---
title: "Jachthaven, Vrijstellingen · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 15 januari 2002"
description: "Jachthaven, Vrijstellingen, Stalling van rijtuigen, Vaartuigen, Opportuniteit. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 15 januari 2002."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/jachthaven-vrijstellingen-stalling-rijtuigen-vaartuigen-rechtbank-brugge-2002-01-15-5765"
lang: "nl"
---

# Jachthaven, Vrijstellingen, Stalling van rijtuigen, Vaartuigen, Opportuniteit

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

15 januari 2002

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

110 paragrafen

### Tekst van de beslissing

**Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 15.01.2002**

*Jachthaven - BTW - Vrijstellingen - Stalling van rijtuigen - Vaartuigen - BTW - Boete - Opportuniteit - Beoordeling door de rechter*

Overheden worden voor de diensten van een haven als belastingplichtige aangemerkt. Het ter beschikking stellen van een ligplaats in een haven door de stad is onmiskenbaar een «havendienst». Aldus geldt in principe dat op de vergoedingen van die dienst B.T.W. verschuldigd is.

De jachthaven is geen sportinfrastructuur in de zin van artikel 44, § 2, 3º van het W.B.T.W. aangezien uit niets blijkt dat de stad meer aanbiedt dan een ankerplaats zodat de handeling niet vrijgesteld is.

Alhoewel de verhuring van een ligplaats dient te worden beschouwd als een verhuring van een uit zijn aard onroerend goed, geldt de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2, a) van het W.B.T.W. niet voor de terbeschikkingstelling van stalling van rijtuigen. Aangezien onder een rijtuig ieder voertuig dient te worden begrepen, en een vaartuig een soort voertuig is, is de verhuring van een ligplaats voor vaartuigen niet vrijgesteld van B.T.W.

De rechtbank die over de toepassing van de belastingwet oordeelt, komt het toe, wanneer hem dat gevraagd wordt, uitspraak te doen over de gepastheid van een administratieve boete. Het is de rechtbank toegelaten niet alleen te toetsen of de boete in rechte of in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen werden nageleefd. Bovendien is de rechtbank gerechtigd om de opportuniteit van de fiscale geldboete te beoordelen. In casu oordeelt de rechtbank dat de boete zoals ze door de Administratie wordt ingevorderd, niet redelijk is verantwoord aangezien blijkt dat de Administratie slechts voor het eerst in december 1999 als standpunt heeft ingenomen dat de stad de voorgaande jaren B.T.W. verschuldigd was op de betreffende lidgelden. Nochtans was de stad reeds langer belastingplichtige en had van de Administratie op dit punt nooit een opmerking gekregen. In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het niet opportuun om een boete op te leggen.

Alleenrechtsprekend rechter : M. Vandeputte

Advocaten : Mr. Maus, Mr. De Schepper

de Stad Oostende, vertegenwoordigd door het College van Burgemeester en Schepenen

tegen

*de Belgische Staat*, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

## I. Procedure

De partijen hebben hun middelen en besluiten voorgedragen in de openbare terechtzitting van 18 december 2001, waarna het debat werd gesloten. De rechtbank nam vervolgens de zaak in beraad.

De rechtbank heeft de artikelen 2, 30 tot 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken nageleefd.

De rechtbank houdt in het bijzonder rekening met de volgende documenten :

1\. de gedinginleidende dagvaarding van 22 maart 2000;

2\. de conclusie voor verweerder van 1 augustus 2000;

3\. de conclusie voor eiser van 15 januari 2001;

4\. de conclusie voor eiser van 1 maart 2001;

5\. de conclusie voor verweerder van 6 april 2001;

6\. de conclusie voor eiser van 22 juni 2001 en

7\. de conclusie voor verweerder van 26 oktober 2001.

Daarenboven heeft de rechtbank de overtuigingsstukken van de partijen ingezien.

## II. De bijzonderste gegevens van de zaak

## 1. De feiten die relevant zijn voor het geschil

Hoewel eiser voor verscheidene verrichtingen B.T.W.-plichtige is, is hij er steeds van uitgegaan dat dit niet het geval was voor de verhuring van ligplaatsen voor pleziervaartuigen in de Mercator Jachthaven.

