---
title: "Maatstaf van heffing, Normale waarde · Hof van beroep te Gent, 30 november 2021"
description: "Maatstaf van heffing, Normale waarde, Gerechtskosten. Hof van beroep te Gent (België), 30 november 2021."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/maatstaf-heffing-normale-waarde-gerechtskosten-hof-van-beroep-gent-2021-11-30-de4b"
lang: "nl"
---

# Maatstaf van heffing, Normale waarde, Gerechtskosten

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

30 november 2021

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

ongunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

188 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 30.11.2021

WF 708-15-18/009021

\[Ongunstig voor de Belgische Staat\]

*Belasting over de toegevoegde waarde – Maatstaf van heffing – Normale waarde - Gerechtskosten*

## Wettelijke bepalingen

Art. 26 en 32 W.Btw

Art. 1017 en 1018 Ger W

## Samenvatting

## 1) Feiten en voorgaande procedure

Tijdens een controle bij de belastingplichtige werden er verschillende overtredingen op de btw-wetgeving vastgesteld. Over deze overtredingen werd, met uitzondering over de normale waarde van een verkocht voertuig, een minnelijk akkoord afgesloten.

Aangezien over de normale waarde van het voertuig geen akkoord kon worden bereikt werd er hieromtrent een proces-verbaal opgesteld door de administratie.

Tegenpartij diende hiertegen een administratief verzoekschrift in. Dit werd door middel van een administratieve beslissing afgewezen door de administratie.

Vervolgens werd er een verzoekschrift door de belastingplichtige neergelegd op de griffie van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, Afdeling Brugge. De rechtbank verklaarde de vordering van tegenpartij echter toelaatbaar maar ongegrond.

Tegenpartij ging tegen dit vonnis in beroep.

## 2) Het arrest van het hof van beroep

*\** *Normale waarde*

De administratie was van mening dat tegenpartij een te lage maatstaf van heffing had gehanteerd bij de verkoop van het voertuig. Hiervoor baseerde de administratie zich zowel op de prijs waarvoor de belastingplichtige het voertuig eerder te koop had aangeboden als ook op de herbouwwaarde van het voertuig in een schattingsverslag.

Tegenpartij bracht verschillende schattingsverslagen bij om aan te tonen dat de administratie zich op een verkeerde maatstaf van heffing baseerde.

Uit de verschillende stukken die tegenpartij bijbracht bleek dat men verzekeringstechnisch een onderscheid maakt tussen de herbouwwaarde en werkelijke waarde. De herbouwwaarde is de kost die moet worden gemaakt om een (aan het verzekerd goed) soortgelijk goed opnieuw te bouwen. De werkelijke waarde is de marktwaarde van het goed op het ogenblik van het verlies. De werkelijke waarde houdt, in tegenstelling tot de herbouwwaarde, onder meer rekening met de ouderdom van het goed (vetusteit of slijtagegraad), het gebruik, de staat van het goed en de historiek van het goed. Deze werkelijke waarde is de prijs die een onafhankelijke derde in gelijkaardige omstandigheden en op hetzelfde tijdstip bereid zou zijn te betalen en is aldus gelijk te stellen met de normale waarde zoals omschreven in [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32).

Het hof kwam dan ook tot de vaststelling dat zowel de normale waarde die de administratie vooropstelde alsook de door tegenpartij gehanteerde verkoopprijs niet de normale waarde was van het voertuig op het moment van de verkoop, in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32).

Daarnaast oordeelde het hof dat de normale waarde van het voertuig werd vastgesteld in het verslag dat werd opgemaakt voor het ontstaan van de discussie met de administratie en amper 6 maand na de datum van de verkoop. Uit de elementen opgenomen in dit verslag blijkt duidelijk dat hier de werkelijke of venale of normale waarde van het voertuig (in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32)) werd bepaald. Er werd rekening gehouden met historiek, staat, originaliteit en vetusteit van het voertuig.

Op basis hiervan besliste het hof dan ook dat bij de verkoop van het voertuig een te lage maatstaf van heffing werd gehanteerd en dat de belastingplichtige nog een bijkomend bedrag aan btw verschuldigd is bovenop de reeds betaalde btw bij de verkoop.

Het hof baseerde zich niet op andere verslagen die tegenpartij bijbracht aangezien deze verder verwijderd waren van het relevante tijdstip en ook pas werden opgesteld na het ontstaan van de het geschil met de administratie.

*\** *Gerechtskosten*

Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van beide partijen besliste het hof dat de kosten over beide moeten worden omgeslagen op basis van artikel 1017, 1e lid Ger W.

De belastingplichtige vorderde bovenop de rechtsplegingsvergoeding eveneens een vergoeding voor de kosten die zij zou hebben gemaakt tijdens de administratieve procedure. Zij haalt hiervoor echter geen rechtsgrond aan. De kosten bedoelt in artikel 1018 Ger W omvatten niet de kosten gemaakt in de administratieve fase van een geschil. Er is dan ook geen wettelijke bepaling op grond waarvan de kosten van de verdediging in het kader van een voorafgaande administratieve procedure verhaald kunnen verhaald worden op de in het ongelijk gestelde partij.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep Gent, vijfde kamer. Arrest 30 november 2021**

Rol: 2020/AR/1049

In de zaak van:

**P.D.B. N.V**., ON 04...16 met maatschappelijke zetel te ..., appellante, (zoals vermeld in de conclusies neergelegd ter griffie dd. 21.05.2021, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ... en mr. ..., advocaat te ... in de beroepsakte verkeerdelijk vermeld als:

1\. P.D.B., RRN 67....65, wonende te ..., 2. C.C., RRN 66....63, wonende te ..., appellanten, hebbende als raadsman mr...., advocaat te ... en mr. ..., advocaat te ...

**tegen**

**BELGISCHE STAAT/ FEDERALE OVERHEIDSDIENST FINANCIËN**, ON 0308.357.159, Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, BELGIË, Adviseur-generaal KMO Centrum Brugge, 8000 BRUGGE, G. Vincke-Dujardinstraat 4, BELGIË, geïntimeerde, hebbende als raadsman mr. ..., advocaat te ...

wijst het hof het volgend arrest:

## 1. De procedure voor het hof

Bij verzoekschrift neergelegd op 23 juni 2020 heeft de appellante hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, tiende kamer, op 2 maart 2020 werd uitgesproken in de zaak met rolnummer 18/2261/A.

