger beroep vordert:

\- het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren;

\- dienvolgens het vonnis a quo teniet te doen, en opnieuw uitspraak doende;

\- het bestreden dwangbevel te vernietigen en te zeggen voor recht dat dit geen basis kan zijn voor invordering van de verschuldigde bedragen;

\- en het belastinggeschil ten gronde te onderzoeken, te zeggen voor recht dat de belastingen, de proportionele en niet-proportionele geldboeten, evenals de aangerekende interesten, zoals vermeld in het proces-verbaal, opgesteld op 23 maart 2018, en waarvan een afschrift als bijlage bij het BTW dwangbevel was gevoegd, niet verschuldigd waren wegens het bereiken van de verjaring overeenkomstig [artikel 81 bis §1, eerste lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) en anderzijds wegens de afwezigheid van een juridische en/of feitelijke grondslag;

\- de terugbetaling te bevelen van de bedragen van 200.000 euro, betaald op 28/05/2018 en het bedrag van 140.856,96 euro betaald op dezelfde datum, en de moratoriuminteresten over het bedrag van 883,33 euro, betaald op 27/10/2017 op grond van [artikel 91 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), berekend vanaf de dag van 27/10/2017 tot de datum van creditering van de rekening-courant van eiseres in hoger beroep op 883,33 euro, zijnde 28/08/2019.

\- De kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, ten laste van de Belgische Staat te leggen.

Verweerder in hoger beroep besluit tot de ontvankelijkheid maar ongegrondheid van het verzoekschrift tot hoger beroep, het eerste vonnis te bevestigen en voor recht te zeggen dat alle door eiseres in hoger beroep betaalde sommen wettelijk verschuldigd waren. Verweerder in hoger beroep vordert eiseres in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van eerste aanleg en hoger beroep, begroot aan de zijde van verweerder in hoger beroep op een rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep ten belope van 8.400 euro.

Ter zitting van 07/09/2021 verzoeken partijen de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding toe te passen, zijnde 9.100 euro in hoger beroep en 8.400 euro in eerste aanleg, met dien verstande dat de Belgische Staat in eerste aanleg niet vertegenwoordigd was door een advocaat.

## 2. Bespreking

### *2.1* *Het dwangbevel/verjaring*

Volgens eiseres in hoger beroep is het dwangbevel zelf nietig. Eiseres in hoger beroep meent dat het dwangbevel niet uitgevaardigd werd door de juiste persoon. Eiseres in hoger beroep stelt dat het dwangbevel dat eigenlijk geen dwangbevel zou zijn omdat het niet zou uitgevaardigd zijn door de juiste personen of omwille van het niet naleven van de vormvoorschriften, nietig is en dienvolgens de verjaring niet kan stuiten.

Thans wordt door de belastingplichtige op verzet tegen het dwangbevel de terugvordering gevraagd van de reeds onder voorbehoud betaalde bedragen.

Het hof merkt desbetreffende op dat in de mate de aanvoeringen van eiseres in hoger beroep betrekking hebben op de verjaringstermijnen inzake inkomstenbelastingen deze hier niet relevant zijn.

Te dezen werd door de belastingadministratie de verjaringstermijn toegepast van zeven jaar op grond van [art. 81bis § 1 lid 2, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) en niet op grond van artikel 81 bis §1, lid 3. De aanvoeringen van eiseres in hoger beroep gesteund op [artikel 81 bis §1 lid 3 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) zijn dan ook te dezen niet relevant. Bovendien bewijst eiseres in hoger beroep niet dat de administratie tijdens de gewone driejarige verjaringstermijn reeds kennis had of kon/moest hebben van de niet aangeven omzet zoals vastgesteld in het proces-verbaal van 23/03/2018. Het blijkt niet dat er voor de jaren 2011, 2012 en 2013 reeds enige controle zou plaatsgevonden hebben waardoor de administratie over alle elementen zou hebben beschikt om belasting en boetes te vorderen zoals opgenomen in het proces-verbaal van 23 maart 2018.

Conform [artikel 81bis § 1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) treedt in geval van bedrieglijk opzet de verjaring in na het verstrijken van het zevende kalenderjaar waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, de intresten en de administratieve boetes zich heeft voorgedaan.

Krachtens [artikel 84ter BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter), moet de administratie, op straffe van nietigheid van de rechtzetting, voorafgaandelijk aan de betrokken belastingplichtige schriftelijk en nauwkeurig kennis geven van de vermoedens van belastingontduiking die tegen hem bestaan in de betreffende periode, indien zij voornemens is de verjaringstermijn van zeven jaar bepaald in artikel 81bis, § 1, tweede lid, 4°, toe te passen.

Deze kennisgeving mag gebeuren in de aanvullende termijn en het is voldoende dat deze kennisgeving aanwijzingen van belastingontduiking bevat (Antwerpen 26 november 2013, 2012/AR/2342; Gent 3 december 2013, 2012/AR/2177, Cass. 27 maart 2015, Fisc. Koer. 2015/669).

Het hof oordeelt dat de brief van 06/03/2018 en de brief van 23/03/2018 (die de brief van 06/03/2018 verving) voldoen aan de vereisten van artikel 84ter W.BTW (voorafgaande kennisgeving uitbreiding verjaringstermijn).

In deze heeft de administratie in de kennisgevingen op omstandige wijze omschreven en duidelijk vermeld over welke gegevens zij op dat ogenblik beschikte om belastingontduiking in hoofde van eiseres in hoger beroep te vermoeden voor de jaren 2011, 2012 en 2013. Uit de kennisgeving blijkt duidelijk dat voor januari 2016 tot en met december 2016 voor elke periodieke BTW-aangifte minder omzet werd aangegeven. Tevens werd vastgesteld dat in boekjaar 2014 tot en met 30/09/2015 er diverse boekingen gebeurden waardoor aan de Schatkist verschuldigde BTW onttrokken werd aan haar werkelijke bestemming. Op basis hiervan mocht de belastingadministratie vermoeden dat eiseres in hoger beroep zich ook vóór 2015 had ingelaten met het te kwader trouw niet-opnemen van belastbare handelingen in de daartoe bestemde periodieke BTW-aangiften. In de regel zijn het feiten uit andere jaren die de aanwijzingen vormen van belastingontduiking voor de eerdere jaren. De belastingadministratie heeft vastgesteld dat er bij de eiseres in hoger beroep een techniek bestond om systematisch te weinig omzet op te nemen in de periodieke BTW-aangiftes. Het bestaan van een dergelijke praktijk was een voldoende aanwijzing dat ook fraude kon gepleegd zijn in de vorige jaren.

De administratie heeft dan ook op een correcte manier toepassing gemaakt van artikel 81bis, §1, 2de lid W.BTW. Deze brieven brachten eiseres in hoger beroep duidelijk op de hoogte van de vermoedens van belastingontduiking die tegen haar bestaan voor de periode in kwestie.

Het hof is van oordeel dat gelet op de vaststellingen en rekening houdende met de aard en de omvang van de begane inbreuken en overtredingen de administratie redelijkerwijze mocht vermoeden dat de vermelde inbreuken en overtredingen door eiseres in hoger beroep begaan werden met het oogmerk zichzelf een voordeel toe te kennen en de belangen van de schatkist te benadelen, dus met frauduleuze intenties en dat dus de verjaringstermijn van artikel 81bis, §1, 2de lid, 4° W.BTW terecht werd toegepast.

