---
title: "Neutaliteitsbeginsel, Proportionele geldboete · Hof van beroep te Antwerpen, 20 januari 2026, 2024/AR/564"
description: "Het Antwerpse hof van beroep verklaart het beroep van curatoren tegen de Belgische Staat ongegrond en handhaaft het bestreden vonnis."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/neutaliteitsbeginsel-proportionele-geldboete-interesten-hof-van-beroep-antwerpen-2026-01-20-0c98"
lang: "nl"
---

# Neutaliteitsbeginsel, Proportionele geldboete, interesten, Voorafgaande kennisgeving, Fraudetermijn · Neutaliteitsbeginsel - Proportionele geldboete - interesten - Voorafgaande kennisgeving - Fraudetermijn

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Rolnummer**

2024/AR/564

**Datum**

20 januari 2026

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

95 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep Antwerpen d.d. 20.01.2026 (2024/AR/564)

WF 5471497301

## Samenvatting

Niet beschikbaar

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep Antwerpen**

**Arrest**

**Kamer B6M, burgerlijke zaken**

**20 januari 2026**

**2024/AR/564**

Mr. RUYSSCHAERT Felix, advocaat, kantoorhoudende te 3700 TONGEREN, Piepelpoel 13 en mr. BERNAERTS Mark, advocaat, kantoorhoudende te 3600 GENK, Henry Fordlaan 47, q.q. curatoren van het faillissement van cie1, ON ..., laatst gevestigd te ... ..., ...

**Eisers in hoger beroep,**

vertegenwoordigd door mr. GROSEMANS Stefanie, advocaat te 3600 GENK, Henry Fordlaan 47 en door mr. VANDEBERGH Henri, advocaat te 3550 HEUSDEN-ZOLDER, Pater Beckersstraat 12 (ref.: 2024/A/564)

tegen het vonnis van de 11A kamer van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt van 18 januari 2024, gekend onder rolnummer 22/12/A

**tegen**

BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIËN, ON ..., in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke

ADVISEUR GENERAAL-DIRECTEUR TE GEWESTELIJKE DIRECTIE BBI ANTWERPEN, ON ..., met correspondentieadres te 9050 LEDEBERG, Gaston Crommenlaan 6 bus 804,

Verweerder in hoger beroep, voor wie verschenen is de heer B.V.T., fiscaal ambtenaar,

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt, van 18 januari 2024, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 2 april 2024, ingeschreven op 3 april 2024, waarbij tijdig en regelmatig hoger beroep wordt ingesteld.

**1. Feitelijke en procedurele retroacta.**

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op de navordering van B.T.W. ten bedrage van 1.920.053,69 EUR, boeten ten bedrage van 3.840.100 EUR en intresten, samen voor een bedrag van 6.541.690,73 EUR middels het dwangbevel, nr. 500/2081/03570, uitgevaardigd op 28 februari 2019, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 5 maart 2019 en ter kennis gebracht van cie1 (hierna 'cie1') bij brief van 5 maart 2019. Eisers in hoger beroep zijn de curatoren van cie1.

Ingevolge een controle inzake B.T.W. en inzake de vennootschapsbelasting op 14 november 2016 werd de verjaringstermijn uitgebreid naar 7 jaar in toepassing van artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° W.B.T.W. wegens overtredingen begaan met bedrieglijk opzet. cie1 werd hiervan in kennis gesteld bij brief van 25 februari 2019.

