---
title: "6 februari 2024 · Motivering van het proces-verbaal · Rechtbank van eerste aanleg te Brussel"
description: "De Brusselse rechtbank vernietigt een Belgische btw-navordering van 31.395 euro en de bijhorende boete van 3.130 euro."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/motivering-proces-verbaal-innings-invorderingsregister-rechtbank-brussel-2024-02-06-94f3"
lang: "nl"
---

# Motivering van het proces-verbaal

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brussel

**Datum**

6 februari 2024

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gemengd

## Tekst

131 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel d.d. 06.02.2024

WF 701-15-20/030673

\[Gemengd vonnis\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Motivering van het proces-verbaal - Innings- en invorderingsregister –– Recht op aftrek – Boete – Motivering bestuurshandelingen*

## Wettelijke bepalingen

[Art. 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6), [44, §3, 2°, a), eerste streepje](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44), [44, §3, 2°, a), vijfde streepje](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) en [45, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) WBTW

## Samenvatting

## 1. Feiten en voorgaande procedure

De belastingplichtige baat verschillende eetgelegenheden uit in stations onder concessie van de NMBS. Deze concessieovereenkomst wordt eenzijdig stopgezet door de NMBS. Na de stopzetting wordt nog één bijkomende factuur aan de belastingplichtige uitgereikt op basis van de gecertifieerde omzet. Naar aanleiding van een controle stelde de administratie vast dat de belastingplichtige de btw op die factuur in aftrek nam niettegenstaande in die periode geen omzet werd aangegeven. Deze inbreuk werd opgenomen in een proces-verbaal. Verder werden ook nog verschillende niet-proportionele boeten opgelegd wegens niet-indiening periodieke btw-aangiften en klantenlisting. De bedragen aan btw, geldboeten en intresten werden vervolgens opgenomen in het innings- en invorderingsregister. Er werd een administratief bezwaarschrift tegen de verschillende schuldartikelen ingediend. Dit bezwaar werd afgewezen als ongegrond.

Bij verzoekschrift van 12 oktober 2021 stelde de belastingplichtige haar vordering in bij de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel ter bestrijding van de voornoemde belastingschulden.

## 2. Het vonnis

## a) De motivering van het proces-verbaal

De rechtbank heeft geoordeeld dat het proces-verbaal een motivering in rechte en in feite bevat die de belastingplichtige toelaat om dit aan te vechten.

### b) De aftrekbare btw

De rechtbank oordeelt dat belastingplichtige voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de door de NMBS verstrekte goederen en diensten in het kader van de concessieovereenkomsten gebruikt zijn voor het verrichten van belaste handelingen en aldus kaderen in haar economische activiteiten. Het feit dat in de factuur bij de opsomming van de concessieovereenkomsten telkens melding wordt gemaakt van één dag maakt niet dat er een noodzakelijk verband moet zijn met belastbare handelingen gesteld in die periode om aftrek mogelijk te maken. Het is immers afdoende duidelijk dat het gaat over verleende goederen en diensten in het kader van (stopgezette) concessieovereenkomsten waarvoor, nadat de concessies onmiddellijk zijn stopgezet, een zogenaamde ‘bij facturatie’ wordt gedaan door de NMBS. Het is in die context logisch dat de belastingplichtige op dat ogenblik geen belastbare activiteit meer heeft die voortkomt uit de concessies, doch dit beperkt in het licht van [artikel 45 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) en de concrete voorliggende omstandigheden haar recht op aftrek niet.

### c. De boeten

Met betrekking tot de boeten voor het niet-indienen van btw-aangiften en het niet-indienen van een klantenlisting stelt de rechtbank vast dat deze evenredig zijn met de aard en de ernst van de overtredingen.

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

**Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, 7****de** **kamer, sectie burgerlijke rechtbank**

Vonnis van 6/02/2024

Rol : 2021/2999/A

*FEDERALE BELASTINGEN - BTW*

*EINDVONNIS OP TEGENSPRAAK*

**In de zaak van:**

De **BV L. I.,** met zetel te ..., met ondernemingsnummer 082...29,

*eiseres,*

vertegenwoordigd door mr. T. D. loco mr. J. T., advocaten met kantoor

te ... .