De partijen hebben vervolgens hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 26 oktober 2021. Daarna werd het debat gesloten en nam het hof de zaak in beraad.

Het blijkt niet dat het bestreden vonnis werd betekend.

Het hof heeft de Nederlandse taal gebruikt in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken.

## 2. De relevante feiten en de voorafgaande procedure

De appellante is als btw-plichtige geregistreerd onder het btw-nummer BE04...16 voor de economische activiteit van 'carrosserieherstellingen'.

Het geschil heeft betrekking op de verkoop door de appellante van een voertuig oldtimer van het merk Bentley, (omgebouwd) type Drophead Coupé, 51 Continental DHC, op 31 december 2014 aan de heer P.D.B. voor de prijs van 120.000,00 euro (incl. btw). De heer P.D.B. was op dat ogenblik de vaste vertegenwoordiger van bv P&M, de bestuurder van de appellante.

Volgend op een controle bij de appellante over de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2015 werd door de appellante op 8 november 2017 een gedeeltelijk minnelijk akkoord ondertekend voor een bedrag aan btw van 664,79 euro wegens inbreuken op de aftrekregeling ten aanzien van goederen en/of diensten die volledig of gedeeltelijk bestemd zijn voor privé-doeleinden of voor andere doeleinden dan die van de economische activiteit. De appellante ging niet akkoord met de in de regularisatie-opgave opgenomen wijzigingen naar aanleiding van inbreuken met betrekking tot de maatstaf van heffing, die door de administratie als volgt werden omschreven:

> "Er werd vastgesteld dat voor een (aantal) handeling(en) een maatstaf van heffing werd gehanteerd die lager is dan de normale waarde voor deze handeling(en).
>
> Op 11.07.2014 verwierf de NV P.D.B. een Bentley Drophead 51 Continental DHC met chassisnummer B334AN, eerste inschrijving 1.07.1955, voor een bedrag van 75.000,00 eur. De wagen is op dat moment geaccidenteerd, zoals blijkt uit de koopovereenkomst. Kilometerstand op dat moment is 35.729 km(volgens de koopovereenkomst, doch dit dienen waarschijnlijk "miles" te zijn).
>
> Deze wagen wordt door de NV De B acker Peter als oldtimer ingeschreven met als nummerplaat 1OBW719 op 30/09/2014. Op heden is dit voertuig nog steeds ingeschreven op naam van de vennootschap.
>
> Op 31/12/2014 verkoopt de NV diezelfde wagen, met een onveranderde mileage, na het uitvoeren van de nodige herstellingswerkzaamheden, voor een bedrag van 120.000,00 eur aan de heer P.D.B., te ....
>
> Het voertuig wordt gestald in de toonzaal van de vennootschap en te koop gesteld tegen een prijs van 330.000,00 eur.(publicaties op de website van de NV).
>
> De Administratie stelt vast dat uit het voorgaande duidelijk blijkt dat de heer P.D.B. op 31.12.2014 een voordeel heeft gekregen, gelijk aan het verschil tussen de werkelijke waarde van het voertuig op het moment van de transactie en de door hem betaalde prijs; Gezien de enerzijds de \[sic\] op de website gepubliceerde prijs van 330.000,00 eur, en anderzijds de taxatiewaarde waarop de verzekerde bedragen {330.000,00 eur) in de omniumverzekering polis nr 9037938 bij het Kantoor G.C. te Knokke - Heist zijn gebaseerd,
>
> Gezien het omstandig schattingsverslag van 29/09/2014 opgesteld door de heer C.A., door de Belgische Federatie voor Oude Voertuigen erkend expert, handelend voor DEKRA Classic Services, Port Arthurlaan 16 te 9000 Gent, waar de waarde van het voertuig inclusief de btw over de marge wordt bepaald op 330.000,00 eur.
>
> (...)
>
> Uit bovenvermelde blijkt echter dat de normale waarde van voormeld voertuig wordt bepaald op 330.000,00 euro. Hetgeen tot volgende verschuldigde rechten leidt(...)"

De appellante vermeldde dienaangaande in haar niet-akkoord: "Niet akkoord met bijlage 2 op de artikelen 26, 32 en 33 § 2 met betrekking tot de maatstaf van heffing en dit met betrekking tot de waarde van de Bentley die wordt overgenomen van de omniumverzekering en vastgesteld op 330.000,00 €. Wij zijn van mening dat de verzekerde waarde niet kan gelijkgesteld worden aan de effectieve verkoopwaarde. Wij hebben diverse verslagen die een mindere te realiseren waarde aanduiden. Al deze verslagen zijn in het bezit van de controledienst vennootschappen bij mevr. X."

Gelet op het niet-akkoord werd een proces-verbaal opgesteld op 21 november 2017. Een dwangbevel voor een bedrag van 36.446,28 euro aan btw, 7.280,00 euro aan proportionele geldboete en 6.704,96 euro aan intresten vanaf 21 januari 2016 werd uitgevaardigd op 23 november 2017.

De appellante verklaarde zich hiermee niet akkoord bij brief van haar raadsman van 26 januari 2018. Dit administratief verzoek werd afgewezen bij beslissing van 11 juni 2018.

Met een verzoekschrift neergelegd op 9 augustus 2018 stelde de appellante haar vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. In het vonnis van 2 maart 2020 heeft de tiende kamer van deze rechtbank de vordering toelaatbaar doch ongegrond verklaard, met veroordeling van de appellante tot de kosten van het geding.

Het is tegen dat vonnis dat de appellante hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De vorderingen van de partijen

### *3.1.* *De vordering van de appellante*

De appellante vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het huidige verzoekschrift ontvankelijk en gegrond te verklaren;

Het vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie d.d. 2 maart 2020 gekend onder rolnummer 18/2261/A te vernietigen en als volgt te oordelen:

Het dwangbevel inzake BTW op naam van concluante met als artikelnummer 500/.../...90, uitgevaardigd op 23 november 2017 en ter kennis gebracht op 30 november2017 nietig te verklaren, minstens ontheffing te verlenen.

