Maatstaf van heffing, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 12 september 2006

Zoeken

Maatstaf van heffing, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkistBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/maatstaf-heffing-vervolging-geding-rechten-hof-van-beroep-gent-2006-09-12-9bf6

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
12 september 2006

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

163 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 12.09.2006

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent·5e kamer - terechtzitting van 12-09-2006

Nr. 2003/AR/1519

In de zaak van :

DE BELGISCHE STAAT, FOD Financiën, Directie BTW-Antwerpen, met kantoren te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 73,

appellant,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. G., loco mr. V. C. P., advocaat te …, …

tegen :

1.W. R. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te …, onder het nummer …,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. V. H., advocaat te …, …

2. Q. R. NV, met maatschappelijke zetel te …, …,

geïntimeerde,

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. F., loco mr. V. L., advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

1. Procedure

Bij verzoekschrift van 25 juni 2003 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, op 9 januari 2003 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd als volgt geoordeeld :

• de vordering van de tweede geïntimeerde werd ontvankelijk en in die zin gegrond verklaard dat werd gezegd voor recht dat op de werken en leveringen van de eerste geïntimeerde het BTW-tarief van 6 % toepasselijk is;

• de vordering van de eerste geïntimeerde werd ontvankelijk maar ongegrond verklaard;

• de vordering van de eerste geïntimeerde tegen de appellant werd ontvankelijk verklaard;

• (impliciet) het debat werd heropend met betrekking tot de vragen, verband houdend met de reeds·door de tweede geïntimeerde aan de eerste geïntimeerde betaalde facturen, of de tweede geïntimeerde het verschil in BTW-tarief nog kan terugvorderen en zo ja van wie, en wie in voorkomend geval schade heeft berokkend aan wie, met uitnodiging aan de partijen om de zaak verder in staat te stellen en verwijzing daartoe naar de bijzondere rol van de zesde kamer.

De beslissing over de kosten werd aangehouden.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis volledig te vernietigen en opnieuw wijzend; de oorspronkelijke vordering in tussenkomst en vrijwaring onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren. De appellant besluit ook tot de ongegrondheid van de oorspronkelijke vordering van de tweede geïntimeerde.

De appellant vraagt bovendien dat de geïntimeerden zouden veroordeeld worden tot het betalen van zijn gerechtskosten van de beide aanleggen.

De eerste geïntimeerde stelt – zoals bevestigd op de openbare terechtzitting van 13 juni 2006 – incidenteel hoger beroep in en vordert in hoofdorde dat de tweede geïntimeerde zou veroordeeld worden om aan haar de som van … EUR te betalen, vermeerderd met de conventionele interest aan 10 % sedert de vervaldag van de facturen, de gerechtelijke interest en de kosten.

Subsidiair, voor zover het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard, de zaak terug te verwijzen naar de eerste rechter om uitspraak te horen doen over de onderlinge verhoudingen van de partijen en zo het Hof de zaak aan zich trekt, de tweede geïntimeerde te veroordelen om aan de eerste geïntimeerde een bedrag te betalen van .. EUR, te vermeerderen met de conventionele interest aan 10 % sedert de vervaldag van de facturen, de gerechtelijke interest en de kosten.

Nog meer subsidiair stelt de eerste geïntimeerde een tussenvordering in waarmee zij de veroordeling vraag van de appellant tot het betalen van het bedrag aan teveel ontvangen BTW ten bedrage van … EUR, vermeerderd met de verwijlinterest aan de wettelijke rentevoet, terug te betalen aan de tweede geïntimeerde of aan de eerste geïntimeerde; tevens vordert de eerste geïntimeerde in die orde dat het Hof de tweede geïntimeerde zou veroordelen om aan de eerste geïntimeerde de som van … EUR te betalen, vermeerderd met de conventionele interest aan 10 % sedert de vervaldag van de facturen, de gerechtelijke interest en de kosten.