**Tegen:**

De **BELGISCHE STAAT,** F.O.D. Financiën, K.B.O. 0308.357.159, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat 12, op verzoek van de adviseur-generaal, Algemene Administratie van de Fiscaliteit, KMO Brussel I — Expertise I, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50, bus 3404,

*verweerder,*

vertegenwoordigd door de heer X, attaché.

In deze zaak, in beraad genomen op 23 januari 2024,

spreekt de rechtbank volgend vonnis uit:

## I. PROCEDURE

De rechtbank heeft onder meer kennis genomen van:

 het verzoekschrift, elektronisch neergelegd op 12 oktober 2021,

 de beschikking conform artikel 747 van het Gerechtelijk Wetboek van 26 november 2021,

 de syntheseconclusie voor eiseres, elektronisch neergelegd op 28 juli 2023,

® de syntheseconclusie voor verweerder, elektronisch neergelegd op 13 november 2023,

® de stukken van de partijen.

De raadsman van eiseres en de heer M. zijn gehoord tijdens de openbare terechtzitting van 22 januari 2024. Aan verweerder is vervolgens conform artikel 769 van het Gerechtelijk Wetboek een termijn van 1 dag verleend om een bijkomend stuk (factuur NMBS) neer te leggen. Op 23 januari 2024 zijn de debatten van rechtswege gesloten en is de zaak in beraad genomen.

## II. FEITEN

De vordering van eiseres heeft betrekking op een proces-verbaal van regularisatie inzake btw van 24 oktober 2019 (periode van 1 december 2017 tot en met 31 december 2018), evenals op 6 innings- en invorderingsberichten.

Eiseres is sinds 1 oktober 2011 geregistreerd als belastingplichtige onder het btw-nummer BE 082...29, en dit voor de activiteiten eetgelegenheid met beperkte bediening.

Naar aanleiding van een controle op 4 maart 2019 voor de periode van 1 december 2017 tot en met 31 december 2018 wordt op 24 oktober 2019 een proces-verbaal van regularisatie opgesteld. In het proces-verbaal worden de volgende vaststellingen gedaan:

1.*Uit het btw dossier van de BVBA L. I., blijkt dat er voor de periode 1 december 2017 tot december 2018 een bedrag van 5000,00 € aan omzet werd aangegeven in de btw aangiften. Dit bedrag is afkomstig van de verkoop van een koel en diepvriescel.*

2.*Het bedrag aangegeven als kosten in de periode 1 december 2017 tot 31 december 2018 is een maatstaf van heffing van 223.191,09 EURO er werd in deze periode een bedrag van 44.565,07 EUR in aftrek gebracht.*

3.*De aangifte vennootschapsbelasting aanslagjaar 2018 is op datum 18/03/2019 niet ingediend.*

4.*De kosten welke in aftrek gebracht zijn, zijn onder andere deze van de NMBS waar er volgens de vermelding op het factuur een bijfacturatie is op basis van gecertificeerde omzet voor de periode 09/03/2018 tot 09/03/2018. De bijkomende facturatie heeft mvh van 149.500,00 + 31.395,00 € BTW.*

5.*In de boekhouding en in de BTW aangiftes zijn er geen bedragen opgenomen welke afkomstig zijn van de activiteit voor deze periode.*

6.*De belastingplichtige heeft geen belastbare activiteit voorkomend uit de concessies, dit vanaf 01/12/2017."*

Het proces-verbaal overweegt vervolgens dat eiseres sedert 1 december 2017 geen handelingen meer heeft verricht als bedoeld in [artikel 45, §1 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) en bijgevolg de aftrek van de btw op de gemaakte kosten ten onrechte heeft uitgeoefend.