In navolging van een B.T.W.-controle op 1 december 1999 heeft verweerder proces-verbaal opgemaakt. Daarin werd vastgesteld dat eiser voor de jaren 1995, 1996, 1997 en 1998 voor een totaal bedrag van 45.733.600 frank (1.133.706,33 euro) liggelden had ontvangen. Verweerder heeft geoordeeld dat deze liggelden aan de B.T.W. onderworpen waren. Er werd eiser dan ook voor 9.546.548 frank (236.652,74 euro) B.T.W. aangerekend en daarnaast een boete van 1.909.000 frank (47.322,87 euro).

Voor diezelfde bedragen werd op 22 december 1999 aan eiser een dwangbevel betekend.

Het is tegen dat dwangbevel dat eiser met zijn dagvaarding van 22 maart 2000 verzet heeft aangetekend.

## 2. De standpunten en vorderingen van de partijen

Eiser vordert dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat het dwangbevel van 22 december 1999 geen enkel rechtsgevolg kan ressorteren, minstens dat de rechtbank zou vaststellen dat eiser niet B.T.W.-plichtig is en dat geen B.T.W. op de liggelden in de Mercator Jachthaven verschuldigd is.

Aldus vordert eiser dat de rechtbank verweerder zou veroordelen tot terugbetaling van de reeds op 1 november 1999, 1 februari 2000 en 1 mei 2000 ingehouden sommen.

Voor zoveel als nodig vordert eiser dat de rechtbank de volgende prejudiciële vragen zou stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen :

> *«Moet artikel 4, 5, 2de lid van de Richtlijn nr. 6 77/388/EEG van 19 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting in die zin worden begrepen dat het de Lidstaten toelaat, om zonder rekening te houden met de feitelijke omstandigheden eigen aan elke zaak, in abstracto en op algemene wijze in het algemeen verbindend besluit de handelingen en werkzaamheden op te sommen waarvan kan worden gesteld dat wanneer zij worden verricht door een overheidslichaam zij per definitie concurrentieverstorend zijn indien dit overheidslichaam van de toepassing van de B.T.W. zou zijn vrijgesteld;*
>
> *of*
>
> *moet artikel 4, 5, 2de lid van de Richtlijn nr. 677/388/EEG van 19 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting in die zin worden begrepen dat de onderworpenheid aan de B.T.W. van een overheidslichaam wegens het verrichten van werkzaamheden en handelingen die bij niet belastingplicht van het overheidslichaam de concurrentie zouden verstoren steeds een afweging in concreto vereist waarbij rekening wordt gehouden met de feitelijke omstandigheden eigen aan elke zaak.*
>
> *en*
>
> *Is de toekenning tegen vergoeding van een ligplaats voor een vaartuig in een jachthaven voor plezier- en sportvaartuigen te beschouwen als een onroerende verhuur in de zin van 13 B, sub* b van de Richtlijn nr. 677/388/EEG van 19 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der Lidstaten inzake omzetbelasting en derhalve vrijgesteld van B.T.W.»

Subsidiair vordert eiser dat de rechtbank zou zeggen voor recht dat de opgelegde sanctie nietig is wegens schending van de artikelen 6 en 7 E.V.R.M., artikel 14 van de Grondwet en artikel 2 Swb.

Eiser vraagt bovendien dat verweerder zou veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten en dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar zou verklaren bij voorraad, zelfs wanneer een rechtsmiddel zou worden aangewend, zonder dat de uitvoering afhankelijk kan gesteld worden van een borgstelling en met uitsluiting van het kantonnement.

Verweerder vordert dat de vordering van eiser door de rechtbank zou worden afgewezen als ongegrond en dat eiser zou verwezen worden in de gerechtskosten.

## III. Beoordeling

## 1. De ontvankelijkheid van de vordering

Verweerder voert geen redenen aan die tot onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die hij ambtshalve zou moeten opwerpen, ontwaart, is de vordering ontvankelijk.

