---
title: "Inzage strafdossier, zelfbetrokkenheid · Hof van beroep te Gent, 26 juni 2012"
description: "Inzage strafdossier, zelfbetrokkenheid, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete. Hof van beroep te Gent (België), 26 juni 2012."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/inzage-strafdossier-zelfbetrokkenheid-bewijs-controlemaatregel-hof-van-beroep-gent-2012-06-26-6620"
lang: "nl"
---

# Inzage strafdossier, zelfbetrokkenheid, bewijs, controlemaatregel, strafbepaling, administratieve geldboete · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

26 juni 2012

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

151 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 26.06.2012

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Hof van beroep te Gent, 5****de** **kamer**

Nr. **1999/AR/1407**

in de zaak van :

**DE BELGISCHE STAAT**, in de persoon van de Minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, op vervolging van de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, in de persoon van de BTW-Ontvanger van het BTW-Onvangkantoor te Oostende, wiens kantoren gevestigd zijn te 8400 OOSTENDE, Vrijhavenstraat 1,

**appellant,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **D. S. L.**, advocaat te …, …

**tegen :**

1\. **B. W.**, wonende te …, …, …,

2\. **V. H.**, wonende te … (…), …,

**geïntimeerden,**

ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. **M. L.**, advocaat te … (…), …

spreekt het Hof het volgend arrest uit :

## 1. De procedure

Bij verzoekschrift van 30 juni 1999 heeft de appellant hoger beroep ingesteld tegen het vonnis dat door de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, vijfde kamer, op 12 april 1999 werd uitgesproken. In het bestreden vonnis werd de vordering van de geïntimeerden ontvankelijk en gegrond verklaard en werd het dwangbevel dat op 10 juli 1996 ten nadele van de geïntimeerden werd uitgevaardigd vernietigd met veroordeling van de appellant tot het betalen van de gerechtskosten.

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis teniet te doen en van het hof te bekomen dat het de vordering, van de geïntimeerden afwijst. De appellant vraagt bovendien dat de geïntimeerden zouden veroordeeld worden tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

De geïntimeerden vorderen dat het hof de vordering in hoger beroep onontvankelijk en ongegrond zou verklaren en het bestreden vonnis zou bevestigen. Subsidiair vorderen zij de nietigheid van de administratieve sanctie .uit te spreken.

De geïntimeerden vragen ook dat het hof de appellant zou veroordelen tot het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen.

## 2. De feitelijke gegevens

De BBI heeft op 7 en 15 december 1992 vanwege de procureur­generaal bij het hof van beroep te Gent schriftelijke toestemming gekregen om inzage en afschrift te nemen van strafdossiers die waren opgesteld enerzijds ten laste van een zekere **A. W.** en anderzijds ten laste van een zekere **L. G.** en **R.** CV.

Omdat de BBI van oordeel was dat de geïntimeerden actief hadden deelgenomen aan een handel in (vervalste) schilderijen, voorwerp van de gerechtelijke onderzoeken waarvan sprake, heeft de BBI nader onderzoek gedaan naar de betrokkenheid van de geïntimeerden.

Op 8 juli 1996 werd van de gedane vaststellingen uit de strafdossiers en eigen onderzoek en van de conclusies uit die vaststellingen een proces-verbaal opgesteld. Er werd onder andere ·weergeven dat de geïntimeerden vennoot, respectievelijk zaakvoerder waren van de BVBA **A. & A.**, vennootschap die een groothandel en expositiezaal·in en voor·kunstvoorwerpen exploiteerde. Daarnaast was er ook sprake van een VZW **L.** met zetel op het adres van de eerste geïntimeerde.

Tevens werd weergegeven dat tijdens een huiszoeking door de politiediensten op het adres van de tweede geïntimeerde in de computer een computerbestand, genoemd "**L.**" werd teruggevonden, laatst gewijzigd op 30 juni 1991, bestaande uit een prijslijst van 68 kunstwerken voor een totale waarde van … frank (… euro).

Op 25 september 1995 heeft de BBI bij de geïntimeerden een plaats bezoek uitgevoerd en de verklaringen van de geïntimeerden genoteerd. De BBI noteerde dat geïntimeerden in de onmogelijkheid waren om enige aankoop- of verkoopfacturen, commissienota's, consignatienota's of enig ander document voor te leggen waaruit de herkomst of de bestemming van de ·schilderijen bleek. De BBI noteerde ook dat geen inventaris op datum van 31 december 1991 kon worden voorgelegd.