Er wordt in het proces-verbaal melding gemaakt van de volgende navordering ten aanzien van eiseres:

Btw 31.395,00 euro

Boete (proportioneel): 3.130,00 euro

Intrest: vanaf 21 januari 2019

Op 16 december 2019 wordt voor de voormelde navordering een innings- en invorderingsbericht verstuurd naar eiseres met artikelnummer 50...95.

Daarnaast worden nog een aantal andere innings- en invorderingsberichten verstuurd naar eiseres, met name:

Op 28 november 2019 (artikelnummer 50...61) voor 2.671,57 euro boete en 15,58 euro intrest ('Bijzondere rekening van 31/03/2019 - 30/06/2019'), Op 23 januari 2020 (artikelnummer 50...38) voor 3000,00 euro boete en 17,50 euro intrest ('Bijzondere rekening van 30/06/2019 - 30/09/2019'),

Op 5 maart 2020 (artikelnummer 50...12) voor 3000,00 euro boete en 17,50 euro intrest ('Boete niet-indiening klantenlisting'),

Op 1 juli 2020 (artikelnummer 50...95) voor 1.500,00 euro boete en 8,75 euro intrest ('Bijzondere rekening van 30/09/2019 - 31/12/2019'),

Op 17 juli 2020 (artikelnummer 50...97) voor 26,07 euro boete ('Bijzondere rekening van 31/12/2019 - 31/03/2020').

Eiseres dient op 3 juni bezwaar in tegen de navordering van de btw, boetes en intrest die voortvloeit uit de 6 innings- en invorderingsberichten.

Op 15 december 2020 wordt eiseres gehoord.

Met een beslissing van 2 juni 2021 verwerpt verweerder het bezwaar van eiseres.

Op 12 oktober 2021 stelt eiseres een vordering in bij deze rechtbank.

## III. VORDERING

Eiseres vordert het volgende in haar syntheseconclusie:

> *"De vordering van Concluante ontvankelijk en gegrond te verklaren;*
>
> *Dienvolgens het volgende uit te spreken,*
>
> 1.*Te horen dat de vordering zowel ontvankelijk als gegrond is;*
>
> 2.*De vernietiging, minstens de vermindering, van de BTW-schuld dewelke voortspruit uit het proces-verbaal van regularisatie dd. 23 oktober 2019 en ingeschreven werd in het innings- en invorderingsregister met artikelnummer 50...95 (stuk 1);*
>
> 3.*Alsook de vernietiging van de desbetreffende het proces-verbaal van regularisatie dd. 24 oktober 2021 zelf (stuk 3);*
>
> 4.*De kwijtschelding, minstens de vermindering, van de BTW-boeten die zijn ingeschreven onder artikelnummers 50...12, 50...61, 50...38, 50...95 en 50...97 (stuk 2);*
>
> 5.*De veroordeling van de Belgische Staat tot de terugbetaling aan Concluante van al de geldsommen die gedwongen of anders werden betaald door Concluante en door de Belgische Staat werden aangerekend, vermeerderd met moratoriuminteresten;*
>
> 6.*De veroordeling van de Belgische Staat tot de betaling van de gerechtskosten, meer de rechtsplegingsvergoeding (...) begroot op 3.750,00 EUR."*

Verweerder vraagt de vordering af te wijzen als ontvankelijk doch ongegrond en eiseres te veroordelen tot de kosten van het geding.

## IV. BEOORDELING

### Ontvankelijkheid

Tussen de partijen is geen betwisting over de ontvankelijkheid van de vordering. De rechtbank ontwaart geen ambtshalve op te werpen gronden tot niet-ontvankelijkheid.

### Ten gronde

### Algemeen

Het geschil betreft (voor een gedeelte) de aftrek van de btw zoals deze door eiseres is verricht in de btw-aangifte voor het jaar 2018 *(de btw-aangiften worden niet voorgelegd door de partijen).*

Krachtens [artikel 45 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) mag elke belastingplichtige, op de belasting die hij verschuldigd is, in beginsel in aftrek brengen de belasting geheven van de aan hem geleverde goederen en verleende diensten in de mate dat hij die goederen en diensten gebruikt voor het verrichten van belaste handelingen. De aftrekregeling heeft tot doel, de belastingplichtige geheel te ontlasten van de in het kader van al zijn economische activiteiten verschuldigde of betaalde btw. Het gemeenschappelijke btw-stelsel waarborgt bijgevolg een neutrale fiscale belasting van alle economische activiteiten, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteiten, mits die activiteiten in beginsel zelf aan de btw zijn onderworpen.

