Invoering van de belasting, belastbaarheid, intracommunautaire verwerving van goederen · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Brugge 10 januari 2005

Zoeken

Invoering van de belasting, belastbaarheid, intracommunautaire verwerving van goederenBelasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/invoering-belasting-belastbaarheid-intracommunautaire-verwerving-rechtbank-brugge-2005-01-10-5912

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Brugge
Datum
10 januari 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

244 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de Rechtbank van Eerste aanleg te Brugge d.d. 10.01.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het vonnis

Tekst van de beslissing

RECHTBANK VAN EERSTE AANLEG TE BRUGGE, VEERTIENDE KAMER, zetelende in correctionele zaken, heeft het volgende vonnis uitgesproken :

I. IN DE ZAAK, met notitienummer BG. …, ambtshalve vervolgd door het Openbaar Ministerie :

- bij wie zich voegde als burgerlijke partij bij akte d.d. 11 oktober 2001 voor onderzoeksrechter M.-A. J. te … :

1.P. B. J. G. F., geboren te … op 14 juni 1978, informaticus, wonende te …, …, handelend in eigen naam en in zijn hoedanigheid als zaakvoerder van de SPRL IC D., met maatschappelijke zetel in …, …;

niet verschijnende;

- bij wie zich voegde als burgerlijke partij bij akte d.d. 5 december 2001 voor onderzoeksrechter P. G. te … :

2. M. B. B.V. met maatschappelijke zetel te …, …;

niet verschijnende;

- bij wie zich voegden als burgerlijke partijen ter terechtzitting van 8 november 2004 :

3. DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Heer Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat nr. 12, op vervolging van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie, Directie Gent, in de persoon van de Heer Gewestelijk Directeur te Gent, met kantoren te 9000 Gent, Savaanstraat nr. 11, bus 3;

met een eis van … euro, meer de intresten en de kosten, gericht tegen de eerste gedaagde, zoals vermeld in de neergelegde nota;

vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te …;

4. DE BELGISCHE STAAT, in de persoon van de Heer Minister van Financiën, met kabinet te 1000 Brussel, Wetstraat nr. 12, op vervolging van de Administratie van de Bijzondere Belastingsinspectie, Directie Gent, in de persoon van de Heer Gewestelijk Directeur te Gent, met kantoren te 9000 Gent, Savaanstraat nr. 11, bus 3;

met een eis van … euro, meer de intresten en de kosten, gericht tegen de tweede gedaagde, zoals vermeld in de neergelegde nota;

vertegenwoordigd door meester L. D. S., advocaat te Brugge;

tegen :

1. L. D., geboren te … (…) op 19 juni 1960, vreemdeling van Duitse nationaliteit, handelaar, wonende te …, …, thans aangehouden en opgesloten in het penitentiair complex te … wegens andere feiten;

bijgestaan door meester K. V., advocaat te …;

2. V. S. I., geboren te … op 11 juni 1961, zaakvoerster, wonende te …, …;

bijgestaan door meester H. V., advocaat te ….

Beklaagd van :

A.Met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, valsheid in authentieke of openbare geschriften te hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk te hebben opgemaakt of door ze achteraf in de akten in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akten ten doel hadden op te nemen en vast te stellen, DE EERSTE, door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering ervan rechtstreeks te hebben meegewerkt, of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd, het uittreksel houdende de beslissingen van de algemene vergadering van de B.V.B.A. J. dd. 02/05/2001, waarin de benoeming van M. R. als zaakvoerder van de B.V.B.A. J. kenbaar wordt gemaakt, zoals neergelegd ter griffie van de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, op 04/05/2001, en gepubliceerd in de bijlagen tot het Belgisch Staatsblad op 16/05/2001, terwijl dit zaakvoerderschap volkomen fictief was, en er slechts beoogd werd om te ontsnappen aan de wettelijke gevolgen van het zaakvoerderschap, te Oostende en bij samenhang elders in het Rijk, op 16/05/2001 (kaft I, stuk 631).

