---
title: "6 februari 2012 · Invoering van de belasting, werkingssfeer · Rechtbank van eerste aanleg te Gent"
description: "Invoering van de belasting, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 6 februari 2012."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/invoering-belasting-werkingssfeer-dienst-belastbare-rechtbank-gent-2012-02-06-7d67"
lang: "nl"
---

# Invoering van de belasting, werkingssfeer, dienst, belastbare handeling, vrijstelling · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

6 februari 2012

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

150 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Gent d.d. 06.02.2012

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het vonnis**

### Tekst van de beslissing

## RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE GENT, ZESDE FISCALE KAMER - OPENBARE TERECHTZITTING VAN 06 FEBRUARI 2012

Rolnummer **07/17369/A**

In de zaak van :

**C. P.**, zelfstandig handelaar, wonende te …, … en met ondernemingsnummer …,

**eiser,**

voor wie optreedt mr. **A. D.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

**BELGISCHE STAAT**, FOD Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën met kantoren gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 12, Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, Controlecentrum Gent 1, Team 3622, met kantoren gevestigd te 9050 Gent (Ledeberg), Zuiderpoort - Office Park Blok B, Financiën, Gaston Crommenlaan 6/702,

**verweerder,**

voor wie optreedt mr. **C. P.**, advocaat te …, …,

Vonnist de rechtbank als volgt :

## 1. DE RECHTSPLEGING

De partijen werden gehoord in hun middelen op de openbare terechtzitting van 9 januari 2012 waarna de debatten gesloten werden en de zaak in beraad werd genomen. Het dossier van rechtspleging en de overtuigingsstukken werden ingezien, in het bijzonder het gedinginleidend verzoekschrift op tegenspraak van 8 mei 2007, de conclusies van de partijen en hun stukkenbundels.

## 2. DE VORDERING

Eiser verhaalt zich tegen het lastens hem op 4 december 2006 uitgevaardigde dwangbevel, uitgaande van de heer **R. T.**, E.a. inspecteur en de heer **R. G.**, adjunct fiscaal deskundige bij de Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, beiden ter beschikking gesteld van de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit (voornoemd).

Hij verzoekt deze rechtbank in hoofdorde het bedoelde dwangbevel te vernietigen en de erin opgenomen vordering van verweerder ongegrond te verklaren en verweerder dienvolgens te veroordelen tot terugbetaling aan eiser van een bedrag van 33.805,21 EUR aan BTW, interesten en boete. door eiser onder voorbehoud van alle recht betaald op 17 januari 2007.

In subsidiaire orde strekt de vordering van eiser ertoe het bedoelde proces­verbaal te vernietigen en de erin opgenomen vordering van verweerder gedeeltelijk gegrond te verklaren, in die zin dat verweerder alsdan moet worden veroordeeld tot de terugbetaling van een gedeelte van het bedrag van de BTW (hetzij 19.064,89 EUR), de interesten (3.560,38 EUR) en de volledige boete (2.610,00 EUR), door eiser onder voorbehoud van alle recht betaald op 17 januari 2007.

Tevens vordert eiser de veroordeling van verweerder tot de toekenning van de wettelijke interesten op de terug te betalen bedragen vanaf 1 februari 2007.

Betreffende de opgelegde boete strekt de vordering van eiser er tot slot toe het bedoelde proces-verbaal te vernietigen en voor recht te zeggen dat eiser recht heeft op de kwijtschelding, minstens de vermindering van de opgelegde boete ten bedrage van 2.510,00 EUR.

Tot slot vordert eiser de veroordeling van verweerder tot de kosten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding ten bedrage van 2.200,00 EUR.

## 3. DE RELEVANTE FEITEN EN HET GESCHIL

Eiser identificeert zichzelf als een groothandelaar in fijne vleeswaren, kaas en conserven.

In 2003 richtte eiser een nieuw bedrijfsgebouw op te … met een totale oppervlakte van 9832,58 m 2 (grondoppervlakte 884,68 m 2 en verdieping van 98 m 2), waarvan een gedeelte werd aangewend voor de eigen zelfstandige activiteit en een ander deel naar eigen zeggen ingevolge een "overeenkomst van terbeschikkingstelling" werd gebruikt door de BVBA **D. S.**, met aanvang op 15 december 2003. Deze overeenkomst zou door eiser voortijdig zijn opgezegd wegens wanbetaling, waarop zij met ingang van 1 juli 2005 een tweede, gelijkaardige overeenkomst zou hebben gesloten met de BVBA **W. R.**. De maatschappelijke activiteit van deze laatste vennootschap zou de uitvoering van pleisterwerken betreffen.

