---
title: "Invordering, B.T.W.-tegoed · Hof van beroep te Gent, 21 december 2001"
description: "Invordering, B.T.W.-tegoed, Inhouding, Voorwaarden, Btw-tegoed. Hof van beroep te Gent (België), 21 december 2001."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/invordering-tegoed-inhouding-voorwaarden-btw-hof-van-beroep-gent-2001-12-21-dcef"
lang: "nl"
---

# Invordering, B.T.W.-tegoed, Inhouding, Voorwaarden, Btw-tegoed · Invordering,B.T.W.-tegoed,Inhouding,Voorwaarden

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Gent

**Datum**

21 december 2001

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

93 paragrafen

### Tekst van de beslissing

**ARREST G 01/1**

**Arrest van het Hof van Beroep te Gent dd. 21.12.2001**

**FJF 2002/268**

*Invordering - B.T.W.-tegoed - Inhouding - Voorwaarden*

Het hof oordeelt dat artikel 76 van het W.B.T.W. (dat verwijst naar art. 1445 Ger. W.) niet ongrondwettelijk is. Dit heeft tot gevolg dat zich eveneens een grondwetconforme uitlegging opdringt voor de bepalingen die werden genomen ter uitvoering van het artikel 76 van het W.B.T.W., met name [artikel 8/1, § 3 lid 4 e.v., K.B. nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a).

Het hof stelt met betrekking tot [artikel 8/1, § 3 van het K.B. nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a) vast :

\- *dat het vermoeden van spoedeisendheid, vervat in* [*art. 8/1 § 3, al. 4 K.B. nr. 4*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a) *moet worden begrepen als vermoeden juris tantum,*

\- *dat van het K.B. nr. 4, artikel 8/1, § 3 o.m. al. 4 en 10, in de mate dat het de rechterlijke controle omtrent het voldoen aan de voorwaarden van artikel 1415 van het Ger. W. zou uitsluiten, geen toepassing kan worden gemaakt, aangezien de desbetreffende bepalingen alsdan strijdig zijn met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel en met het evenredigheidscriterium.*

Wanneer aan de B.T.W.-plichtige schuldenaar de waarborgen van het gemeen recht worden gegarandeerd door een controle - zowel omtrent de rechtmatigheid van de inhouding geldend als bewarend beslag als omtrent haar regelmatigheid -, is principieel het verweer van de geïntimeerde, geput uit de ongrondwettelijkheid en onevenredigheid van de regeling in het K.B. nr. 4 enerzijds en de schending van artikel 6 van het E.V.R.M. anderzijds (in de mate dat deze bepaling toepassing mocht vinden in het fiscaal recht), weerlegd.

In casu werd de omvang van de vordering door de opstellers van het proces-verbaal berekend aan de hand van de door hen onregelmatig bevonden facturen. Het behoorde de belastingplichtige voor de beslagrechter de echtheid van de intracommunautaire leveringen, voorwerp van de facturaties, voldoende geloofwaardig te maken aan de hand van de contracten, bestelbons, vervoerdocumenten, betalingsbewijzen en eventuele andere bescheiden (overeenkomstig [art. 3 K.B. nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art3), voorwaarde voor vrijstelling van B.T.W.). Indien geen wettelijke reden voor vrijstelling (in casu, intercommunautair vervoer of verzending) is geloofwaardig gemaakt, blijft het bestaan van een B.T.W.-schuld, concreet begroot (derhalve «vaststaand» in de zin van art. 1415 Ger. W.), voldoende bewezen, ter fundering van een bewarend beslag.

Gelet op de omvang van de in het vooruitzicht gestelde belastingschuld, mag de hoogdringendheid aangenomen worden. De geïntimeerde die het vermoeden van hoogdringendheid dient om te keren, bewijst niet dermate begoed te zijn dat zij de schuldvordering (in hoofdsom, inclusief boeten en kosten), onverminderd interesten, kan delgen.

Kamervoorzitter : Mevr. De Cooman

Advocaten : Mr. Decordier, Mr. Sturtewagen

*de Belgische Staat*, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

tegen

D.B.W. N.V.

velt *het Hof* het volgend arrest :

In Ons tussenarrest van 22.05.2001 heeft het Hof de appellant uitgenodigd, ingevolge de voorafgaande conclusies van de geïntimeerde (tot dan zonder repliek gelaten door de appellant), verweer te voeren omtrent de vraag of de Belgische Staat - voor wat betreft de wettelijke regeling van de inhoudingen van voor teruggaaf vatbare B.T.W. - diende te handelen overeenkomstig artikel 27, 2 e.v. van de zesde B.T.W.-richtlijn en, zo nodig, of dit is geschied;

zo niet welke - steeds in de hypothese dat diende gehandeld overeenkomstig art. 27, 2 e.v. zesde B.T.W.-richtlijn - de gevolgen zijn van de miskenning.