De BBI nam aan dat de belastbare handelingen, bestaande uit aan­ en verkoop van kunstwerken geacht werden in eigen naam te zijn gesteld, nu niet kon worden aangetoond dat de handel geschiedde voor rekening van de hoger genoemde vennootschappen of enige andere vennootschap. waarin ze eventueel betrokken waren.

Op 8 mei 1996 heeft de BBI de heer **L. V.**, die zich kennelijk met de boekhouding van de geïntimeerden bezig hield, aangeschreven met mededeling van de uittreksels uit het strafdossier en met de vraag om aan te tonen door de geïntimeerden *hoe alle vaststellingen en transacties waarvan sprake in de pro justitia's verwerkt werden in een boekhouding (VZW* ***L.****, BVBA* ***A. & A.****, of in een andere vennootschap of in. eigen naam). Het volgende werd verduidelijkt :*

*Concreet dienen facturen voorgelegd van aan- en verkopen van de kunstwerken, consignatienota's in verband met kunstwerken die toebehoorden aan derden, boekingen van aan- en verkoopprijzen in financiële dagboeken en/of BTW-dagontvangstenboek, gedetailleerde inventarissen van aanwezige kunstwerken op het einde van het boekjaar, en/of eventueel .andere boeken en/of boekhoudbescheiden die herkomst en bestemming aantonen van de kunstwerken waarover het hier gaat.*

*Tevens dient voor de jaren 1991, 1992, 1993 en 1994 zo gedetailleerd mogelijk het bedrag meegedeeld van de verkochte kunstvoorwerpen door de BVBA A****. & A.****.*

*Graag bekwam ik een antwoord· binnen de veertien dagen van dit schrijven*.

De enige stukken die blijkbaar werden binnengebracht zijn 7 verklaringen waaruit zou moeten blijken dat bepaalde kunstwerken die op de prijslijst staan, eigendom waren van de ondertekenaars en slechts in consignatie waren gegeven aan de eerste geïntimeerde ter gelegenheid van een reeks tentoonstellingen.

In het proces-verbaal van 8 juli 1996 heeft de controleagent daarover als. volgt standpunt ingenomen :

*De 'Verklaringen" die na de aanvang van de BTW-controle, door de heer* ***B.*** *aan ondergetekende werden voorgelegd zijn "gelegenheidsattesten', opgemaakt in functie van het BTW-nazicht zodat die bijgevolg niet als bewijskrachtig kunnen aangemerkt worden. Ze laten immers niet toe om na te gaan wie op datum van de huiszoeking door de BOB-Roeselare op 02/04/1991, eigenaar was van de desbetreffende kunstwerken.*

*Uit diverse pro justitia’s blijkt trouwens dat kunstwerken van namen van deze kunstenaars ook voorkomen op de lijst die als bijlage nr. 01 gevoegd is bij dit proces-verbaal, zodat de bewering van de heer* ***B.*** *dat alle werken in consignatie waren ongeloofwaardig lijkt*.

De volgende bedragen werden in het proces-verbaal verschuldigd verklaard :

\- … frank (… euro) BTW;

\- een geldboete gelijk aan het dubbele van de verschuldigde BTW;

\- de wettelijke interest op de BTW te rekenen vanaf 21 januari 1992.

Bij gebrek aan betaling werd op 10 juli 1996 overgegaan tot het uitvaardigen van een dwangbevel voor de volgende bedragen :

\- … frank (… euro) BTW;

\- … frank (… euro) geldboete;

\- de wettelijke interest op de BTW te rekenen vanaf 21 januari 1992.

\- de moratoire interest op de verschuldigd verklaarde geldboete en

\- de vervolgingskosten.

Het dwangbevel werd op 12 juli 1996 geviseerd en uitvoerbaar verklaard en vervolgens op 15 juli 1996 aan de geïntimeerden ter kennis gebracht.

Met een dagvaarding van 14 augustus 1996 stelden de geïntimeerden hun vordering in voor de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waarmee ze verzet deden tegen het dwangbevel en er de nietigheid van vorderden.

De vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge heeft in zijn vonnis van 12 april 1999 de vordering van de geïntimeerden gegrond verklaard zoals hoger vermeld.

Het is tegen dat vonnis dat de appellant hoger beroep heeft ingesteld.

## 3. De grieven en argumenten van de partijen

*3.1. Het standpunt van de appellant*

De appellant roept in dat hij het nodige bewijs kan leveren aan de hand van (de bijzondere bewijswaarde van) het proces-verbaal van 8 juli 1996. De vaststellingen die de BBI gedaan heeft door de inzage van de strafdossiers zouden genoteerd zijn in dat·proces-verbaal en, vermits voor de inzage geldige toelating was verleend, zou de belastingheffing gebaseerd zijn op bewijskrachtige gegevens.