Meest subsidiair vordert de eerste geïntimeerde de veroordeling van de appellant tot het betalen aan haar van een schadevergoeding van … EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interest en de kosten.

De tweede geïntimeerde vordert de bevestiging van het bestreden vonnis waar het zegt voor recht dat het BTW-tarief op de betreffende facturen teruggebracht moet worden tot 6 %. De tweede geïntimeerde vordert dan ook dat het Hof zou vaststellen dat zij aan de eerste geïntimeerde niets meer verschuldigd is maar integendeel … EUR teveel heeft betaald en dat de eerste geïntimeerde zou veroordeeld worden tot de terugbetaling van … EUR vermeerderd met de gerechtelijke interest vanaf 17 mei 2002.

Zij vordert nog de veroordeling van de appellant in de gerechtskosten van de beide aanleggen.

2. Feitelijke gegevens

De eerste geïntimeerde is een bedrijf dat gespecialiseerd is in grootkeuken-techniek en aanverwante werken.

De tweede geïntimeerde exploiteert een rustoord.

In 1996 en 1997 heeft de eerste geïntimeerde in opdracht van de tweede geïntimeerde in haar rustoord een grootkeuken en enkele andere installaties geleverd en geplaatst. Overeenkomstig de facturatie waren de grootste goederen de volgende :

- een fornuis;

- een kipbare braadpan;

- een vloergoot met zeef;

- een convectie-stomer;

- gastronormtoebehoren;

- een werktafel op buispoten;

- een klokput met waterslot;

- een lavabo met kniebediening;

- een aluminiumstapelrek en

- een tafel voor voorwasmachine.

Eerst reikte de eerste geïntimeerde met betrekking tot die werken en leveringen haar factuur met nummer 323 van 21 uni 1996 uit voor (… BEF + … BEF BTW =) … BEF (… EUR), die evenwel integraal geannuleerd werd met haar kredietnota nummer … van 23 oktober 1996.

Van dan af werd als volgt gefactureerd :

• nr. 565 van 23 oktober 1996 voor (… BEF + … BEF BTW =) … BEF (… EUR);

• nr. 566 van 23 oktober 1996 voor (… BEF + … BEF BTW =) … BEF (… EUR);

• nr. 178 van 28 maart 1997 voor (… BEF + … BEF BTW =) … BEF (… EUR);

• nr. 263 van 27 mei 1997 voor (… BEF + … BEF 8TW =) … BEF (… EUR) en

• nr. 12010 van 30 mei 1997 voor (… BEF + … BEF BTW =) … BEF (… EUR).

Op al deze facturen was door de eerste geïntimeerde het BTW-tarief van 21 % toegepast.

De tweede geïntimeerde betaalde zonder voorbehoud de eerste drie facturen (nummers 565, 566 en 178) voor een totaal bedrag van … BEF (… EUR).

Van de factuur met nummer 263 betaalde de tweede geïntimeerde op 9 juni 1997 slechts … BEF (… EUR), zijnde de hoofdsom zonder de BTW. De tweede geïntimeerde voerde immers aan dat de eerste geïntimeerde niet aan het tarief van 21 %, maar slechts dat van 6 % zou mogen factureren.

De .eerste geïntimeerde nam inlichtingen bij de appellant en op basis van diens informatie bracht de eerste geïntimeerde het BTW-tarief van 21 naar 6 % terug voor de levering van de volgende goederen :

• de vloergoot met zeef;

• de klokput met waterslot en

• de lavabo met kniebediening;

Dat gebeurde met de volgende documenten :

• een kredietnota van 26 juni 1998 voor (… BEF + … BEF BTW =) … BEF (… EUR) en

• een factuur van 26 juni 1998 voor (… BEF + … BEF BTW =) … BEF (… EUR).

Op basis van de facturatie en de betalingen bleef er op dat moment in hoofdsom een saldo openstaan van … BEF of … EUR, zijnde het bedrag dat de eerste geïntimeerde nu nog vordert en waarop zij een schadevergoeding van 10 wenst te ontvangen.