---

De partijen werden opnieuw gehoord in hun middelen en conclusies;

de stukken werden andermaal ingezien, o.m. de stukken door de geïntimeerden gevoegd in hun dossier en de conclusies voor de appellant.

---

Het hoger beroep werd reeds gedeeltelijk afgewezen, bij arrest van 19.12.2000.

Wat betreft de middelen m.b.t. de overige inhoudingen, dient opgemerkt, wat volgt :

## 1. Art. 27 van de zesde B.T.W.-richtlijn

Art. 27 van de richtlijn nr. 6 (77/388/EEG) Raad 17 mei 1977) voorziet de mogelijkheid de lid-staat te machtigen *«bijzondere van de bepalingen van deze richtlijn afwijkende maatregelen te treffen teneinde de belastingheffing te vereenvoudigen of bepaalde vormen van belastingfraude of -ontwijking te voorkomen»*.

Terecht laat de appellant opmerken dat de «inhouding» een *maatregel* is *ter invordering van de belasting*, *in se* vreemd aan het *vereenvoudigen* van *belastingheffing* of het *voorkomen van belastingfraude of -ontwijking*;

derhalve is art. 27 van de zesde B.T.W.-richtlijn niet van toepassing op de «inhouding».

De rechtspraak door de geïntimeerde aangehaald, ter staving van haar stelling als dat art. 27 voormeld diende toegepast, is niet ter zake dienend.

Immers, het geschil berecht bij het arrest van het Hof van Justitie op 10.04.1984, betrof precies de maatstaf *(grondslag)* van heffing, *de facto* een *dermate ingrijpende* afwijking die - volgens de zienswijze van het Hof van Justitie - *niet te verantwoorden* is, als middel ter *voor*koming van *belastingontwijking/-fraude*.

2\. De grondwettelijkheid van art. 76 van het W.B.T.W. en art. 8.1 van het uitvoeringsbesluit nr. 4, noopt vooreerst tot het onderzoek van de draagwijdte van het arrest *d.d.* 07.07.1998 van het Arbitragehof.

Daarop volgend dient onderzocht of de regeling concordant is met [art. 18 van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-18) B.T.W.

Aansluitend dient nagegaan of de regeling strookt met de beginselen van het EVRM (art. 6).

2.1. Onbetwistbaar staat vast dat de overheid niet gelijk te stellen valt met de «gewone» burger en over adequate middelen moet beschikken om de belasting te innen, zonder dewelke haar opdracht (dienen van het openbaar belang) in het gedrang komt.

Noch in het internationale recht, noch in het nationale recht werden aan de overheid afwijkingen van het gemeen recht (ter zake door inhouding van voor teruggaaf vatbare B.T.W.-bedragen) voor inning van de belasting (en bewarende maatregelen daartoe) ontzegd;

conservatoire maatregelen teneinde een doelmatige bescherming van de rechten van de schatkist en een adequate inning van de belastingen te garanderen, zijn op zich niet te weren.

Terecht wordt - wat betreft de geldigheid van dergelijke afwijkende invorderingsmaatregelen/bewarende maatregelen - het *evenredigheidscriterium* gehanteerd;

anders gezegd : de bijzondere maatregelen waarover de belastingdiensten beschikken moeten een objectieve en redelijke verantwoording hebben, terwijl ze de rechterlijke opdracht niet mogen herleiden tot een loutere formaliteit.

Waar het Hof van Justitie (in zijn arrest van 18.12.1997) oordeelde dat de nationale maatregelen - inhouding van voor teruggaaf vatbare B.T.W.-bedragen, als bewarende maatregelen bij vermoeden van belastingfraude, in huidige zaak aan de orde - mogelijk blijven (overweging 41 en 44), komt het - steeds luidens het arrest van 18.12.1997 - aan de nationale rechter toe te oordelen *of de betrokken maatregelen en de toepassing daarvan door de bevoegde administratie evenredig zijn* (dispositief, alinea 2, lid 2) met de doelstelling en de beginselen van het gemeenschapsrecht.