De geïntimeerden zouden ten onrechte de voorlegging van het volledige strafdossier vragen. Hun rechten van verdediging zouden niet zijn geschonden. Wanneer er geen concrete en voldoende aanwijzingen zijn dat de BTW-administratie stukken of inlichtingen uit het strafdossier die ter ontlasting van de belastingplichtige zouden kunnen dienen, achterhoudt, zou de voorlegging van het volledige strafdossier niet vereist zijn. De uittreksels uit de pro justitia's die van belang waren om de betrokkenheid van de geïntimeerden in de handel in kunstwerken aan te tonen, zouden alle letterlijk in het proces-verbaal zijn overgenomen. De geïntimeerden zouden nooit hebben voorgehouden dat welbepaalde gegevens uit de strafdossiers hun betrokkenheid tegenspreken en zouden zelf al evenmin dergelijke stukken voorleggen.

De appellant stelt dat hij zich terecht op het vermoeden van artikel 64, § 1 W.BTW heeft beroepen. De vaststaande feiten zouden zijn :

• het terugvinden van de prijslijst bij de geïntimeerden;

• een prijslijst dient voor zaken die te koop zijn;

• uit de pro justitia's blijkt dat de geïntimeerden belastbare handelingen stelden, met name handel drijven (aan- en verkoop) in schilderijen en kunstwerken;

• uit geen enkel stuk blijkt dat die handel gedreven :werd voor rekening van enige vennootschap.

Aldus zou vaststaan dat de geïntimeerden handel dreven in kunstwerken en dat aan hen de kunstwerken vermeld op de prijslijst zijn geleverd, waardoor die kunstwerken met toepassing van het vermoeden van artikel 64, § 1 W.BTW terecht zouden zijn geacht door de geïntimeerden te zijn geleverd onder voorwaarden die de BTW opeisbaar maken. Van dan af zou het aan de geïntimeerden zijn om dat vermoeden met een tegenbewijs te weerleggen.

De appellant stelt zich ook terecht beroepen te hebben op artikel 65 W.BTW. Waar de geïntimeerden beweren dat zij de kunstwerken vermeld op de prijslijst in consignatie kregen, zouden zij falen in de bewijslast, voorzien in artikel 65 W.BTW, om aan de hand van commissienota's, consignatienota's of enig ander document de herkomst of de bestemming van de betrokken goederen aan te tonen. De verklaringen waarop de geïntimeerden zich beroepen, zouden nadien, namelijk na het plaats bezoek van de BBI, zijn opgemaakt en geen afdoende bewijs opleveren om het wettelijk vermoeden te weerleggen. De eerste rechter zou op onbegrijpelijke manier met die stukken hebben rekening gehouden, zelfs al erkent ze dat sommige ervan niet ondertekend en/of niet gedateerd zijn.

De eerste rechter zou ook ten onrechte aangenomen hebben dat geen rekening kon gehouden worden met de schilderijen die in de verklaringen van **L. G.** en **K. H.** werden genoemd, nu de schilderijen die **K. H.** verklaart in de galerij van de eerste geïntimeerde te hebben gezien, duidelijk op de prijslijst zouden zijn vermeld.

Wat de opgelegde geldboete betreft, stelt de appellant dat de rechtbanken slechts de wettelijkheid van de opgelegde sancties kunnen nagaan en nagaan of de sancties verzoenbaar zijn met de eisen van internationale verdragen, het intern recht en de algemene rechtsbeginselen. Bij het nagaan of de sancties evenredig zijn met de inbreuk zou in acht moeten worden genomen in welke mate het bestuur zelf gebonden was. Er zou op dat punt geen probleem zijn.

Waar de geïntimeerden een schending inroepen van de redelijke termijn, wijst de appellant er op dat hij zelf telkens diligent is opgetreden om de zaak vooruit te helpen maar dat het de geïntimeerden waren die telkens nalieten aan de afhandeling van de zaak verder te doen.

*3.2. Het standpunt van de geïntimeerden*

De geïntimeerden voeren aan dat het proces-verbaal slechts een lezing en overname van verklaringen van derden en henzelf uit een strafdossier en het bestaan van een prijslijst voorbrengt. De appellant zou gegevens overnemen die niet vaststaand, noch zeker zouden zijn; de appellant zou zich baseren op verklaringen·uit het strafdossier zonder enig. stuk uit dat strafdossier voor te brengen. Aldus zou het bewijs met vermoedens niet (behoorlijk) geleverd zijn.

