---
title: "Maatstaf van heffing, bijzondere regeling · Hof van beroep te Gent, 27 juni 2006"
description: "Maatstaf van heffing, bijzondere regeling, landbouwbedrijf, strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging. Hof van beroep te Gent (België), 27 juni 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/maatstaf-heffing-bijzondere-regeling-landbouwbedrijf-hof-van-beroep-gent-2006-06-27-69fe"
lang: "nl"
---

# Maatstaf van heffing, bijzondere regeling, landbouwbedrijf, strafbepaling, administratieve geldboete · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

27 juni 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

66 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 27.06.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent - 5e kamer**

**Nr. 2005/AR/237**

in de zaak van :

**M. M.**, landbouwer, wonende te …, …, ingeschreven met KBO-nummer …,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **V. F.**, advocaat te …, …

**tegen :**

**DE BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, BTW Ontvangkantoor Zottegem, met kantoren te 9620 ZOTTEGEM, G. Schockaertstraat 4,

**geïntimeerde,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **L. G.** loco mr. **V. A. E.**, advocaat te …, …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

**1.** Bij gerechtsdeurwaardersexploot van 27.12.2002 dagvaardde de·appellant de geïntimeerde voor de rechtbank van eerste aanleg te Gent teneinde uitspraak te horen doen over zijn verzet tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd op 11 december 2002 door **W. H.**, eerstaanwezend Inspecteur, Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16 december 2002 door **R. ’T K.**, e.a. inspecteur te Oudenaarde 1, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent.

In dit dwangbevel werd opgenomen als schuld van de appellant een bedrag van … EUR aan BTW + een geldboete ingevolge [art. 70, § 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) en [70, § 1bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) BTW-wetboek van … EUR, meer de intresten krachtens [art. 91, § 1 BTW­wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) over de verschuldigde BTW, de moratoire intrest over de nog verschuldigde geldboeten ingevolge [art. 91, § 4 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91), de vervolgingskosten.

Voor de eerste rechter vorderde de appellant :

> "
>
> \- te zeggen voor recht dat er geen rechtsgrond bestaat op grond waarvan concluant (d.i. de appellant) kan worden uitgesloten van de bijzondere landbouwregeling voorzien in [artikel 57 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-57);
>
> \- te zeggen voor recht dat het dwangbevel nietig en ongegrond is, en de in het dwangbevel gevorderde sommen niet verschuldigd zijn;
>
> \- de teruggave te bevelen van alle sommen die zouden zijn betaald en/of ingehouden op grond van het aldus vernietigde dwangbevel, met inbegrip van de moratoriuminteresten zoals voorzien in [artikel 91, § 3 en § 4 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91);
>
> \- de Belgische Staat te veroordelen tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van concluant (d.i. de appellant) begroot op … EUR (zijnde … EUR kosten van dagvaarding en … EUR rechtsplegingsvergoeding)."

Bij vonnis van 16.9.2004 van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, zesde kamer, werd de vordering van de appellant ontvankelijk doch ongegrond verklaard, en werd hij veroordeeld tot de kosten.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Gent op 27.1.2005 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vermelde vonnis.

Het blijkt niet dat dit vonnis werd betekend of dat de appellant er in zou hebben berust.

Het hoger beroep is tijdig en regelmatig.

De. appellant streeft de vernietiging van het bestreden vonnis na en vordert dat zijn verzet tegen het dwangbevel ontvankelijk en gegrond zou worden verklaard, dat het dwangbevel nietig, minstens onwettelijk of ongegrond zou worden verklaard, en zou gezegd worden voor recht dat het dwangbevel en de kennisgeving ervan geen gevolg mogen hebben. In ondergeschikte orde vordert de appellant dat de geïntimeerde zou worden veroordeeld tot een teruggaaf van … EUR. Tevens vordert de appellant dat de terugbetaling zou worden bevolen van alle sommen die werden betaald of werden ingehouden, verhoogd met de intresten, en de kosten.

De geïntimeerde vordert dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard.

**2.** Volgens het proces-verbaal van 29.11.2002 (stuk 1 van de geïntimeerde), bijlage bij het bestreden dwangbevel en houdende het belangrijkste deel van de motieven van het dwangbevel, zijn de in het dwangbevel gevorderde BTW en accessoria verschuldigd om reden dat de appellant onderworpen is aan de gewone BTW­regeling, dit omdat hij diensten verricht andere dan contractteelt en onderlinge landbouwhulp (zie de artikelen [2, § 1, 2° en 3°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-22-artikel-cc6b) van het KB nr. 22 dd. 15.9.1970 met betrekking tot de bijzondere regeling voor landbouwondernemers inzake belasting over de toegevoegde waarde).

De eerste rechter heeft het verzet tegen het dwangbevel echter ongegrond verklaard om reden van concurrentieverstoring zoals voorzien bij [artikel 2, § 4 van het KB nr. 22](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-22-artikel-cc6b) dd. 15.9.1970, waarover in het dwangbevel of het proces-verbaal van 29.11.2002 niets wordt vermeld.