Op 27 februari 2019 werd een proces-verbaal opgesteld waarin zes inbreuken inzake B.T.W. werden weerhouden. Er werd een omzetverschil vastgesteld tussen de B.T.W.-aangiften en de jaarrekening, ingevolge waarvan een bedrag van 1.413.906,65 EUR als B.T.W. in hoofdsom verschuldigd zou zijn (inbreuk 1). Interesten op een bedrag van 1.413.900 EUR zouden verschuldigd zijn voor 435.378,72 EUR (inbreuk 2). Ingevolge een inbreuk op verplichting tot herziening van de aftrek van de B.T.W. op bedrijfsmiddelen zou 83.968,78 EUR verschuldigd zijn (inbreuk 3). Ingevolge een inbreuk op de verleggingsregeling m.b.t. werken in onroerende staat zou 29.049,76 EUR verschuldigd zijn (inbreuk 4). Ingevolge een inbreuk op art. 51, §2, lid 1, 1° W.B.T.W. betreffende de voldoening van de B.T.W. door de afnemer van de diensten wanneer de dienstverrichter een niet in België gevestigde belastingplichtige is zou 25.424,28 EUR verschuldigd zijn (inbreuk 5) en 166.691,76 EUR en 201.012,46 EUR zou respectievelijk voor 2014 en 2015 verschuldigd zijn ingevolge een inbreuk op artikel 52, §1 W.B.T.W. en [art. 5, §3 KB nr. 7](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-7-artikel-6aae) betreffende de invoer van hout (inbreuk 6). Tevens werd toepassing gemaakt van een boete van 200% wegens opzet de belasting te ontduiken.

cie1 werd failliet verklaard bij beschikking van de ondernemingsrechtbank Antwerpen, afdeling Tongeren d.d. 16 oktober 2019.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Limburg, afdeling Hasselt op 3 januari 2022, vorderden eisers in hoger beroep de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, dienvolgens het proces-verbaal van 27 februari 2019 gekend onder het nummer 500208103570 te vernietigen, minstens te ontheffen in bovenvermelde mate, de opgelegde boete van 200% te herleiden tot een boete van 50% en de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof: "Schendt artikel 91, §1 W.B.T.W. het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vervat in art. 10, 11 en 172 G.W. doordat op grond van deze bepaling een intrest gevraagd wordt van 0,8% per maand (9,6% per jaar), terwijl inzake inkomstenbelastingen overeenkomstig art. 414 W.1. B. 1992 een intrestvoet verschuldigd is die aangepast is aan de economische realiteit?" en "Schendt artikel 91, §1 W.B.T.W. het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel vervat in art. 10, 11 en 172 G.W. doordat op grond van deze bepaling een intrest gevraagd wordt van 0,8% per maand (9,6% per jaar), terwijl op basis van art. 91, §2bis W.B.T.W. jo. Art. 2, §2 van de Wet van 5 mei 1865 betreffende de lening tegen intrest slechts een intrest verschuldigd is van 7% per jaar?"

Eisers in hoger beroep vorderden de intresten te verminderen en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding en de bijzondere bijdrage begrotingsfonds.

De eerste rechter verklaarde de vordering ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde eisers in hoger beroep tot de kosten van het geding, begroot op 0 EUR rechtsplegingsvergoeding en 22 EUR bijzondere bijdrage begrotingsfonds.

De eerste rechter oordeelde dat het vermoeden van belastingontduiking in het proces¬verbaal van 27 februari 2019 werd onderbouwd en dat de kennisgeving overeenkomstig artikel 84ter W.B.T.W. correct en voldoende werd gemotiveerd. Aldus kon de administratie terecht gebruik maken van de 7-jarige termijn als voorzien in artikel 81bis, §1, tweede lid W.B.T.W..

De eerste rechter stelde dat de bewijslast dat er een recht op aftrek is, bij de belastingplichtige ligt en dat eisers in hoger beroep dit bewijs niet leveren. Aangezien niet voldaan is aan de formele voorwaarden voor het recht op aftrek (werd niet gevraagd in een aangifte binnen de gestelde termijn), kan er van enige schending van het neutraliteitsbeginsel geen sprake zijn.

Ten aanzien van de toegepaste boete van 200% stelde de eerste rechter dat het feit dat voorafgaand geen genadeverzoek werd gericht tot de minister in toepassing van het Regentsbesluit, geen gevolgen heeft op de beoordelingsbevoegdheid van de rechter op grond van artikel 6 EVRM. De evenredigheid van de boete kan derhalve getoetst worden. De eerste rechter stelde evenwel dat eisers in hoger beroep niet aantonen dat de boete onevenredig is ten aanzien van de gepleegde inbreuken en zag geen redenen om deze te verminderen of kwijt te schelden.

