---
title: "Nalatigheidsinteresten · Hof van beroep te Gent, 5 april 2016, 2014/AR/3157"
description: "Nalatigheidsinteresten, Discretionaire bevoegdheid van de gewestelijk directeur. Hof van beroep te Gent (België), 5 april 2016, 2014/AR/3157."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/nalatigheidsinteresten-discretionaire-bevoegdheid-gewestelijk-hof-van-beroep-gent-2016-04-05-b942"
lang: "nl"
---

# Nalatigheidsinteresten, Discretionaire bevoegdheid van de gewestelijk directeur · Nalatigheidsinteresten - Discretionaire bevoegdheid van de gewestelijk directeur

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Rolnummer**

2014/AR/3157

**Datum**

5 april 2016

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

87 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent dd. 05.04.2016 (2014/AR/3157)

GWF 708-15-14/006705

*Belasting over de toegevoegde waarde - nalatigheidsinteresten - discretionaire bevoegdheid van de gewestelijk directeur*

## Wettelijke bepalingen

art. 84*bis* en [art. 91 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91)

## Samenvatting

Voor het hof vordert de belastingplichtige het tenietdoen van het vonnis in eerste aanleg, de beslissing van de gewestelijk-directeur, en een totale kwijtschelding van nalatigheidsinteresten.

Krachtens het [art. 84bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis) mag de bevoegde gewestelijk-directeur onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen voor alle in art. 91, §§1 en 2, bedoelde intresten of een deel ervan. Wanneer de gewestelijk-directeur beslist over een verzoek tot vrijstelling in de zin van art [84bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis) WBTW, moet hij het wettelijk begrip “bijzonder geval”eerbiedigen, maar beschikt hij, binnen die grenzen, over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Dit laatste laat hem toe binnen de perken van de wet, zelf de wijze van uitoefening van zijn bevoegdheid te bepalen die hem het meest geschikt overkomt.

Dit heeft tot gevolg dat, ter eerbiediging van de scheiding der machten, de rechtbanken hun beoordeling niet in de plaats kunnen stellen van de gewestelijk-directeur maar enkel over de bevoegdheid beschikken om de wettigheid van de beslissing te controleren.

In de beslissing wordt aangehaald dat geen *“bijzondere omstandigheden”* (zoals vereist bij [art. 84bis WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis)) voorhanden zijn, en worden deze bijzondere omstandigheden niet nader omschreven.

Waar de appellant aanvoert dat hij ongelukkig en te goeder trouw is, er sociale en humanitaire redenen zijn die de kwijtschelding van nalatigheidsinteresten rechtvaardigen kan hierop niet worden ingegaan, daar dit een inmenging is in de discretionaire bevoegdheid van de gewestelijk directeur. Het hoger beroep is ontvankelijk maar ongegrond.

## Aard

Gunstig voor de administratie

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**Arrest van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer,**

**dd. 05/04/2016**

**(2014/AR/3157)**

**D.G.M.**, wonende te…, ingeschreven met KBO-nummer …, *appellant, hebbende als raadsman mr. M.R., advocaat te …*

tegen

**BELGISCHE STAAT/FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIEN,** Algemene Administratie van Fiscaliteit, Sector BTW, met burelen te 8000 BRUGGE,G. Vincke Dujardinstraa 4, *geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. P.M., advocaat te …*

**Wijst het hof het volgend arrest:**

1\. Bij fiscaal verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge op 18.12.2013 bestreed de appellant de beslissing dd. 31.10.2013 van de gewestelijke directeur a.i., BTW-directie Brugge, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, beslissend over het verzoek dd. 10.9.2013 van de appellant tot kwijtschelding wegens bijzondere omstandigheden van boeten en intresten uit hoofde van de BTW-schuld met artikelnummer….

Bij deze beslissing werd de opgelegde boete (8.366,41 EUR) kwijtgescholden, doch niet de verwijl-intresten (65.138,10 EUR op 21.10.2013 volgens de bestreden beslissing).

Voor de eerste rechter vorderde de appellant in hoofdorde dat de bestreden beslissing zou worden vernietigd en voor recht zou worden gezegd dat een totale kwijtschelding van boeten en nalatigheidsintresten gegrond voorkomt. In subsidiaire orde vorderde de appellant dat de volgende prejudiciële vraag zou worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof:

> *“Schendt* [*artikel 84bis BTW-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis) *de artikelen 10 en* 11 *van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel6.1 EBRM,in de interpretatie dat het de rechter* (niet) *toegelaten is een toezicht met volle rechtsmacht uit te oefenen op de beslissing van de bevoegde gewestelijk directeur tot weigering van de kwijtschelding of vermindering van boeten en (nalatigheids)intresten in uitvoering van* [*artikel 84bis BTW-wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis)*.?”*

Bij vonnis dd. 18.11.2014 van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, Afdeling Brugge, vierde kamer*,* werd de vordering van de appellant ontvankelijk verklaard doch ongegrond, en werd hij veroordeeld tot de gedingkosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 16.12.2014 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het voormelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust (in zover mogelijk).