Expliciet voegt het Hof van Justitie daaraan o.m. nog toe :

«bij een dergelijke beoordeling wordt» door de nationale rechter «geen rekening gehouden met de nationale bepalingen of een uitlegging daarvan, die in de weg staan aan een spoedeisendheid en de noodzaak van de inhouding van het voor teruggaaf vatbare B.T.W.-overschot» (overweging 64 en dispositief).

Het komt aan dit Hof toe zich naar de richtlijnen vervat in voormeld arrest, te conformeren, gelet op het ogenschijnlijk conflict van de inhouding overeenkomstig [art. 8/1 § 3, al. 4 van het K.B. nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a) met het gemeenschapsrecht ([art. 18, lid 4 van de zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-18) van de Raad van 17.05 1977).

2.2. De vraag of art. 76 W.B.T.W. grondwettelijk is, werd beantwoord in het arrest van het Arbitragehof, verleend op 07.07.1998 ( *B.S.* 29.09.1998).

Het Arbitragehof stelt in dit arrest de mogelijkheid vast tot dubbele interpretatie van de wettelijke norm, m.n. de uitlegging van art. 76 § 1 B.T.W.-wetboek, *al dan niet* de grondwet schendend.

Het arrest van 07.07.1998 van het Arbitragehof, laat desbetreffend geen twijfel en luidt letterlijk, onder IV In rechte, *Littera* A.1.1.

> «De interpretatie die de verwijzende rechter aan de wetskrachtige norm geeft of kan lijken te geven, is niet bindend voor het Hof, dat vrij is de voorkeur te geven aan een andere interpretatie, die meer in overeenstemming is met de Grondwet. Een eerste antwoord op de gestelde vraag zou moeten luiden dat artikel 76, § 1, van het B.T.W.-Wetboek, in die zin opgevat dat het de Koning niet toestaat afbreuk te doen aan het recht van iedere persoon om elke vordering tot betaling die door of tegen hem is geformuleerd en iedere inhouding of beslag waarvan hij het voorwerp uitmaakt, aan een daadwerkelijke rechterlijke controle te onderwerpen, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet schendt.»

Meer nog, het Arbitragehof voegt daaraan toe, onder A.1.2. :

> «Vermits het Hof evenwel niet in staat is aan de verwijzende rechter de interpretatie van een wetskrachtige norm op te leggen die *logischerwijze en vanuit juridisch oogpunt VOORRANG moet hebben*, moet het zich uitspreken over de grondwettigheid, ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, van artikel 76, § 1, van het B.T.W.-Wetboek, in zoverre dat artikel in die zin wordt opgevat dat het de Koning toestaat om, op het stuk van de B.T.W., wezenlijke afwijkingen van het gemeen recht van het beslag in te voeren die tot gevolg hebben dat afbreuk wordt gedaan aan het aan iedere persoon verleende recht om elke door of tegen hem geformuleerde vordering tot betaling en iedere inhouding of ieder beslag waarvan hij het voorwerp uitmaakt, aan een daadwerkelijke rechterlijke controle te onderwerpen.
>
> *In die interpretatie schendt de aan het Hof voorgelegde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet* om de volgende redenen.»

Het ligt voor de hand - gelet op wat vooraf gaat - art. 76 W.B.T.W. (dat ten andere verwijst naar art. 1445 Ger.W.) te interpreteren in die zin dat de norm *niet* ongrondwettelijk is.

Het voren gestelde impliceert meteen dat de bepalingen ter uitvoering van het art. 76 van de wet, met name [art. 8/1 § 3 lid 4 e.v. van het K.B. nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a) helemaal niet *moeten* worden begrepen in die zin dat elke rechterlijke controle onmogelijk is;

*a contrario*, een grondwetconforme uitlegging dringt zich op;

dit, terwijl door de rechter van dit deel van de gewraakte bepalingen dat de rechterlijke controle (art. 1413 en 1415 Ger.W.) zou uitsluiten, (desgevallend) abstractie zal moeten worden gemaakt, als strijdig met de grondwet.

Voormelde principes toegepast op art. 8/1 § 3, doen het Hof vast stellen :

\- dat het vermoeden van spoedeisendheid, vervat in alinea 4, moet worden begrepen als een vermoeden *iuris tantum*,

\- dat van het K.B. nr. 4, art. 8/1 § 3 o.m. al. 4 en 10, in de mate dat het de rechterlijke controle omtrent het voldoen aan de voorwaarden van art. 1415 Ger.W. zou uitsluiten, geen toepassing kan worden gemaakt, de desbetreffende bepalingen alsdan strijdig zijnde met het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel (zie arrest *d.d.* 07.07.1998 van het Arbitragehof) en met het evenredigheidscriterium (arrest Hof van Justitie van 18.12.1997).