Wat betreft de intresten verwees de eerste rechter naar de duidelijke rechtspraak van het Grondwettelijk Hof.

Tegen dit vonnis hebben eisers in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 2 april 2024, ingeschreven op 3 april 2024, hoger beroep ingesteld.

**2.** **De vorderingen in hoger beroep.**

2.1. Eisers in hoger beroep vorderen in hun verbeterde beroepsconclusie het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren, het bestreden vonnis te vernietigen, het proces¬verbaal van 27 februari 2019 gekend onder het nummer 500208103570 te vernietigen, minstens te ontheffen in bovenvermelde mate, tevens het dwangbevel d.d. 28 februari 2019, met nummer 500208103570, te vernietigen, minstens te ontheffen in bovenvermelde mate, minstens de opgelegde boete van 200% kwijt te schelden, minstens te herleiden. Eisers in hoger beroep vorderen de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie:

> "Schenden de artikelen 45 § 1 en 49WIB/92 de artikelen [167](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-167) en [168](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-168) van de BTW Richtlijn 2006/112/EEG in zoverre deze bepalingen aldus moeten worden geïnterpreteerd dat er geen recht op aftrek kan worden toegestaan in een situatie waarin er verlegging van heffing is en de btw door de belastingplichtige in dezelfde aangifte moet afdragen, maar ook terug mag aftrekken, zodoende dat dit een nuloperatie is, indien men te doen heeft men een situatie van fraude? Is de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie dat er geen recht op aftrek is in situaties van fraude op dergelijke situatie van toepassing ?"

De volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

> "Schendt [art. 70 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) het in art. 10, 11 en 172 van de Grondwet gewaarborgd gelijkheidsbeginsel indien deze bepaling de rechter niet toelaat rekening te houden met verzachtende omstandigheden of zijn oordeel te beperken tot een loutere schuldigverklaring?"

En desgevallend volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie: "Schendt [art. 70 § 1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) het Europeesrechtelijk beschermd evenredigheids- en neutraliteitsbeginsel door een boete te voorzien van 200 % ?"

Eisers in hoger beroep vorderen tenslotte verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg begroot op een bedrag van 22.500 EUR en in hoger beroep op 23.546,51 EUR en de bijzondere bijdrage begrotingsfonds ten bedrage van 22 EUR in eerste aanleg en 24 EUR in hoger beroep.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert de wering van de syntheseconclusie van eisers in hoger beroep, neergelegd op 29 juli 2025 en voorts de vorderingen van eisers in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond te verklaren, het vonnis a quo te bevestigen, dienvolgens het bestreden invorderingsorder gekend onder nummer 500208103570 te handhaven en eisers in hoger beroep te veroordelen tot de kosten van het geding.

**3. Bespreking.**

3.1. Verweerder in hoger beroep verzoekt de wering van de syntheseconclusie van eisers in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat de syntheseconclusie van eisers in hoger beroep werd neergelegd ter griffie van het hof op 29 juli 2025 waar de termijn voor neerlegging na verlenging met akkoord tussen partijen verstreek op 31 oktober 2024.

Artikel 747, §4 Ger.W. bepaalt dat conclusies die na het verstrijken van de termijnen ter griffie worden neergelegd of aan de tegenpartij gezonden, ambtshalve uit de debatten worden geweerd. Zowel de neerlegging als de toezending aan de tegenpartij moet binnen de bepaalde termijn gebeuren (Cass. 21 april 2017, AR C.16.0418.N, www.cass.be). Of de laattijdigheid al dan niet de rechten van verdediging schendt, is in principe niet van belang.

Gelet op de laattijdige neerlegging van de syntheseconclusie van eisers in hoger beroep, weert het hof deze uit de debatten.