Concreet zou eiser aldus 260 m 2 magazijnruimte (gelijkvloers) en 98 m 2 bureelruimte (verdieping) ter beschikking stellen aan de voornoemde firma.

De inkom, wc en parkeerplaatsen die zich op het gelijkvloers situeren, zouden gemeenschappelijk worden gebruikt door eiser en deze vennootschap.

Voor de kost van terbeschikkingstelling wordt maandelijks gefactureerd aan de BVBA **W. R.**, met aanrekening van BTW. Tevens factureert eiser de kosten van gas, water en elektriciteit, overeenstemmend met de terbeschikkingstelling, door aan deze vennootschap.

Op 23 oktober 2006 werd voor de periode 2003-2004 een controle verricht van de boekhouding van eiser, gekoppeld aan een controle van diens bedrijfsgebouw.

Bij brief van 4 december 2006 werd aan eiser een kopie meegedeeld van het proces-verbaal van diezelfde datum, met opgave van een door eiser voor een bedrag van 26.170,57 EUR verschuldigde BTW, te vermeerderen met de interesten en een boete van 2.160,00 EUR.

Op 15 december 2006 deelde de gevolmachtigde van eiser mee dat deze zich niet kon vinden in de inhoud van het bedoelde proces-verbaal.

Verweerder liet zich evenwel niet overtuigen door de argumenten van eiser en zond daarop een bericht tot betalen voor een bedrag van 33.805,21 EUR, door eiser ontvangen op 18 december 2006.

Het gevorderde bedrag werd door eiser onder voorbehoud van alle recht betaald op 17 januari 2007.

Gezien de door eiser gevoerde betwisting, gaf verweerder op 19 januari 2007 instructie aan de heer **L.** om nogmaals ter plaatse te gaan om zich te vergewissen van de inrichting en het gebruik van het bedrijfsgebouw. Diens bevindingen werden gebundeld in een nieuw proces-verbaal, waarna verweerder in een brief van 9 februari 2007 de grieven van eiser poogde te weerleggen.

Bij brief van 2 maart 2007 uitte eiser andermaal zijn gebrek aan instemming met de vordering van verweerder.

Op 8 mei 2007 diende eiser vervolgens een tegensprekelijk verzoekschrift in, waardoor het geschil aan de beoordeling van deze rechtbank werd voorgelegd.

## 4. BEOORDELING

*4.1. Met betrekking tot de ontvankelijkheid*

Verweerder voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vorderingen kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt, is de vordering van eiser ontvankelijk.

*4.2. Met betrekking tot de grond van de zaak*

\- Voor wat betreft de kwalificatie van de terbeschikkingstelling als vrijgestelde onroerende verhuur.

4.2.1. Elke handeling die geen levering van een goed is in de zin van het W.BTW moet volgens eiser als een dienst worden beschouwd die principieel aan de BTW onderworpen is. De terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen zou daarbij uitdrukkelijk door artikel 18 W.BTW als een belastbare dienst worden aangehaald.

De negatieve definitie van het begrip "dienst" in het W.BTW houdt volgens eiser in dat inzake BTW de belastbaarheid de regel is en vrijstellingen als uitzondering hierop restrictief geïnterpreteerd moeten worden.

Aan de administratie zou het bewijs toekomen dat de door eiser verrichte handeling is vrijgesteld van BTW.

Conform de Europese regelgeving kan naar het oordeel van eiser slechts sprake zijn van een vrijgestelde verhuur van onroerende goederen wanneer cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan :

\- betaling van een vergoeding;

\- een overeengekomen tijdsduur;

\- een exclusief gebruik.

De gebruiker zou in dit geval alvast geen exclusief genot hebben over de bureelruimte, nu eiser hier eveneens toegang toe heeft. Eiser is naar eigen zeggen contractueel gemachtigd deze ruimte te bezoeken telkens wanneer hij dit nodig acht.

De bevindingen gebundeld in het proces-verbaal van de administratie van 4 december 2006 zouden geen bewijs van het tegendeel bevatten. Het opnemen van de verklaringen van de heer **B.** in dit proces-verbaal zou alvast niet voor gevolg hebben dat deze verklaringen ook automatisch als "waarheid" aanvaard moeten worden.

Wat de magazijnruimte betreft, wijst eiser er op dat verweerder zelf in het proces­verbaal van 4 december 2006 heeft erkend dat deze als bergruimte wordt gebruikt, wat volgens eiser impliceert dat deze alvast niet als een vrijgestelde onroerende verhuur kan worden beschouwd. De BVBA **W. R.** zou het gebouw hoofdzakelijk als opslagruimte gebruiken (260 m 2) en slechts ondergeschikt als kantoorruimte (98 m 2).