Het komt aan de belastingplichtige, eiseres, toe aan te tonen dat hij recht heeft op een aftrek van de btw (vgl. Brussel AR 2013/AF/138, 28 april 2016, www.fisconet.be).

Het staat in beginsel aan eiseres om met objectieve bewijzen aan te tonen dat haar in een eerder stadium door belastingplichtigen daadwerkelijk goederen en diensten zijn geleverd ten behoeve van haar eigen aan de btw onderworpen handelingen, en waarover zij daadwerkelijk btw heeft voldaan (vgl. HvJ nr. [C-519/21](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-519-21-arrest), 16 februari 2023, ASA, overwegingen 99 en 100). Deze bewijzen kunnen onder meer bestaan in stukken die in het bezit zijn van leveranciers of dienstverleners van wie de belastingplichtige de goederen of diensten heeft afgenomen waarover hij btw heeft voldaan (vgl. HvJ nr. [C­664/16](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-664-16-arrest), 21 november 2018, Vadan, overweging 45).

### Eerste middel — het proces-verbaal van regularisatie en de daaruit volgende btw-schuld is nietig omdat zij niet voldoet aan de vereisten van de formele motivering

Volgens eiseres is het proces-verbaal van regularisatie, en ook het bijhorende innings- en invorderingsregister (artikelnummer 50...95), nietig omdat niet is gemotiveerd waarom het recht op aftrek wordt verworpen. Daarbij verduidelijkt eiseres dat het tijdelijk niet kunnen stellen van belastbare handelingen in principe geen impact heeft op het recht op aftrek, en de intentie van de belastingplichtige het pertinente criterium is.

De rechtbank verwijst naar de motivèring van het proces-verbaal van regularisatie zoals weergegeven in dit vonnis onder het onderdeel feiten. Hieruit blijkt dat het proces-verbaal een motivering in rechte en in feite bevat die eiseres toelaat om dit aan te vechten.

Voorts merkt de rechtbank voor zover als nodig op dat de btw-schuld de openbare orde raakt en eiseres het bestaan van de belastingschuld in vraag stelt. Bijgevolg moet de

rechtbank - *behoudens wanneer de administratieve akte noodzakelijk is voor de totstandkoming van de belastingschuld en met voorbehoud voor de verjaring -* zelf in feite en naar recht uitspraak doen binnen de perken van het voorgelegde geschil, ongeacht de grond van nietigheid van de beslissingen of handelingen van de administratie, zoals een aangevoerde nietigheid van een proces-verbaal (vgl. Cass. AR [F.08.0082.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-bevoegdheid-viseren-uitvoerbaar-verklaren-cassatie-brussel-2011-03-8e80), 3 maart 2011; Cass. AR [F.12.0188.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-motivering-openbare-orde-terugbetaling-cassatie-brussel-2014-05-22-2961), 22 mei 2014; Cass. AR [F.11.0124.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-delegatie-visum-bevel-tenuitvoerlegging-cassatie-brussel-2014-10-09-6c17), 9 oktober 2014; Cass. AR [F.18.0073.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-nietigheid-openbare-orde-karakter-cassatie-brussel-2019-12-9254), 12 december 2019).

In tegenstelling tot wat de raadsman van eiseres ter zitting stelt, blijkt niet dat er zich een probleem van verjaring zou stellen bij een eventuele nietigheid van het proces-verbaal van regularisatie en/of het innings- en invorderingsregister (zie in het bijzonder [artikel 81bis, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) en [83, §1, tweede lid](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) van het Btw-Wetboek).