3.2. Eisers in hoger beroep stellen dat de verjaringstermijn voor de inbreuken 3, 4, 5 en 6 ten onrechte werd uitgebreid naar zeven jaar in toepassing van artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° W.B.T.W. omdat de administratie met betrekking tot deze inbreuken niet zou aantonen dat er sprake is van bedrieglijk opzet.

Het betreft de inbreuken op de verplichting tot herziening van de aftrek van de B.T.W. op bedrijfsmiddelen (inbreuk 3), de inbreuken op de verleggingsregeling m.b.t. werken in onroerende staat (inbreuk 4), de inbreuken op art. 51, §2, lid 1,1° W.B.T.W. betreffende de voldoening van de B.T.W. door de afnemer van de diensten wanneer de dienstverrichter een niet in België gevestigde belastingplichtige is (inbreuk 5) en de inbreuken op artikel 52, §1 W.B.T.W. en [artikel 5, §3 KB nr. 7](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-7-artikel-6aae) betreffende de invoer van goederen (inbreuk 6).

Eisers in hoger beroep betwisten niet dat er sprake was van bedrieglijk opzet voor de inbreuken 1 en 2, zijnde het niet opnemen in de B.T.W.-aangiften en betalen van de B.T.W. verschuldigd op het omzetverschil vastgesteld tussen de B.T.W.-aangiften en de jaarrekening (inbreuk 1) en de verschuldigdheid van interesten op de ingevolge inbreuk 1 niet betaalde B.T.W. (inbreuk 2).

In toepassing van artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° W.B.T.W. is er verjaring na het verstrijken van het zevende kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid zich heeft voorgedaan, wanneer de overtreding bedoeld in de artikelen 70 of 71 W.B.T.W. begaan is met bedrieglijk opzet of met het oogmerk te schaden.

In het proces-verbaal d.d. 27 februari 2019 wordt het bedrieglijk opzet gemotiveerd als volgt:

> "Gelet op het feit dat cie1:
>
> met opzet bepaalde verkoopjournalen van de boekhouding NIET in de btw-aangiften heeft aangegeven en zij de verschuldigde btw NIET heeft afgedragen aan de Belgische Staat, meer zelfs, zij heeft de verschuldigde btw zelfs als een "lening op meer dan 1 jaar" geboekt waardoor deze schuld helemaal onttrokken is aan het oog van de stakeholders alsook dat hierover geen enkele melding wordt gemaakt in de interne jaarrekening welke door de vennootschap ingediend werd, samen met de laatste aangifte (aanslagjaar 2017) bij de directe belastingen (vennootschapsbelasting), en nagelaten heeft interesten aan te rekenen op de door de belastingplichtig ten onrechte toegeëigende lening;
>
> systematisch op grote schaal verschuldigde btw niet boekt in de boekhouding noch vermeldt in de btw-aangiften met betrekking tot invoeren van goederen, ook al werd er een vergunning verleend om dit in de btw-aangiften aan te geven, alsook de verschuldigde btw met betrekking tot transporten en andere diensten niet boekt in de boekhouding noch vermeldt in de btw-aangiften en de verschuldigde btw op werken in onroerende staat niet boekt in de boekhouding noch vermeldt in de btw-aangiften maar wel btw in aftrek heeft gebracht;
>
> inlichtingen niet overhandigt na herhaaldelijk gevraagd te hebben,
>
> is de administratie van mening dat de feiten om de hierboven vermeld redenen een boete van 200% rechtvaardigen en toe te passen is conform de artikelen [70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en [71](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-71) van het btw-wetboek en [artikel 1, tweede lid van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de btw. Het moet opgemerkt worden dat indien het opzet om belasting te ontduiken vaststaat, de boete van 200% van toepassing is."