Omdat de tweede geïntimeerde bleef stellen dat voor alle werken en leveringen het tarief van 6 % moet toegepast worden, terwijl de eerste geïntimeerde meende dat dit alleen mogelijk was voor de goederen waarvoor zij al een rechtzetting had gedaan, bleef de betwisting tussen heb bestaan. Daarom besloten zij om bij wijze van vrijwillige verschijning de zaak aanhangig te maken voor de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent. De eerste geïntimeerde heeft in het kader van die procedure de appellant gedagvaard in gedwongen tussenkomt en gemeenverklaring.

De eerste rechter heeft in zijn vonnis van 9 januari 2003 geoordeeld zoals hierboven vermeld.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

3. Grieven en argumenten van de partijen

3.1. Standpunt van de appellant

De appellant voert vooreerst aan dat de eerste rechter de vordering in gedwongen tussenkomst onontvankelijk had moeten verklaren. Hij stelt dat die tussenkomst geen noodzakelijke voorwaarde is voor de procedure tot vaststelling van de factuurschuld tussen de geïntimeerden, te meer hij al duidelijk gesteld had dat hij zich aansloot bij de visie van de eerste geïntimeerde en het om een contractuele aangelegenheid gaat. Het zou zinloos zijn om de appellant in de procedure te betrekken.

Bovendien zouden de partijen de artikelen 632, 1385decies, 1385undecies Ger. W. en artikel 84 W.BTW geschonden hebben op het vlak van de materiële en territoriale bevoegdheid waarvoor – volgens de appellant – de vordering op zich ook onontvankelijk zou zijn.

Ten gronde stelt de appellant dat de toestellen waarover nog betwisting bestaat, niet “onroerend uit hun aard” zijn. Er zou geen onderscheid moeten gemaakt worden tussen gevallen waarin roerende goederen ingelijfd worden bij de grond enerzijds en deze waarin roerende goederen ingelijfd worden bij het gebouw. Alleen met de criteria voor deze laatste zou mogen rekening worden gehouden, zijnde deze van het soort waarover artikel 523 B. W. handelt. Concreet zouden de betwiste toestellen niet onroerend uit hun aard zijn omdat die toestellen niet ingebouwd zijn in keukenkasten. De appellant benadrukt dat het gaat om toestellen die niet vastgemaakt zijn aan het gebouw, niet bestemd zijn om permanent ter plaatse te blijven en sommige zelfs naar een ander lokaal kunnen worden overgebracht, zonder verwijzing van de opstelling kunnen vervangen worden en wanneer dat door een toestel van een ander formaat zou zijn, dan de overige toestellen gewoon kunnen opschuiven.

Het zou niet voldoende zijn dat het heden ten dage onontbeerlijk zou zijn om dergelijke keukentoestellen te hebben voor een normale, dagelijkse exploitatie van een rustoord.

3.2. Standpunt van de eerste geïntimeerde

Haar vordering is volgens de eerste geïntimeerde wei ontvankelijk omdat alle partijen er belang bij hebben dat er een gerechtelijke uitspraak komt om een definitief einde te brengen aan het geschil. Mocht de appellant niet In het geschil betrokken zijn, dan zou de uitspraak aan hem niet tegenwerpelijk zijn, waardoor nog geen volledige rechtszekerheid zou kunnen bestaan.

De eerste geïntimeerde stelt dat, zelfs wanneer de vermelding in rubriek XXX, § 3, 3° van tabel A van de bijlage aan KB nr. 20 een uitbreiding zou zijn van de bepalingen van rubriek XXX, § 3, 2°, er dan nog in die laatste rubriek uitdrukkelijk voorzien wordt welke soort apparatuur aan het tarief van 6 % onderworpen is. Die bepaling is volgens de eerste geïntimeerde hoe dan ook niet toepasselijk omdat niet voldaan zou zijn aan de voorwaarde van aanhechting aan het gebouw. Industriële keukentoestellen, zo stelt de eerste geïntimeerde, worden niet ingebouwd in kasten en kunnen veel gemakkelijker verplaatst worden dan keukenapparatuur in een privé-woning.