B.Met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, valsheid in handels- bank of private geschriften te hebben gepleegd, hetzij door valse handtekeningen, hetzij door namaking of vervalsing van geschriften of handtekeningen, hetzij door overeenkomsten, beschikkingen, verbintenissen of schuldbevrijdingen valselijk te hebben opgemaakt of door ze achteraf in de akten in te voegen, hetzij door toevoeging of vervalsing van bedingen, verklaringen of feiten die deze akten ten doel hadden op te nemen en vast te stellen, en ten deze, DE EERSTE, door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering ervan rechtstreeks te hebben meegewerkt, of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd, de facturen nrs. 210072, 210117, 210166,210173, 210188, 210205, 210235, 210267, 210272, 210302, 210307, 210309, 210313, 210337, 210391, 210394, 210442, 210444, 210461, 210469, 210485, 210516, 210559, 210589, 210593, door in deze facturen als medecontractant de firma E. D'H. op te geven, terwijl in werkelijkheid de verkoop aan derden gebeurde, te Oostende op de facturatiedata die zich uitstrekken in de periode van 15/06/2001 t/m 12/09/2001 (kaft I, st. 278, st. 434).

C.Bij inbreuk op de artikelen 1, 2, 3, 4, 25bis, 25ter, 25quinquies, 25sexies, 25septies, 38bis, 51, 53-3°, 73, 73ter en 77 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (BTW-wetboek), met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te hebben overtreden, door niet iedere maand aangifte te doen van het bedrag der in dit wetboek bedoelde handelingen die zij hebben verricht of die aan hen werden verstrekt, gedurende de vorige maand in het kader van hun economische activiteit, van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en de te verrichten herzieningen, en van de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te verzekeren, en ten deze,

1.DE EERSTE EN DE TWEEDE, door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering ervan rechtstreeks te hebben meegewerkt, of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd, als zaakvoerders in rechte tot 04/01/2001, en in feite tot 13/12/2001, van de B.V.B.A. J., met feitelijke maatschappelijke zetel gelegen te …, …, op 5/07/2000 overgebracht naar het adres te …, …, in faling verklaard door de rechtbank van koophandel te Antwerpen bij vonnis gewezen op 13/12/2001, geen aangifte te hebben gedaan van intracommunautaire verwervingen voor een totaal bedrag van … EURO, te … op verschillende niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01/01/2000 t/m 31/12/2000, ten nadele van de Belgische Staat, Ministerie van Financiën (kaft Il, subkaft 5).

2.DE EERSTE EN DE TWEEDE, door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering ervan rechtstreeks te hebben meegewerkt, of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd, als zaakvoerders in rechte tot 04/01/2001, en in feite tot 13/12/2001, van de B.V.B.A. J., met feitelijke maatschappelijke zetel gelegen te …, …, op 05/07/2000 overgebracht naar het adres te …, …, in faling verklaard door de rechtbank van koophandel te Antwerpen bij vonnis gewezen op 13/12/2001, geen aangifte te hebben gedaan van intracommunautaire verwervingen voor een totaal bedrag van … EURO, te … op verschillende niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01/01/2001 t/m 13/12/2001, ten nadele van de Belgische Staat, Ministerie van Financiën (kaft II, subkaft 5).

3.DE EERSTE EN DE TWEEDE, door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering ervan rechtstreeks te hebben meegewerkt, of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd, als zaakvoerders in rechte van de B.V.B.A. C. C. T., met maatschappelijke zetel gelegen te …, …, in faling verklaard bij vonnis gewezen op 14/11/2002 door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, geen aangifte te hebben gedaan van verwervingen voor een totaal bedrag van … EURO, te … op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01/05/2001 t/m 31/12/2001, ten nadele van de Belgische Staat, Ministerie van Financiën (kaft Il, subkaft 6).