Het hof is van oordeel dat de administratie door de tweede overweging in het proces¬verbaal, met name het systematisch op grote schaal niet boeken en aangeven van verschuldigde B.T.W. met betrekking tot invoeren, transporten en werken in onroerende staat (inbreuken 4, 5 en 6) en de derde overweging dat in weerwil van de herhaalde vraag geen inlichtingen werden verstrekt (inbreuk 3), op afdoende wijze heeft aangetoond dat ook de inbreuken 3, 4, 5 en 6, ingevolge waarvan over meerdere opeenvolgende jaren een bedrag van 506.147,04 EUR B.T.W. niet werd betaald, met bedrieglijk opzet gebeurden. Het bedrieglijk opzet werd aldus beknopt doch op afdoende wijze gemotiveerd. Dat er geen sprake zou zijn geweest van een verlies aan inkomsten voor de administratie omdat indien cie1 de verschuldigde B.T.W. wél zou hebben aangegeven, zij recht op aftrek zou hebben gehad van dezelfde B.T.W., kan geen afbreuk doen aan het vastgestelde bedrieglijk opzet, net omdat de verschuldigde B.T.W. niet werd aangegeven.

Ook voor de inbreuken 3, 4, 5 en 6 werd de verjaringstermijn van artikel 81bis, §1, tweede lid, 4° W.B.T.W. dan ook terecht naar 7 jaar uitgebreid.

3.3. Voor de inbreuken 4, 5 en 6 stellen eisers in hoger beroep dat er sprake zou zijn van een schending van het neutraliteitsbeginsel. Minstens zou de verschuldigde B.T.W. ingevolge deze inbreuken immers gecompenseerd moeten worden met de aftrekbare B.T.W. voor eenzelfde bedrag.

Het basisbeginsel van neutraliteit van de B.T.W. vereist dat aftrek van B.T.W. wordt toegestaan indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer een belastingplichtige niet voldoet aan bepaalde formele voorwaarden. Het komt aldus eisers in hoger beroep toe het bewijs te leveren dat cie1 zich in de vereiste voorwaarden bevond om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen.

In toepassing van artikel 45, §1 W.B.T.W. mag elke belastingplichtige op de belasting die hij verschuldigd is, de belasting in aftrek brengen, geheven op de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen, handelingen vrijgesteld van belasting krachtens de artikelen 39 tot 42 W.B.T.W., handelingen in het buitenland waarvoor recht op aftrek zou ontstaan indien zij in het binnenland zouden plaatsvinden, handelingen bedoeld in artikel 44, §3, 4° tot 10° W.B.T.W. of diensten als makelaar bij voorgaande handelingen.

Opdat een belastingplichtige de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten mag aftrekken in zijn B.T.W.-aangifte moet het recht op aftrek van de belasting ontstaan zijn ([artikel 2 K.B. nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art2)) en moeten de voorwaarden om dat recht uit te oefenen nagekomen zijn ([artikel 3 K.B. nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) en [artikel 7 K.B. nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb#ar3-art7)). Op grond van [artikel 3, §1, 1° K.B. nr. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) moet de belastingplichtige in het bezit zijn van een factuur uitgereikt overeenkomstig de artikelen 53, §2 en 53octies W.B.T.W. waarop de vermeldingen voorkomen bedoeld in [artikel 5, §1 van het K.B. nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) met betrekking tot de regeling voor de voldoening van de B.T.W..

De B.T.W. die wordt nagevorderd voor de inbreuken 4, 5 en 6 is verschuldigd naar aanleiding van inbreuken op de verleggingsregeling voor werken in onroerende staat, inbreuken betreffende de verschuldigdheid van de B.T.W. door de afnemer van de diensten wanneer de dienstverrichter een niet in België gevestigde belastingplichtige is en de verschuldigdheid van de B.T.W. bij invoer. Eisers in hoger beroep betwisten de verschuldigdheid van de B.T.W. naar aanleiding van deze inbreuken niet. De verschuldigde B.T.W. werd niet opgenomen in de B.T.W.-aangiften. Evenmin blijkt het recht op aftrek te zijn uitgeoefend in de B.T.W.-aangiften. Aan het hof worden bovendien niet de betrokken facturen voorgelegd, noch andere verantwoordingsstukken waaruit kan blijken dat de geleverde goederen en verleende diensten werden gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen.

Het hof dient dan ook in deze vast te stellen dat eisers in hoger beroep niet het bewijs leveren dat voldaan is aan de formele voorwaarden om het recht op aftrek te kunnen uitoefenen, doch evenmin bewijzen dat aan de materiële voorwaarden ter zake is voldaan.