Met betrekking tot de vordering tot terugbetaling die door de tweede geïntimeerde wordt gesteld, voert de eerste geïntimeerde aan dat de tweede geïntimeerde niet meer kan terugkomen op betalingen die al 7 jaar geleden vrijwillig, zonder voorbehoud gebeurd zijn. De tweede geïntimeerde zou zich met haar vordering moeten richten tegen de appellant omdat de eerste geïntimeerde de BTW destijds heeft afgedragen aan de appellant.

Voor het geval op alle facturen dan toch het tarief van 6 % had moeten toegepast, is de eerste geïntimeerde in eerst orde van oordeel dat alleen een terugvordering kan gebeuren van de BTW op de geprotesteerde facturen (die nog niet (volledig) betaald zijn). Voor dat geval berekend de eerste geïntimeerde haar vordering jegens de tweede geïntimeerde op een bedrag van … EUR vermeerderd met 10 % schadevergoeding.

In tweede orde neemt de geïntimeerde als standpunt in dat, indien de verlaging van het tarief voor alle, ook de reeds betaalde facturen nog uitwerking zou moeten hebben, de tweede geïntimeerde voor de terugbetaling van de BTW zich tot de appellant moet richten (waardoor de tweede geïntimeerde … EUR zal ontvangen) en dat de afrekening tussen de geïntimeerden – na aftrek van het bedrag van … EUR dat de tweede geïntimeerde vordert - … EUR bedraagt in het voordeel van de eerste geïntimeerde.

Nog meer subsidiair, voor het geval zou geoordeeld worden dat de tweede geïntimeerde geen terugbetaling kan bekomen van de appellant, vordert de eerste geïntimeerde een terugbetaling van de appellant voor … EUR.

Uiterst ondergeschikt vordert de eerste geïntimeerde vanwege de appellant een schadevergoeding van … EUR. De eerste geïntimeerde stelt dat hij uitdrukkelijk om het stand van de appellant gevraagd heeft en dat hij dat standpunt gevolgd heeft. Mocht het Hof anders oordelen, dan ziet de eerste geïntimeerde daarin een fout van de appellant waarvoor zij wenst vergoed te worden op basis van de artikelen 1382 e.v. B. W.

3.3. De stelling van de tweede geïntimeerde

Met betrekking tot de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vordering, stelt de tweede geïntimeerde dat de huidige procedure geen betrekking heeft op de factuurschuld maar op de toepassing van artikel 36 W.BTW en rubriek XXXI, § 2, 1° en § 3, 2° van tabel A van de bijlage aan KB nr. 20

Verder stelt de tweede geïntimeerde dat de kwestie van het BTW-tarief geen louter contractuele kwestie is omdat het fiscaal recht van openbare orde is en de partijen daarover niet kunnen kiezen. Verder zou de neutraliteit van de BTW hier niet spelen omdat zij als rustoord van de BTW is vrijgesteld.

Er zou ook geen schending kunnen gebeurd zijn van de uitputtingsvereiste van artikel 1385undecies Ger. W. omdat er voor de BTW geen voorafgaand administratief beroep bestaat.

Ten gronde voert de tweede geïntimeerde aan dat rubriek XXXI, § 3, 3° van tabel A van de bijlage aan KB nr. 20 duidelijk een aanvulling is op § 3, 2° van diezelfde rubriek. Daarom kan volgens de geïntimeerde niet gesteld worden dat het verlaagd tarief van 6 % enkel toepasselijk zou zijn op de levering van en de werken met betrekking tot de goederen die in § 3, 3° zijn opgesomd, namelijk opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers.