Deze rechtsgrond wordt door de administratie pas voor het eerst formeel ingeroepen in haar conclusie neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Gent op 7.3.2003 (tweede blad onderaan).

De appellant is van oordeel dat, ingevolge de verplichtingen opgelegd bij de artikelen 2 en 3 van de wet van 29.7.1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, enkel rekening mag worden gehouden met de motieven die formeel en uitdrukkelijk in het dwangbevel of bijlage zijn vermeld, en het dwangbevel niet achteraf kan worden verantwoord op basis van niet in het dwangbevel of bijlage opgenomen gegevens. Voor de appellant was de administratie derhalve niet gerechtigd om de toepassing van de bijzondere landbouwregeling te weigeren op basis van concurrentieverstoring.

Het doel van de formele motivering in de bestuurshandeling zelf, is voornamelijk de betrokken bestuurde toe te laten na te gaan of de beslissende overheid uitgegaan is van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, zodat de bestuurde met kennis van zaken kan oordelen of het zinvol is de bestuurshandeling verder te. bestrijden met de middelen die de wet hem biedt. Deze motiveringsplicht staat er niet aan in de weg dat na het opstellen van een proces-verbaal en een dwangbevel met betrekking tot de BTW-schuld, de administratie nieuwe juridische argumenten en feitelijke gegevens zou aanvoeren, op voorwaarde dat het argumenten en gegevens betreft ter ondersteuning van hetgeen in het proces-verbaal en het dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld met betrekking tot diezelfde BTW-schuld (vergelijk met Cass. 1.12.2005, rolnr. C030354N, www.cass.be).

Het in het proces-verbaal, bijlage bij het dwangbevel, gehanteerde motief (geen contractteelt of onderlinge landbouwhulp en dus geen toepassing van de landbouwregeling) is verschillend van het motief van uitsluiting van de landbouwregeling wegens concurrentieverstoring. Dit laatste kan niet beschouwd worden als een ondersteuning van wat in het proces-verbaal en dwangbevel reeds is vastgesteld en vermeld.

Het feit dat de gevolmachtigde van de appellant zelf het probleem van de concurrentieverstoring te berde heeft gebracht in zijn antwoord van 16.12.2002 (stuk 5 van de geïntimeerde) op het proces-verbaal van 29.11.2002 brengt hieraan geen wijziging. Dit werd aangevoerd om het feit aanvaardbaar te maken dat binnen één gezin twee juridisch afzonderlijke landbouwbedrijven bestaan (zie punt 2 van het vermeld stuk), en houdt geenszins in dat de administratie BTW via dwangbevel invorderde om reden van concurrentieverstoring. Hieruit kan niet worden afgeleid dat de appellant wist of weten moest dat de administratie haar BTW-vordering steunde op de concurrentieverstoring.

In deze omstandigheden kan de concurrentieverstoring voorzien bij [artikel 2, § 4 van het KB nr. 22](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-22-artikel-cc6b) dd. 15.9.1970 geen rechtsgeldige grond vormen voor afwijzing van het verzet van de appellant tegen het dwangbevel.

Tevergeefs verwijst de geïntimeerde naar artikel 807 Ger.W. dat niet toepasselijk is. Te dezen is geen uitbreiding van vordering aan de orde, maar het aanvoeren van een rechtsgrond door de geïntimeerde.

**3.** De appellant voert verder aan dat de hulp die hij aan zijn echtgenote verschafte in de uitbating van haar landbouwbedrijf ten onrechte door de administratie niet beschouwd werd als *"onderlinge landbouwhulp"* zoals bedoeld bij [artikel 2, § 1, 3° van het KB nr. 22](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-22-artikel-cc6b) van 15.9.1970. Voor de appellant valt hieronder de hulp die een echtgenoot verschaft aan zijn echtgenote waar nodig, hulp ingegeven door de huwelijksband. Hiermee bestrijdt de appellant de interpretatie van de geïntimeerde die als onderlinge landbouwhulp beschouwt: *"een dienst verstrekt aan een ander landbouwondernemer, gewoonlijk op basis van wederkerigheid, bij ziekte, ongeval, ongunstig weder, enz., zonder enige vergoeding in geld of tegen een vergoeding die alleen de gedane uitgaven dekt (loonkosten)"* (zie COM. IB. 57/44).

Het KB nr. 22 of enige andere wettekst geven geen definitie van wat onder *"onderlinge landbouwhulp"* dient te worden verstaan. Uit niets blijkt dat de wetgever heeft willen afwijken van de gebruikelijke betekenis van dit begrip.

De appellant en zijn echtgenote verlenen elkaar wederzijdse landbouwdiensten. Zij werken zowel op hun eigen landbouwbedrijf als op dit van hun wederhelft. Zij betalen elkaar geen vergoeding voor deze prestaties, maar handelen op basis van wederkerigheid (zie de beide processen-verbaal van 29.11.2002 in het stukkenbundel van de geïntimeerde; zie ook het citaat van de verklaring van de appellant in antwoord op de vraag of hij de facturen van zijn echtgenote voor uitgevoerde landbouwwerken betaalt, in het proces-verbaal opgesteld door de verbalisanten **B.** en **L.** : *"zij betaalt mij ook niet voor de werken die ik uitvoer op het erf")*. Dit wordt ten andere door de geïntimeerde niet betwist.