Minstens een gerechtsdeskundige te willen aanstellen, met als opdracht de verkoopwaarde van het voertuig te bepalen op datum van 31 december 2014.

Akte te verlenen van het feit dat concluanten in geval van een gerechtelijke expertise, de Heer Gert BEETS, als technisch raadsman wensen aan te stellen.

De kosten van het geding ten laste te leggen van de Belgische Staat, aan de zijde van concluante begroot als volgt:

de kosten gemaakt tijdens de administratieve procedure, hetzij 6.416,71 euro

de geïndexeerde rechtsplegingsvergoeding zoals voorzien in artikel 1022 Ger. W., hetzij

12.000 euro.

### *3.2.* *De vordering van de geïntimeerde*

De geïntimeerde vraagt in hoger beroep aan het hof om:

Het hoger beroep van appellante ontvankelijk, doch ongegrond te verklaren

Het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 2 maart 2020 te bevestigen en de oorspronkelijke vordering af te wijzen als ongegrond; Appellante te veroordelen tot de kosten in graad van hoger beroep begroot op 3250,00 EUR rechtsplegingvergoeding.

## 4. De betwistingen en hun beoordeling

4.1. De administratie stelt dat de maatstaf van heffing gehanteerd bij de verkoop van de oldtimer Bentley aan de heer P.D.B., vaste vertegenwoordiger van de bestuurder van de appellante, te laag was en dat de heer P.D.B. een voordeel heeft genoten dat voortvloeit uit de aankoop van de oldtimer Bentley tegen een lagere prijs dan de werkelijke waarde ervan. De appellante heeft de oldtimer Bentley verkocht tegen de prijs van 120.000,00 euro daar waar de werkelijke waarde volgens de administratie 330.000,00 euro zou bedragen.

4.2. Op grond van [artikel 26 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-26) wordt de belasting voor de leveringen van goederen berekend over alles wat de leverancier van het goed verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt geleverd. [Artikel 33, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-33) bepaalt dat, in afwijking van artikel 26, de maatstaf van heffing de normale waarde is zoals die overeenkomstig artikel 32 is bepaald, indien: (1) de tegenprestatie lager is dan de normale waarde, (2) de afnemer van de levering van goederen of de dienst geen volledig recht op aftrek heeft van de verschuldigde belasting, of (3) de afnemer verbonden is met de leverancier van de goederen of de dienstverrichter ingevolge een arbeidsovereenkomst dan wel als vennoot, lid of bestuurder van de vennootschap of rechtspersoon.

[Artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) bepaalt het volgende:

*"Als normale waarde wordt beschou wd het volledige bedrag dat een afnemer in de handelsfase waarin de levering van goederen of de dienst wordt verricht, bij eerlijke concurrentie zou moeten betalen aan een onafhankelijke leverancier of dienstverrichter op het grondgebied van het land waar de handeling belastbaar is, om de desbetreffende goederen of diensten op dat tijdstip te verkrijgen.*

*Indien er geen vergelijkbare verrichting voorhanden is, mag de normale waarde van een levering van goederen niet lager zijn dan de aankoopprijs van de goederen of van soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop die levering wordt verricht, en, met betrekking tot een dienst, een waarde die niet Jager is dan de door de belastingplichtige voor het verrichten van die dienst gemaakte uitgaven. “*

De maatstaf van heffing gehanteerd bij de verkoop van het voertuig Bentley dient op grond van [artikel 33, § 2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-33) de normale waarde van dit voertuig te zijn. Hierover bestaat geen betwisting. Het is aan de administratie om aan te tonen dat de maatstaf van heffing gehanteerd bij de verkoop van de oltimer Bentley niet overeenstemt met de normale waarde ervan in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32).

4.3. De administratie heeft zich gebaseerd op het waarderingsverslag DEKRA opgesteld op 29 september 2014, alsook op het feit dat het voertuig in de toonzaal van de vennootschap te koop werd gesteld voor een bedrag van 330.000,00 euro. Het waarderingsverslag werd naderhand gebruikt door de verzekeringsmaatschappij voor het opstellen van de omniumpolis met ingang op 1 oktober 2016. Uit deze met elkaar overeenstemmende feiten heeft de administratie afgeleid dat de normale waarde van het voertuig in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) 330.000,00 euro bedroeg. De administratie heeft haar taxatie gesteund op een vermoeden.

[Artikel 59, §1, eerste lid WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) schrijft voor dat overtredingen van de bepalingen van dat wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de verschuldigdheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, door de administratie kunnen worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van het Ministerie van Financiën die, overeenkomstig het tweede lid van §1, bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen.

Overeenkomstig artikel 1349 BW zijn vermoedens gevolgtrekkingen die de wet of de rechter afleidt uit een bekend feit. Het vermoeden kan slechts worden aanvaard wanneer met zekerheid het bestaan van het vast te stellen gegeven uit het bekende feit kan worden afgeleid. Het is niet noodzakelijk dat de vermoedens die uit de vastgestelde feiten worden afgeleid hieruit noodzakelijkerwijze volgen. Het volstaat dat ze hieruit kunnen volgen (zie ook Cass. 20 juni 2014, F.12.0196.F, juportal.be). Voor de vermoedens als bewijstechniek is het essentieel dat het bekende feit of de bekende feiten waaruit de redenering vertrekt, bekend zijn, dat wil zeggen, dat het gaat om feiten die buiten kijf staan of nopens de materiële werkelijkheid waarvan er geen betwisting kan bestaan. Een feitelijk vermoeden kan niet zelf op een ander feitelijk vermoeden steunen (zie ook Cass. 21 december 1990, RW 1990-91, 1141). Ofschoon de feiten die de rechter als uitgangspunt van zijn redenering neemt, moeten vaststaan, dit wil zeggen moeten bewezen zijn, belet geen enkele wetsbepaling evenwel dat de aanname van dit feit zelf het resultaat kan zijn van een bewijsvoering door vermoedens (zie ook Cass. 22 mei 2014, F.13.0086.N, juportal.be).