Met verwijzing naar het "Temco-arrest" van het Hof van Justitie d.d. 18 november 2004 betoogt eiser dat uit de lezing van de overeenkomst op zich reeds blijkt dat het essentiële voorwerp de terbeschikkingstelling van bergruimte betrof.

Eiser benadrukt dat in dit geval aan de BVBA **W. R.** een geheel aan diensten ter beschikking wordt gesteld, met name het gebruik van een kantoor en magazijn, parkeerplaatsen, WC, inkomhal, watervoorziening, gas en elektriciteit. Wat de nutsvoorzieningen betreft, merkt eiser op dat het gebouw over slechts één aansluiting en één teller beschikt.

In dit geval zou dus geen sprake zijn van een passieve verhuur maar van een actieve terbeschikkingstelling, met als belangrijkste dienst het verlenen van opbergruimte.

Het feit dat er ook een bureelruimte aan de gebruiker wordt aangeboden, volstaat voor eiser niet om te besluiten tot een vrijgestelde huur. Verweerder zou dan ook van een te restrictieve opvatting uitgaan door het bestaan van de belastbare terbeschikkingstelling te koppelen aan de voorwaarde dat de ruimte uitsluitend als bergruimte wordt gebruikt, met hooguit een beperkte bijkomende ruimte die dienst doet voor het louter beheer van de opslag.

In geval van gemengd gebruik, moet men zich richten tot de hoofdbestemming, aldus eiser.

De opvatting van verweerder zou bovendien als arbitrair te verwerpen zijn waar zij de belastbare terbeschikkingstelling als bergruimte wel aanneemt voor zover het "kantoorgedeelte" zich in de bergruimte zelf bevindt en niet meer bedraagt dan 10 % van de totale oppervlakte van het gebouw.

Ondergeschikt poneert eiser dat minstens de terbeschikkingstelling van het magazijn van 260 m 2 beantwoordt aan de belastbare handeling van terbeschikkingstelling van bergruimte. Deze ruimte zou uitsluitend voor de opslag van goederen worden gebruikt.

Nu dit magazijn duidelijk individualiseerbaar is ten opzichte van de rest van het gebouw, zou men de aftrek van de BTW voor dit gedeelte dus niet kunnen verwerpen vanuit de redenering dat het om één economische handeling gaat (zoals verweerder stelt).

Artikel 18, § 1, tweede lid, 9° W.BTW zou er zich overigens niet tegen verzetten dat aan de gebruiker van de opslagruimte tegelijk ook een andere ruimte ter beschikking wordt gesteld.

4.2.2. Verweerder geeft in zijn conclusie een uitgebreid overzicht van de diverse feitelijke vaststellingen, gebundeld in de twee processen-verbaal.

Wat de restrictieve interpretatie van vrijstellingen betreft, wijst verweerder er vooreerst op dat deze regel niet voor gevolg kan hebben dat de bewoordingen van dergelijke vrijstellingen aldus worden uitgelegd dat zij geen enkel effect meer sorteren.

Wat de analyse van de Europese rechtspraak betreft en de drie daaruit door eiser gedestilleerde voorwaarden om te besluiten tot een vrijgestelde verhuur van onroerende goederen, is verweerder het in beginsel eens.

De vaststellingen uit de processen-verbaal van de administratie zouden er geen twijfel over laten bestaan dat de BVBA **W. R.** over het exclusief genot van de ter beschikking gestelde ruimtes beschikt.

Opdat een overeenkomst kan worden gekwalificeerd als een terbeschikkingstelling van bergruimte, zo oordeelt verweerder, dient het essentiële voorwerp hiervan het recht in te houden om goederen op te slaan. In feite zou men dus moeten uitmaken of de huurder enkel bergruimte huurt voor de eenvoudige opslag van goederen, dan wel in het geheel of een gedeelte van die ruimtes een activiteit ontplooit die verder gaat dan deze van de strikte opslag van goederen.

Voor het administratieve standpunt ter zake wordt verwezen naar de beslissing nr. ET 84.364 van 29 september 1995. Hieruit moet volgens verweerder worden afgeleid dat de terbeschikkingstelling van een bergruimte vrijgesteld is van BTW indien deze nauw verbonden is met een vrijgestelde huurovereenkomst betreffende een voor een ander gebruik bestemd goed, zodanig dat de beide verhuringen economisch één handeling uitmaken. Dit standpunt zou mede gebaseerd zijn op de rechtspraak van het Hof van Justitie.