Er wordt aangenomen dat er 'bedrieglijk opzet' bestaat wanneer de overtreding wordt begaan met de bedoeling zichzelf of een derde een onrechtmatig voordeel te verschaffen, meestal ten nadele van een persoon of van de gemeenschap. Er is sprake van 'oogmerk om te schaden' wanneer de overtreding wordt begaan met de wil om nadeel te berokkenen, zelfs zonder dat de betrokkene enig voordeel uit zijn handeling haalt.

Het gaat te dezen om een geheel van gegevens en vaststellingen die samen genomen voldoende zijn om te besluiten tot het bestaan van gewichtige en samenhangende vermoedens die leiden tot het onomstotelijk besluit dat door eiseres in hoger beroep met bedrieglijk opzet inbreuken gepleegd werden op de BTW-wetgeving. Gelet op de aard en de omvang van de inbreuken gaat het geenszins over toevallige vergissingen en eiseres in hoger beroep kon hiervan onmogelijk onwetend zijn {zie hierna onder 2.3 verder).

Uit de tekst van [artikel 84ter BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter), de opname van deze bepaling in hoofdstuk XIV "Vervolgingen en gedingen, rechten en voorrechten van de schatkist" en uit de afwezigheid van de notie "onderzoekstermijn" in het btw-recht, volgt dat de administratie de kennisgeving van de vermoedens van belastingontduiking slechts dient te verrichten voorafgaandelijk aan de vordering van de belasting in de aanvullende termijn van twee jaar, en niet voorafgaand aan de onderzoeksdaden.

Zo dienen vermoedens van belastingontduiking waarop de fiscale administratie zich baseert, voorafgaand aan het dwangbevel, nauwkeurig en schriftelijk aan de belastingplichtige te worden meegedeeld op straffe van nietigheid van de invordering van de btw. Overigens dient de fiscale administratie bij het uitvaardigen van een dwangbevel eveneens de algemene beginselen van behoorlijk bestuur te eerbiedigen.

Daarnaast beschikt de belastingplichtige over rechtsmiddelen tegen een dwangbevel van de fiscale administratie. De belastingplichtige kan door het aantekenen van verzet tegen het dwangbevel {[artikel 89, tweede lid, WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-89)) immers alle grieven, onder meer betreffende de grond van de belasting, de onregelmatigheden in de onderzoeksfase en de invordering zelf bij een rechter met volle rechtsmacht aanvoeren.

Op 23/03/2018 werd proces-verbaal tot regularisatie opgesteld.

De betalingen gebeurden door eiseres in hoger beroep "onder alle voorbehoud van rechten en zonder erkenning van de juistheid van de correctieopgave", met de uitdrukkelijke mededeling dat die in rechte en in feite betwist wordt en dit gebeurde na het opstellen van het proces-verbaal tot regularisatie d.d. 23/03/2018 waarin de taxatieambtenaar de BTW­ schuld vaststelde.

In de gevallen waarin de belastingplichtige de BTW-schuld vastgesteld in een door de taxatieambtenaar opgesteld proces-verbaal, gedurende de administratieve fase van het geschil blijft betwisten, is het bestuur verplicht een dwangbevel uit te vaardigen tot invordering van deze schuld. Hetgeen zij te dezen heeft gedaan.

Het bestreden dwangbevel werd uitgevaardigd op 17/05/2018 en geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 24/05/2018.

Het bestreden dwangbevel werd op 08/06/2019, samen met het proces-verbaal van regularisatie d.d. 23/03/2018 aangetekend ter kennis gebracht van eiseres in hoger beroep.

In deze werd de in artikel 84ter W.BTW bedoelde voorafgaande kennisgeving aan eiseres in hoger beroep verzonden op 06/03/2018 en nogmaals op 23/03/2018 (ter vervanging van de kennisgeving op 06/03/2018), hetzij duidelijk voorafgaand aan het dwangbevel, zodat deze kennisgeving tijdig is gebeurd.

De voorwaarden voor de uitbreiding van de verjaringstermijn waren vervuld en er is dus geen sprake van verjaring van de vordering.

Het hof is van oordeel dat zelfs als er geen dwangbevel meer mocht uitgevaardigd worden ingevolge de betalingen uitgevoerd door de belastinplichtige voordat het dwangbevel werd uitgevaardigd, de belasting de openbare orde raakt zodat de rechtscolleges zelf in feite en naar recht uitspraak moeten doen binnen de perken van het voorgelegde geschil, ongeacht de eventuele nietigheid van de beslissing van de administratie. Dit geldt dus ook in geval van eventuele nietigheid van het dwangbevel omdat het dwangbevel niet zou uitgevaardigd zijn door de bevoegde persoon.

Zelfs indien het dwangbevel nietig verklaard wordt, komt het immers de rechter toe (die gevat is) te oordelen of al dan niet een btw-schuld bestaat. De belasting raakt de openbare orde zodat het rechtscollege, ongeacht de eventuele nietigheid waardoor de administratieve akte is aangetast zelf in feite of in rechte uitspraak moet doen binnen de perken van het voorgelegde geschil, ongeacht de nietigheid van de beslissing van de administratie (vgl. Cass. AR [F.08.0082.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-bevoegdheid-viseren-uitvoerbaar-verklaren-cassatie-brussel-2011-03-8e80), 3 maart 2011, www.cass.be en Cass. AR.[F.12.0188.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-motivering-openbare-orde-terugbetaling-cassatie-brussel-2014-05-22-2961), 22 mei 2014, www.cass.be en Cass. (le k.) AR [F.11.0124.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-delegatie-visum-bevel-tenuitvoerlegging-cassatie-brussel-2014-10-09-6c17), 9 oktober 2014, Arr.Cass. 2014, afl. 10, 2124; FJF 2015 (samenvatting), afl. 3, 90}.

Eiseres in hoger beroep vordert te dezen het belastinggeschil ten gronde te onderzoeken, te zeggen voor recht dat de belastingen, de proportionele en niet-proportionele geldboeten, evenals de aangerekende interesten, zoals vermeld in het proces-verbaal, opgesteld op 23 maart 2018, en waarvan een afschrift als bijlage bij het BTW-dwangbevel was gevoegd, niet verschuldigd zijn wegens het bereiken van de verjaring overeenkomstig [artikel 81 bis §1, eerste lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) en anderzijds wegens de afwezigheid van een juridische en/of feitelijke grondslag. Tevens vordert eiseres in hoger beroep de terugbetaling te bevelen van de bedragen van 200.000 euro, betaald op 28/05/2018 en het bedrag van 140.856,96 euro betaald op dezelfde datum, en de moratoriuminteresten over het bedrag van 883,33 euro, betaald op 27/10/2017 op grond van [artikel 91 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), berekend vanaf de dag van 27/10/2017 tot de datum van creditering van de rekening-courant van eiseres in hoger beroep op 883,33 euro, zijnde 28/08/2019.

Bijgevolg moet te dezen de rechter over het bestaan van de BTW-schuld oordelen. Het hof kan immers niet overgaan tot het inwilligen van een dergelijke vordering zonder eerst na te hebben gegaan of de belasting al dan niet verschuldigd is.

Zelfs als het dwangbevel nietig zou zijn dan nog stelt het hof vast dat op 03/09/2018 een vordering in rechte werd ingesteld door eiseres in hoger beroep tegen voormeld dwangbevel. Het verzet van de belastingplichtige tegen het dwangbevel, zelfs als dit dwangbevel nietig zou zijn, schorst de verjaring tot wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan ([Art. 83, lid 2 en 3 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83)).