Aangezien niet voldaan is aan de materiële voorwaarden voor het recht op aftrek, is van enige schending van het neutraliteitsbeginsel geen sprake. De door eisers in hoger beroep aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie die betrekking heeft op de verwerping van het recht op aftrek indien niet voldaan is aan de formele voorwaarden ter zake maar wel aan de materiële voorwaarden, is dan ook niet van toepassing in deze. De inbreuken gaan in deze verder dan het louter niet nakomen door cie1 van bepaalde verplichtingen betreffende het voeren van de boekhouding en het indienen van de aangifte (vgl. H.v.J. 8 mei 2008, [C-95/07](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-95-07-arrest), inz. cie2, nr. 67). Het gaat in deze om verschuldigde B.T.W. die ten onrechte door cie1 niet werd betaald. Eisers in hoger beroep kunnen dan ook bezwaarlijk aanspraak maken op het recht op aftrek van deze niet-betaalde B.T.W.. Van een systematische belemmering van het recht op aftrek is aldus in deze geen sprake.

Het recht op aftrek moet bovendien hoe dan ook worden geweigerd wanneer op basis van objectieve gegevens vaststaat dat aanspraak op dit recht wordt gemaakt in geval van fraude of misbruik (H.v.J. 19 oktober 2017, [C-101/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-101-16-arrest), inz. cie3, nr. 43 en H.v.J. 21 juni 2012, [C-80/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-80-11-arrest) en [C-142/11](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-80-11-arrest), inz. M. en D., nrs. 42 en 43). In deze handelde cie1 met bedrieglijk opzet door verschuldigde B.T.W. niet aan te geven en niet te voldoen (cfr. sub 3.2), zodat het recht op aftrek haar terecht wordt geweigerd. De rechtspraak van het Hof van Justitie is dan ook wel degelijk van toepassing in deze.

Enige schending van het neutraliteitsbeginsel ligt dan ook niet voor.

De prejudiciële vraag die eisers in hoger beroep aan het Hof van Justitie wensen voor te leggen, gaat ervan uit dat cie1 in deze recht heeft op aftrek van de B.T.W., dat derhalve aan de materiële voorwaarden ter zake is voldaan en eveneens dat er geen sprake is van enig bedrieglijk opzet -quod non. De gesuggereerde prejudiciële vraag gaat dan ook uit van verkeerde premisses en dient derhalve niet te worden gesteld.

3.4. Eisers in hoger beroep betwist de toepassing van een B.T.W.-boete van 200% en stelt dat deze onevenredig is met de ernst van de gepleegde inbreuken en dat er sprake is van een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat geen rekening zou kunnen worden gehouden met verzachtende omstandigheden of geen eenvoudige schuldigverklaring zou kunnen worden uitgesproken, zoals in strafzaken. Eisers in hoger beroep verwijzen tevens naar de rechtspraak van het Hof van Justitie omtrent de toepassing van het evenredigheids-en neutraliteitsbeginsel bij het opleggen van een boete (H.v.J. 8 mei 2019, [C-712/17](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-712-17-arrest), inz. cie4; H.v.J. 26 april 2017, [C-564/15](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-564-15-arrest), inz. F.).

Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt in toepassing van artikel 70, §1 W.B.T.W. een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat ze werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken ([artikel 1, tweede lid K.B. nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1)).