Daarom zou het volstaan dat er sprake is van werk in onroerende staat die bestaat uit de levering en plaatsing van roerende goederen die door de levering en plaatsing “onroerend uit hun aard” worden overeenkomstig het gemeenrecht. Bijgevolg moet het volgens de tweede geïntimeerde gaan om een roerend goed dat op een duurzame wijze, rechtstreeks of onrechtstreeks, hetzij op natuurlijke, hetzij op artificiële wijze met een uit zijn aard onroerend goed wordt verbonden en dus in dat onroerend goed wordt geïncorporeerd. Er zou sprake zijn van incorporatie van zodra de aanhechting aan het roerend goed de nodige stabiliteit verleent en de constructie bestemd is om ter plaatse te blijven staan, ook al is de aanhechting niet permanent en kan het aangehechte goed zonder aanzienlijke schade verwijderd worden. De tweede geïntimeerde ziet niet in waarom daarbij een onderscheid zou moeten gemaakt worden tussen de incorporatie in de grond en de incorporatie in een gebouw.

Voor het overige verwijst de tweede geïntimeerde naar rechtspraak die volgens haar haar standpunt bevestigd. In het bijzonder beroept zij zich erop dat haar rustoord slechts als afgewerkt kan worden aangezien wanneer de betreffende goederen aan het gebouw zijn aangebracht, wat volgens haar het geval is.

De tweede geïntimeerde roept nog in dat de betwiste toestellen niet zo maar kunnen vervangen worden omdat ze slechts kunnen vervangen worden door toestellen van dezelfde omvang.

Op grond van een afrekening waarbij voor alle uitgereikte (en niet gecrediteerde) facturen het tarief van 6 % wordt toegepast, komt de tweede geïntimeerde tot de conclusie dat zij van de eerste geïntimeerde een bedrag van … EUR moet terughebben.

4. Beoordeling

4.1. Ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vorderingen en van de vordering in tussenkomst en gemeenverklaring - materiële en territoriale bevoegdheid

Om de vraag naar de ontvankelijkheid van de oorspronkelijke vorderingen te beoordelen moet men zich terugplaatsen op het moment, van de rechtsingang.

Voor de rechtbank van eerste aanleg werd tussen de huidige geïntimeerden de zaak aanhangig gemaakt bij wijze van vrijwillige verschijning. De eerste geïntimeerde vorderde toen dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat zij terecht de prestaties aan het tarief van 21 % gefactureerd heeft zodat de tweede geïntimeerde aan haar nog een bedrag van … BEF (… EUR) verschuldigd bleef, te vermeerderen met conventionele interest aan 10 % vanaf de vervaldatum van de facturen en met de gerechtelijke interest. Subsidiair vorderde de eerste geïntimeerde, voor zover het BTW-tarief van 6 % toepasselijk zou zijn, dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat de tweede geïntimeerde aan haar nog een saldo van (… + … =) … BEF (… EUR) verschuldigd was, te vermeerderen met de conventionele interest aan 10 % en met de gerechtelijke interest.

De tweede geïntimeerde vroeg bij de vrijwillige verschijning dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat het BTW-tarief op de facturen van de eerste geïntimeerde teruggebracht moest worden tot 6 % en zou vaststellen dat de tweede geïntimeerde aan de eerste geïntimeerde niet meer verschuldigd is.

Ongeacht het feit dat tevens uitspraak moest worden gedaan over het BTW-tarief, betreft het geschil in wezen een vordering tot betaling van een schuld door een particulier (een rustoord) aan een handelaar (aannemer). Vermits het geen geschil tussen kooplieden betreft en ook de andere gevallen vermeld in de artikelen 573 e.v. Ger. W. niet toepasselijk zijn, behoorden de vorderingen tot de materiële bevoegdheid van de rechtbanken van eerste aanleg.

Op grond van artikel 624, 1° en 2° Ger. W. was de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent territoriaal bevoegd.