## 2. De grond van de vordering

### *2.1. Stelling van eiser*

Eiser voert in eerste instantie aan dat hij, als stad, voor het verstrekken van ligplaatsen in de Mercator Jachthaven geen B.T.W.-plichtige zou zijn. Hij stelt dat het de regel is dat een gemeente geen B.T.W.-plicht heeft en dat er zich geen uitzonderingssituatie voordoet. In het bijzonder dat het K.B. nr. 26 van 2 december 1970 geen voldoende wettelijke grondslag vindt in het tweede en derde lid van artikel 6 W.B.T.W. Hij stelt dat de Koning de activiteit van het leveren van goederen en verstrekken van diensten in het kader van exploitatie van een haven slechts kon B.T.W.-plichtig maken op voorwaarde dat er sprake zou zijn van concurrentievervalsing van enig belang ten aanzien van de privé-sector en het niet zou gaan om handelingen met een onbeduidende omvang. Volgens eiser werd dus in artikel 6 W.B.T.W. geen discretionaire bevoegdheid verleend om te bepalen welke handelingen door overheden al dan niet B.T.W.-plichtig zijn.

Bovendien stelt eiser dat dezelfde conclusie bereikt wordt wanneer de 6de B.T.W.-richtlijn gevolgd wordt. Meer bepaald zou het K.B. nr. 26 niet in overeenstemming zijn met artikel 4, § 5 van die richtlijn. Volgens eiser moet dat artikel in die zin worden begrepen dat slechts tot B.T.W.-plicht van een overheid kan besloten worden ten aanzien van de bewuste handelingen op voorwaarde dat, na afweging *in concreto*, vastgesteld is dat de concurrentie binnen de Europese markt kan verstoord worden. In dat verband vraagt eiser om een prejudiciële vraag te stellen.

Eiser betwist in elk geval stellig dat zijn diensten in de Mercator Jachthaven een verstoring van de concurrentie met de privé-sector zouden teweegbrengen.

In de tweede orde voert eiser aan dat, zelfs wanneer er principiële B.T.W.-plicht zou zijn, de liggelden vrijgesteld zijn van belasting. Volgens eiser gaat het om diensten die verleend worden door een exploitant van een sportinfrastructuur (art. 44, § 2, 3 W.B.T.W.). Minstens, stelt eiser, is er vrijstelling omdat het gaat om verhuur van onroerende goederen overeenkomstig artikel 44, § 3, 2 W.B.T.W. Voorzover er onduidelijkheid bestaat, stelt eiser voor om een prejudiciële vraag te stellen aan Hof van Justitie van de E.G.

In ondergeschikte orde vecht eiser de krachtens artikel 70 W.B.T.W. opgelegde boete aan. Hij beroept zich daartoe op de artikelen 6 en 7 E.V.R.M., artikel 14 van de Grondwet, artikel 2 SWb. en de bepalingen van de Wet van 4 mei 1999 op de strafbaarheid van rechtspersoon.

### *2.2. Stelling van verweerder*

Verweerder stelt dat de B.T.W.-plicht van eiser, voor wat betreft de liggelden in het Mercatordok, buiten kijf staat. Volgens hem volgt dat zonder meer uit artikel 2 van het K.B. nr. 26 dat stelt dat overheden voor de «diensten in het kader van exploitatie van haven» B.T.W.-plichtig zijn.

Volgens verweerder is de vraag naar de concurrentieverstoring niet aan de orde vermits het K.B. nr. 26 de activiteiten weergeeft waarvoor overheden steeds als B.T.W.-plichtige worden aangemerkt.

Verweerder betwist verder dat er een vrijstelling zou gelden omdat het om diensten van een exploitant van een sportinfrastructuur zou gaan. Verweerder stelt dat eiser geen uitrustingen ter beschikking stelt of leiding geeft om aan sport te kunnen doen, dat eiser niet aantoont dat de exploitatie van de jachthaven zonder winstoogmerk zou gebeuren en dat hoe dan ook in de haven zelf niet aan sport wordt gedaan met de betreffende pleziervaartuigen.