In casu werd het bedrieglijk opzet bij het plegen van de inbreuken 3 tot en met 6 op afdoende wijze gemotiveerd in het proces-verbaal d.d. 27 februari 2019, zoals hiervoor reeds werd toegelicht (cfr. supra sub 3.2). Wat de inbreuken 1 en 2 betreft, wordt niet door eisers in hoger beroep betwist dat deze met bedrieglijk opzet werden gepleegd. Het hof kan dan ook slechts met de administratie vaststellen dat cie1 over verschillende jaren vanaf 2012 tot en met 2016 stelselmatig verschuldigde B.T.W. voor zeer belangrijke bedragen niet heeft opgenomen in haar B.T.W.-aangiften en deze niet heeft voldaan. Aldus werd de gerealiseerde omzet volgens jaarrekening niet aangegeven in de B.T.W.-aangiften voor meer dan 13,3 miljoen EUR en werden de intresten op de hierop verschuldigde B.T.W. niet voldaan. De aldus verschuldigde BT.W. werd, uiteraard verkeerdelijk, geboekt als een lening op meer dan 1 jaar. Tevens werden herzieningen niet doorgevoerd en werd de B.T.W. op invoeren, werken in onroerende staat of diensten van niet-Belgische belastingplichtigen niet aangegeven. Het gaat in deze dan ook om meer dan loutere 'vergetelheden' in hoofde van cie1. Ook kan aldus bezwaarlijk gesteld worden dat het slechts om een eenmalige overtreding zou gaan. Enige goede trouw kan niet worden vastgesteld.

Terecht werd dan ook een geldboete van 200% opgelegd naar aanleiding van de vastgestelde inbreuken.

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.B.T.W. te toetsen mag in principe de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Het Hof van Cassatie oordeelde evenwel dat het de rechter niet is toegestaan om de boete in toepassing van artikel 6.1 EVRM te verminderen tot beneden het wettelijk tarief van 200% van de verschuldigde belasting buiten de context van een beroep tegen de beslissing van de minister of zijn gedelegeerde over een verzoek tot kwijtschelding met toepassing van artikel 9 van het Regentbesluit van 1831 (Cass. 25 april 2025, [F.22.0162.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-bergruimte-cassatie-brussel-2025-04-25-2252) en [F.22.0166.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-bergruimte-cassatie-brussel-2025-04-25-2252)).

Partijen hebben ter zake standpunt ingenomen ter zitting.

In deze blijkt niet dat een genadeverzoek als bedoeld in het Regentbesluit van 1831 werd ingediend, wat zou impliceren dat het het hof niet zou zijn toegestaan om met volle rechtsmacht te beoordelen of de toepassing van de boete van 200% in deze evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken. De administratie stelt zich aan te sluiten bij het Hof van Cassatie. Namens eisers in hoger beroep wordt verzocht ter zake ambtshalve een prejudiciële vraag te stellen.

Zelfs indien het hof, in weerwil van het ontbreken van een genadeverzoek, bevoegd zou zijn om een evenredigheidstoets door te voeren, ziet het hof echter in casu geen gronden om vast te stellen dat B.T.W.-boete van 200% of 3.840.100 EUR mogelijks onevenredig zouden zijn met de aard en de ernst van de inbreuken. Het hof is van oordeel dat de opgelegde geldboete van 200 % in casu hoe dan ook evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering is van de gepleegde inbreuken waarbij over meerdere jaren voor zeer belangrijke bedragen verschuldigde B.T.W. wetens en willens niet werd aangegeven. Het gaat om meer dan loutere 'vergetelheden'. Eisers in hoger beroep motiveren niet waarom de boete van 200% onredelijk zou zijn en de financiële gezondheid van cie1 zou bedreigen. Het enkele feit dat cie1 failliet werd verklaard is althans onvoldoende om het disproportioneel karakter van de geldboete vast te stellen. De geldboete werd proportioneel berekend met inachtneming van de ontdoken B.T.W. voor een bedrag van 1.920.053,69 EUR. De omvang van de geldboete is dan ook recht evenredig met de B.T.W. die ten onrechte niet werd aangegeven. Enkel de omvang maakt deze niet buitensporig. Dat het om een eerste, dan wel eenmalige overtreding zou gaan, blijkt althans niet uit de feiten.

Aangezien er derhalve in de huidige stand van het geding geen aanleiding is om de opgelegde boete te herleiden beneden het wettelijk minimum, ziet het hof dan ook geen redenen om ambtshalve een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof dan wel aan het Hof van Justitie omtrent de draagwijdte van de evenredigheidstoets door het hof indien geen genadeverzoek werd ingediend in de zin van het Regentbesluit.