Te dezen is er geen sprake van verjaring van de BTW-vordering vermits er toepassing gemaakt werd door de belastingadministratie van [artikel 81bis §1, tweede lid, 4° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) zoals van toepassing op anderhavig geschil (verjaringstermijn van zeven jaar in geval van fraude zie verder) en deze BTW-vordering heeft betrekking op de verschuldigde BTW m.b.t het jaar 2011, 2012, 2013 en 2016. De vordering in rechte werd door de belastingplichtige ingesteld middels verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 03/09/2018.

### *2.2* *Het zwijgrecht*

Voor wat betreft de jaren 2011, 2012 en 2013 werd vastgesteld dat de boekhouding voor deze jaren niet werd voorgelegd, ondanks het uitdrukkelijk verzoek daartoe door de controleambtenaar. Op het ogenblik van de controle beriep eiseres in hoger beroep zich geenszins op het zwijgrecht, zoals zij thans wel doet.

Krachtens [artikel 61 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) is eenieder gehouden de boeken, facturen, kopieën van facturen en andere stukken of hun kopieën, die hij overeenkomstig artikel 60 moet bewaren, op ieder verzoek van de administratie belast met de belasting over de toegevoegde waarde, zonder verplaatsing en zonder onnodig uitstel, voor te leggen teneinde de juiste heffing van de belasting in zijnen hoofde of in hoofde van derden te kunnen nagaan.

Op 14/03/2018 heeft de controleambtenaar op grond van [artikel 61§1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) verzocht inzage te verlenen van al de boeken, facturen en stukken waarvan het BTW-wetboek en de ter uitvoering ervan getroffen besluiten, het houden, opmaken, ontvangen, uitreiken, bewaren en voorleggen voorschrijven en die betrekking hebben op de beroepswerkzaamheid van eiseres in hoger beroep vanaf 1 januari 2011 tot en met 31 december 2016.

Door eiseres in hoger beroep werd op 14/03/2018 verklaard dat ze geen inzage in de boekhouding over de kalenderjaren 2011, 2012 en 2013 wenste te geven.

Het nemo tenetur-beginsel of zwijgrecht is een principe uit het strafrecht en betreft het recht om zichzelf niet te beschuldigen, te zwijgen en niet te moeten meewerken aan het bewijs van het eigen misdrijf.

Artikel 6.2 EVRM bepaalt dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, voor onschuldig wordt gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan.

Artikel 14.2 IVBPR heeft dezelfde draagwijdte. Artikel 14.3.g IVBPR voegt eraan toe dat bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging eenieder het recht heeft om niet te worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen.

De richtlijn (EU) 2016/343 bepaalt:

\- in artikel 6.1: "*De lidstaten zorgen ervoor dat de bewijslast voor de vaststelling van de schuld van verdachten en beklaagden op de vervolgende instantie rust. Dit doet geen afbreuk aan enige verplichting voor de rechter of de bevoegde rechtbank om zowel belastende en ontlastende bewijzen te zoeken, noch aan het recht van de verdediging om overeenkomstig het nationale recht bewijsmateriaal aan te brengen*";

\- in artikel 7:

> *"1. De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten en beklaagden het recht hebben om te zwijgen in verband met het strafbaar feit waarvan zij worden verdacht of beschuldigd.*
>
> *2.* *De lidstaten zorgen ervoor dat verdachten of beklaagden het recht hebben om zichzelf niet te belasten.*
>
> *3.* *De uitoefening van het recht om zichzelf niet te belasten mag de bevoegde autoriteiten niet beletten bewijsmateriaal te vergaren dat rechtmatig wordt verkregen door gebruik van legale dwang en dat onafhankelijk van de wil van de verdachten of beklaagden bestaat.*
>
> *4.* *De lidstaten mogen hun rechterlijke instanties toestaan bij de veroordeling rekening te houden met de bereidheid tot medewerking van verdachten en beklaagden.*
>
> *5.* *De uitoefening door verdachten en beklaagden van het recht om te zwijgen of het recht om zichzelf niet te belasten, mag niet tegen hen worden gebruikt en mag niet worden beschouwd als bewijs dat zij het betrokken strafbaar feit hebben begaan."*

Die richtlijn bepaalt in de preambule ook:

\- in overweging 24: "*Het recht om te zwijgen is een belangrijk aspect van het vermoeden van onschuld. Het moet dienen als bescherming tegen zelfincriminatie*";

\- in overweging 25: "*Het recht om zichzelf niet te belasten is eveneens een belangrijk aspect van het vermoeden van onschuld. Wanneer verdachten en beklaagden wordt gevraagd verklaringen af te leggen of vragen te beantwoorden, mogen zij niet worden gedwongen bewijzen of documenten over te leggen of inlichtingen te verstrekken die tot zelfincriminatie kunnen leiden*";

\- in overweging 27: "*Het recht om te zwijgen en het recht om zichzelf niet te belasten, impliceren dat de bevoegde autoriteiten verdachten of beklaagden niet tegen hun wil mogen dwingen informatie te verstrekken. Bij de beoordeling of sprake is van schending van het recht om te zwijgen of het recht om zichzelf niet te belasten moet rekening worden gehouden met de uitleg die het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geeft aan het recht op een eerlijk proces uit hoofde van het EVRM*";

\- in overweging 29: "*De uitoefening van het recht om zichzelf niet te belasten, mag de bevoegde instanties niet beletten bewijsmateriaal te vergaren dat rechtmatig van de verdachte of de beklaagde kan worden verkregen door gebruik van rechtmatige dwang en dat onafhankelijk van de wil van de verdachte of beklaagde bestaat, zoals materiaal dat als gevolg van een bevel wordt verkregen, materiaal waarvoor een wettelijke bewaarplicht bestaat alsmede een verplichting om het op verzoek af te staan, adem-, bloed- en urinemonsters en monsters van lichaamsweefsel voor DNA-tests*." (vlg. Cass. 4 februari 2020, p. 19, 1086, www.cass.be).

Het Grondwettelijk Hof oordeelde in het arrest nr. 116/2017 van 12 oktober 2017 (prejudiciële vraag): Voor zover de finaliteit enkel gericht is op de juiste belastingheffing, kan de belastingplichtige zich niet beroepen op het zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te beschuldigen teneinde te ontkomen aan zijn verplichting tot medewerking (EHRM, besl. 16 juni 2015, Van Weerelt t. Nederland, §56). Enkel indien er sprake is van een ingestelde vervolging in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, kan de belastingplichtige zich beroepen op het zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te beschuldigen (EHRM, 25 februari 1993, Funke t. Frankrijk, §44). Dat recht veronderstelt dat in een strafprocedure geen gebruik wordt gemaakt van bewijs verkregen door methodes van onbehoorlijke dwang in weerwil van de verdachte (EHRM, 3 mei 2001, J.B. t. Zwitserland, §64; 17 december 1996, Saunders t. het Verenigd Koninkrijk, §68). Echter, het recht om zichzelf niet te beschuldigen, strekt zich niet uit tot het gebruik in strafzaken van gegevens die van de belastingplichtige verkregen kunnen worden door een beroep te doen op dwangmaatregelen, maar die een bestaan kennen onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige (EHRM, besl. 16 juni 2015, Van Weerelt t. Nederland, §55; 17 december 1996, Saunders t. het Verenigd Koninkrijk, §69).