Verweerder stelt verder dat er geen vrijstelling is wegens onroerende verhuur omdat de terbeschikkingstelling van een ligplaats voor een pleziervaartuig niet als een «onroerend verhuur» kan worden aangemerkt volgens het Burgerlijk Wetboek. Ondergeschikt stelt verweerder dat de dienst moet vergeleken worden met de verhuur van plaatsen op een kampeerterrein, de verhuur van parkeerplaatsen voor auto's of de terbeschikkingstelling van standplaatsen op een openbare markt. Hij stelt dat dit alle belastbare B.T.W.-handelingen zijn hoewel ze de exploitatie van een onroerend goed tot voorwerp hebben. Minstens moet de ter beschikkingstelling van een ligplaats in een haven volgens verweerder worden gelijkgesteld met een terbeschikkingstelling van bergruimte voor goederen.

Wat de boete aangaat, betwist verweerder dat deze in strijd zou zijn met de diverse wettelijke bepalingen die eiser aanvoert.

### *2.3. Beoordeling*

#### 2.3.1. De B.T.W.-plicht

Verweerder beroept zich terecht op artikel 2 van het K.B. nr. 26 waarin overheden voor de diensten van een haven als belastingplichtige worden aangemerkt.

Die bepaling is een toepassing (en uitvoering) van het derde lid van artikel 6 W.B.T.W. Dat artikel schrijft voor dat de Koning de handelingen bepaalt, voorzover ze niet van onbeduidende omvang zijn, waarvoor de overheden (waaronder de gemeenten) steeds als belastingplichtige worden aangemerkt.

In tegenstelling tot wat eiser voorhoudt, heeft deze wettelijke bepaling geen discretionaire macht verleend aan de Koning. Het blijkt niets anders te zijn dan een omzetting van de bepalingen van de 6de richtlijn. Artikel 4, § 5 van die richtlijn stelt immers dat er activiteiten zijn waarvoor de overheden steeds als belastingplichtige moeten worden aangemerkt door de lidstaten, althans wanneer ze niet onbeduidend zijn. De bepalingen verwijzen daartoe naar de bijlage D van de 6de richtlijn. In het punt 4. van die bijlage D wordt vermeld : *«Haven en luchthavendiensten»*.

Het ter beschikking stellen van een ligplaats in een haven is onmiskenbaar een «havendienst». De Europese wetgever heeft wat deze soort dienst betreft, de discussie in verband met de vraag of er concurrentieverstoring mogelijk is (op niveau van de Europese Unie), willen uitsluiten.

Nu eiser in 4 jaar voor een waarde van meer dan 1 miljoen euro liggelden heeft geïnd, betreft het geen handelingen van onbeduidende omvang.

Eiser wordt door verweerder dan ook terecht aangemerkt als B.T.W.-plichtige voor de havendiensten die hij verstrekt.

**2.3.2. De verschuldigdheid van de B.T.W.**

Er werd al gesteld dat het ter beschikking stellen van ligplaatsen in een haven een «dienst» is. Aldus geldt in principe dat op de vergoedingen van die dienst B.T.W. verschuldigd is.

Vraag is dan of eiser zich op een vrijstelling kan beroepen.

##### 2.3.2.1. Sportinfrastructuur

Een jachthaven is geen «sportinfrastructuur» in de zin van artikel 44, § 2, 3 W.B.T.W. Uit niets blijkt immers dat eiser in het Mercatordok, tegen betaling van de betreffende liggelden meer aanbiedt dan een ankerplaats. Er kan wel aangenomen worden dat de beschikking hebben over een (veilige, goed toegankelijke enz.) ankerplaats een belangrijk, misschien zelfs noodzakelijk gegeven is om iemand toe te laten gebruik te maken van zijn pleziervaartuig. Toch bestaat in het voor anker liggen zelf niet het uitoefenen van de sport of ontspanning waarvoor men zich een pleziervaartuig aanschaft. Verweerder wijst er terecht op dat voor de wezenlijke uitoefening van de sport de haven eerst moet verlaten worden.

De vrijstelling van artikel 44, § 2, 3 W.B.T.W. is dan ook niet aan de orde.

##### 2.3.2.2. Verhuur van door hun aard onroerende goederen

Verweerder wijst er terecht op dat het niet in het B.T.W.-wetboek en evenmin in de B.T.W.-richtlijnen is dat de betekenis van «verhuur van uit hun aard onroerende goederen» moet worden nagegaan. Artikel 1709 B.W. luidt : *«Huur van goederen is een contract waarbij de ene partij zich verbindt om de andere het genot van een zaak te doen hebben gedurende een zekere tijd, en tegen een bepaalde prijs, die de laatstgenoemde zich verbindt te betalen.»*

Er bestaat geen discussie over dat de liggelden een prijs zijn die voor een bepaalde tijd geldt. De vraag is dan nog of de terbeschikkingstelling van een ligplaats, gelijk te stellen is met het genot verschaffen over een bepaalde zaak.