De geïntimeerden wijzen erop dat van de schilderijen waarover verklaringen zijn afgelegd, geen enkel spoor is terug te vinden in de betreffende prijslijst. Vermits de volledige taxatie op die lijst is gebaseerd, zouden zij uitsluitend het tegenbewijs moeten leveren met betrekking tot de schilderijen die op die lijst voorkomen. De appellant zou daarbij voorbijgegaan zijn aan de verklaringen van derden, gedateerd en ondertekend, waaruit blijkt dat betreffende schilderijen nimmer het voorwerp hebben uitgemaakt van enige belastbare handeling en waar zelfs uit zou blijken dat die schilderijen al lang opnieuw ter beschikking zijn en in het bezit zijn van de respectieve eigenaars. Geen van de schilderijen zou trouwens bij de geïntimeerden zijn teruggevonden.

De geïntimeerden betwisten dat uit de gegevens van de strafdossiers waarop de appellant zich beroept, zou kunnen afgeleid worden dat de geïntimeerden de betreffende kunstwerken hebben verkocht of verhandeld. De appellant zou ook de boekhouding niet hebben onderzocht, terwijl uit het strafdossier wel blijkt dat er een boekhouding was.

De appellant zou ook vermoedens opstapelen met name door eerst op basis van de aangetroffen prijslijst te vermoeden dat de geïntimeerden kunstwerken verhandelden om er vervolgens het vermoeden op toe te passen dat die kunstwerken leverden onder voorwaarden waaronder de BTW opeisbaar wordt.

Volgens de geïntimeerden kan de lijst trouwens verschillende functies hebben (bijv. een inventaris, of voor een brandverzekering). Het zou dus niet vaststaan dat de lijst diende voor de verkoop van de erop vermelde kunstwerken, noch dat de kunstwerken effectief werden verkocht, noch dat de vermelde prijs behaald werd.

De geïntimeerden betwisten ook dat ze persoonlijk handel dreven. Ze benadrukken dat er zowel een BVBA was als een VZW waarin zij met kunst bezig waren. De VZW zou zelfs nooit verkocht hebben maar slechts exposities hebben ingericht met de mogelijkheid van verkoop door kunstenaars. De appellant zou niet bewijzen dat de geïntimeerden ten persoonlijke titel kunstwerken hebben aangekocht en de BTW ontdoken.

De geïntimeerden hekelen ook het feit dat de appellant het strafdossier niet voorlegt, ook niet de delen waarvan gebruik gemaakt wordt in het proces-verbaal. Zij beschouwen dit als een schending van hun rechten van de verdediging. Zelfs als de rechtspraak aanvaardt dat niet het volledige strafdossier wordt voorgebracht, zou dat nog niet toelaten om geen enkel stuk uit het strafdossier voor te brengen.

Subsidiair betwisten de geïntimeerden de opgelegde administratieve sanctie die volgens hen een strafrechtelijk karakter heeft.

Op basis van internationale beginselen zou het hof die sancties moeten kunnen beoordelen met volle rechtsmacht. Door het niet meedelen van het strafdossier zouden de rechten van de verdediging van de geïntimeerden ook mat betrekking tot de sanctie zijn geschonden, waardoor de sanctie nietig zou zijn.

De geïntimeerden zien ook een schending van het vermoeden van onschuld omdat de appellant al een boete oplegt alvorens enige rechtelijke tussenkomst.

Ten slotte zou ook de redelijke termijn zijn geschonden nu de feiten waarop de boete steunt al van 1991 dateren.

## 4. Beoordeling

*4.1. Het bewijs van de BTW-schuld*

4.1.1. Het proces-verbaal waarop het dwangbevel is gesteund bevat de vereiste weergaven van de vaststellingen door de verbalisant. Hij geeft daarin weer dat de nodige toestemming werd bekomen om het er in beschreven strafrechtelijk onderzoek in te zien en er kopie van te nemen (toestemmingen die trouwens in het dossier van de appellant steken). Waar die verbalisant citeert wat In die processen-verbaal staat, gaat het om vaststellingen: waarop hij zich kon steunen om gevolgtrekkingen uit af te leiden.

De bewijswaarde van dat proces-verbaal wordt niet verminderd doordat de appellant geen afschrift van het (volledige) strafdossier voorlegt. De geïntimeerden waren zelf betrokken bij het strafonderzoek en als zodanig in de mogelijkheid om er zelf inzage van te nemen en/of er een afschrift van te bekomen. Hun rechten van de verdediging zijn dan ook in dat opzicht niet geschonden.

4.1.2. Naast de vaststellingen die overgenomen werden uit het strafdossier, heeft de verbalisant ook zijn eigen vaststellingen, met name uit zijn bezoeken op de onderscheiden adressen van de geïntimeerden en uit zijn ondervragingen van de geïntimeerden, toegevoegd.