De administratie zou weliswaar aanvaarden dat de vrijstelling niet geldt als in de bergruimte zelf een kantoor of plaats voorzien is voor het beheer van de goederen, voor zover deze oppervlakte niet meer bedraagt dan 10 % van de totale oppervlakte van het gebouw.

Een hoofdzakelijke bestemming voor de opslag van goederen is volgens verweerder niet correct nu het gebouw tevens wordt gebruikt voor de exploitatie van de onderneming, haar maatschappelijke zetel, boekhouding, opvolging van werven, maatschappelijke vergaderingen en zelfs de zetel en maatschappelijke vergaderingen van de zustervennootschap. Het opslaan van de goederen is volgens verweerder geen doel op zich maar slechts één van de elementen.

De overeenkomsten tussen eiser en de BVBA **W. R.** zouden tevens een aantal bepalingen bevatten die in de visie van verweerder manifest in strijd zijn met de loutere terbeschikkingstelling.

Bovendien, zo stelt verweerder, betreft het kantoor in dit geval een afgezonderde ruimte, welke niet wordt gebruikt door personen belast met het beheer van goederen en bovendien een oppervlakte bestrijkt van meer dan de bedoelde 10 %.

Voor de goede orde merkt verweerder nog op dat het louter door factureren van nutsvoorzieningen nooit aangemerkt kan worden als een geheel van diensten. Het betreft volgens verweerder immers geen eigen prestatie van eiser maar een eenvoudig doorrekenen van bepaalde kosten.

Verweerder betwist tevens dat de door hem gehanteerde "10 %-regel" volstrekt arbitrair zou zijn. Het betreft volgens verweerder een administratieve tolerantie die op concrete en objectief verantwoorde grondslagen berust.

Tot slot verzet verweerder zich ertegen dat de terbeschikkingstelling slechts voor een deel als vrijgestelde verhuur zou kunnen worden aanvaard. Volgens verweerder kan in dit geval geen onderscheid of splitsing worden gemaakt. nu het om één economische handeling gaat.

4.2.3. Op grond van artikel 2 W.BTW is de belasting principieel verschuldigd op de leveringen van goederen en de diensten die door een als dusdanig handelende belastingplichtige ten bezwarende titel worden verricht.

Elke handeling die geen levering is van een goed in de zin van het W.BTW moet in beginsel worden beschouwd als een belastbare dienst (artikel 18, § 1, lid 1 W.BTW). Het W.BTW voorziet met artikel 18, § 1, 9° tevens in een specifieke bepaling waarin de overeenkomst strekkende tot de terbeschikkingstelling van bergruimte voor het opslaan van goederen wordt aangemerkt als een dergelijke dienst.

Overeenkomsten tot verhuur van onroerende goederen genieten dan weer krachtens artikel 44, § 3, 2°, a W.BTW van de vrijstelling van BTW.

In het door de beide partijen meermaals aangehaalde arrest Temco van het Hof van Justitie van 18 november 2004 oordeelde het Hof dat [artikel 13, B, sub b, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 aldus moet worden uitgelegd dat transacties waarbij een vennootschap door middel van verschillende overeenkomsten tegelijkertijd aan verschillende met haar verbonden vennootschappen een precair gebruiksrecht op hetzelfde gebouw verleent tegen betaling van een vergoeding die voornamelijk op basis van de gebruikte oppervlakte wordt vastgesteld, een vrijgestelde "verhuur van onroerende goederen" in de zin van deze bepaling vormen, wanneer deze overeenkomsten, zoals zij worden uitgevoerd, in hoofdzaak de passieve terbeschikkingstelling inhouden van ruimtes of oppervlakten in gebouwen, tegen een vergoeding die verband houdt met het tijdsverloop, en niet het verrichten van een dienst die voor een andere kwalificatie in aanmerking komt (cf. H.v.J. (1e k.) nr. [C-284/03](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-284-03-arrest), 18 november 2004 (TemcoEurope)

4.2.5. Door eiser wordt alvast niet betwist dat, in tegenstelling tot wat de tekst van de overeenkomst zelf voorziet in artikel 7, de zogenaamd "ter beschikking gestelde ruimte" voor veel meer doeleinden wordt ingeschakeld dan de loutere opslag van de vermelde goederen. Eiser erkent in die zin volmondig op de eerste verdieping een bureelruimte te gebruiken en verder ook het genot te hebben van de gemeenschappelijk gebruikte inkomhal, parkings en toilet.

Op dit punt blijkt de realiteit dus alvast niet in overeenstemming met de contractuele bepalingen, zoals de partijen deze op schrift hebben gesteld.