Aangezien de administratieve beslissing waarmee een administratieve geldboete inzake btw wordt opgelegd, noodzakelijk is voor de totstandkoming van zulke boete, geldt het voorgaande niet voor de geldboetes opgelegd conform [artikel 70 en volgende van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) (vgl. Cass. AR C.19.0605.N, 22 januari 2021). In het kader van het eerste middel stelt eiseres de motivering voor de geldboete(s) echter niet in vraag, en de rechtbank ziet geen redenen om dit ambtshalve te doen.

Het eerste middel is ongegrond.

### Tweede middel — recht op aftrek voor btw-schuld

In een tweede middel voert eiseres samengevat aan dat zij recht heeft op de aftrek van de btw die vervat is in de factuur van de NMBS. In dat verband stelt zij dat zij als gevolg van de (eenzijdige) onmiddellijke stopzetting van de concessieovereenkomsten door de NMBS tijdelijk verhinderd wordt haar activiteiten uit te oefenen, zij de uitkomst van het geschil met de NMBS moet afwachten, zij nog steeds de intentie heeft om op geregelde basis belastbare handelingen te stellen, en het feit dat er sprake is van een 'lange tussenpoos' hieraan geen afbreuk doet omdat er sprake is van omstandigheden buiten haar wil. Voorts merkt eiseres op dat zij nog steeds kwalificeert als btw-plichtige met een recht op aftrek.

Ter zitting van 22 januari 2024 merkt de rechtbank op dat de partijen de betrokken factuur van de NMBS, en de eventuele achterliggende stukken met betrekking tot deze factuur, niet voorleggen. Dit is nochtans een essentiële vereiste voor de aftrek van btw. De btw-aangiften en/of de relevante uittreksels uit de boekhouding worden evenmin voorgelegd. In dat verband benadrukt de rechtbank voor de goede orde dat van verweerder mag worden verwacht dat hij een volledig 'fiscaal dossier' voorlegt, wat niet het geval is in deze zaak, en dat van eiseres — *die beweert een recht op aftrek te hebben —* ook mag worden verwacht dat zij meewerkt aan de bewijsvoering.

Verweerder toont de factuur ter zitting aan de rechtbank en stelt dat zij ook over een cd-rom beschikt van de NMBS waarin de berekeningen zijn opgenomen met betrekking tot de factuur. Verweerder legt de factuur waaruit het geschil met betrekking tot de btw-schuld van 31.395,00 euro voortvloeit neer per e-deposit op 22 januari 2024. Het betreft een factuur van 30 maart 2018 die uitgaat van de NMBS en gericht is aan eiseres. In de omschrijving van de factuur is vermeld dat het gaat over bijkomende facturatie op basis van de gecertifieerde omzet, en er wordt hierbij verwezen naar twaalf concessieovereenkomsten, onder meer met betrekking tot het station in Gent-Sint-Pieters. De maatstaf van de heffing bedraagt 149.500,00 euro, met aldus een btw van 31.395,00 euro, wat een totaal factuurbedrag geeft van 180.895,00 euro.

Zoals hiervoor aangegeven stelt verweerder dat hij contact heeft gehad met de NMBS en dat de NMBS hem een cd-rom heeft overhandigd met de achterliggende berekeningen van de factuur, cd-rom die ter zitting (fysiek doch niet inhoudelijk) wordt getoond door verweerder maar die niet wordt neergelegd als stuk. Daarbij verduidelijkt verweerder dat niet wordt betwist dat het een werkelijke factuur betreft, doch dat wel wordt betwist dat de verleende goederen en diensten door eiseres gebruikt zijn voor het verrichten van belaste handelingen. Op vraag van de rechtbank stelt verweerder ook dat niet wordt betwist dat, alvorens de NMBS de concessieovereenkomsten heeft opgezegd met een brief van 31 oktober 2017 (zie stuk 12 van eiseres), eiseres een bepaalde omzet genereerde in het kader van deze concessieovereenkomsten.