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

Voor het hof vordert de appellant dat het bestreden vonnis zou worden tenietgedaan, de bestreden beslissing van de gewestelijke directeur zou worden vernietigd en voor recht zou worden gezegd dat een totale kwijtschelding van boeten en nalatigheidsintresten gegrond voorkomt.

In ondergeschikte orde vordert de appellant dat de hoger aangehaalde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof zou worden gesteld.

In uiterst ondergeschikte orde vordert de appellant dat het bestreden vonnis en de bestreden beslissing van de gewestelijke directeur zouden worden tenietgedaan, en voor recht zou worden gezegd dat de geïntimeerdelap gemotiveerde wijze en met eerbied voor alle overige beginselen van behoorlijk bestuur, een nieuwe administratieve beslissing dient te nemen m.b.t. het verzoek van de appellant tot kwijtschelding van de verwijlintresten.

De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep onontvankelijk minstens ongegrond zou worden verklaard.

2\. De raadsman van de geïntimeerde vordert dat de laatste conclusie van de appellant, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 16.11.2015, uit de debatten zou worden geweerd, gezien neergelegd buiten de conclusietermijnen.

Bij beschikking van 6.1.2015 werden de door de partijen voorgestelde conclusietermijnen bekrachtigd. De laatste conclusietermijn was toegekend aan de Belgische Staat, die nog mocht concluderen tegen 30.6.2015. De appellant beschikte voordien over een termijn tot 15.5.2015 om te concluderen.

De door de appellant op 16.11.2015 ter griffie van het hof van beroep te Gent neergelegde conclusie werd buiten de bepaalde conclusietermijnen neergelegd en dient uit de debatten te worden geweerd.

3\. In zoverre de appellant vordert dat hem totale kwijtschelding van boeten zou worden verleend, is zijn vordering hoe dan ook zonder voorwerp, nu bij de voormelde beslissing dd. 31.10.2013 van de gewestelijke directeur a.i., BTW-directie Brugge, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, om humanitaire redenen werd beslist de boete van 8.366,41 EUR ten uitzonderlijken titel kwijt te schelden.

Thans dient nog de vordering van de appellant strekkende tot totale kwijtschelding van de nalatigheidsintresten in toepassing van het [artikel 84bis BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis) te worden onderzocht.

a.

Krachtens het [artikel 84bis BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis) mag de bevoegde gewestelijke directeur van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, onder door hem bepaalde voorwaarden, in bijzondere gevallen vrijstelling verlenen voor alle in artikel 91, §§ 1 en 2, bedoelde interesten of voor een deel ervan.

Wanneer de gewestelijke directeur beslist over een verzoek tot vrijstelling in de zin van het [artikel 84bis BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis), moet hij het wettelijk begrip bijzonder geval eerbiedigen, maar beschikt hij, binnen die grenzen, over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid (vergelijk met Cass.10.1.2014, Pas. 2014, nr. 16 p. 65). Dit laatste houdt in dat de gewestelijke directeur over een beoordelingsvrijheid beschikt die het hem binnen de perken van de wet mogelijk maakt om zelf de wijze van uitoefening van zijn bevoegdheid te bepalen en de oplossing te kiezen die hem het meest geschikt voorkomt (vergelijk met Cass. 26.3.2009, Pas. 2009, nr. 218 p. 799). Dit heeft tot gevolg dat, ter eerbiediging van het grondwettelijk principe van de scheiding der machten, de rechtbanken hun beoordeling niet in de plaats kunnen stellen van die van de gewestelijke directeur maar enkel over de bevoegdheid beschikken om de wettigheid van de beslissing te controleren (vergelijk met Cass. 4.3.2004, Pas.2004, nr. 124, p. 374).

De door de appellant voorgestelde vraag aan het Grondwettelijk Hof dient niet te worden gesteld, nu er klaarblijkelijk geen schending is van de artikelen 10 en 11 Grondwet/1994, mede in acht genomen de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof in verband met de mogelijkheid van de Raad voor Uitbetaling der Voordelen van de Rijksdienst voor Pensioenen om af te zien van een invordering van onterecht uitbetaalde uitkeringen (arrest nr. 82/2007 dd. 7.6.2007, vindplaats http://www.const-court.be).

b.