De belastingplichtige is aldus verplicht om in te gaan op vragen die louter betrekking hebben op de belastingheffing, zelfs indien dit tot gevolg zou hebben dat een misdrijf kenbaar wordt gemaakt. De belastingplichtige kan zich niet beroepen op het zwijgrecht wanneer hem enkel wordt gevraagd om documenten voor te leggen die onbetwistbaar bestaan, ongeacht de houding van de belastingplichtige, en die er enkel op gericht zijn de belastingheffing in hoofde van de belastingplichtige mogelijk te maken. Zo kan niet op algemene wijze worden toegestaan dat de belastingplichtige, zich beroepend op het zwijgrecht, zou weigeren om de boekhouding en de boekhoudkundige stukken voor te leggen.

In beginsel valt de verplichting tot voorleggen van de door de wet verplicht bij te houden boeken en documenten niet onder het zwijgrecht, gezien zij onafhankelijk van de wil van de belastingplichtige reeds bestaan.

Het hof stelt vast dat er in onderhavig geval zekerheid bestaat over het bestaan van de betrokken gegevens en documenten. In de mate dat het gaat om door de wetgeving voorgeschreven documenten, zijn het documenten en stukken die bestaan onafhankelijk van de wil van de belastingplichtigen en kan de voorlegging niet geweigerd worden.

Bovendien werd te dezen de boekhouding voor de jaren 2011, 2012 en 2013 nooit voorgelegd door eiseres in hoger beroep. Zodat er geen sprake kan zijn van gebruik van deze gegevens in "strafzaken".

Die voormelde verdragsbepalingen en overwegingen noch enig daarop gesteund algemeen rechtsbeginsel beletten ook het opleggen van een niet-proportionele fiscale geldboete voor overtreding op de verplichting bedoeld in de artikelen [61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) en [62](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62) WBTW (vgl. arrest van het Hof van Cassatie van 04/02/2020, P.19.1086, www.cass.be).

Hierbij kan rekening gehouden worden met het feit dat het opleggen van de boete proportioneel is met het beoogde belang te komen tot een juiste belastingheffing. Er kan geen betwisting bestaan over het feit dat de gevraagde documenten, zijnde boekhoudkundige stukken bestaan en op het ogenblik van het vragen van de inzage nog dienden bewaard te worden. De boekhouding bestaat onafhankelijk van enige dwang. De voorlegging van de boekhouding is noodzakelijk met het oog op de juiste belastingheffing. Het recht van de belastingplichtige om zijn verdediging te voeren over de op basis van de boekhouding achterhaalde gegevens blijft onverlet.

Er is in deze geen sprake van een schending van het zwijgrecht.

De belastingadministratie heeft te dezen de grenzen van haar controlebevoegdheid niet overschreden. Er is geen sprake van machtafwending of machtsoverschrijding.

***2.3*** ***Het proces-verbaal d.d. 23/03/2018 en het bewijs van fraude***

Ingevolge [artikel 59 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) kunnen overtredingen van het BTW-wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de BTW of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, worden bewezen door de processen-verbaal van de ambtenaren van de federale overheidsdienst financiën en de processen-verbaal leveren bewijs zolang het tegendeel niet bewezen is.

De bijzondere bewijskracht van het proces-verbaal wordt geenszins aangetast omdat in het proces-verbaal geen melding zou gemaakt zijn van een controle inzake inkomstenbelastingen die eveneens gevoerd werd bij eiseres in hoger beroep. Terecht stelt de eerste rechter dat eiseres in hoger beroep op de hoogte was van de controle inzake inkomstenbelasting, meer bepaald de vragen om inlichtingen en de antwoorden die ze zelf heeft verstrekt. Eiseres in hoger beroep kan bezwaarlijk stellen dat de controle inzake inkomstenbelasting voor haar verborgen gehouden werd doordat deze niet in het proces­ verbaal inzake BTW werd vermeld. Het stond eiseres in hoger beroep vrij om bij het voeren van haar verdediging te verwijzen naar de controle inzake inkomstenbelasting en het gevolg dat eventueel daaraan al of niet werd gegeven. Er is geen sprake van dat eiseres in hoger beroep in haar belangen zou geschaad zijn, noch is er sprake van een schending van de rechten van verdediging.

Eiseres in hoger beroep toont ook geenszins aan dat er enige doorslaggevende leemten zouden zijn in het proces-verbaal. Het proces-verbaal vermeldt inderdaad op pagina 6 'Het jaar 2016 komt niet ter sprake in de brief'. Deze vaststelling is beperkt tot de inhoud van een brief van 23/10/2017. De verbalisant doet hier totaal geen uitspraak over andere briefwisseling. Eiseres in hoger beroep stelt dat door deze zinsnede de controlerende ambtenaar zou aanduiden dat eiseres in hoger beroep niet de intentie had om over 2016 een correctie uit te voeren. De aanvoeringen desbetreffende van eiseres in hoger beroep gaan uit van een verkeerde lezing van het proces-verbaal. Het betreft een loutere veronderstelling van eiseres in hoger beroep die niet blijkt uit het proces-verbaal zelf.

Ook de vermelding in het proces-verbaal op p 1 "in de aankondiging van de controle heb ik uitdrukkelijk gevraagd om geen BTW-herzieningen op te nemen in de nog in te dienen periodieke BTW aangiften", heeft geen invloed op de bewijswaarde van het proces-verbaal. De aanvoeringen desbetreffende zijn geenszins van aard dat zij afbreuk doen aan de bijzondere bewijswaarde van de vaststellingen zoals opgenomen in het proces-verbaal.

Verweerder in hoger beroep bewijst op basis van de vaststellingen zoals opgenomen in het proces-verbaal d.d. 23/03/2018 haar vordering.

Het hof is samen met de eerste rechter van oordeel dat voor elk van de betrokken jaren 2011, 2012, 2013 en 2016 door de belastingadministratie aangetoond is dat de in het proces-verbaal van 23/03/2018 vastgestelde overtredingen door eiseres in hoger beroep begaan werden met bedrieglijk opzet of minstens met het oogmerk om te schaden.

Uit het proces-verbaal blijkt dat voor de jaren 2011, 2012 en 2013 de verkoopdagboeken niet werden voorgelegd. Voor deze jaren werd met betrekking tot de uitgaande handelingen in de periodieke BTW-aangiften vastgesteld dat er aanzienlijk minder omzet werd opgenomen dan de omzet vermeld op de jaarlijkse lijst van de BTW-plichtige afnemers ('listing klanten'). Dit wordt op zich ook niet betwist door eiseres in hoger beroep. Ook cijfermatig wordt er desbetreffend geen betwisting gevoerd.

Verder werd vastgesteld dat dit ook het geval is voor het jaar 2014, 2015 en 2016. Voor deze kalenderjaren kreeg de controleambtenaar wel inzage in de boekhouding. Ook hier bleek dat eiseres in hoger beroep aanzienlijk minder omzet had aangegeven dan dat bleek uit de verkoopdagboeken.

Terecht stelt de belastingadministratie dat uit de vaststellingen van het proces-verbaal blijkt dat eiseres in hoger beroep op een zeer systematische wijze jarenlang aanzienlijke bedragen aan omzet niet heeft opgenomen in de periodieke BTW aangiften. Eiseres in hoger beroep is nochtans een boekhoudkantoor en kan hiervoor geen verantwoording geven.