Om recht op aftrek te krijgen, moet er in beginsel sprake zijn van een belastingplichtige die de betrokken goederen en diensten voor zijn belaste handelingen gebruikt, waarbij het recht op aftrek ontstaat op het tijdstip waarop de aftrekbare belasting verschuldigd wordt (vgl. HvJ nr. [C-734/19](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-734-19-arrest), 12 november 2020).

In het licht van de voorgaande vaststellingen en rekening houdend met de voorgelegde gegevens maakt eiseres voldoende aannemelijk dat de door de NMBS verstrekte goederen en diensten in het kader van de concessieovereenkomsten gebruikt zijn voor het verrichten van belaste handelingen, en aldus kaderen in de economische activiteiten van eiseres. Het feit dat in de factuur bij de opsomming van de concessieovereenkomsten telkens melding wordt gemaakt van de periode van 9 maart 2018 tot 9 maart 2018 — *één dag (een vrijdag) -* maakt niet dat, zoals verweerder lijkt aan te geven in het proces-verbaal, er een noodzakelijk verband moet zijn met belastbare handelingen gesteld in die periode om aftrek mogelijk te maken. Het is immers afdoende duidelijk dat het gaat over verleende goederen en diensten in het kader van (stopgezette) concessieovereenkomsten waarvoor pas in maart 2018, dus nadat de concessies onmiddellijk zijn stopgezet, een zogenaamde 'bijfacturatie' wordt gedaan door de NMBS. Het is in die context logisch dat eiseres op dat ogenblik geen belastbare activiteit meer heeft die voortkomt uit de concessies, doch dit beperkt in het licht van [artikel 45 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) en de concrete voorliggende omstandigheden niet haar recht op aftrek van de btw die is vervat in de factuur van 30 maart 2018. Het staat in dat verband ook niet ter betwisting dat eiseres voor de betrokken periode een btw-aangifte heeft ingediend.

De vraag of de btw(aftrek) in een latere periode mogelijks zal moeten worden herzien gaat de grenzen van dit geschil te buiten.

Het tweede middel is gegrond.

### Derde middel — de opgelegde geldboetes zijn disproportioneel en moeten worden kwijtgescholden, minstens verminderd

Aangezien hiervoor is vastgesteld dat verweerder ten onrechte een btw-schuld van 31.395,00 euro navordert, wordt de proportionele boete van 3.130,00 euro zoals opgenomen in het(zelfde) innings- en invorderingsbericht met artikelnummer 50...95 vernietigd.

Het derde middel is in die mate gegrond.

De overige (betwiste) geldboetes zijn opgenomen in innings- en invorderingsberichten met artikelnummers 50...61, 50...38, 50...12, 50...95 en 50...97.

Hoewel verweerder zeer weinig gegevens voorlegt over deze boetes, blijkt dat de feiten die eraan ten grondslag liggen niet worden betwist door eiseres (zie randnummer 28 van de conclusie van eiseres). Het gaat over het niet-indienen van btw-aangiften in de periode van 31 maart 2019 tot 31 maart 2020 en over het niet-indienen van een klantenlisting.

Verweerder verwijst naar het Koninklijk besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, doch het blijkt dat de boetes niet-proportioneel zijn en gestoeld zijn op [artikel 70, §4 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en aldus op het Koninklijk besluit nr. 44 van 9 juli 2012 tot vaststelling van het bedrag van de niet-proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde.

Uit de voorgelegde gegevens kan met afdoende zekerheid worden afgeleid dat eiseres maandelijks (en dus niet per trimester) periodieke btw-aangiften moet indienen.

In bijlage 1 van het Koninklijk besluit nr. 44 zijn de boetes vastgelegd. Voor het niet-indienen van een btw-aangifte is sprake van een boete van 1.000,00 euro per aangifte en een boete van 100,00 euro per maand voor het laattijdig indienen met een maximum van 1.000,00 euro. Voor het niet-indienen van een klantenlisting is een boete voorzien van 3.000,00 euro per lijst en ook boetes voor het laattijdig indienen, telkens met een maximum van 3.000,00 euro.