Het plan van het gebouw, door verweerder gevoegd als zijn stuk nr. 8, illustreert dat het magazijn, gebruikt door de BVBA **W. R.**, een afgesloten ruimte betreft die enkel toegankelijk is via een sectionaalpoort aan de linkerzijde van het gebouw. Dit werd tevens de *visu* vastgesteld door de ambtenaren van verweerder ter gelegenheid van de controle uitgevoerd op 23 oktober 2006.

Het wordt door eiser niet betwist dat deze ruimte enkel toegankelijk is voor de BVBA **W. R.**. die daartoe over de nodige sleutels beschikt, waarmee naar het oordeel van deze rechtbank alvast voldaan is aan de vereiste van een exclusief gebruik.

De lezing van de conclusies voor eiser verduidelijkt ter zake overigens dat in wezen enkel het beweerde exclusieve gebruik van de bureelruimte wordt betwist.

Ook wat deze bureelruimte betreft, is het gebruik door de BVBA **W. R.** evenwel als exclusief te omschrijven. Het doorslaggevende bewijs hiervan vindt de rechtbank terug onder de volgende vaststellingen van de administratie op 23 oktober 2006 :

*"(...)*

*dat deze burelen effectief als dusdanig worden gebruikt.*

*Dit werd vastgesteld op maandag 23/10/2006 ter gelegenheid van het bezoek door de controlerende ambtenaren aan het pand gelegen te …, …* ***waarbij door de heer C. aan de persoon aanwezig in de burelen toelating werd gevraagd om dit te bezichtigen****.*

*(...)"* (stuk nr. 3 verweerder, eigen markering van de rechtbank).

Het theoretische debat dat door de beide partijen wordt gewijd aan het artikel 20 van de overeenkomst ("RECHT OP BEZOEK"), - met name de vraag of dit gelezen moet worden als een toelating voor eiser om deze burelen naar goeddunken te betreden -, verliest in het licht van deze vaststelling elke relevantie. Ongeacht wat de partijen hierover al dan niet bedongen hebben bij het opstellen van de overeenkomst: in de praktijk blijkt duidelijk dat eiser deze burelen slechts betreedt wanneer hem daartoe vooraf de toestemming wordt gegeven. Door eiser wordt als dusdanig niet betwist dat de door de administratie genoteerde vraag om toelating wel degelijk door hem werd gesteld. De eigen vaststellingen van de controleambtenaren worden overigens geacht met de waarheid overeen te stemmen tot bewijs van het tegendeel.

De rechtbank kan uit het bovenstaande enkel afleiden dat de BVBA **W. R.** niet alleen het exclusief genot heeft van de magazijnruimte op het gelijkvloers maar tevens van de haar toegewezen bureelruimte op het verdiep. Dit werd ten andere ook door de zaakvoerder van de BVBA **W. R.** met zoveel woorden bevestigd naar aanleiding van het controlebezoek (stuk nr. 5 verweerder). Rekening houdend met de overige gegevens van het dossier, ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan het waarheidsgehalte van diens verklaring.

4.2.6. Andere materiële vaststellingen van de controleambtenaren, waaraan een bijzondere bewijswaarde kleeft en die voor deze rechtbank van belang zijn, betreffen (stuk nr. 5 verweerder) :

\- aan de straatzijde van de parking werd een uithangbord geplaatst met verwijzing naar enerzijds de BVBA **W. R.** en anderzijds eiser en **G.**;

\- de toegangsdeur aan de straatzijde is voorzien van een dubbele deurbel, waarvan één op naam van de BVBA **W. R.** en de andere op naam van eiser;

\- het door de BVBA **W. R.** op de eerste verdieping gebruikte kantoor was ook als dusdanig ingericht, inclusief dossierkasten, enkele burelen en computers;

\- een gedeelte van de ruimte was met een eenvoudige wand afgesloten van de kantoorruimte om dienst te doen als bureau voor de zaakvoerder;

\- in de andere ruimte was een dame werkzaam aan een bureel.

Verder wordt door eiser niet betwist dat :

\- de BVBA **W. R.** reeds op 28 juni 2005, hetzij amper enkele dagen voor haar intrek in het pand, de maatschappelijke zetel op dit adres liet onderbrengen;

\- de volledige boekhouding van de BVBA **W. R.** zich in het pand te … bevindt;

\- alle overige vennootschapsrechtelijke activiteiten in hetzelfde pand plaatsvinden (o.a. algemene administratie en facturatie, voorraadbeheer, (bestuurs)vergaderingen, ...) ;

\- de zustervennootschap van de BVBA **W. R.** intussen haar maatschappelijke zetel naar hetzelfde adres heeft verplaatst.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de administratie uit het geheel van de bovenstaande gegevens terecht afgeleid dat de overeenkomst in essentie tot voorwerp heeft de BVBA **W. R.** de nodige ruimtes te verschaffen voor de globale exploitatie van haar maatschappelijke activiteiten in de meest ruime zin van het woord.