Het hof ziet ook geen verzachtende omstandigheden in deze of redenen die een eenvoudige schuldigverklaring zouden rechtvaardigen, zodat ook op dit punt geen prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof dient te worden gesteld.

Gelet op het vastgestelde bedrieglijk opzet, kan ook geen kennelijke schending van het evenredigheids- en neutraliteitsbeginsel worden vastgesteld door de toepassing van een geldboete van 200%, zodat ook dienaangaande geen vraag dient te worden gesteld aan het Hof van Justitie. In ieder geval staat vast dat de Schatkist in casu wél een verlies van B.T.W.-inkomsten heeft geleden, zodat de door eisers in hoger beroep aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie in deze niet van toepassing is.

Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten en de concrete gegevens van de zaak is er in casu dan ook geen enkele reden om de geldboete van 200% kwijt te schelden dan wel te verminderen, evenmin om deze met uitstel op te leggen, mocht de wet in deze maatregel hebben voorzien.

Het vonnis van de eerste rechter wordt bevestigd.

---

Het hoger beroep van eisers in hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond. Het vonnis van de eerste rechter wordt bevestigd.

Verweerder in hoger beroep wordt niet vertegenwoordigd door een raadsman, zodat de rechtsplegingsvergoeding wordt begroot en vereffend op 0 EUR. Het hof legt de rechtsplegingsvergoeding, aldus begroot, ten laste van eisers in hoger beroep als de in het ongelijk gestelde partij.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 2791, 1° io. 162, 4° W.Reg..

**4. Bespreking.**

### Beschikkend gedeelte

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof weert de syntheseconclusie van eisers in hoger beroep, neergelegd op 29 juli 2025 ter griffie, uit de debatten.

Het hof verklaart het hoger beroep van eisers in hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond. Het hof bevestigt het vonnis van de eerste rechter.

Het hof veroordeelt eisers in hoger beroep tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op en door het hof vereffend op 0 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 20 januari 2026 door

C. PRINCEN

E. DE BRAUWER

K. LEYSEN

E. CLEYMANS

## Aangehaalde teksten

15

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[KB nr. 3 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-artikel-historiek-236d) 2 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 2 voorkomens

[KB nr. 7 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-7-artikel-6aae) 2 voorkomens

[KB nr. 1 art. 5](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-6caa) 1 voorkomen

[KB nr. 3 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 1 voorkomen

[KB nr. 3 art. 7](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-3-december-betrekking-aftrekregeling-toepassing-belasting-8aeb) 1 voorkomen

[WBTW art. 71](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-71) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 167](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-167) 1 voorkomen

[btw-richtlijn 2006/112 art. 168](https://juriel.be/nl/unierecht/btw-richtlijn-2006-112/artikel-168) 1 voorkomen

[C-101/16, arrest van 19 oktober 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-101-16-arrest) 1 voorkomen

[C-80/11 en C-142/11, arrest van 21 juni 2012](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-80-11-arrest) 1 voorkomen

[C-564/15, arrest van 26 april 2017](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-564-15-arrest) 1 voorkomen

[C-712/17, arrest van 8 mei 2019](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-712-17-arrest) 1 voorkomen

[C-95/07 en C-96/07, arrest van 8 mei 2008](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-95-07-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-2023-05-19-c61f) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-bergen-2022-05-20-c627) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, factuur, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-factuur-btw-cassatie-brussel-2022-11-25-e4f6) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Transport, Schulden, Weigering BTW-aftrek, vervoer, weigering van de Btw-aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/transport-schulden-weigering-btw-aftrek-rechtbank-2026-03-02-0053) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Boete 200%, Vennootschapsbelasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-vennootschapsbelasting-rechtbank-2025-10-13-34a8) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Aanwending voor de beroepsactiviteit, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-aanwending-beroepsactiviteit-bewijslast-hof-van-beroep-luik-2021-01-18-0480) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 3 gemeenschappelijke bepalingen