Het is de appellante toegelaten om de bewijswaarde van dit vermoeden te ontkrachten dan wel om het tegenbewijs te leveren.

De appellante betwist de pertinentie van het waarderingsverslag DEKRA door erop te wijzen dat de verzekerde waarde de kostprijs van heropbouw van de wagen zou betreffen na totaal verlies en niets te maken zou hebben met de verkoopwaarde ervan. Zij stelt, onder verwijzing naar een verklaring door de heer A.C., opsteller van het waarderingsverslag DEKRA (stuk 11, bundel appellante), dat de verzekerde waarde de herbouwwaarde/vervangingswaarde betreft bij bv. volledige vernietiging of diefstal.

Verzekeringstechnisch maakt men in het algemeen een onderscheid tussen herbouwwaarde en werkelijke waarde. De herbouwwaarde is de kost die moet worden gemaakt om een (aan het verzekerd goed) soortgelijk goed opnieuw te bouwen. De werkelijke waarde is de marktwaarde van het goed op het ogenblik van het verlies. De werkelijke waarde houdt, in tegenstelling tot de herbouwwaarde, onder meer rekening met de ouderdom van het goed (vetusteit), het gebruik en de staat van het goed, de historiek van het goed. Deze werkelijke waarde is de prijs die een onafhankelijke derde in gelijkaardige omstandigheden en op hetzelfde tijdstip bereid zou zijn te betalen en is aldus gelijk te stellen met de normale waarde zoals omschreven in [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32).

De waarde bepaald in het waarderingsverslag DEKRA werd overgenomen als de verzekerde waarde onder de omnium verzekering (zie clausule MR003400 van de polis). Uit diezelfde clausule blijkt dat deze taxatiewaarde de aangenomen waarde ('zal gelden als de werkelijke waarde') is van het voertuig voor doeleinden van de verzekering. Het feit dat de taxatiewaarde gedurende 36 maanden na het verslag dezelfde blijft voor doeleinden van de verzekering, spreekt tegen dat de taxatiewaarde de werkelijke, venale of normale (in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32)) waarde van het voertuig betreft. Dit blijkt overigens ook uit punt 4. van clausule MR901721, die de werkelijke waarde onderscheidt van de getaxeerde waarde. Het waarderingsverslag DEKRA bepaalt de waarde van het voertuig op een vrij algemene wijze, onder beperkte verwijzing naar elementen die de werkelijke waarde van het voertuig bepalen. De waardebepaling op p. 30 van het verslag laat zelfs geen ruimte om met deze elementen rekening te houden. Ook de heer A.C., opsteller van het waarderingsverslag DEKRA (stuk 11, bundel appellante), verklaart dat de verzekerde waarde de herbouwwaarde betreft die te onderscheiden is van de werkelijke waarde. Gelet op voormelde vaststellingen ziet het hof geen reden om op dit punt aan de correctheid van de verklaring van de heer A.C. te twijfelen.

Ook het gegeven dat het voertuig door de heer P.D.B. (meerdere malen) te koop werd aangeboden voor een prijs hoger dan 300.000,00 euro doch in een periode van zes jaar niet verkocht raakte aan die prijs, duidt erop dat de verzekerde waarde niet overeenstemt met de werkelijke of normale (in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32)) waarde van het voertuig. De waarderingen overgelegd door de appellante (Bourgoo, Bonhams), ongeacht hun op zichzelf staande bewijswaarde, bevestigen dit. De normale waarde in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) betreft de werkelijke of venale waarde zijnde de prijs die een onafhankelijke derde in gelijkaardige omstandigheden en op hetzelfde tijdstip bereid is te betalen en niet de prijs waartegen een verkoper bereid is te verkopen.

Uit het voorgaande volgt dat de appellante op afdoende wijze het vermoeden ontkracht dat de normale waarde van het voertuig in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) overeenkomt met de verzekerde waarde ervan. Waar de administratie nog verwijst naar de waardering door Catawiki, blijkt dat de experten van Catawiki het voertuig niet hebben bezichtigd. Zoals hierboven uiteengezet, is de werkelijke waarde van een voertuig (en zeker van een oldtimer) afhankelijk van een aantal elementen, waarvan de experten van Catawiki geen weet hadden (zie ook stuk 13, bundel appellante). De waardering door de experten van Catawiki mist de precisie die vereist is om de werkelijke of normale (in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32)) waarde van het voertuig te bepalen in het kader van dit geschil.

De administratie bewijst niet dat de normale waarde van het voertuig in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) op het ogenblik van de verkoop door de appellante 330.000,00 euro was.

4.4. De administratie toont evenwel naar genoegen van recht aan dat de waardebepaling zoals gehanteerd door de partijen, nl. de boekwaarde (120.000,00 euro), niet overeenstemt met de normale waarde in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32). Het voertuig stond in de boeken van de appellante opgenomen voor een bedrag van 120.000,00 euro (nl. 75.000,00 euro aankoopkost en 45.000,00 herstellingskosten). In het jaar van aankoop werd het voertuig opnieuw verkocht (2014). Er is geen enkele bepaling die in dergelijke omstandigheden een onderneming verplicht om tot herwaardering van dit voertuig over te gaan alvorens het te verkopen. De primauteit van het boekhoudrecht kan niet tot gevolg hebben dat de boekwaarde geacht wordt de werkelijke of normale (in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32)) waarde te zijn. Geen enkel gegeven wijst er op dat de boekwaarde overeenstemde met de werkelijke waarde van het voertuig op het ogenblik van verkoop door de appellante. Bij het bepalen van de werkelijke of normale (in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32)) waarde van een goed is de administratie niet verplicht om zich te baseren op de waarde waartegen dit goed werd geboekt bij de verkoper; zij dient de waarde aan te tonen waartegen een onafhankelijke derde in gelijkaardige omstandigheden en op hetzelfde tijdstip bereid is dit goed te kopen.