Ten onrechte poogt eiser de bepaling van het hoofddoel van de overeenkomst te koppelen aan een eenvoudige vergelijking tussen de omvang van de respectievelijke lokalen. Dergelijke visie is weinig realistisch daar het nu eenmaal eigen is aan de opslag van goederen dat deze doorgaans veel ruimte in beslag neemt. Dit is niet het geval voor het administratieve luik van de bedrijfsuitoefening, waarvoor in vele gevallen slechts een kleine kantoorruimte al volstaat.

Het is in die zin al even kunstmatig de opslag van goederen als het hoofddoel te bestempelen en het benutten van een kantoorruimte als een louter accessorium. De feiten uit het dossier tonen duidelijk aan dat de BVBA **W. R.** in essentie nood had aan een thuisbasis van waaruit zij haar activiteiten als vennootschap zou ontwikkelen. Deze activiteiten veronderstellen evident meer dan het louter opslaan van de eigen voorraad goederen en werkingsmiddelen en kan dus ook niet tot deze opslag worden verengd. Het gelijktijdig gebruik van een magazijnruimte en kantoren op éénzelfde adres kan dan ook niet van elkaar losgekoppeld worden nu het samengaan van de beide precies de essentie van een normale en gezonde bedrijfsvoering inhoudt. Ook in die zin heeft de administratie het dus bij het rechte eind waar zij er voor pleit de overeenkomst, met de daarin bedoelde ruimtes, als één economisch geheel te benaderen.

Ter zake is dan ook geen onderscheid te maken tussen een hoofddienst en een bijkomende dienst, in de zin van een ondergeschikt verband tussen de beide ruimten.

Het bovenstaande leidt meteen tot het besluit dat eiser geen aanspraak kan maken op de toepassing van artikel 18, § 1, 9° W.BTW nu de ter beschikking gestelde ruimtes tot veel meer dienen dan het gebruik als bergruimte voor de opslag van goederen. In deze ruimtes zijn alle activiteiten van de BVBA **W. R.** geconcentreerd, dit zowel op vennootschapsrechtelijk, administratief als commercieel vlak. Het verschaffen van de nodige ruimte daartoe is het essentiële voorwerp van de overeenkomst, niet de terbeschikkingstelling van opslagruimte.

Verweerder getuigt op dit vlak geenszins van een te restrictieve opvatting, aldus de rechtbank. Het volgt integendeel uit de tekst van de wet zelf dat de ter beschikking gestelde ruimte voor geen andere doeleinden dan de opslag van goederen mag worden gebruikt.

Tegelijk blijkt hieruit dat de administratie niet alleen de interne wetgeving maar ook de principes van het Temco-arrest wel degelijk correct toepast : het gebruik van de ruimte, gezien in zijn globaliteit, omvat immers veel meer dan de gewone opslag van goederen, wat door de administratie terecht werd opgemerkt.

In het voorliggende geval kan evenmin toepassing wordt gemaakt van de door de administratie gehanteerde tolerantie in geval van gebruik van een kleine bijruimte voor het beheer van goederen. In dit geval gaat het om een volwaardige administratie, gevoerd vanuit een ander lokaal, waarvan de omvang bovendien groter is dan 10 % van de oppervlakte van het gebouw.

Precies omdat de verhuur van het magazijn en de bureelruimte onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn als onderdeel van hetzelfde doel (het beschikken over een centrum voor de eigen activiteiten als vennootschap), kan eiser evenmin gevolgd worden in zijn betoog om minstens de terbeschikkingstelling van de magazijnruimte als een belastbare handeling te aanvaarden. Het is niet omdat de administratie overwoog dat voor deze ruimte "op zich" weliswaar voldaan is aan de vereisten van artikel 44, § 3, 2° W.BTW nu precies uit het geheel van de omstandigheden blijkt dat burelen en magazijn, als onderdelen van éénzelfde complex en door één eigenaar aan één en dezelfde vennootschap verhuurd, als een totaalpakket benaderd moeten worden. Het is dan ook niet omdat het magazijn als lokaal op zich in de ruimte is afgescheiden van het bureelgedeelte, dat dit ook in termen van de globale opzet van de overeenkomst kan worden afgezonderd als een individualiseerbaar element, dat geheel op zichzelf kan bestaan.