De rechtbank is van oordeel dat de ligplaats, ook al bevindt zij zich visueel op het water, in wezen de inname is van een ruimte boven de grond die dieper onder het water gesitueerd is. Als eiser over een welbepaalde ligplaats in het Mercatordok een gebruiksrecht kan aanbieden, dan is dat omdat hij eigenaar is van de grond eronder en hij tegelijk ook eigenaar is - overeenkomstig artikel 522 B.W. - van wat zich daarboven bevindt. Het water in het dok - hoezeer ook roerend uit zijn aard - is overeenkomstig artikel 517 B.W. trouwens onroerend door bestemming.

Doordat het een ligplaats betreft voor een voertuig, moet evenwel de eerste uitzondering op de vrijstelling van artikel 44, § 3, 2, a) W.B.T.W. worden in aanmerking genomen. De vrijstelling wegens verhuring van uit hun aard onroerende goederen geldt immers niet voor *«de terbeschikkingstelling van stalling voor rijtuigen»*. De Franse versie van die bepaling uit het B.T.W.-wetboek, leert immers dat aan het woord «rijtuig» niet uitsluitend de betekenis moet gegeven worden van een «voertuig dat rijdt». In het Frans luidt de uitzondering immers *«la mise à disposition d'emplacement pour véhicules»*. Onder het woord *«véhicule»* moet «voertuig» worden verstaan. Bij nader toezien blijkt de betreffende uitzondering de omzetting te zijn van de bepaling uit artikel 13, B, b), punt 2. uit de 6de Richtlijn. In het Nederlands wordt daar de uitzondering op de vrijstelling omschreven als *«verhuren van parkeerruimte voor voertuigen»*. In het Frans luidt de tekst *«les locations d'emplacement pour le stationnement des véhicules»*.

Uit de tekst van de richtlijn blijkt dus ten eerste te moeten afgeleid worden dat het Nederlandse woord «rijtuig» als «voertuig» moet worden begrepen.

Een vaartuig is een soort voertuig.

Ten tweede blijkt zelfs uit de bepaling van de 6de Richtlijn dat het niet de bedoeling is om verhuring van een plaats om er een voertuig te parkeren, vrij te stellen van de omzetbelasting. De rechtbank moet de B.T.W.-wetgeving richtlijn-conform uitleggen. Aldus is een verhuring van een ligplaats voor vaartuigen niet vrijgesteld van B.T.W.

Dat deel van de vordering van eiser is bijgevolg ongegrond.

#### 2.3.3. De B.T.W.-boete

Alle overige rechtsregels die eiser inroept onverlet latend, komt het op basis van het algemeen beginsel dat de rechtbank over de toepassing van de belastingwet oordeelt, aan de rechtbank toe, wanneer hem dat gevraagd wordt, om uitspraak te doen over de gepastheid van een administratieve boete.

Het Arbitragehof oordeelde in zijn arrest van 24 februari 1999 immers dat artikel 70 W.B.T.W. de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt wanneer het de rechter, bij wie een verzet tegen een dwangbevel aanhangig is, toestaat om de beslissing een fiscale geldboete op te leggen, een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen. De rechtsmacht van de rechtbank kan in dat verband niet betwist worden; de tekst van het tweede lid van artikel 84 W.B.T.W. werd overigens door de wet van 15 maart 1999 gewijzigd.

De rechtbank moet in elk geval deze grondwetsconforme interpretatie toepassen. Bijgevolg is het niet alleen mogelijk te toetsen of de boete in rechte en in feite verantwoord is en of de wettelijke bepalingen werden nageleefd. Bovendien is de rechtbank gerechtigd om de opportuniteit van de fiscale geldboeten te beoordelen.