Wat de verwerping van het verzoek tot kwijtscheldtng van nalatigheidsintresten betreft overweegt de bestreden beslissing:

> *“*
>
> *Wat nude verwijlintresten betreft, die verrekend worden op grond van artikel91,* § 1 *van het BTW-Wetboek en die geen eigenlijke sanctie inhouden, kan er, gelet op de uniforme gedragslijn die ter zake wordt nagestreefd, en bij ontstentenis van bijzondere omstandigheden bedoeld bij* [*artikel 84bis van het Btw-Wetboek*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis)*, geen vrijstelling worden verleen. Bij de verrekening van intresten wordt immers enkel een schade vergoedend effect nagestreefd. De nalatigheidsintresten zijn wettelijk verschuldigd en zijn, als financiële vergoeding, het automatisch gevolg van de laattijdige betaling van de verschuldigde belasting.*
>
> *Onder bijzondere omstandigheden dient verstaan een moeilijke financiële situatie, ontstaan buiten de wil van de belastingplichtige of wanneer zijn financiële toestand* zo *is dat hij, voor afzienbare tijd, niet in staat zal zijn afbetalingen te storten die nauwelijks toereikend zijn* om *de nalatigheidsintresten te betalen indien deze zouden blijven lopen. ".*
>
> Ten onrechte vergelijkt de appellant de kwijtschelding van de boete met die van de nalatigheidsintresten. Er moet worden opgemerkt dat de kwijtschelding van de boete (zoals uitdrukkelijk vermeld in de bestreden beslissing) te dezen niet steunt op het [artikel 84 bis BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis), maar op artikel 9 van het Regentsbesluit dd. 18.3.1831 (Organiek besluyt van het bestuer van ‘s lands middelen: ”*Den Minister beschikt op de verzoeken om kwytschelding van boeten of verhoogingen van regt ten titel van boeten, andere dan degene uytgesproken door den Regter, en bekrachtigt de overeenkomsten tusschen het bestuer* en *de lastgelders, wanneer zy door de wetten toegelaten zyn. ").*

Door te verwijzen naar een uniforme gedragslijn geeft de bestreden beslissing te kennen dat niet willekeurig tewerk kan worden gegaan en het gelijkheidsbeginsel wordt geëerbiedigd ten aanzien van gelijkaardige gevallen.

Verder wordt er op gewezen dat de Intresten geen sanctie zijn, maar een vergoedend karakter hebben, en ze wettelijk verschuldigd zijn doordat de appellant niet tijdig de verschuldigde belasting betaalt.

In de beslissing wordt aangehaald dat geen "*bijzondere omstandigheden"* (zoals vereist bij het [artikel 84bis BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis)) voorhanden zijn, en worden deze bijzondere omstandigheden - die te dezen niet voorhanden zijn - nader omschreven.

De beslissing is dan ook afdoende naar eis van de wet gemotiveerd. Niet alleen worden de toepasselijke wetsartikelen vermeld, maar bovendien wordt uiteengezet wat moet verstaan worden onder bijzondere omstandigheden en aangegeven dat ze hier niet voorhanden zijn.

Uit de voormelde overwegingen van de gewestelijke directeur is ook af te leiden dat hij de voorliggende gegevens heeft beoordeeld, zodat de appellant ten onrechte voorhoudt dat de gewestelijke directeur de toepassing van het [artikel 84bis BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis) verhindert.

Er moet ook opgemerkt worden dat, zo de bestreden beslissing moet gemotiveerd zijn, in hoofde van de gewestelijke directeur geen verplichting bestaat om de argumenten van de appellant ter ondersteuning van zijn verzoek tot kwijtschelding te beantwoorden. Voor zoveel als nodig moet worden opgemerkt dat door de appellant in het verzoek tot kwijtschelding werden aangevoerd: de leeftijd van de appellent, zijn medische toestand en een "serieuze inspanning" die hij niet zal kunnen volhouden, wat door de directeur niet als aanvaardbare gronden voor de kwijtschelding van de intresten werd beschouwd, zoals blijkt uit de beslissing.

c.

De appellant vroeg niet om te worden gehoord, en dergelijk verzoek is niet af te leiden uit de vermelding in het verzoek tot kwijtschelding dat de appellant *“ter beschikking is voor alle verdere informatie",*

De hoorplicht houdt in dat het bestuur, bij afwezigheid van een formele regeling ter zake, niemand een voordeel kan weigeren dat zijn belangen aanmerkelijk kan beïnvloeden, noch hem dergelijk voordeel kan ontnemen noch hem een sanctie met een voldoende ernstig karakter kan opleggen zonder dat de betrokkene vooraf de gelegenheid wordt geboden om zijn standpunt op nuttige wijze te doen kennen. Bij de aanvraag van een voordeel (zoals te dezen) is in beginsel aan deze voorwaarde voldaan doordat de aanvrager in zijn aanvraag alle nuttige elementen kan laten gelden (vergelijk met RvS, nr. 232145 dd. 9.9.2015, *Mohammad Hameed Khusbeen,* cijfer 6, vindplaats http://www.raadvst-consetat.be; vergelijk ook met: RvS,nr. 231.480 dd. 9.6.2015, *Degrendele,* cijfer 6, zelfde vindplaats).