4.DE EERSTE EN DE TWEEDE, door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering ervan rechtstreeks te hebben meegewerkt, of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd, als zaakvoerders in rechte van de B.V.B.A. C. C. T., met maatschappelijke zetel gelegen te …, …, in faling verklaard bij vonnis gewezen op 14/11/2002 door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, met oog op het bedrieglijk bekomen van een BTW-tegoed ten belope van … EURO, aangifte te hebben gedaan van fictieve verwervingen in de BTW-aangifte voor de maand oktober 2001 voor een bedrag van … EURO, te … op 26 november 2001, ten nadele van de Belgische Staat, Ministerie van Financiën (kaft Il, subkaft 6).

D.Bij inbreuk op de artikelen 1, 2, 3, 4, 25bis, 25ter, 51, 53-4°, 73, 73ter en 77 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (BTW-wetboek), met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, de bepalingen van dit wetboek of van de ter uitvoering ervan genomen besluiten te hebben overtreden, door in gebreke te zijn gebleven de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de voorgeschreven aangifte, en ten deze,

1.DE EERSTE EN DE TWEEDE, door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering ervan rechtstreeks te hebben meegewerkt, of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd, als zaakvoerders in rechte tot 04/01/2001, en in feite tot 13/12/2001, van de B.V.B.A. J., met feitelijke maatschappelijke zetel gelegen te …, …, op 05/07/2000 overgebracht naar het adres te …, …, in faling verklaard door de rechtbank van koophandel te Antwerpen bij vonnis gewezen op 13/12/2001, in gebreke te zijn gebleven een bedrag van … EURO aan ontvangen BTW door te storten, te … op verschillende niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 1/01/2000 t/m 31/12/2000, ten nadele van de Belgische Staat, Ministerie van Financiën (kaft Il, subkaft 5).

2.DE EERSTE EN DE TWEEDE, door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering ervan rechtstreeks te hebben meegewerkt, of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd, als zaakvoerders in rechte tot 04/01/2001, en in feite tot 13/12/2001, van de B.V.B.A. J., met feitelijke maatschappelijke zetel gelegen te …, …, op 05/07/2000 overgebracht naar het adres te …, …, in faling verklaard door de rechtbank van koophandel te Antwerpen bij vonnis gewezen op 13/12/2001, in gebreke te zijn gebleven een bedrag van … EURO aan ontvangen BTW door te storten, te … op verschillende niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01/01/2001 t/m 13/12/2001, ten nadele van de Belgische Staat, Ministerie van Financiën (kaft II, subkaft 5).

3.DE EERSTE EN DE TWEEDE, door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering ervan rechtstreeks te hebben meegewerkt, of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd, als zaakvoerders in rechte van de B.V.B.A. C. C. T., met maatschappelijke zetel gelegen te …, …, in faling verklaard bij vonnis gewezen op 14/11/2002 door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, in gebreke te zijn gebleven een bedrag van … EURO aan ontvangen BTW door te storten, te Oostende op niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01/05/2001 t/m 31/12/2001, ten nadele van de Belgische Staat, Ministerie van Financiën (kaft II, subkaft 6).

E.Bij inbreuk op de artikelen 1, 2, 3, 4, 25bis, 25ter, 25quinquies, 25sexies, 25septies, 38bis, 51, 53 t/m 53nonies, 3°, 73, 73bis, 73ter en 77 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (BTW-wetboek), met het oogmerk om een van de in artikel 73 van het BTW-wetboek bedoelde misdrijven te plegen, in openbare geschriften, in handelsgeschriften of in private geschriften valsheid te hebben gepleegd, of van het valse geschrift gebruik te hebben gemaakt, en ten deze,

1.DE EERSTE EN DE TWEEDE, door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering ervan rechtstreeks te hebben meegewerkt, of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd, als zaakvoerders in rechte van de B.V.B.A. C. C. T., met maatschappelijke zetel gelegen te 8400 Oostende, Archimedesstraat 15, in faling verklaard bij vonnis gewezen op 14/11/2002 door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, met oog op het bedrieglijk bekomen van een BTW-tegoed, valse facturen te hebben opgesteld om de fiscale administratie te doen geloven aan het bestaan van gedane aankopen, meer bepaald twee facturen ver- meende-lijk uitgeschreven door de N.V. ORTHOKIN op 12/09/2001 en 26/10/2001, te Oostende op niet nader te bepalen tijdstip in de periode van 01/09/2001 tlm 26/11/2001, ten nadele van de Belgische Staat, Ministerie van Financiën (kaft II, subkaft 6).