Het hof stelt vast dat in het proces-verbaal de volgende vaststaande relevante feiten voorkomen waarop de appellant een vermoeden kan vestigen :

• in de computerbestanden aangetroffen bij de geïntimeerden is een prijslijst gevonden, laatst gewijzigd op 30 juni 1991, met 68 kunstwerken onder de benaming **A. G. L.** met vermelding van het adres van de eerste geïntimeerde in …, waar zich een kunstgalerij bevindt; de totale som van de vermelde prijzen bedraagt … frank (… euro);

• op de beneden- en eerste verdieping van de galerij in … is een kantoorruimte en bevinden zich verder diverse kunstvoorwerpen, voornamelijk schilderijen aangetroffen waaronder de volgende die op de prijslijst staan en in het strafdossier vernoemd werden

\- 'bosnimf (naakte staande vrouw) van Marini (nr. 31; … BEF);

\- 'zomer' en 'herfst van Jef van Tuerenhout (nr. 56 op de lijst);

• ook op het adres van de tweede geïntimeerde in … werden kunstvoorwerpen aangetroffen die voor de verkoop bestemd waren;

• zowel de eerste geïntimeerde, de tweede geïntimeerde als de heer **L. G.** beschrijven hoe ze met elkaar samenwerkten voor het verhandelen van schilderijen, de eerste geïntimeerde verwijst minstens naar 1 schilderij in de prijslijst, nl. '…' (bij valavond) van Permeke (nr. 15 : … BEF); er wordt zonder tegenspraak bevestigd dat er schilderijen werden verkocht (terwijl er ook waren die niet zouden zijn verkocht); **G.** noemt ook de naam van Delvaux en Brusselmans waarvan ook werken voorkomen op de lijst; er werd met cheques gewerkt om de betalingen te tegelen;

• de eerste geïntimeerde verklaarde : dat alleen de werken afkomstig uit het buitenland door hem werden aangekocht; de andere werken zouden slechts In consignatie zijn gegeven ter verkoop; later erkende hij een litho van Paul Delvaux gekocht te hebben in … en dat ook de twee hoger genoemde etsen van Jef van Tuerenhout zijn eigendom waren;

• de tweede geïntimeerde beschrijft hoe de heer **G.** de geïntimeerden in 1991 hielp bij de aankoop van twee Permeke's;

• de heer **K.**, een klant, bevestigde 2 Permekes bij de eerste geïntimeerde gekocht te hebben; een Saverijs zou hij slechts 'in commissie voor de verkoop' hangen hebben;

• de twee geïntimeerden verklaarden dat de VZW **L.** werd opgericht met de bedoeling jonge … kunstenaars te promoten, maar dat het project na een tijd werd opgedoekt; de VZW heeft nooit belastbare BTW-activiteiten gehad en had geen boekhouding;

• de twee geïntimeerden verklaarden dat alle kunstwerken op de prijslijst eigendom waren van derden, behalve deze die zich bij de eerste geïntimeerde zouden bevonden hebben (nrs. 10, 14, 22, 23, 31 en 42 tot en met 67), deze die zich bij de tweede geïntimeerde zouden bevonden hebben (nrs. 5, 9, 11 en 24), twee beschadigde werken (nrs. 13 en 25) en het werk met nummer 21 dat op een Nederlandse veiling zou zijn ingehouden wegens valsheid; de eerste geïntimeerde zou het nodige doen om voor de overige werken aan te tonen dat ze aan derden toebehoorden;

• er waren geen consignatienota's voorhanden voor de werken, ook geen inventaris op datum van 31 december 1991, geen aan- en verkoopfacturen, geen commissienota's of andere documenten waaruit de herkomst of bestemming van de werken uit kon blijken;

• de VZW **L.** had geen BTW-registratienummer;

• de geïntimeerden hadden sedert 1987 een BVBA **A. & A.** met activiteit groothandel en expositiezaal in en voor kunstvoorwerpen, waarvan de eerste geïntimeerde vennoot was en de tweede geïntimeerde zaakvoerder;

• de geïntimeerden hebben na het verhoor door de BBI enkele verklaringen voorgelegd waaruit moest blijken dat een reeks werken uit de prijslijst aan derden toebehoorden en slechts aan de eerste geïntimeerde overgemaakt waren in consignatie.