Alle gegevens die door de appellant konden aangevoerd worden ter ondersteuning van zijn verzoek tot kwijtschelding van de nalatigheidsintresten waren de appellant bekend op het ogenblik van het indienen van zijn verzoek, en hij was in niets beperkt om zijn middelen te laten gelden.

Er is derhalve geen schending van de hoorplicht/zorgvuldigheidsplicht.

4.

a.

De vordering van de administratie is niet verjaard.

De artikelen [81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) en [83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) BTW-wetboek, in de versie vóór wijziging bij de artikelen 52 en 56 van de wet van 15.3.1999 betreffende de beslechting van fiscale geschillen, zijn te dezen van toepassing.

Uit de door de geïntimeerde voorgelegde stukken is af te leiden dat de schuld van de appellant is ontstaan in de periode 1980 - 1982, en de verjaringstermijn (van 5 jaar) achtereenvolgens werd gestuit door:

• de kennisgeving van het dwangbevel dd. 25.1.1984 op 26.1.1984;

• de betekening van dit dwangbevel op 8.6.1984;

• de kennisgevingen van dwangbevel dd. 9.1.1989, 18.10.1993, 24.3.1998, 25.2.2003, 11.6.2007;

• de betekening van dwangbevel op 13.3.2012.

De verjaring werd derhalve niet bereikt.

b.

Voor zoveel als nodig, nu men hiermee op het appreciatieterrein treedt van de gewestelijke direc-teur, kan men de administratie te dezen geen schending van de redelijke termijn aanwrijven op om het even welke grond, en tevergeefs wordt de gewestelijke directeur verweten dit niet in acht te hebben genomen. De administratie blijkt met de regelmaat van de klok gepoogd te hebben de schuld te innen op de appellant, maar dit Is niet mogelijk gebleken wat niet gebeurde door toedoen van de administratie maar van de appellant, die blijkbaar de mening toegedaan schijnt dat het volstaat de betaling van een schuld aan de overheid zolang mogelijk uit te stellen om er dan van bevrijd te zijn. Het louter niet-betalen van de schuld door toedoen van de appellant kan ook niet als een bijzondere omstandigheid in de zin van [artikel 84bis BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis) beschouwd worden.

c.

Waar de appellant aanvoert dat hij ongelukkig en te goeder trouw is, er sociale en humanitaire redenen zijn die de kwijtschelding van de nalatigheidsintresten rechtvaardigen, kan hierop niet worden ingegaan nu dit een inmenging inhoudt in de discretionaire bevoegdheid van de gewestelijke directeur (zie hoger).

### Beschikkend gedeelte

## OP DEZE GRONDEN

**HET HOF,** rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Weert de conclusie van de appellant neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Gent op 16.11.2015 uit de debatten; .

Ontvangt het hoger beroep, doch verklaart het ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Veroordeelt de appellant tot de kosten van het hoger beroep, en begroot deze kosten in hun geheel als volgt:

• aan de zijde van de appellant: op 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

• aan de zijde van de geïntimeerde: op 1.320,00 EUR rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen door de **VIJFDE KAMER,** van het Hof van beroep te Gent, recht doende in fiscale zaken, samengesteld uit:

G.T., kamervoorzitter,

D.V., raadsheer,

S.R., raadsheer,

en uitgesproken door de kamervoorzitter van de kamer in openbare terechtzitting van **5 april 2016,** bijgestaan door J.D., griffier.

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 84bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84bis) 13 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 2 voorkomens

[WBTW art. 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) 1 voorkomen

[WBTW art. 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Geldigheid van het dwangbevel, Afdoende motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldigheid-dwangbevel-afdoende-motivering-verwijzing-hof-van-beroep-luik-2022-09-14-7774) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingen over toegevoegde waarde, Akkoordverklaring, Afstand van Geding, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de vordering, Verjaring, Handeling onder bezwarende titel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-vordering-verjaring-handeling-onder-hof-van-beroep-antwerpen-2024-03-05-3cdb) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaring, nalatigheidsinterest, afstand van geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-nalatigheidsinterest-afstand-geding-rechtbank-brugge-2025-04-08-ca5a) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2009-05-12-3414) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2008-11-18-5570) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, uitvoer, invoer, intracommunautaire handeling, bewijs, controlemaatregel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-uitvoer-invoer-intracommunautaire-handeling-rechtbank-brussel-2009-04-06-5b0b) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaring, stuiting verjaringstermijn, faillissement, stuiting van de verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-stuiting-verjaringstermijn-faillissement-hof-van-beroep-brussel-2019-01-29-644b) 3 gemeenschappelijke bepalingen