Verder stelde de belastingadministratie vast dat in het divers dagboek van het boekjaar 2015 onder nummer 32 op datum van 30/09/2015 gelden die als verschuldigde BTW (ging over BTW die reeds verschuldigd was vóór het boekjaar 2015) op het passief van de balans stonden en dienden te worden afgedragen aan de Schatkist (451000 R/C BTW) werden overgeboekt naar de rekening 173000 Kredietinst. schuld op rekening. Op 18/08/2016 werd de rekening 173000 Kredietinst. Schuld op rekening volledig gesaldeerd. De verklaring van de zaakvoerder dat deze boekingen zouden gebeurd zijn om ratio's te verbeteren is ongeloofwaardig. In tegenstelling tot hetgeen eiseres in hoger beroep beweert kan evenmin uit de doorgevoerde boekhoudkundige verwerking worden afgeleid dat deze betrekking zouden gehad hebben op het verstrekken van een lening aan de zaakvoerder.

Zelfs als het om een lening zou gaan aan de zaakvoerder dan nog blijkt op basis van de boeking op 30/09/2015 dat de BTW die eiseres in hoger beroep ontving van de klanten en die aan de Schatkist toebehoorde, bewust onttrokken werd aan haar bestemming.

De inbreuken kunnen geenszins verklaard worden door louter nalatigheden of slordigheden. Het bedrieglijk opzet om belasting te ontduiken blijkt uit het geheel van elementen van het dossier, met name:

\- het feit dat de belastingplichtige een boekhoudkantoor is dat zeer goed op de hoogte is van haar BTW-verplichtigen;

\- het feit dat eiseres in hoger beroep gedurende meerdere opeenvolgende jaren (2011 tot en met 2016) te weinig omzet heeft aangegeven;

\- het niet voorleggen van de verkoopdagboeken van de jaren 2011, 2012 en 2013;

\- de hoegrootheid van het omzet tekort;

\- het onttrekken van BTW aan haar bestemming.

Uit de voorgelegde gegevens blijkt ook dat eiseres in hoger beroep bepaalde middelen, werkwijzen en praktijken op touw gezet heeft met de bedoeling omzet aan het oog van de fiscus te onttrekken waaruit het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden blijkt.

Het gaat te dezen om een geheel van gegevens en vaststellingen die samen genomen voldoende zijn om te besluiten tot het bestaan van gewichtige en samenhangende vermoedens die leiden tot het onomstotelijk besluit dat door eiseres in hoger beroep met bedrieglijk opzet inbreuken gepleegd werden op de BTW-wetgeving. Gelet op de aard en de omvang van de inbreuken gaat het geenszins over toevallige vergissingen en eiseres in hoger beroep kon hiervan onmogelijk onwetend zijn.

Het louter gegeven dat de jaarlijkse lijsten van de BTW belastingplichtige afnemers wel correct waren en dat er door eiseres in hoger beroep een rechtzetting gebeurde voor de jaren 2014 en 2015 in rooster 61 van de BTW-aangiftes van het 3de kwartaal 2017 (ingediend op het ogenblik dat eiseres in hoger beroep reeds op de hoogte was van de BTW­ controle) doet geen afbreuk aan voormelde vaststelling van het hof waaruit ontegensprekelijk blijkt dat eiseres in hoger beroep te weinig omzet aangaf in de BTW­ aangiftes voor de jaren 2011, 2012, 2013 en 2016 met de bedrieglijke bedoeling belasting te ontduiken. Ook het feit dat er in de inkomstenbelasting geen verder gevolg aan gegeven werd is niet van aard afbreuk te doen aan voorgaande.

### *2.4* *De administratieve geldboetes*

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van de BTW-wetgeving te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen.

Die toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang.

Hierbij mag hij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (Cass. (le k.) AR [F.10.0033.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboeten-controle-rechter-volle-cassatie-brussel-2011-04-08-949f), 8 april 2011 (Belgische Staat/ Street One bvba).

Rekening houdend met de aard en de ernst van de overtredingen oordeelt het hof dat de opgelegde boetes wettelijk zijn, afdoende gemotiveerd zijn en evenredig zijn met de aard en de ernst van feiten en dat er geen redenen zijn om deze boete kwijt te schelden of te verminderen noch om uitstel toe te staan indien de wet in die maatregel zou hebben voorzien.

Het betreft hier geen principiële discussie. De inbreuken liggen te dezen geenszins buiten de wil van eiseres in hoger beroep. Het hof heeft hoger reeds geoordeeld dat er in hoofde van eiseres in hoger beroep sprake is van bedrieglijk opzet de belasting te ontduiken (zie hoger onder 2.3).

Het hof is van oordeel dat de administratieve geldboete wettelijk, voldoende gemotiveerd is en in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

### *2.5* *De gevorderde moratoriuminteresten op het bedrag van 833,33 euro (eisuitbreiding kalenderjaar 2015)*

Het wordt niet betwist dat het bedrag van 833,33 euro (kalenderjaar 2015) twee maal betaald werd door eiseres in hoger beroep, éénmaal ingevolge een beslissing tot inschrijving van deze som op 11/10/2017 in het debet van de rekening-courant BTW en een tweede maal ingevolge de betaling van een RCIV-schuld te Mechelen.

De tweede betaling maakt dan ook dat er sprake is van betaalde BTW die het bedrag te boven gaat dat wettelijk verschuldigd is ([art. 77§1,1° WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77)-onverschuldigde betaling)

De interesten op de ten onrechte geïnde bedragen aan BTW worden beheerst door [artikel 91, § 4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91).

Krachtens [artikel 91, § 4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) wordt deze interest - behalve bij teruggave op het einde van het jaar ([art. 76, § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76)) - berekend volgens de regels van het burgerlijk recht (art. 1153 en 1139 O.B.W.). Dit betekent dat de interest begint te lopen vanaf de dag van ingebrekestelling.

Een ingebrekestelling veronderstelt dat de schuldeiser op een klare en ondubbelzinnige wijze zijn bedoeling te kennen geeft aan de schuldenaar, dat hij uitvoering wenst van de verbintenis. Aan dergelijke ingebrekestelling zijn geen speciale vormvoorwaarden verbonden.

De aanmaning tot terugbetaling is kennelijk pas gedaan door middel van de conclusies neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg op 31/05/2019. Middels deze conclusies vroeg eiseres in hoger beroep voor het eerst onder meer om de terugbetaling te bevelen van het bedrag van 883,33 euro betaald op 27/10/2017 verhoogd met de moratoriuminteresten op grond van [artikel 91 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91).

De rechtzetting (ingeschreven op de BTW rekening-courant in het voordeel van eiseres in hoger beroep) gebeurde door de belastingadministratie op 19/08/2019.

De interesten overeenkomstig [artikel 91§4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) kunnen aldus toegekend worden vanaf 31/05/2019 tot 19/08/2019.

### *2.6* *De rechtsplegingsvergoeding*

Wat betreft de kosten van de procedure dient er rekening gehouden te worden met de wet van 21.04.2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten van een advocaat (B.S. 31.05.2007).

Gelet op de zeer beperkte mate waarin eiseres in hoger beroep in het gelijk wordt gesteld, dient eiseres in hoger beroep te dezen beschouwd te worden als de in het ongelijk gestelde partij en tot de kosten veroordeeld te worden (art. 1017 Ger.W.).