4.1.3. De gedane vaststellingen leveren voldoende het bewijs dat de goederen die op de prijslijst vermeld staan, bij de geïntimeerden aanwezig waren om verkocht te kunnen worden. Waar de geïntimeerden inroepen dat de lijst ook een inventaris kon zijn of een document voor de verzekering, miskennen zij het feit dat de lijst uitdrukkelijk door hen zelf benoemd werd als een 'prijslijst'; dat bewijst dat het om een lijst van te koop gestelde werken ging.

4.1.4. Terecht heeft de controleagent in zijn proces-verbaal de bewering van de geïntimeerden dat het slechts om in consignatie gegeven goederen ging, niet aanvaard.

De gedane vaststellingen leveren. het bewijs dat er kunstvoorwerpen te koop werden aangeboden die de geïntimeerden zelf hadden aangekocht en dus hun eigendom waren.

De controleagent heeft ook terecht aangenomen dat de verklaringen waaruit moest blijken dat de erin opgesomde kunstwerken slechts in consignatie waren gegeven, geen betrouwbaar bewijs inhielden. De controleagent heeft in dat verband zich met reden beroepen op de wettelijke en reglementaire bepalingen, met name :

\- artikel 60 W.BTW met betrekking tot de verplichting om beroepsmatige documenten op te maken en te bewaren;

\- artikel 65 W.BTW met als tekst : *Op zicht gezonden of in consignatie gegeven goederen worden gericht door de geadresseerde of de consignataris te zijn gekocht, indien deze niet kan bewijzen dat hij ze onder zich houdt of ze aan de afzender of de consignant heeft teruggestuurd*.

\- artikel 5 KB nr. 1 van 23 juli 1969, met als tekst :

*Ingeval goederen op zicht of in consignatie worden gezonden, dient de belastingplichtige aan de geadresseerde of de consignataris, bij de verzending, een stuk uit te reiken waarop buiten de naam en het adres van de bij de handeling betrokken personen, de datum van verzending, de gewone benaming en de hoeveelheid van de verzonden goederen worden vermeld.*

*De factuur die de belastingplichtige dient uit te reiken aan de geadresseerde of de consignataris wanneer deze eigenaar wordt van de goederen af wanneer de goederen krachtens* [*artikel 15, § 2*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15)*, van het Wetboek, geacht warden aan de consignataris te zijn geleverd, moet verwijzen naar het in het volgende lid bedoelde stuk*.

Afgezien van de vaststelling dat bepaalde van de verklaringen geen of onvoldoende gegevens bevatten om de identiteit van de betrokkene te kunnen nagaan en er slechts 1 verklaring is die de beweerde consignaties situeert in de tijd (1991 ), bieden dergelijke verklaringen geen voldoende objectief bewijs van de eigendom van de betreffende derden op het moment van het opstellen van de aangetroffen prijslijst (laatst gewijzigd op 30 juni 1991). Voor de enige verklaring die verwijst naar een moment in de tijd, 1991, zijnde deze uitgaande van **F.** BVBA uit …, geldt dat deze als belastingplichtige op grond van het geciteerde artikel 5 KB nr. 1 van 23 juli 1969 de verplichting had om bij het in consignatie geven aan de geïntimeerden een stuk uit te reiken met de gegevens die in die wetsbepaling vermeld staan. Waar geen dergelijk stuk werd voorgelegd, en dus kennelijk niet werd opgesteld, is ook de verklaring van **F.** BVBA ongeloofwaardig.

Zelfs indien er sprake zou geweest zijn van consignatie, dan blijkt dat de geïntimeerden zelf benadrukken dat de kunstwerken bij de BTW­controle niet werden aangetroffen. In die omstandigheden geldt het vermoeden van het geciteerde artikel 65 W.BTW : bij gebrek aan bewijs dat de consignataris de goederen noch onder zich houdt of heeft teruggezonden, wordt hij vermoed ze te hebben gekocht.

4.1.5. De controleagent heeft verder terecht aangenomen dat de geïntimeerden in eigen naam in kunstvoorwerpen handelden; ondanks het bestaan van vennootschappen waarin ze een positie hadden, gebeurde de activiteit niet voor of namens die vennootschappen.

De geïntimeerden stellen dat de BVBA **A. & A.** een antiekzaak was; dat is geen handel In kunstwerken.

De VZW **L.** was volgens hun eigen verklaring niet langer actief. Waar die VZW tot doel had jonge kunstenaars te steunen, blijkt dat de kunstenaars op de 'prijslijst' daar niet onder vallen.

4.1.6. Bij gebrek aan eindinventaris op 31 december 1991 heeft de controleagent met reden het vermoeden van artikel 64 W.BTW toegepast, op grond waarvan geldt dat hij die goederen verkrijgt om ze te verkopen behoudens tegenbewijs geacht wordt de door hem verkregen goederen te hebben geleverd onder de voorwaarden waaronder de BTW opeisbaar wordt en de belasting verschuldigd geacht met interest vanaf 21 Januari 1992.