In tegenspraak met de boekwaarde ligt het verslag voor opgemaakt door de heer A.C. in juni 2015 waarin hij de waarde van het voertuig bepaalt op 165.000,00 euro. Uit de elementen opgenomen in dit verslag blijkt duidelijk dat de werkelijke of venale of normale (in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32)) waarde van het voertuig bepaald werd. Er werd rekening gehouden met historiek, staat, originaliteit en vetusteit van het voertuig.

Niettegenstaande het verslag niet manueel ondertekend werd, ziet het hof geen reden om geen waarde te hechten aan dit verslag. De heer Cocquyt heeft in zijn e-mail van 1 augustus 2018 de inhoud van dit verslag bevestigd (stuk 11, bundel appellante). Evenmin kan de geïntimeerde gevolgd worden waar deze stelt dat dit verslag werd opgemaakt om de fiscale administratie te manipuleren. Het verslag dateert van vóór het ontstaan van de huidige betwisting met de administratie. De geïntimeerde overtuigt niet waar hij stelt dat aan dit verslag van juni 2015 geen bewijswaarde kan worden toegekend. Zoals hierboven reeds uiteengezet, betreft het verslag van juni 2015 de werkelijke of venale waarde en het waarderingsverslag DEKRA de herbouwwaarde. Het betreft twee verschillende waardes, als gevolg waarvan geen verklaring voor een waardedaling moet/kan worden gegeven. Dit is ook de verklaring waarom het tweede verslag geen invloed heeft gehad op de verzekerde waarde. Omgekeerd zou ook gesteld kunnen worden dat het gebrek aan invloed op de verzekerde waarde aantoont dat het tweede verslag de werkelijke of venale of normale (in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32)) waarde betreft die te onderscheiden is van de verzekerde waarde.

4.5. De administratie toont aan de hand van het verslag van de heer A.C. aan dat de appellante het voertuig heeft verkocht tegen een prijs die lager is dan de werkelijke of normale (in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32)) waarde ervan. Om de normale waarde van het voertuig te bepalen eind december 2014 kan nuttig gebruik worden gemaakt van dit verslag.

Dit ligt in tijd amper zes maanden van het relevante ogenblik, nl. de datum van verkoop van het voertuig door de appellante.

Het verslag van de heer A.C. situeert zich in de tijd het dichtst bij het relevante ogenblik. Het schattingsverslag van Bourgoo dateert van oktober 2017 en het schattingsverslag van Bonhams dateert van januari 2018, beide verder verwijderd van het relevante ogenblik dan het verslag van de heer A.C. alsook beide opgemaakt na het ontstaan van de huidige discussie met de fiscale administratie. Waar de verslagen van Bourgoo en Bonhams door de discrepantie in bedragen mede het bewijs ondersteunen dat de verzekerde waarde niet overeenstemt met de werkelijke of venale of normale (in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32)) waarde van het voertuig (zie randnummer 4.3), tonen zij niet aan dat de werkelijke of normale (in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32)) waarde van het voertuig op het relevante ogenblik lager lag dan de waarde weerhouden door de heer A.C. in zijn verslag van juni 2015. Ook de hoogste biedingen op de veilingplatformen Catawiki en lnformex doen geen afbreuk aan de bewijswaarde van het verslag van de heer A.C. van juni 2015. Ook deze aanbiedingen dateren beide van een aantal jaar na het relevante ogenblik, situeerden zich in een bepaalde context waarin de bedoeling om tot verkoop over te gaan niet of minder aanwezig was, en tonen niet aan dat de waarde bepaald door de heer A.C. in juni 2015 niet overeenstemt met de normale waarde eind december 2014.

Er liggen geen elementen voor op basis waarvan zou kunnen worden besloten dat het verslag van de heer A.C. niet relevant is voor een waardebepaling eind december 2014. Gelet op het tijdstip van dit verslag alsook het feit dat de appellante zelf de tegenstelbaarheid van dit verslag ten aanzien van de fiscale administratie benadrukt, acht het hof het niet nuttig noch proceseconomisch verantwoord om een gerechtsdeskundige aan te stellen om te adviseren omtrent de normale waarde van het voertuig eind december 2014.

4.6. Uit het voorgaande volgt dat de appellante het voertuig heeft verkocht voor 120.000,00 euro daar waar de normale waarde van het voertuig in de zin van [artikel 32 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) op dat ogenblik geacht moet worden 165.000,00 euro te bedragen. De appellante heeft een foutieve maatstaf van heffing gehanteerd. De administratie heeft deze terecht gecorrigeerd, zij het dat de maatstaf van heffing ((165.000,00-75.000,00)/1,21=) 74.380,17 euro bedraagt. De verschuldigde btw hierop bedraagt (74.380,17x21%=) 15.619,83 euro, waarvan reeds 7.809,92 euro werd betaald bij het inboeken van de verkoopfactuur, als gevolg waarvan er nog een bedrag van 7.809,91 euro aan btw verschuldigd blijft.

Het bestreden dwangbevel kan geen uitwerking hebben in de mate het betrekking heeft op een bedrag aan btw dat meer bedraagt dan voormeld bedrag aan btw. Het hoger beroep van de appellante is in die mate gegrond. Het bestreden vonnis wordt hervormd.

## 5. De gerechtskosten

5.1. Gelet op het wederzijds gelijk en ongelijk van de partijen moeten de kosten van de beide instanties worden omgeslaan (artikel 1017, eerste lid Ger. W.). Rekening houdend met de uiteindelijk te verlenen ontheffing, past het om de appellante te veroordelen tot 1/5e en de geïntimeerde te veroordelen tot 4/5e van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

Overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger. W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, heeft slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt recht op een rechtsplegingsvergoeding. Indien de partijen elk voor een deel in het ongelijk gesteld worden, wordt aan elk van hen een rechtsplegingsvergoeding toegekend en wordt deze onderling tussen hen verdeeld volgens de vastgestelde verhouding.

Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger. W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moet in principe het basisbedrag gehanteerd worden. De appellante verzoekt om haar de maximale rechtsplegingsvergoeding toe te kennen wegens de kennelijk onredelijke houding van de administratie. Evenwel, uit niets blijkt dat de houding van de administratie ten tijde van het opstellen van het dwangbevel kennelijk onredelijk of willekeurig was. Het dwangbevel was opgesteld op basis van de gegevens die op dat ogenblik ter beschikking waren, minstens bewijst de appellante het tegendeel niet. Uiteindelijk komt vast te staan dat de appellante een lagere maatstaf van heffing heeft gehanteerd bij de verkoop, weliswaar niet in de grootorde zoals verdedigd door de administratie. Dit gegeven alleen is evenwel onvoldoende om de houding van de administratie als kennelijk onredelijk te bestempelen. Het verzoek van de appellante om de rechtsplegingsvergoeding te verhogen, wordt afgewezen.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger. W., zich in de schijf van 40.000,01 tot 60.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van 3.000,00 euro toepasselijk voor de procedure in eerste aanleg en 3.250,00 euro voor de procedure in hoger beroep.

5.2. De appellante vordert bovenop de rechtsplegingsvergoeding tevens een vergoeding voor de kosten die zij stelt te hebben moeten maken tijdens de administratieve procedure.

De appellante expliciteert de rechtsgrond voor deze vordering niet. De kosten bedoeld in artikel 1018 Ger.W. omvatten niet de kosten gemaakt tijdens de voorafgaande administratieve fase. Er is geen wettelijke bepaling op grond waarvan de kosten van verdediging in het kader van een voorafgaande administratieve procedure verhaald kunnen worden op de in het ongelijk gestelde partij. In de mate de vordering van de appellante is gesteund op de artikelen 1382-1383 oud BW, moet zij aantonen dat de voorwaarden daartoe vervuld zijn. De appellante specifieert evenwel niet waaruit de fout of onzorgvuldigheid begaan door de geïntimeerde zou bestaan. Evenmin toont zij aan dat haar beweerde schade in oorzakelijk verband staat met deze fout. Waar de appellante de parallel trekt met de administratieve boete die deels de werking van de overheid vergoedt, is van een ongelijke behandeling in deze geen sprake. De belastingplichtige en de fiscale administratie bevinden zich op dit punt in een volstrekt andere situatie en zijn aldus niet vergelijkbaar. De vordering van de appellante wordt om die redenen afgewezen.

### Beschikkend gedeelte

## BESLISSING VAN HET HOF

Het hof doet recht op tegenspraak;

Het hof beslist als volgt:

Het hoger beroep van de appellante is ontvankelijk en als volgt gegrond;

• het bestreden vonnis wordt vernietigd, behoudens waar het de oorspronkelijke vordering van de appellante toelaatbaar verklaart;

• het hof doet opnieuw recht ten gronde en verklaart de oorspronkelijke vordering van de appellante als volgt gegrond;

\- zegt voor recht dat het dwangbevel met RCIV nr. 500/.../...90, uitgevaardigd op 23 november 2017, geen uitwerking kan hebben in de mate het een bedrag aan btw vordert dat meer bedraagt dan 7.809,91 euro;

\- beveelt de herberekening van voormeld dwangbevel rekening houdend met hetgeen voorafgaat;

\- beveelt de terugbetaling van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;

• het hof veroordeelt de appellante tot het betalen van 1/5e en de geïntimeerde tot het betalen van 4/5e van de gerechtskosten van de beide instanties, vastgesteld als volgt:

\- aan de kant van de appellante:

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg: 3.000,00 euro

• bijdrage begrotingsfonds hoger beroep: 20,00 euro

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.250,00 euro

\- aan de kant van de geïntimeerde:

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep: 3.250,00 euro

Aldus gewezen en uitgesproken in de openbare terechtzitting van het hof van beroep te Gent, VIJFDE KAMER, recht doende in fiscale zaken, op 30 november 2021.

Aanwezig:

Ondertekeningen

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

## Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg

### Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer

Vonnis van 02/03/2020

Rol: 18/2261/A

De rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, sectie burgerlijke rechtbank, Tiende Kamer, heeft het volgend vonnis verleend:

In de zaak : 18/2261/A

**P.D.B. NV** (KBO-nr. 04...16), met maatschappelijke zetel te ..., eisende partij, voor wie optreedt meester ... advocaat te ...

**tegen :**

de **F.O.D. FINANCIËN**, A!gemene administratie van de Fiscaliteit, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet gevestigd te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend op verzoek van de Adviseur-generaal van het Centrum KMO te Brugge, met kantoor te 8000 BRUGGE, G. Vincke­ Dujardinstraat 4,

yverwerende partij, voor wie is opgetreden de heer Y, attaché bij de F.O.D.FINANCIEN, Algemene

Administratie van de Fiscaliteit.

## I. RECHTSPLEGING

Gelet op het inleidend verzoekschrift d.d. 9 augustus 2018.

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door partijen neergelegde stukken.

Partijen werden gehoord in hun middelen in de openbare terechtzitting van 3 februari 2020.

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen.

## ll. BIJZONDERSTE GEGEVENS VAN DE ZAAK

1\. Eiseres is ingeschreven als BTW-belastingplichtige onder het BTW-registratienummer BE04...16, voor de activiteit van carrosserieherstelling. Zij is derhalve onderworpen aan de bepalingen van de BTW­ wetgeving en de ter uitvoering ervan genomen besluiten.

Op 20 september 2017 werd door Z, fiscaal deskundige bij de Algemene Administratie van de Fiscaliteit, verbonden aan KMO centrum te Brugge, een controle aangevat bij eiseres over de toepassing van de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde ov r de periode van 1 januari 2014 tot 31 december 2015.

Op 21 november 2017 werden de overtredingen en vaststellingen voor 2014 opgenomen in een proces-verbaal door voormelde ambtenaar. Volgens de administratie heeft eiseres een Bentley Drophead Continental DHC onder de normale waarde verkocht aan P.D.B.. In het proces-verbaal is opgenomen dat eiseres verschuldigd is als BTW 36.446,28 EUR, als proportionele geldboete 7.280, 0 EUR en intresten vanaf 21 januari 2016.

Op 23 november 2017 werd op basis van dit proces-verbaal door de bevoegde ambtenaar van het B ontvangkantoor te Brugge een dwangbevel uitgevaardigd. Voormeld dwangbevel werd op 29 november 2017 geviseerd en uitvoerbaar verklaard. Het dwangbevel werd aan eiseres aangetekend ter ken gebracht op 30 november 2017.