Samengevat is ook deze rechtbank van oordeel dat alle voorwaarden voor onroerende verhuur verschuldigd zijn.

\- Voor wat de opgelegde boete betreft

4.2.7. Eiser is van oordeel dat in dit geval mutatis mutandis toepassing dient te worden gemaakt van de regel inzake inkomstenbelastingen, luidens dewelke bij betwistingen van principiële aard geen enkele verhoging kan worden opgelegd, zelfs niet van 10 %.

Wat de boete betreft, beschikt de rechter volgens eiser over de mogelijkheid om een controle met volle rechtsmacht uit te oefenen.

4.2.8. Verweerder stelt hier tegenover dat de bedoelde boete van rechtswege verschuldigd is, krachtens de wet, en dit ongeacht de goede trouw, feitelijke vergissing of rechtsdwaling van de overtreder.

De opgelegde geldboete zou in dit geval volkomen in overeenstemming zijn met de wet, zonder dat de eventuele principiële aard van de discussie hieraan afbreuk zou doen.

Er zou evenmin enige andere reden of grond voorhanden zijn voor een vermindering of kwijtschelding van de boete.

4.2.9. De aan eiser opgelegde geldboete betreft een toepassing van artikel 70, § 1bis W.BTW, met dien verstande dat de boete werd verminderd conform [artikel 1 van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987, resulterend in een vermindering tot 10 % volgens tabel H van de bijlage bij dit besluit.

Het Koninklijk Besluit nr. 41 van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde, bepaalt een schaal van vermindering, die rekening houdt met het karakter van de begane onregelmatigheid, zoals onder meer die ten gevolge van de onwetendheid, de vergissing of de onzorgvuldigheid.

Teneinde na te gaan of de opgelegde boete in wezen een strafsanctie is in de zin van artikel 6 EVRM en 14 BUPO-verdrag, dient toepassing te worden gemaakt van de criteria, aangereikt door de rechtspraak van het Hof van Cassatie (cf. Cass. (2e k.) AR P.99.0517.N, 25 mei 1999 (Laroy), *Arr. Cass.* 1999, 719).

Bijgevolg dient de rechtbank te onderzoeken of de boete :

1\. zonder onderscheid elke belastingplichtige en niet slechts een bepaalde groep met een particulier statuut betreft;

2\. een bepaald gedrag voorschrijft en op de naleving ervan een sanctie stelt;

3\. niet alleen maar een vergoeding in geld van een schade betreft, maar essentieel ertoe strekt te straffen om de herhaling van gelijkaardige handelingen te voorkomen;

4\. stoelt op een norm met een algemeen karakter, waarvan het oogmerk tezelfdertijd preventief en repressief is;

5\. zeer zwaar is gelet op het bedrag ervan.

Indien na afweging van al deze elementen blijkt dat de strafrechtelijke aspecten de doorslag geven, moet de administratieve sanctie inzake belasting bijgevolg als een strafsanctie in de zin van de vermelde verdragsbepalingen worden beschouwd.

Na afweging van al deze elementen komt de rechtbank tot het besluit dat de administratieve sanctie van 2.610,00 EUR in dit geval inderdaad strafrechtelijk van aard is. Deze boete is tegelijk gericht op het bestraffen van eiser voor de gepleegde inbreuk en het ertoe aanzetten van eiser om zich in de toekomst van dergelijk gedrag te onthouden. Bovendien is het bedrag van de boete ook vanuit pecuniair oogpunt als een zwaarwichtige sanctie te beschouwen.

Deze administratieve boete kan worden aangevochten bij een rechter die oordeelt met volle rechtsmacht. De rechter aan wie een administratieve sanctie met strafkarakter wordt voorgelegd, moet zich immers buigen over de vraag of deze boete in rechte en in feite verantwoord is en of zij strookt met alle relevante wettelijke bepalingen en algemene beginselen, waaronder het evenredigheidsbeginsel. Toetsing van dit laatste aspect vereist een onderzoek van de vraag of de straf zich evenwichtig verhoudt tot de inbreuk en of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een boete van dergelijke omvang. Deze evenredigheidstoets vereist van de rechtbank een onderzoek naar alle concrete omstandigheden van de zaak.

De rechter mag hierbij acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Ook de mate waarin het bestuur zelf gebonden was in verband met de sanctie, maakt deel uit van de beoordeling. Niets van wat onder de beoordeling van de fiscale administratie valt, mag bijgevolg aan de controle van de rechtbank ontsnappen (Grondwettelijk Hof 24 februari 1999, B.S. 30 april 1999; Cass. 24 januari 2002, *F.J.F.* nr. 2003/30).