Verweerder in hoger beroep was in eerste aanleg niet bijgestaan en/of vertegenwoordigd door een advocaat. Partijen zijn het eens dat de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep dient begroot te worden op 9.100 euro.

Het hof stelt vast dat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste blijft van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg"

### Beschikkend gedeelte

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiseres in hoger beroep toelaatbaar en in volgende beperkte mate gegrond.

Het hof hervormt het bestreden vonnis als volgt.

Het hof verklaart de vordering van eiseres in hoger beroep toelaatbaar en slechts gegrond als volgt.

Het hof veroordeelt verweerder in hoger beroep tot betaling aan eiseres in hoger beroep van de moratoriuminteresten over het bedrag van 883,33 euro berekend overeenkomstig [artikel 91 §4 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) vanaf 31/05/2019 tot 19/08/2019.

Het hof wijst het anders en/of meer gevorderde af.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het geding.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van verweerder in hoger beroep op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg en op 9.100 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het hof laat de bijdrage begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand (Wet 19/03/2017) ten laste van eiseres in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 2791, 1°, juncto 162, 4° W.Reg"

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 05 oktober 2021 door …

Ondertekeningen

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

## Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

### Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, sectie burgerlijke rechtbank, Kamer AFi1

Vonnis van 24 januari 2020

Rol: 18/4253/A

Inzake.:.

**BAF BVBA**, met zetel te …, KBO: 044...02, eiseres - vertegenwoordigd ter zitting door meester …,

**TEGEN:**

**DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën**, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, vertegenwoordigd door de Adviseur-generaal, Directeur van het KMO Centrum Hasselt. met kantoren gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43 bus 106, KBO: 0308.357.159 verweerder,

\- vertegenwoordigd ter zitting door de heer X, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën,

\- eveneens vertegenwoordigd ter zitting door de heer Y, in hoedanigheid van rijksambtenaar voor de Federale Overheidsdienst Financiën.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer:

\- het verzoekschrift toegekomen ter griffie op 13 september 2018, ingeschreven op 13 september 2018,

\- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, §1 van het Gerechtelijk Wetboek op 28 september 2018,

\- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in de gerechtszaken. Gehoord partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 13 december 2019.

### Vordering van eiseres - ontvankeliikheid

De vordering van eiseres strekt ertoe het dwangbevel inzake btw met referentie 500/.../...29 uitgevaardigd op 1? mei 2018, geviseerd en uitvoerbáar verklaard op 2 mei 2018 te vernietigen en te zeggen voor recht dat de btw, en geldboeten evenals intresten vermeld in het proces verbaal van 23 maart 2018 waarvan een afschrift was gevoegd bij voormeld btw dwangbevel, niet verschuldigd zijn wegens het bereiken van de verjaring en wegens de afwezigheid van een juridische en/of feitelijke grqndslag.

Eiseres vordert om de terugbetaling te bevelen van de ten onrechte betaalde of ingehouden bedragen, meer moratoriumintresten overeenkomstig [artikel 91 btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), meer bepaald van de bedragen van 200.000 euro betaald op 28 mei 2018 en 140.856,96 euro betaald-op dezelfde datum, en de moratoriumintresten over het bedrag van 883,33 euro betaald op 27 oktober 2017 berekend vanaf 27 oktober 2017tot 28 augustus 2019

Eiseres vordert om de kosten van het geding ten laste te leggen van de Belgische staat, in hoofde van eiseres begroot op een rechtsplegingsvergoeding van 8.400,00 euro en een bijzondere bijdrage voor het fonds voor tweedelijns rechtsbijstand van 20,00 euro.

De Belgische staat vordert om de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond te verklaren en te zeggen voor recht dat het proces verbaal van 21 maart 2013 rechtsgeldig werd opgesteld en dat de daarin vermelde bedragen aan btw en boeten te vermeerderen met de intresten verschuldigd zijn, evenals om eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding, in hoofde van verweerder niet begroot.

De ontvankelijkheid van de vordering van eiseres wordt door verweerder niet betwist. Er zijn evenmin ambtshalve aan te voeren bezwaren betreffende de ontvankelijkheid.

### Voorgaanden

Eiseres is geïdentificeerd als btw belastingplichtige voor de activiteit van boekhouders en boekhouders -fiscalisten.

Een controle Inzake toepassing van de btw werd aangekondigd op 25 oktober 2017 en werd uitgevoerd op 13 november 2017 op het kantoor van de KMO Controle Team 4 te Hasselt in aanwezigheid van de zaakvoerder van eiseres.

Op 6 maart 2018 werd een kennisgeving van uitbreiding van de verjaringstermijn gezonden bij toepassing van [artikel 84 ter btw-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) (stuk 1 van de administratie). De raadsman van eiseres deelde bij brief van 12 maart 2018 een aantal opmerkingen mee betreffende deze kennisgeving {stuk 2 van de administratie).

Op 23 maart 2018 volgde een nieuwe kennisgeving bij toepassing van [artikel 84 ter btw­ wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) die het schrijven van 6 maart 2018 verving (stuk 4 van de administratie).

Op 23 maart 2018 werd een proces-verbaal van regularisatie opgesteld (stuk 5 van de administratie).

Op 9 mei 2018 en 16 mei 2018 verrichtte eiseres twee betalingen, op het rekeningnummer van de btw-ontvangsten MECHELEN, met als mededeling: "BE044...02 betaling onder alle voorbehoud van rechten en zonder erkenning juistheid correctieopgave, die ln rechte en feite betwist wordt' (stukken 6 en 7 van de administratie).

Op 17 mei 2018 werd een dwangbevel met nummer 500/.../...29 uitgevaardigd dat op 24 mei 2018 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard, waarin geen melding werd gemaakt van de voormelde betalingen. Bij aangetekende brief van 8 juni 2018 werd aan eiseres kennis gegeven bij een ter post aangetekende brief-(stuk 9 van de administratie).

Bij email van 19 oktober 2018 deelde verweerder aan de raadsman van eiseres mee dat omwille van de beide betalingen het dwangbevel zonder voorwerp was geworden (stuk 15 van de administratie}.

### Ten gronde

***-*** ***Voorafgaand: inzake het dwangbevel met nummer 500/.../...29***

De rechtbank stelt vast dat niet wordt betwist dat voormeld dwangbevel werd uitgevaardigd op 17 mei 2018 volgde op twee betalingen door eiseres van 9 mei 2013 en 16 mei 2018 (stukken 6 en 7 van de administratie) waardoor de bedragen vermeld in het betreffende dwangbevel reeds waren aangezuiverd.·

Partijen zijn het er evenwel over eens dat de rechtbank uitspraak dient te doen over het fiscaal geschil ten gronde, namelijk over de vraag of de bedragen zoals vermeld In het proces verbaal van 23 maart 2018 (stuk 5 van de administratie) verschuldigd waren (vergelijk ook Cass. 9 november 2013, [F. 11.0124.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-delegatie-visum-bevel-tenuitvoerlegging-cassatie-brussel-2014-10-09-6c17)).

***-*** ***Inzake het proces verbaal van 23 maart 2018***

Eiseres voert aan dat het proces verbaal van 21 maart 2018 onvolledig zou zijn doordat geen melding wordt gemaakt van een controle inzake Inkomstenbelastingen die eveneens werd uitgevoerd bij eiseres. Dit zou een "schending van de bewijsvoering» vormen waarbij de belangen van de belastingplichtige zouden geschaad zijn. Deze controle inzake inkomstenbelastingen zou een belangrijk argument zijn in de verdediging van eiseres.