Door eiseres werd op 26 januari 2018 een bezwaarschrift ingediend. Dit bezwaar werd afgewezen beslissing d.d. 11 juni 2018.

Door eiseres werd fiscaal verhaal aangetekend met een verzoekschrift neergelegd ter griffie op 9 augustus 2018.

2\. Eiseres vraagt dat:

\- de vordering ontvankelijk en gegrond wordt verklaard;

\- het dwangbevel d.d. 23 november 2017 wordt vernietigd, minstens wordt ontheven; de beslissing d.d. 11 juni 2018 wordt vernietigd, minstens wordt ontheven;

\- minstens een gerechtsdeskundige wordt aangesteld met als opdracht de verkoopwaarde van het voertuig te bepalen op 31 december 2014;

\- akte wordt verleend dat bij een gerechtelijke expertise eiseres Gert Beets als technisch raadsman wenst aan te stellen;

\- verweerder wordt veroordeeld tot de kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding t.b.v. 6.000 EUR en de kosten gemaakt tijdens de administratieve procedure t.b.v. 6.416,71 EUR.

2\. Verweerder vraagt dat de vordering van eiseres ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard, eisers wordt veroordeeld tot het betalen van de bedragen opgenomen in het proces-verbaal, het dwangbevel geldig en uitvoerbaar wordt verklaard, de beslissing d.d. 11 juni 2018 geldig wordt verklaard en eisers wordt veroordeeld tot de kosten van het geding.

## III. BEOORDELING

### *A.* *Betreffende de toelaatbaarheid*

Verweerder voert geen redenen aan die tot de ontoelaatbaarheid van de eis kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van ontoelaatbaarheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de eis toelaatbaar.

### *B.* *Betreffende de grond*

Conform artikel 26 W.BTW wordt de belasting bij leveringen van goederen berekend over alles wat de leverancier van het goed als tegenprestatie verkrijgt of moet verkrijgen van degene aan wie het goed wordt gefeverd.

Conform artikel 33 §2 W.BTW is in afwijking van artikel 26 de maatstaf van heffing voor de levering van goederen de normale waarde zoals die overeenkomstig artikel 32 is bepaald, wanneer:

\- de tegenprestatie lager is dan de normale waarde;

\- de afnemer van de levering van goederen geen volledig recht op aftrek heeft van de verschuldigde belasting;

\- de afnemer verbonden is met de leverancier van de goederen door een arbeidsovereenkomst of als vennoot of bestuurder van een vennootschap of rechtspersoon, met inbegrip van hun familieleden tot in de vierde graad.

Conform artikel 32, eerste lid W.BTW is de normale waarde het volledig bedrag dat een afnemer in de handelsfase waarin de levering van de goederen wordt verricht, bij eerlijke concurrentie zou moeten betalen aan een onafhankelijke leverancier op het grondgebied van het land waar de handeling belastbaar is, om de desbetreffende goederen op dat tijdstip te verkrijgen.

Conform artikel 32, tweede lid W.BTW mag, indien er geen vergelijkbare verrichting voorhanden is, de normale waarde van een levering van goederen niet lager zijn dan de aankoopprijs of van soortgelijke goederen of, indien er geen aankoopprijs is, de kostprijs, berekend op het tijdstip waarop de levering wordt verricht, en, met betrekking tot een dienst, een waarde die niet lager is dan de door de belastingplichtige voor het verrichten van de dienst gemaakte uitgaven.

De betwisting betreft de verkoop van een oldtimer voertuig type Bentley Drophead Coupé S1 Continental DHC met chassisnummer 8334AN. Het voertuig werd voor het eerst ingeschreven op 1 juli 1955. Het voertuig werd jaren geleden omgebouwd van een standaard 4 deurs saloon naar een Drophead Coupé. Het voertuig werd op 4 oktober 2011 aangekocht door R.V. bij autobedrijf Bourgoo van de prijs van 34.616 EUR. Na een schadegeval werd het geaccidenteerde voertuig op 18 juni 2014 door R.V. verkocht aan eiseres voor de prijs van 75.000 EUR. Het voertuig werd op naam van eiseres ingeschreven op 30 september 2014. Na herstellingswerken werd het voertuig door eiseres op 31 december 2014 verkocht aan P.D.B. voor de prijs van 120.000 EUR (met dezelfde kilometerstand als bij aankoop door eiseres). P.D.B. is de vaste vertegenwoordiger van de BV (voorheen BVBA) P&M en deze laatste is bestuurder van eiseres.

Er is geen betwisting tussen partijen dat als maatstaf van heffing de normale waarde van toepassing is (artikelen 32 en 33 W.BTW). Volgens verweerder bedraagt de normale waarde van het voertuig 330.000 EUR i.p.v. 120.000 EUR.

Uit het proces-verbaal blijkt dat het voertuig in de toonzaal van eiseres te koop is gesteld voor de prijs van

330.000 EUR en dit blijkbaar reeds vanaf 2015. Volgens verweerder is dit in eind 2019 nog steeds zo en dit wordt niet ontkend door eiseres. Verder blijkt dat de verzekerde waarde van het voertuig 330.000 EUR bedraagt. Deze waarde werd vastgesteld op basis van het schattingsverslag d.d. 29 september 2014 (vóór verkoop door eiseres) door A.C. (erkend expert van de Belgische Federatie voor Ou e Voertuigen) in opdracht van Dekra Classic Services.

Verder blijkt dat P.D.B. het voertuig te koop heeft aangeboden tijdens de bezwaarfase via e online veilingsite Catawiki. Hij heeft een minimumprijs ingesteld van 285.000 EUR. Door de deskundigen Sander Houdel en Francisco Carrion van Catawiki werd de waarde van het voertuig geschat tussen 315.000 en 350.000 EUR. Momenteel is het voertuig voor de prijs van 330.000 EUR nog steeds te koop via de website oldtimerroom.com.