Er is geen sprake van opeenstapeling van vermoedens. Zoals al aangenomen, is het een vaststaand feit dat de kunstwerken op de 'prijslijst' goederen waren om te verkopen.

*4.2. Wat de boete (200 %) aangaat*

4.2.1. Om uit te maken of een administratieve sanctie inzake belastingen een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en 14 BUPO-verdrag moet nagegaan worden of ze zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft, een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt, niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen, stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk terzelfder tijd preventief en repressief is en of ze zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan. Indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven moet de administratieve sanctie inzake belastingen beschouwd worden als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen (vgl. Cass., A".Cass., 1999, 307). Aan al deze voorwaarden is hier voldaan. Er kan niet redelijk betwist worden dat de opgelegde boete - gelijk aan het dubbele van de belasting en nominaal voor … frank (… euro) wat een aanzienlijk bedrag is - een strafrechtelijk karakter heeft in de :zin van artikel 6 EVRM en artikel 14 BUPO-verdrag.

4.2.2. De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.BTW te toetsen, mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet aan de rechter in het bijzonder toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk. Bijgevolg moet de rechter onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hij mag hierbij inzonderheid acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar hij moet hierbij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie.

Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingschuldige om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen - zoals wel mogelijk is voor de administratie op basis van artikel 9 van het Regentsbesluit van 18 maart 1831 ([Cass. 21 januari 2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-sancties-repressief-karakter-wettelijkheid-cassatie-brussel-2005-01-21-fb70)).

De administratie moet geacht worden zelf over de mogelijkheid te beschikken om een lagere boete op te leggen dan wettelijk vooropgesteld. Dat werd trouwens bevestigd door de Minister van Financiën op 8 december 2003 in zijn antwoord op de parlementaire vraag van de heer L. Van Campenhout van 3 september 2003 (vraag nr. 26), waar de Minister het volgende laat noteren *(Ten slotte hebben de gewestelijke directeurs van de BTW ingevolge dezelfde beslissing en krachtens dezelfde wettelijke basis de bevoegdheid gekregen om, rekening houdend met de omstandigheden eigen aan elk individueel geval, de voormelde boeten op een beduidende manier verder te verminderen. in de gevallen waar zij de overtuiging hebben dat er ongelijkheden blijven in verhouding tot het doel van de sanctie en de beoogde herstelling. -Schriftelijke vragen en antwoorden, Kamer, 2003-2004 (QRVA 51/011), p. 101)*.

In zijn arrest van 15 mei 2008 heeft het Grondwettelijk Hof er in het algemeen aan herinnerd dat artikel 70 W.BTW niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, indien het in die zin wordt geïnterpreteerd dat het de rechter niet toestaat met volle rechtsmacht toezicht uit te oefenen op de administratieve beslissing tot weigering van de kwijtschelding of de vermindering van een fiscale geldboete en dat dit toezicht het de rechter moet mogelijk maken na te gaan of die beslissing in feite en in rechte verantwoord is en of zij alle wetsbepalingen en algemene beginselen naleeft die de administratie in acht moet nemen, waaronder het evenredigheidsbeginsel (randnr. B.6.2.).

De essentie is dat het hof de opgelegde sanctie kan toetsen aan het evenredigheidsbeginsel zonder evenwel een vermindering of kwijtschelding te kunnen toestaan op basis van loutere opportuniteitsoverwegingen.

Langs de weg van deze rechterlijke controle beschikt de belastingplichtige over een probaat middel om de beslissing van de administratie omtrent het opleggen van de sanctie met een strafrechtelijk karakter te evalueren en zo nodig ten gronde bij te stellen. Er is dan ook geen sprake van enige schending van het vermoeden van onschuld, nu het opleggen van de sanctie niet definitief is. Overigens biedt deze werkwijze voor de belastingplichtige het voordeel dat hij al van in de administratieve fase een concreet beeld heeft van wat hem, behoudens de eigenlijke belastingschuld, maximaal boven het hoofd hangt.

Het hof ziet hier geen enkele onevenredigheid tussen de concreet opgelegde sanctie - met zijn concrete gevolgen voor de geïntimeerden - en de aard en de ernst van de gepleegde inbreuken, dit in het licht van de bedoeling van de sanctie.