De rechtbank stelt vast dat eiseres op de hoogte was van de controle inzake inkomstenbelastingen1 meer bepaald de vragen om inlichtingen en de antwoorden die ze zelf heeft verstrekt (stukken 18, 191 38 en 39 van een administratie). Eiseres kan bezwaarlijk voorhouden dat de controle inzake inkomstenbelastingen op enigerlei wijze voor haar verborgen werd gehouden doordat deze 'niet in het proces verbaal inzake btw werd vermeld. Het stond eiseres uiteraard vrij om bij het voeren van haar verdediging te verwijzen naar de controle inzake inkomstenbelastingen die haar bekend was. Het al dan niet vermelden van deze controle in het proces verbaal van 21 maart 2018 heeft geen enkele invloed op de bewijswaarde ervan.

De rechtbank kan dan ook niet vaststellen dat door de wijze waarop het proces verbaal is opgesteld, eiseres zou beperkt geweest zijn in het voeren van haar verdediging. Het niet vermelden van de controle inzake inkomstenbelasting heeft ook geen enkele invloed op de bewijswaarde - van de vermeldingen die wel opgenomen zijn in het proces verbaal. Volledigheidshalve stelt de rechtbank vast dat eiseres ook niet aanvoert op welke specifieke punten bijzondere bewijswaarde aan het proces verbaal door de belastingadministratie zou toegekend zijn.

***-*** ***Inzake het bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden***

In een tweede middel voert eiseres aan dat de Belgische staat "een belangrijk gedeelte van de argumentatie", "heeft opgebouwd rond het begrip "bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden" en dit niet alleen met betrekking tot opgelegde belastingverhoging maar anderzijds ook met betrekking tot de onderzoekstermijn".

De rechtbank oordeelt in eerste plaats dat inzake de toepassing van de btw noch het btw­ wetboek noch de in uitvoering daarvan genomen koninklijke besluiten voorzien in enige onderzoekstermijnen. De Belgische staat verwijst ook niet naar het bestaan van dergelijke termijnen. De rechtbank kan dan ook geen schending vaststellen van enige regel betreffende onderzoekstermijnen.

In een vierde middel van eiseres wordt verwezen naar de uiteenzetting over het tweede middel om aan te tonen dat geen sprake is van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden, en het kader van de betwisting over de toepassing van de verjaringstermijn voorzien in artikel 81 bis, 2e lid btw-wetboek.

Het tweede middel van eiseres kan, samen met het vierde middel van eiseres, nuttig worden gelezen als een betwisting omtrent het aantonen van bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden voor wat betreft overtredingen voor alle betreffende jaren in de mate dat een proportionele boete van 200% (door eiseres aangeduid als belastingverhoging) werd opgelegd evenals voor wat betreft de verjaring inzake navorderingen die betrekking hebben op de jaren 2011, 2012 en 2013.

Voor het jaar 2014 werd In het proces verbaal van 23 maart 2018 geen navordering opgenomen "gelet op de laattijdige rechtzetting", net als voor het jaar 2015. Voor beide jaren worden evenmin geldboetes opgelegd.

De rechtbank oordeelt dat voor elk van de betrokken jaren 2011, 2012, 2013 en 2016 aangetoond Is dat de In het proces verbaal van 21 maart 2018 vastgestelde overtredingen werden begaan met bedrieglijk opzet of minstens met het oogmerk om te schaden.

Voor wat betreft de navordering voor het Jaar 2016 stelt de rechtbank vast dat de belastingadministratie verwijst naar het op een zeer systematische wijze jarenlang niet opnemen in de periodieke Btw-aangifte van omzet onderworpen aan de btw. Uit de vergelijking tussen de aankopen opgenomen in het verkoopdagboek voor de jaren 2014, 2015 en 2016 en de omzet aangegeven in de btw-aangiftes, blijkt dat eiseres op een zeer systematische wijze naliet om· omzet op te nemen in de door haar ingediende kwartaal aangiftes Inzake btw. De rechtbank stelt vast dat eiseres geen enkele zinnige uitleg geeft voor het jarenlang en systematisch nalaten om omzet op te nemen in de btw-aangiften. De rechtzetting die gebeurd is voor 2014 en 2015 in rooster 61 van de btw-aangifte van het 3e kwartaal 2017, overigens ingediend op 25 oktober 2017 en dus op de dag van de aankondiging van een btw-controle aan de zaakvoerder van eiseres (ongeveer 7 uur na de e-mail met de aankondiging}, doet hieraan geen afbreuk. Deze regularisatie kan gelet op de timing ervan bezwaarlijk als volledig spontaan worden aangemerkt.

Eiseres lijkt aan te voeren dat de jaarlijkse lijsten van btw belastingplichtige afnemers wel correct was, net als de aangiftes in de vennootschapsbelasting waarin de omzet correct werd weergegeven. De rechtbank oordeelt evenwel dat het voldoen aan een deel van de verplichtingen als belastingplichtige inzake btw, dan wel het voldoen aan de verplichtingen inzake inkomstenbelastingen op geen enkele wijze afbreuk doet aan het nalaten om aan de belasting onderworpen omzet op te nemen in de btw aangiftes. De verwijzingen naar rechtspraak van het Hof van Justitie waarbij wel voldaan is aan de aangifteverplichtingen inzake btw, zijn dan ook niet relevant.

Bovendien blijkt uit de hierna vermelde vaststellingen die betrekking hebben op de jaren 2011, 2012 en 2013 dat het opnemen In de boekhouding van bedragen aan verschuldigde btw geenszins een garantie is dat deze bedragen door eiseres ook effectief worden opgenomen in

.een Btw-aangifte en afgedragen worden aan de belaste administratie.

Voor wat betreft de jaren 2011, 2012 en 2013 verwijst de Belgische staat voor de vaststelling van het bedrag van de ontdoken btw naar het verschil tussen de omzet zoals die blijkt uit de lijst van de btw plechtig afnemers en de omzet aangegeven In de periodieke btw-aangiften. Het verschil tussen beide bedragen werd in het proces verbaal als verschuldigde btw In aanmerking genomen.

Daarnaast verwijst de Belgische staat eveneens naar een boeking uitgevoerd in het boekjaar 2015 op 30 september 2015 In de boekhouding van eiseres, waarbij een bedrag van 44170,21 euro op de rekening 451000 R/C btw werd overgeboekt naar de rekening 173000 "Kredletinst. schuld op rekening".

In het proces verbaal van 23 maart 2018 wordt vermeld dat aan de zaakvoerder van eiseres uitleg werd gevraagd omtrent deze boekingen. Het proces-verbaal vermeldt dat de zaakvoerder verklaarde dat het om verschuldigde btw gaat die reeds voorafgaand aan het boekjaar 2015, dat liep van 1 oktober 2014 tot en met 30 september 2015, verschuldigd was. De zaakvoerder verklaarde dat de betreffende btw niet betaald werd en evenmin vermeld werd in een btw-aangifte. De verschuldigde btw zou, volgens de verklaringen van de zaakvoerder van eiseres zoals vermeld In het proces verbaal, overgeboekt zijn van een korte naar langetermijnschuld om de ratio's te verbeteren.