Meteen volgt daaruit dat de beslagrechter - en na hem het Hof van Beroep - in het onderzoek naar de rechtmatigheid van de inhouding, zal nagaan of aan de vereisten, gesteld in art. 1415 Ger.W. is voldaan.

Bij gebreke aan zal de inhouding - geldend als bewarend beslag - onrechtmatig dienen verklaard.

Meteen, wanneer aan de B.T.W.-plichtige schuldenaar de waarborgen van gemeen recht worden gegarandeerd door een controle - zowel omtrent de rechtmatigheid van de inhouding geldend als bewarend beslag als omtrent de regelmatigheid -, is principieel het verweer van de geïntimeerde, geput uit de ongrondwettelijkheid en onevenredigheid van de regeling in het K.B. nr. 4 enerzijds en de schending van art. 6 EVRM anderzijds (in de mate dat deze bepaling toepassing mocht vinden in het fiscaal recht), weerlegd.

Het behoort - gelet op alles wat voorafgaat - de gegevens van deze zaak te toetsen aan de wettelijke vereisten voor het bewarend beslag.

### 3.1. De schuldvordering

Een onderzoek van de feitelijke gegevens in deze die aanleiding gaven tot het fiscaal onderzoek en het opstellen van het proces-verbaal van 20.05.1999, leert dat - *prima facie* - niet ten onrechte B.T.W. wordt ingevorderd vanwege de geïntimeerde.

Met het proces-verbaal van 20.05.1999 is voldoende schijn gecreëerd dat de geïntimeerde ernstige - bij herhaling gepleegde - tekortkomingen heeft begaan, van die aard en omvang dat ze wijzen op fraude :

\- de afwezigheid van enige vorm van boekhouding die controle mogelijk maakt,

\- facturen die ofwel niet genummerd zijn (binnenlandse leveringen) ofwel (wat betreft intracommunautaire bestemmelingen) niet doorlopend genummerd, één nummer soms gebruikt voor twee facturen en nummering aangebracht met de hand op voor het overige voorgedrukte facturen;

\- geen concordantie tussen de gegevens voor het gezondheidscertificaat (Ministerie van Landbouw) en de ter maatschappelijke zetel aangetroffen facturen : noch wat betreft bestemmelingen, noch wat betreft bedragen, noch wat betreft aantal dieren.

Er dient opgemerkt dat de geïntimeerde perfect de mogelijkheid heeft het proces-verbaal, grondslag voor de inhouding, te weerleggen.

[Art. 8/1, § 3 lid 7 van het K.B. nr. 4](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a) laat desbetreffend geen twijfel.

Door de feiten vastgesteld in het proces-verbaal van 20.05.1999 alhier compleet onbesproken te laten, zou de geïntimeerde mogelijk kunnen laten blijken daartegen geen verweer te kunnen voeren...

Tot op heden blijft de geïntimeerde - reeds door de administratie op 22.02.1999 daartoe uitgenodigd - in concreto in gebreke de vermoedens vertolkt in het P.V. van 20.05.1999 met betrekking tot de vastgestelde feiten - beweerde doch niet bewezen intracommunautaire leveringen aan derden, nader gepreciseerd in het P.V. - te weerleggen.

Het feit dat de schuldenaar de vordering administratief zou hebben betwist (geen gegevens desbetreffend liggen over) doet - op zich - geen afbreuk aan het voldoende zeker zijn van de schuldvordering, zoals vereist voor het bewarend beslag (art. 1415 Ger.W.).

De omvang van de vordering werd door de opstellers van het P.V. van 20.05.1999 berekend, aan de hand van de door hen onregelmatig bevonden facturen;

Het behoorde de geïntimeerde voor de beslagrechter (het Hof in hoger beroep) de echtheid van de intracommunautaire leveringen, voorwerp van de facturaties (begrepen in de listing vervalt in het P.V. van 20.05.1999), voldoende geloofwaardig te maken aan de hand van contracten, bestelbons, vervoerdocumenten, betalingsbewijzen en eventuele, andere bescheiden (overeenkomstig [art. 3 K.B. nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art3), *voorwaarde voor vrijstelling van B.T.W.*).