Het behoort onder meer tot de bevoegdheid van de fiscale administratie om boeten kwijt te schelden of te verminderen (art. 9 Organiek besluit 18 maart 1831 van het bestuur van 's lands middelen, Bull. Off. Nr. XXVI). Deze bevoegdheid is ook na de hervorming van de fiscale procedure in 1999 geheel intact gebleven.

In dit verband heeft het Grondwettelijk Hof terecht geoordeeld dat de rechter ook een toezicht met volle rechtsmacht kan uitoefenen op de beslissing van de Minister van Financiën of diens gedelegeerde tot weigering van de kwijtschelding of vermindering van de ten aanzien van de belastingschuldige uitgesproken geldboete (Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, nr. 2008/79).

De rechtbank meent dat er in dit geval evenwel geen objectieve omstandigheden zijn die een verdere vermindering, dan wel een kwijtschelding van de boete verantwoorden. In dit geval kan immers worden aangenomen dat eiser wist dat de zogenaamd ter beschikking gestelde ruimtes voor meer doeleinden werden gebruikt dan de loutere opslag van producten. De opgelegde boete is niet kennelijk onevenredig en werd door de administratie reeds herleid tot een bedrag dat. alle concrete omstandigheden in acht genomen, als aanvaardbaar moet worden beschouwd.

\- Voor wat betreft de kosten van het geding

4.2.10. Eiser dient, als de in het ongelijk gestelde partij, in de kosten te worden verwezen (art. 1017, eerste lid Gerechtelijk Wetboek).

De vordering is in dit geval in geld waardeerbaar. Het bedrag van deze vordering ligt, gelet op de omvang van de gevorderde BTW, vermeerderd met de boete en de interesten, in de schijf van 20.000,01 tot 40.000,00 EUR. Het toepasselijke basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding bedraagt bijgevolg 2.200,00 EUR (geïndexeerd).

Er worden geen bijzondere redenen aangevoerd die een afwijking van het basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding verantwoorden.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**DE RECHTBANK,**

Recht doende op **tegenspraak**.

Melding makende van het feit dat de bepalingen van artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies verwerpend als niet terzake dienend.

Verklaart de vordering van eiser ontvankelijk doch ongegrond.

Veroordeelt eiser tot de kosten van het geding.

Begroot deze kosten als volgt :

\- aan de zijde van verweerder : de basisrechtsplegingsvergoeding : 2.200,00 EUR.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde fiscale kamer** van de rechtbank van eerste aanleg te Gent, op **zes februari tweeduizend en twaalf**, waar aanwezig waren :

mevrouw **A. D. C.**, rechter, voorzitter van deze kamer,

mevrouw **G. L.**, griffier.

**G. L.** **A. D. C.**

## Aangehaalde teksten

3

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[Zesde richtlijn 77/388 art. 13](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-13) 1 voorkomen

[C-284/03, arrest van 18 november 2004](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-284-03-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Vrijstelling, Recht op aftrek, Onroerende verhuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-recht-aftrek-onroerende-verhuur-hof-van-beroep-luik-2020-10-07-7434) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde](https://juriel.be/nl/rechtspraak/wetboek-belasting-toegevoegde-waarde-art-grondwettelijk-hof-brussel-2021-12-02-914d) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, Zelfstandige groeperingen van personen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-zelfstandige-groeperingen-personen-artikel-cassatie-brussel-2020-09-25-c17f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Aftrek, Vrijstelling, Onroerende verhuur](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aftrek-vrijstelling-onroerende-verhuur-overdracht-rechtbank-luik-2020-10-08-d465) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[BTW-belastingplicht, zorgflat, belastingplichtige, serviceflat](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-belastingplicht-zorgflat-belastingplichtige-serviceflat-rechtbank-brussel-2019-12-11-e22c) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Vrijstelling, Beroepsopleiding, Beroepsherscholing, Onderwijs, Opleiding tot beroepsbestuurder van vliegtuigen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/vrijstelling-beroepsopleiding-beroepsherscholing-onderwijs-rechtbank-bergen-2021-03-25-ed7f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Beroepsopleiding, Teveel betaalde BTW, Terugvordering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/beroepsopleiding-teveel-betaalde-btw-terugvordering-hof-van-beroep-antwerpen-2025-09-16-12ba) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Proportionele geldboete, Kwijtschelding, proportionele fiscale geldboete](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-geldboete-kwijtschelding-fiscale-hof-van-beroep-brussel-2025-10-09-2444) 1 gemeenschappelijke bepalingen