Gezien eiseres en P.D.B. blijkbaar liefhebbers en kenners zijn van oldtimers en gezien e schattingen van de 3 vermelde deskundigen, is de rechtbank van oordeel dat de normale waarde van h t voertuig 330.000 EUR bedraagt. Om dezelfde redenen is het dan ook niet nodig om nog e n gerechtsdeskundige aan te stellen.

De deskundigen Sander Houdel en Francisco Carrion van Catawiki hebben er alle belang bij om de waar e van het voertuig zo juist mogelijk te schatten. Wanneer de schatting te hoog is schrikken zij potentiëIe kopers af en heeft Catawiki geen commissie van 12,5 % en bij een te lage schatting worden potentiëIe klanten wel aangetrokken maar is de effectief te ontvangen commissie te laag.

Het feit dat het voertuig blijkbaar nog niet verkocht is door P.D.B., is omdat de markt va r dergelijke unieke oldtimer bijzonder klein is en de prijs niet zomaar betaalbaar is voor iedereen. e rechtbank merkt ook op dat het totaal ongeloofwaardig is dat P.D.B. (in de toonzaal van eiser s) een voertuig te koop zou aanbieden voor een prijs die bijna driemaal hoger is dan wat volgens eiseres n P.D.B. (kenners van oldtimers) de werkelijke verkoopprijs is.

Volgens eiseres is er een verschil tussen de verzekerde waarde van het voertuig en de verkoopwaarde v n het voertuig. Volgens eiseres is de verzekerde waarde van 330.000 EUR de kostprijs van de heropbou "· Indien dit zo zou zijn (dit blijkt niet uit de polis) dan is, gezien de unieke aard van het voertuig, artikel -\_ 2, tweede lid W.BTW van toepassing en is de kostprijs op het moment van levering gelijk aan 330.000 E \_ R, wat dan ook de normale waarde van het voertuig is.

De rechtbank houdt geen rekening met de schatting van 165.00 EUR door A.C.. De schatting is niet ondertekend door hem en de schatting is gebeurd op vraag van P.D.B.. Het verslag d.d. 0 juni 2015 is ook totaal ongeloofwaardig. In het verslag wordt gesteld dat eiseres het voertuig he ft aangekocht als een totaal verlies-voor de prijs van 75.000 ÉUR : Eiseres heeft het voertuig hersteld ri verkocht aan P.D.B. voor de prijs van 120.000 EUR. Voor de herstelling van een unieke oldtin \_r van totaal verlies tot in zeer goede staat (volgens de aanbieding op de website) vraagt eiseres dus maar 45.000 EUR, terwijl eiseres in besluiten stelt dat bij totaal verlies de heropbouw van het voertuig 330.0 0 EUR kost. Op 1 augustus 2018 stelt ook A.C. dat de heropbouwwaarde 330.000 EUR bedraagt. Ook de schatting door het veilinghuis Bonhams (tussen 95.000 en 125.000 EUR) is er gekomen op vra g van eiseres en na het dwangbevel. Om die redenen kan dan ook geen rekening gehouden worden n et deze schatting. Ook de schatting van Bourgoo (tussen 130.000 en 155.000 EUR) is er gekomen op Vraag van eiseres en na de controle door de administratie. Al deze waarderingen geven onvoldoende waarborg op objectiviteit.

In casu is de maatstaf van heffing gelijk aan de normale waarde van de voertuig die 330.000 EUR bedraagt (artikelen 32 en 33 §2 W.BTW).

### *C.* *Betreffende de kosten*

Gezien eiseres in het ongelijk wordt gesteld, dient zij in te staan voor de kosten van het geding.

Verweerder wordt niet bijgestaan door een advocaat en heeft derhalve geen recht op een rechtsplegingsvergoeding.

**OM DEZE REDENEN,**

De rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak.

Alle verdere middelen van partijen verwerpend als niet dienend. Verklaart de eis toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt eiseres tot de kosten van het geding, aan haar zijde niet te begroten aangezien ze haar ten laste blijven en aan de zijde van verweerder begroot op 0,00 EUR.

Aldus gevonnist en uitgesproken in openbare terechtzitting van de rechtbank van eerste aanleg West­ Vlaanderen, afdeling Brugge, burgerlijke sectie, tiende kamer, op TWEE MAART TWEEDUIZEND TWINTIG waar zitting hadden:

Ondertekeningen

## Aangehaalde teksten

4

[WBTW art. 32](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) 22 voorkomens

[WBTW art. 33](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-33) 2 voorkomens

[WBTW art. 26](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-26) 1 voorkomen

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Tegenprestatie, maatstaf van heffing, normale waarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/ruil-tegenprestatie-maatstaf-heffing-normale-hof-van-beroep-gent-2023-10-24-59b1) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Restaurant- en cateringdiensten, bedrijfskantine Belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/restaurant-cateringdiensten-bedrijfskantine-belasting-rechtbank-antwerpen-2022-12-05-ac00) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Hoedanigheid van belastingplichtige, Uitoefening van economische activiteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/hoedanigheid-belastingplichtige-uitoefening-economische-activiteit-rechtbank-luik-2020-03-12-aca1) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Maatstaf van Heffing, Normale waarde, Subjectieve waarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/actie-maatstaf-heffing-normale-waarde-hof-van-beroep-antwerpen-2025-09-16-d370) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Diensten, Maatstaf van heffing, Bepaling, Verkrijgen van groenestroomcertificaten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/diensten-maatstaf-heffing-bepaling-verkrijgen-hof-van-beroep-bergen-2019-11-06-ab47) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Horecasector, Geregistreerd kassasysteem, Gebrek aan een kassa](https://juriel.be/nl/rechtspraak/horecasector-geregistreerd-kassasysteem-gebrek-kassa-rechtbank-namen-2020-12-10-0baa) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verbouwings- of renovatiewerken, Oud geklasseerd gebouw, (geen) Nieuw gebouw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verbouwings-renovatiewerken-oud-geklasseerd-gebouw-hof-van-beroep-luik-2021-05-03-4dfd) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijskracht van het proces-verbaal, Motivering van een bestuurshandeling, Dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskracht-proces-verbaal-motivering-bestuurshandeling-rechtbank-namen-2020-12-03-e8b5) 2 gemeenschappelijke bepalingen