Het K.B. nr. 52 van 29.12.1992 met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen, stelt de vrijstelling bedoeld in art. 39 *bis* van het Wetboek afhankelijk van verzending of vervoer buiten België naar een ander land binnen de gemeenschap, terwijl de bestemmeling een belastingplichtige moet zijn of een niet-belastingplichtige rechtspersoon, voor de B.T.W. geïdentificeerd in een andere lidstaat.

Voor die intracommunautaire leveringen *dient de verkoper te voldoen aan* [*art. 3 van het K.B. nr. 52*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art3).

[Art. 3 al. 1 van het K.B. nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art3) luidt :

> «De verkoper *moet* te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; hij moet ze *op ieder verzoek* van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.»

Uit het proces-verbaal van 20.05.1999 volgt dat - blijkens haar boekhouding - de geïntimeerde over de gecontroleerde periode van 05.08.1998 tot 27.11.1998 bedragen factureerde ten belope van 85 488 344,- BEF, zonder de echtheid van de beweerde intracommunautaire leveringen (vervoer) te bewijzen, *overeenkomstig* [*art. 3*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art3) *voormeld*.

*Het voren gestelde impliceert dat uit hoofde van de gedane vaststellingen zowel op 04.06.1999 als hangende het verzet en tot bij de berechting ervan in deze instantie, er voldoende aanwijzingen zijn van het bestaan van een omvangrijke B.T.W.-schuld, door de bevoegde administratie bepaald op 5 129 301 BEF*.

Indien geen wettelijke reden voor vrijstelling (ter zaken, intercommunautair vervoer of verzending) is geloofwaardig gemaakt, blijft het bestaan van een B.T.W.-schuld, concreet begroot (derhalve «vaststaand» in de zin van art. 1415 Ger.W.) *voldoende bewezen*, ter fundering van een bewarend beslag.

Het is overbodig er op te wijzen dat de B.T.W. periodiek dient gekweten, derwijze dat de schuldvordering van de Belgische Staat ook *opeisbaar* was.

### 3.2. De hoogdringendheid

Gelet op de omvang van de in het vooruitzicht gestelde belastingschuld, ingevolge de vermoedens vervat in het P.V. van 20.05.1999,

mag de hoogdringendheid aangenomen worden;

de geïntimeerde die het vermoeden van hoogdringendheid dient om te keren, bewijst niet dermate begoed te zijn dat zij een schuldvordering (in hoofdsom, inclusief boeten, en kosten) van ruim 15 miljoen BEF, onverminderd intresten, kan delgen.

4\. Uit wat voorafgaat blijkt dat het verzet tegen de inhouding van 04.06.1999 en daaropvolgend van 02.09.1999, telkens gefundeerd op het P.V. van 20.05.1999, ongegrond was.

### Beschikkend gedeelte

*Op die gronden*,

*Het Hof*,

Verder recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van het art. 24 van de wet van 15.06 1935,

verklaart het hoger beroep gegrond, wat betreft de inhoudingen van 04.06.1999 en 02.09.1999;

doet de bestreden beslissing op deze punten teniet en opnieuw recht doende :

verklaart het verzet met betrekking tot de inhoudingen, op verzoek van de Belgische Staat (door het B.T.W.-Ontvangkantoor te Kortrijk 2), gedateerd van 04.06.1999 en 02.09.1999 lastens de geïntimeerde ongegrond;

verwijst de appellant in een derde van de kosten, de overige twee derden ten laste vallende van de geïntimeerde.

## Aangehaalde teksten

3

[KB nr. 4 art. 8/1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-4-artikel-b80a) 6 voorkomens

[KB nr. 52 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 5 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 18](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-18) 2 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Teruggaaf van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-rechtbank-leuven-2001-12-18-2f55) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek van belasting, teruggaaf van belasting, vervolging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-teruggaaf-vervolging-rechtbank-gent-2001-06-12-8019) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Teruggaaf van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-hof-van-beroep-gent-2001-12-04-999a) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewarend beslag](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewarend-beslag-hof-van-beroep-gent-2000-11-28-e55f) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Dwangbevel, Bijzondere rekening, Inhouding, inhouding van een Btw-belastingskrediet](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-bijzondere-rekening-inhouding-btw-cassatie-brussel-2021-04-30-284f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Valse facturen, factuur, valse factuur, fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/valse-facturen-factuur-fraude-rechtbank-luik-2019-12-16-60c7) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-2023-05-19-c61f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-formele-materiele-voorwaarden-rechtbank-bergen-2022-05-20-c627) 1 gemeenschappelijke bepalingen