Er is geen sprake van een geschil waarin een door of krachtens de wet georganiseerd voorafgaand administratief beroep bestaat. De appellant verwijst dan ook ten onrechte naar artikel 1385undecies Ger. W.. Vermits het ook niet ging om een vordering 'tegen de belastingadministratie', is ook artikel 1385decies Ger. W: niet toepasselijk.

De appellant voert geen andere middelen aan die tot de onontvankelijkheid of onbevoegdheid kunnen leiden, terwijl het Hof al evenmin middelen van die aard, die het·ambtshalve zou moeten· opwerpen, vaststelt. Die vordering werd door de eerste rechter dan ook niet reden ontvankelijk verklaard.

De vordering tot tussenkomst en gemeenverklaring is eveneens ontvankelijk. De vordering is geen vordering ten gronde. Zij strekt slechts tot “gemeenverklaring” aan de appellant. Op het vlak van de bevoegdheid volgen de tussenvorderingen overigens het regime van de hoofdvordering (zie hoger) zodat de Rechtbank van Eerste Aanleg te Gent in elk geval materieel en territoriaal bevoegd was. Ook artikel 1385decies Ger. W. speelt hier niet vermits het de wijze van regeling voor de oorspronkelijke rechtsingang regelt, terwijl het hier een vordering in tussenkomst aangaat. Overigens, waar een verzoekschrift op tegenspraak door de wet als de regel is voorgeschreven, belet dit niet dat de vordering bij wijze van dagvaarding – zoals hier het geval was – wordt ingeleid. Ook hier geldt dat er geen sprake is van een door of krachtens de wet georganiseerd administratief beroep zodat geen beroep kan worden gedaan op artikel 1385undecies Ger. W.. Artikel 84 W.BTW, dat aan de Minister van Financiën de bevoegdheid geeft om geschillen op te lossen die ontstaan voor het inleiding van een gerechtsgeding, is geen bepaling die een administratief beroep organiseert zoals bedoeld in artikel 1385undeies Ger. W..

Voor het overige heeft de eerste rechter met reden aangenomen dat de eerste geïntimeerde over het nodige belang beschikte in de zin van de artikelen 17 en 18 Ger. W.. De aanwezigheid van de appellant in het geschil heeft immers niet alleen kunnen bijdragen tot het stofferen van het debat ten gronde tussen de geïntimeerden maar heeft tot gevolg dat in een eventuele latere betwisting over e BTW tussen de geïntimeerden de gerechtelijke uitspraak ten aanzien van de appellant ook al gedingskracht zal hebben.

Ook op dat vlak is de exceptie van onontvankelijkheid ongegrond.

4.2. Toepasselijk BTW-tarief en de gevolgen

De vraag is of de levering en plaatsing van de volgende goederen door de eerste geïntimeerde aan het normale tarief van 21 % dan wel aan het verlaagd tarief van 6 % konden gefactureerd worden:

- een fornuis; ,

- een kipbare braadpan;

- een convectie-stomer; .

- 'gastronormtoebehoren';

- een werktafel op buispoten;

- een aluminiumstapelrek en

- een tafel voor vaatwasmachine.

Overeenkomstig rubriek XXXI, § 2, 1° van tabel A van het KB nr. 20 van 20 juli 1970, valt de tweede geïntimeerde als exploitant van het rustoord onder het toepassingsbied van die rubriek voor het werk in onroerende staat en de andere handelingen bedoeld in § 3 van die rubriek. Overeenkomstig § 1 van die rubriek zijn die werken onderworpen aan het verlaagd tarief, wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan, waarover hier geen betwisting bestaat. De bepalingen van § 3 van die rubriek die hier in de betwisting kunnen betrokken worden zijn de volgende :

§ 3 Worden beoogd :

1° (…)

2° prestaties die erin bestaan een roerend goed te leveren en het meteen op zodanig wijze aan te brengen aan een onroerend goed dat het onroerend uit zijn aard wordt;

3° iedere handeling, ook indien niet beoogd in 2° hierboven, die tot voorwerp heeft zowel de levering als de aanhechting van een gebouw :

a) (…)

e) van opbergkasten, gootstenen, gootsteenkasten en meubels met ingebouwde gootsteen, wastafels en meubels met ingebouwde wasbak, zuigkappen, ventilators en luchtverversers waarmee een keuken of een badkamer is uitgerust;

(…).