Het betreft te dezen diensten die twee landbouwondernemers aan elkaar verstrekken voor hun wederzijdse landbouwexploitatie, zonder enige vergoeding, op basis van wederkerigheid. Dergelijke diensten zijn te beschouwen als vallend onder het begrip *"onderlinge landbouwhulp"* in zijn gebruikelijke betekenis.

Door aan te nemen dat dergelijke diensten maar als " onderlinge landbouwhulp " te beschouwen zijn " bij ziekte, ongeval, ongunstig weder, enz. " of bij "noodsituaties" wijkt de geïntimeerde met dergelijke beperking van de gebruikelijke betekenis af.

Tevergeefs verwijst de geïntimeerde ook naar [artikel 32 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32). Het [artikel 57 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-57) (en het KB nr. 22) voorziet juist in een afzonderlijke regeling voor landbouwondernemingen o.m. in het geval van onderlinge landbouwhulp - in zijn gebruikelijke betekenis, die niet diegene is die de geïntimeerde er aan geeft - waarbij [artikel 32 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) dan niet toepasselijk is.

Ten onrechte heeft de geïntimeerde dan ook de appellant belast op de prestaties van onderlinge landbouwhulp die hij leverde aan zijn echtgenote, nu de appellant voor deze prestaties geniet van de bijzondere landbouwregeling ingesteld bij [artikel 57 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-57) ([artikel 2, § 1, 3° van het KB nr. 22](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-22-artikel-cc6b) van 15.9.1970).

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF**, recht doende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen;

Ontvangt het hoger beroep en verklaart het gegrond in de hierna bepaalde mate;

Doet het bestreden vonnis teniet behoudens waar het de oorspronkelijke vordering ontvankelijk verklaart;

Verklaart gegrond het verzet van de appellant tegen het dwangbevel (RCIV nr. …) uitgevaardigd op 11 december 2002 door **W. H.**, eerstaanwezend Inspecteur, Ontvanger van het BTW-Ontvangkantoor te Zottegem, geviseerd en uitvoerbaar verklaard op 16 december 2002 door **R. ’T K.**, e.a. inspecteur te Oudenaarde 1, aangewezen door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen te Gent.

Vernietigt dit dwangbevel;

Beveelt de terugbetaling van de eventueel op grond van het vernietigde dwangbevel geïnde sommen, meer de intresten voorzien bij [artikel 91, § 3 en 4 BTW-wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91);

Veroordeelt de geïntimeerde tot de kosten van beide aanleggen, begroot als volgt :

\- aan de zijde van de appellant :

\* dagvaardingskosten … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

\- aan de zijde van de geïntimeerde :

\* rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg … EUR

\* rechtsplegingsvergoeding hoger beroep … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, vijfde kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op **ZEVENENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN ZES**.

Aanwezig de Heren :

**A D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Aangehaalde teksten

5

[KB nr. 22 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-22-artikel-cc6b) 5 voorkomens

[WBTW art. 91](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-91) 4 voorkomens

[WBTW art. 57](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-57) 3 voorkomens

[WBTW art. 32](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-32) 2 voorkomens

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 2 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Bewijskracht van het proces-verbaal, Motivering van een bestuurshandeling, Dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijskracht-proces-verbaal-motivering-bestuurshandeling-rechtbank-namen-2020-12-03-e8b5) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Maatstaf van heffing](https://juriel.be/nl/rechtspraak/maatstaf-heffing-leveringen-diensten-waarvan-cassatie-brussel-2010-01-14-7bf9) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, Facturen van onderaannemers, Verplichte vermeldingen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-facturen-onderaannemers-verplichte-rechtbank-bergen-2019-04-09-0896) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Regularisatieopgave, Handtekening voor akkoord -Vertegenwoordigingsbevoegdheid](https://juriel.be/nl/rechtspraak/regularisatieopgave-handtekening-akkoord-hof-van-beroep-brussel-2021-01-21-0c02) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek, recht op aftrek van Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-btw-reikwijdte-uitsluiting-hof-van-beroep-gent-2022-09-06-1075) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Voetbalclub, Gemengde belastingplichtige, Werkelijk gebruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/voetbalclub-gemengde-belastingplichtige-werkelijk-gebruik-hof-van-beroep-antwerpen-2021-09-21-28a1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Btw-carrousel, Deelname, Weigering van de aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-carrousel-deelname-weigering-aftrek-hof-van-beroep-brussel-2020-09-10-35f7) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Formele wettigheid van de kennisgeving](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-formele-wettigheid-kennisgeving-rechtbank-namen-2020-04-30-3b6e) 2 gemeenschappelijke bepalingen