De geïntimeerden hebben. handel gedreven in kunstwerken zonder zich van hun verplichtingen ten aanzien van de BTW-wetgeving te kwijten. Niet alleen hielden zij geen of zeker geen behoorlijke boekhouding, maar zij begaven zich ook als speler op de markt zonder de belasting te betalen, wanneer zij niet alleen de Schatkist (en dus alle andere·belastingbetalers) benadeelden maar in het bijzonder ook hun concurrenten.

De geïntimeerden beroepen zich ten onrechte op een overschrijding van de redelijke termijn. Het hof verwijst naar de uiteenzetting door de appellant op de pagina 13 en bovenaan pagina 14 van zijn syntheseconclusie van 1 februari 2012 waar geïllustreerd wordt dat de vertraging in de afhandeling van de betwisting in hoofdzaak, zo niet uitsluitend bij de geïntimeerden zelf gelegen is.

Ook deze grieven zijn dus ongegrond.

## 5. De gerechtskosten

De geïntimeerden worden in het ongelijk gesteld en moeten daarom de gerechtskosten van de beide aanleggen dragen.

Wat het hoger beroep betreft geldt dat, overeenkomstig het eerste lid van artikel 1022 Ger.W., vervangen bij wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat, slechts de partij die in het gelijk gesteld wordt, recht heeft op een rechtsplegingsvergoeding. Voor de vaststelling van die rechtsplegingsvergoeding overeenkomstig artikel 1022 Ger.W., uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007, moeten, bij gebrek aan verzoek en redenen tot afwijking ervan, de basisbedragen gehanteerd worden.

Vermits de waarde van de vorderingen, bepaald zoals voorzien in de artikelen 557 tot 562 en artikel 618 Ger.W. zich in de schijf van· 60.000,01 tot 100.000,00 euro bevindt, is het basisbedrag van … euro toepasselijk.

### Beschikkend gedeelte

**OP DIE GRONDEN,**

**HET HOF,**

recht doende op tegenspraak;

gelet op artikel 24 van de Wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

gehoord in openbare terechtzitting de partijen in hun middelen en conclusies,

verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gegrond;

vernietigt het bestreden vonnis behalve waar het de vordering van de geïntimeerden ontvankelijk verklaarde;

doet opnieuw recht voor het overige;

verklaart de oorspronkelijke vordering van de geïntimeerden ongegrond;

veroordeelt de geïntimeerden tot, het betalen van de gerechtskosten van de beide aanleggen, vastgesteld als volgt :

\- aan de kant van de appellant :

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

\- aan de kant van de geïntimeerden :

• dagvaarding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

• rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, **vijfde kamer**, recht doende in fiscale zaken, op **ZESENTWINTIG JUNI TWEEDUIZEND EN TWAALF**.

Aanwezig de Heren :

**A. D. M.**, Kamervoorzitter, Voorzitter,

**G. T.** en **D. V.**, Raadsheren,

**M. V.**, griffier.

**M. V.** **D. V.** **G. T.** **A. D. M.**

## Aangehaalde teksten

1

[WBTW art. 15](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-15) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Overschrijding drempel IC-verwervingen, afstand van verlopen tijd van verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/overschrijding-drempel-ic-verwervingen-afstand-cassatie-all-cassation-2022-11-25-125b) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verkopen op afstand, Recht op teruggaaf, Verjaring, Neutraliteits-en doeltreffendheidsbeginsel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verkopen-afstand-recht-teruggaaf-verjaring-rechtbank-gent-2021-11-24-961d) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verkopen op afstand, Recht op teruggaaf, Verjaring, Neutraliteits-en doeltreffendheidsbeginsel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verkopen-afstand-recht-teruggaaf-verjaring-hof-van-beroep-gent-2023-05-02-ec95) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Zetel van economische activiteit, strafrechtelijk gewijsde, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zetel-economische-activiteit-strafrechtelijk-gewijsde-hof-van-beroep-gent-2024-01-09-351c) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verkopen op afstand, Inlichtingen uit het buitenland](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verkopen-afstand-inlichtingen-buitenland-verjaringstermijn-hof-van-beroep-brussel-2024-11-20-38f1) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Belasting over de toegevoegde waarde -Vrijstelling -Intracommunautaire levering, Afstandsverkoop](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-vrijstelling-intracommunautaire-rechtbank-antwerpen-2023-10-20-89bc) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vormvereisten dwangbevel, gezag van gewijsde, zetel van economische activiteit](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vormvereisten-dwangbevel-gezag-gewijsde-zetel-hof-van-beroep-gent-2023-06-20-aab9) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Valse facturen, fraude op de Btw-grondslag, factuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-valse-facturen-fraude-btw-rechtbank-2026-06-24-c1a3) 1 gemeenschappelijke bepalingen