De eerste rechter, daarin bijgetreden door de tweede geïntimeerde, stelt terecht dat § 3, 3° van rubriek XXXI van tabel A van KB nr. 20 een uitbreiding is van § 3, 2° van diezelfde rubriek, in punt 3° worden een reeks specifieke gevallen opgenoemd zonder dat het om een uitsluitende opsomming gaat; ook als er sprake is van leveren van roerende goederen die niet onder één van de regelingen van punt 3° vallen, dan nog kan het verlaagd tarief toepasselijk zijn, namelijk wanneer die roerende goederen “meteen op zodanige wijze aan een onroerend goed worden aangebracht” waardoor het “onroerend uit zijn aard” wordt (punt 2°).

De tweede geïntimeerde legt duidelijke foto’s voor van de betreffende toestellen.

Daaruit moet worden afgeleid dat het niet gaat om roerende goederen zoals bedoeld in rubriek XXXI, § 3, 3° (in het bijzonder e)) van' tabel A van KB nr. 20.

Vermits het BTW-Wetboek nergens een eigen bepaling bevat van een 'onroerend goed uit zijn aard', moet het gemeenrecht worden toegepast (Cass. 9 juli 1931, Pas. 1931, I, 218).

Onroerend uit hun aard zijn gronderven alsook gebouwen waarmee de voorwerpen die duurzaam ermee verbonden zijn of erin vastzitten, gelijkgesteld moeten worden (Cass. 15 september 1988, Fisc.Jur., 1988; 406, met noot; in het Frans : Les fonds de terre ainsi que les bâtiments, auxquels doivent être assimilés les objets qui s'y unissent ou s'y incorporent d'une manière durable et habituelle, sont immeubles par nature).

Het gaat niet om inbouwtoestellen, ook niet voor een deel. Uit de stukken blijkt dat de betreffende toestellen alle uit zichzelf stabiliteit hebben en dus geen gebruik moeten maken van de muren van het gebouw van de tweede geïntimeerde of er aan moeten zijn vastgemaakt om te blijven staan en voor hun bestemming te dienen. Geen van de toestellen is feitelijk ook op enige manier aan het gebouw vastgemaakt, laat staan erin gemetst of o enige andere manier ermee vastgemaakt om er één geheel mee uit te maken, zelfs al zou dat voor de stevigheid en stabiliteit geen bijkomend nut opleveren. De toestellen kunnen alle eenvoudig verplaatst en vervangen worden. Zoals de eerste geïntimeerde terecht laat opmerken, kan bij vervanging onmiddellijk een ander toestel in de plaats gesteld worden, zelfs wanneer het wordt weggelaten en/of wanneer er een toestel met andere afmetingen in de plaats zou worden gezet, kunnen de overige toestellen gewoon verschoven worden om het geheel ordentelijk te ordenen. Er is dan ook geen “duurzame verbinding” die immers een voldoende “aanhechting” veronderstelt – zelfs al is ze maar tijdelijk. De enkele verbinding van die toestellen met de nutsleidingen (gas, water of elektriciteit) is geen vorm van incorporatie of aanhechting en volstaat in de geschetste omstandigheden niet om ze als onroerende goederen uit hun aard te beschouwen.