De rechtbank stelt vast dat eiseres geenszins betwist dat voormelde verklaring werd afgelegd door haar zaakvoerder. Eiseres geeft evenmin enige verklaring, al dan niet afwijkend van de verklaring vermeld in het proces verbaal, voor de overboeking van een bedrag ·aan btw verschuldigd aan de overheid, naar een bedrag dat verschuldigd zou zijn aan een (niet nader omschreven) kredietinstelling. De rechtbank oordeelt dat de verklaring van de zaakvoerder van eiseres dat deze boekingen zou gebeurd zijn om ratio's te verbeteren volledig ongeloofwaardig Is en op geen enkele wijze verduidelijkt waarom dergelijke overboeking zou kunnen worden verantwoord.

Voor wat betreft het gebrek aan verantwoording van de overboeking, zelfs Indien deze zou verantwoord zijn om bepaalde liquiditeitsratio's te verbeteren, dient vastgesteld dat de loutere wens om dergelijke ratio's te verbeteren uiteraard geenszins een onderbouwing kan vormen voor het overboeken van een korte termijn schuld naar een langetermijnschuld. Voor wat betreft de wijziging van schuldenaar, waarbij een schuld tegenover de Belgische staat voor btw eenvoudig de kwalificatie krijgt van een schuld tegenover een kredietinstelling, ligt evenmin ook maar enige verantwoording voor. Bovendien is de verwijzing naar een boeking die voortkomt uit de wens om ratio's te verbeteren, op dit punt (wijziging van schuldenaar) ook volstrekt ongeloofwaardig. De rechtbank kan geenszins inzien welke ratio's zouden verbeterd worden door een boeking van een schuld tegenover een kredietinstelling In plaats van een schuld tegenover de overheid.

De rechtbank stelt dan ook vast dat de belastingadministratie er terecht van uitgaat dat de enige reden voor deze op andere gronden onverklaarbare boeking erin bestond om de btw schuld van eiseres tegenover de Belgische staat zoals deze blijkt uit de eigen boekhouding van eiseres, te verbergen. In combinatie met het systematisch en jarenlang niet vermelden In de btw aangiftes van omzet die blijkt uit de lijsten van de btw plichtige afnemers, staat vast dat ook de inbreuken voor de jaren 2011, 2012 en 2013 gebeurden met bedrieglijk oogmerk, dan wel met het oogmerk om te schaden.

Voor wat betreft de boeking van 18 augustus 2016 waarbij de rekening 173000 werd gedebiteerd ten belope van een bedrag van 60 000 ·euro en de rekening 551200 BNP Paribas werd gecrediteerd voor het zelfde bedrag, volstaat het vast te stellen dat uit deze boekingen geenszins kan worden afgeleid dat deze betrekking zouden hebben gehad op het verstrekken van een lening aan de zaakvoerder, zoals eiseres aanvoert. Eiseres laat ook volledig na ook maar enigszins te verduidelijken op welke wijze uit haar boekhouding ingevolge de beweerdelijke boeking van een lening verstrekt aan de zaakvoerder, effectief de daaruit voortkomende beweerdelijke vordering op deze zaakvoerder tot uitdrukking zou gebracht zijn. De argumentatie van eiseres over de terugbetaling van de betreffende beweerdelijke lening, over een eventuele "verduistering van activa" en over het gebrek aan taxatie op het vlak van Inkomstenbelasting bij toepassing van artikel 219 WIB 92, kan er hooguit toe leiden vast te stellen dat de fraude op het vlak van btw niet gevolgd is door fraude op het vlak van inkomstenbelastingen, door het verrichten van de boeking van 18 augustus 2016. Dit doet evenwel op geen enkele wijze afbreuk aan de vaststellingen over het opzet of het oogmerk om te schaden.

***-*** ***Inzake de verjaringstermijn***

Voor wat betreft de toepassing van artikel 81 bis, 2e lid btw-wetboek, voert eiseres een vierde middel aan. Voor wat betreft het bedrieglijk opzet of oogmerk om te schaden verwijst rechtbank naar de beoordeling van het tweede middel.

Eiseres lijkt eveneens aan te voeren dat eiseres reeds btw en boetes had kunnen vorderen tijdens de termijn van 3 kalenderjaren volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van de belasting, interesten en administratieve geldboete zich heeft voorgedaan (artikel 81 bis, 1e lid btw-wetboek}, waaruit afgeleid wordt dat geen gebruik kon worden gemaakt van de termijn bedoeld in artikel 81 bis, 2e lid, 4e btw-wetboek in de versie voorafgaand aan de invoering van het 3e lid bij programma wet van 1 juli 2016.

De rechtbank stelt evenwel vast dat eiseres geenszins aantoont dat voor de jaren 2011, 20:l:2 en 2013 reeds enige controle zou plaatsgevonden hebben waardoor deadministratie over:- alle elementen zou hebben beschikt om belasting en boetes te vorderen zoals opgenomen in het proces verbaal van 23 maart 2018. Eiseres betwist niet dat de controle inzake btw pas werd aangekondigd op 25 oktober 2017. Bijgevolg dient de rechtbank de voorgehouden schending van 81 bis, 2e lid, 4e btw-wetboek niet verder te onderzoeken.

## OM DEZE REDENEN

**DE RECHTBANK**

Rechtdoende op tegenspraak.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk maar ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot dl;! kosten van het geding in hoofde van verweerder niet begroot en door de rechtbank vereffend op nul euro.

Dit vonnis werd uitgesproken op vierentwintig januari tweeduizend twintig in openbare zitting van de Kamer AFi1, die samengesteld was uit: …

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

12

[WBTW art. 84ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84ter) 10 voorkomens

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 9 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 9 voorkomens

[WBTW art. 61](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-61) 6 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 4 voorkomens

[WBTW art. 60](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-60) 2 voorkomens

[WBTW art. 62](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-62) 2 voorkomens

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 1 voorkomen

[WBTW art. 76](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) 1 voorkomen

[WBTW art. 77](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-77) 1 voorkomen

[WBTW art. 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) 1 voorkomen

[WBTW art. 89](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-89) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Vermoeden van fraude, Zwijgrecht, Valse facturen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vermoeden-fraude-zwijgrecht-valse-facturen-hof-van-beroep-brussel-2023-06-28-77bf) 7 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijskracht proces-verbaal, Verjaring, Rechten van de verdediging, Redelijke termijn](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskracht-proces-verbaal-verjaring-rechten-hof-van-beroep-gent-2014-01-21-2c28) 7 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlenging van de verjaringstermijn, Kennisgeving van vermoedens van belastingontduiking](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlenging-verjaringstermijn-kennisgeving-vermoedens-hof-van-beroep-luik-2020-01-20-7d01) 7 gemeenschappelijke bepalingen

[Proces-verbaal, bewijswaarde van het proces-verbaal, feitelijke vermoedens, proportionele boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-bewijswaarde-feitelijke-vermoedens-hof-van-beroep-gent-2016-11-29-d2ca) 7 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale geldboete, Evenredigheid, Genaderecht, fiscale boete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboete-evenredigheid-genaderecht-boete-cassatie-brussel-2023-03-24-7c10) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Bankonderzoek -Belastingsontduiking](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bankonderzoek-belastingsontduiking-ontduiking-hof-van-beroep-antwerpen-2025-09-23-8c18) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingen over toegevoegde waarde, Akkoordverklaring, Afstand van Geding, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27) 6 gemeenschappelijke bepalingen