Er werd door het Arbitragehof onder punt B.13 van het genoemde arrest immers gesteld dat, indien de wetgever van oordeel is dat een wettelijk voorziene sanctie door de administratie moet kunnen «gemoduleerd» worden, in dat geval niets van wat onder de beoordeling van de administratie valt, aan de controle van de rechter mag kunnen ontsnappen.

In het concrete geval is de boete, zoals ze door verweerder gevorderd werd in het bestreden dwangbevel, niet redelijk verantwoord. Immers blijkt dat verweerder voor het eerst in december 1999 als standpunt heeft ingenomen dat eiser de voorgaande jaren B.T.W. verschuldigd was op de betreffende liggelden. Verweerder voert weliswaar aan dat er tot 1993 een andere regeling gold voor de belastbaarstelling van «diensten» en/of dat er een administratieve toegeving gold. Toch neemt dat niet weg dat verweerder bij eiser het vertrouwen gewekt heeft dat er op dat punt geen probleem bestond. Eiser was immers al langer B.T.W.-plichtige en had op dat punt nooit een opmerking gekregen.

In de gegeven omstandigheden acht de rechtbank het niet opportuun om een boete op te leggen. Wat dat betreft kan het dwangbevel dan ook geen gevolg hebben.

Voor zover verweerder al tot inning van deze boete zou zijn overgegaan, moet zij door verweerder aan eiser terugbetaald worden.

## 3. De gerechtskosten

Eiser wordt voor het overgrote deel in het ongelijk gesteld. Hij moet negen tienden van de gerechtskosten dragen; verweerder moet één tiende van de gerechtskosten betalen.

## 4. Uitvoerbaarheid bij voorraad

De voorlopige tenuitvoerlegging heeft invloed op de eventuele terugbetaling van de boete en op de gerechtskosten.

Verweerder neemt hierover geen standpunt in. Hij beroept zich niet op een bijzondere toestand die (nog meer) uitstel van betaling (art. 1244 B.W. *jo.* 1333 Ger.Wb.) zou verantwoorden en stelt evenmin dat de rechtbank geen uitstel van tenuitvoerlegging zou kunnen verlenen zodat het principe van artikel 1333 Ger.Wb. geldt. De uitvoerbaarheid bij voorraad wordt daarom toegestaan.

De voorlopige tenuitvoerlegging kan niet afhankelijk gemaakt worden van het stellen van een zekerheid.

Voor de uitsluiting van het kantonnement ziet de rechtbank nochtans geen reden.

Eiser laat na te bewijzen dat hij een ernstig nadeel zou ondergaan wanneer, ingevolge het kantonnement, de regeling van de hem toekomende betaling zou vertraagd worden (art. 1406 Ger.Wb.).

### Beschikkend gedeelte

## IV. Uitspraak

De rechtbank doet uitspraak in eerste aanleg en op tegenspraak.

Om alle bovenstaande redenen verklaart de rechtbank de vordering ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

De rechtbank zegt daarom voor recht dat het dwangbevel dat op 22 december 1999 aan eiser betekend werd onder referte R.C.I.V. nr. 299/1216/11451, geen gevolg heeft en als onbestaande moet worden beschouwd in de mate dat het dwangbevel strekt tot betaling van de administratieve geldboete ten bedrage van 47.322,87 euro (1.909.000 frank).

De rechtbank veroordeelt verweerder tot terugbetaling van het bedrag dat door hem reeds zou geïnd zijn ten nadele van eiser ter dekking van de hoger genoemde administratieve boete, vermeerderd met de moratoire interest overeenkomstig artikel 91, § 4 W.B.T.W. en dit te rekenen vanaf de inning ervan tot op datum van volledige terugbetaling.

De rechtbank veroordeelt eiser tot het betalen van negen tienden en verweerder tot het betalen van één tiende van de gerechtskosten van deze procedure en stelt die kosten als volgt vast :

*aan de zijde van eiser :*

\- dagvaarding :

60,41 euro

\- rechtsplegingsvergoeding :

327,22 euro

*aan de zijde van verweerder :*

\- rechtsplegingsvergoeding :

327,22 euroDe rechtbank verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad, ongeacht welk rechtsmiddel er zou tegen worden ingesteld en zonder dat de voorlopige tenuitvoerlegging afhankelijk is van het stellen van een zekerheid.