Voor het onderzoek naar de vraag of het om onroerende goederen uit hun aard gaat, is het (anders dan voor onroerende goederen door bestemming van de eigenaar), niet van belang na te gaan of de toestellen er geplaatst werden “voor de dienst en de exploitatie” van haar “erf” (begrijp “haar rustoordgebouw”), in het bijzonder omdat de toestellen voor dat “erf” vanuit economisch oogpunt werkelijk en objectief bekeken nuttig zijn.

Daarom heeft de eerste geïntimeerde voor de levering en plaatsing van de betreffende goederen terecht het tarief van 21 % toegepast. Het hoger beroep van de appellant en het incidenteel hoger beroep van de eerste geïntimeerde zijn op dat vlak gegrond.

Bijgevolg is de tweede geïntimeerde nog het volledig saldo verschuldigd van de facturatie zoals door de eerste geïntimeerde opgemaakt. Dat houdt in dat de vordering van de eerste geïntimeerde in die zin gegrond is dat de tweede geïntimeerde moet veroordeeld worden tot het betalen van een bedrag van (… BEF) … EUR, in hoofdsom, vermeerderd met de nalatigheidsinterest vanaf vervaldag van de facturen en de gerechtelijke interest vanaf inleiding van de gerechtelijke vordering; namelijk 3 oktober 2001, steeds gerekend a.an de conventionele rentevoet van 10 %. per jaar en te vermeerderen met een (vrijwillig herleide) conventionele schadevergoeding van 10 % of … EUR, te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf 3 oktober 2001 aan de wettelijke interestvoet.

4.3. De overige vorderingen en tegenvorderingen van de geïntimeerden

Nu de vordering van de eerste geïntimeerde zoals in hoofdorde gesteld, met name om te bevestigen dat het BTW-tarief van 21 % toepasselijk is, gegrond bevonden werd, zijn de overige vorderingen van de eerste geïntimeerde integraal ongegrond.

4.4. Grond van de vordering tot gemeenverklaring

In de gegeven omstandigheden kan worden ingegaan op de vraag om onderhavig arrest gemeen te verklaren aan de appellant.

4.5. De gerechtskosten

Vermits de tweede geïntimeerde in het ongelijk wordt gesteld, moet zij alle gerechtskosten van de beide aanleggen dragen.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord, in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep beide ontvankelijk en deels gegrond;

bevestigt het bestreden vonnis waar het de vorderingen van de geïntimeerden en de vordering in tussenkomst en gemeenverklaring ontvankelijkk verklaarde;

vernietigt het bestreden vonnis voor het overige;

opnieuw recht doende :

• veroordeeIt de tweede geïntimeerde om aan de eerste geïntimeerde het bedrag te betalen van … EURO (… EUR) vermeerderd met de nalatigheidsinterest vanaf de vervaldag van de betreffende facturen en de gerechtelijke interest vanaf 3 oktober 2001, steeds. Gerekend aan de conventionele rentevoet van 10 % per jaar tot aan de datum van volledige betaling en te vermeerderen met een (vrijwillig herleide) conventionele schadevergoeding van … EURO, (… EUR), te vermeerderen met de gerechtelijke interest vanaf 3 oktober 2001 aan de wettelijke rentevoet;

• verklaart de overige vorderingen van de geïntimeerden jegens elkaar ongegrond;

Verklaard onderhavig arrest gemeen aan de appellant;

Veroordeelt de tweede geïntimeerde tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt :

- aan de kant van de appellant :

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

- uitgavenvergoeding hoger beroep : … EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

- aan de kant van de eerste geïntimeerde :

- rolstelling … EUR

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

- dagvaarding in tussenkomst : … EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

terwijl het overbodig is de kosten aan de kant van de tweede geïntimeerde vast te stellen vermits ze door haar zelf moeten gedragen worden.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op TWAALF SEPTEMBER TWEEDUIZEND EN ZES.

Aanwezig de heren :

A. D. M., Kemervoorzitter, Voorzitter,

G. T. en D. V., Raadsheren,

M. V., griffier.

M. V. D. V. G. T. A. D. M.