Bijgevolg blijkt dat de onderscheiden boetes zijn opgelegd conform de bepalingen van [artikel 70, §4 van het Btw-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en bijlage 1 van het Koninklijk besluit nr. 44. In tegenstelling tot wat eiseres stelt, is er in het licht van de concrete omstandigheden geen reden de geldboetes kwijt te schelden of te verminderen. Eiseres kan zich, rekening houdend met de stukken die op dit punt worden voorgelegd en de verlopen tijdsperiode (ongeveer een jaar), niet verschuilen achter problemen die zij zou hebben ondervonden

met een lasthebber, hier een boekhouder. Voor zover als nodig stelt de rechtbank vast dat de opgelegde geldboetes evenredig zijn met de aard en de ernst van de overtredingen.

Op dit punt is het derde middel ongegrond.

## V. KOSTEN

Aangezien de partijen over en weer in het ongelijk zijn gesteld, worden de kosten omgeslagen, zoals hierna bepaald.

Het betreft een fiscaal geschil zodat in toepassing van artikel 279/1 en 162, 4° W.Reg. geen rolrechten verschuldigd zijn (Punt II Circ. nr. 2019/C/26 van 15 februari 2019 betreffende de hervorming van de rolrechten).

### Beschikkend gedeelte

## VI. BESLISSING

De rechtbank,

Rekening houdend met de bepalingen van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,

In eerste aanleg en op tegenspraak,

Verklaart de vordering van eiseres ontvankelijk en in de volgende mate gegrond,

Vernietigt het proces-verbaal van regularisatie inzake btw van 24 oktober 2019 en het innings- en invorderingsbericht met artikelnummer 50...95, voor zover een btw-schuld van 31.395,00 euro en een proportionele geldboete van 3.130,00 euro wordt nagevorderd, met inbegrip van de intrest,

Veroordeelt verweerder tot de terugbetaling aan eiseres van alle op grond van voormeld proces-verbaal en innings- en invorderingsbericht teveel uitgevoerde betalingen of ingehouden bedragen ten titel van btw, boetes of intrest,

Veroordeelt elke partij tot de eigen kosten.

Deze beslissing is uitgesproken op de openbare terechtzitting van de 7 d e kamer van de

Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel, op **6 februari 2024,**

waar aanwezig waren en zitting namen:

De heer F. v. D.: rechter,

Mevrouw I. K.: griffier.

## Aangehaalde teksten

9

[WBTW art. 45](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-45) 6 voorkomens

[WBTW art. 44](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-44) 3 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[WBTW art. 6](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-6) 2 voorkomens

[WBTW art. 81bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) 1 voorkomen

[C-519/21, arrest van 16 februari 2023](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-519-21-arrest) 1 voorkomen

[C-664/16, arrest van 21 november 2018](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-664-16-arrest) 1 voorkomen

[C-734/19, arrest van 12 november 2020](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-734-19-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Geldigheid van het dwangbevel, Afdoende motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldigheid-dwangbevel-afdoende-motivering-verwijzing-hof-van-beroep-luik-2022-09-14-7774) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Laattijdige BTW-aangifte, Verlegging van heffing, Slecht gevoerde boekhouding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/laattijdige-btw-aangifte-verlegging-heffing-hof-van-beroep-antwerpen-2020-01-21-586c) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Fiscale fraude, Valse facturen, Aanwijzingen van fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-fraude-valse-facturen-aanwijzingen-hof-van-beroep-brussel-2022-12-01-3bf8) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Bewijslast, Projectontwikkeling](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-bewijslast-projectontwikkeling-kosten-hof-van-beroep-antwerpen-2026-01-06-088b) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Schuldenaar van de vordering, Verjaring, Handeling onder bezwarende titel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-vordering-verjaring-handeling-onder-hof-van-beroep-antwerpen-2024-03-05-3cdb) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingen over toegevoegde waarde, Akkoordverklaring, Afstand van Geding, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen;onroerende verhuur;belastbaar feit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/terbeschikkingstelling-bergruimte-opslaan-goederen-onroerende-rechtbank-brussel-2004-05-19-4683) 4 gemeenschappelijke bepalingen