2.DE EERSTE EN DE TWEEDE, door de misdaad of het wanbedrijf te hebben uitgevoerd of aan de uitvoering ervan' rechtstreeks te hebben meegewerkt, of door enige daad tot de uitvoering zodanige hulp te hebben verleend dat de misdaad of het wanbedrijf zonder hun bijstand niet had kunnen worden gepleegd, als zaakvoerders in rechte van de B.V.B.A. C. C. T., met maatschappelijke zetel gelegen te …, …, in faling verklaard bij vonnis gewezen op 14/11/2002 door de rechtbank van koophandel te Brugge, afdeling Oostende, hetzij met oog op het bedrieglijk ontduiken van BTW, hetzij met oog op de fiscaal-boekhoudkundige verantwoording van voorraadbewegingen, twee facturen vermeendelijk uitgeschreven voor intracommunautaire leveringen aan GmbH P. A., vennootschap naar Duits recht, hetzij de factuur nr. 210965 voor een bedrag van … EURO, en de factuur nr. 211011 voor een bedrag van … EURO, te …, op respectievelijk 5/11/2001 en 14/11/2001 (kaft I, st. 463 e.v., st. 621 e.v.).

F.Met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort, zich gelden, roerende goederen, verbintenissen, kwijtingen, schuldbevrijdingen te doen afgeven of leveren, hetzij door het gebruik maken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of een denkbeeldig krediet, om een goede afloop, een ongeval, of enige andere hersenschimmige gebeurtenis te doen verwachten of te doen vrezen, of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen of van de lichtgelovigheid,

1.DE EERSTE, een bedrag van … EURO, te Oostende op 17/07/2001, ten nadele van de GmbH P. A., vennootschap naar Duits recht, vertegenwoordigd door Mr. R. B. (kaft II, subkaft 7).

2.DE EERSTE, een bedrag van … EURO, te Oostende op 29/08/2002, ten nadele van VOF B.-M., vennootschap naar Nederlands recht, handel drijvende onder de benaming VOBIS M. (kaft II, subkaft 10/2).

3.DE EERSTE, handelsgoederen ter waarde van … EURO, te Oostende op 04/07/2002, ten nadele van de N.V. C. (kaft II, subkaft 10/3).

4.DE EERSTE, als daders, ofwel om een misdaad of een wanbedrijf hieronder omschreven te hebben uitgevoerd, ofwel om aan de uitvoering rechtstreeks te hebben medegewerkt, ofwel om door enige daad, tot de uitvoering ervan zodanige hulp te hebben verleend dat, zonder hun bijstand, de misdaad of het wanbedrijf niet had kunnen worden gepleegd, ofwel om door giften, beloften, bedreigingen, misbruik van gezag of van macht, misdadige kuiperijen of arglistigheden, rechtstreeks het misdrijf te hebben uitgelokt, handelsgoederen ter waarde van … EURO, te Oostende op verschillende niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01/08/2000 t/m 31/10/2000, ten nadele van M. B. B.V., vennootschap naar Nederlands recht, vertegenwoordigd door Mr. G. C. (kaft II, subkaft 4).

5.DE EERSTE, een bedrag van … Bf., te Oostende op 13/09/2001, ten nadele van de B.V.B.A. IC D. (kaft I, subkaft 1).

Met de omstandigheid dat de eerste beklaagde – L. D. - zich bevindt in staat van wettelijke herhaling voor wat betreft de tenlastelegging C4, E2, F2 en F3, gezien deze nieuwe feiten werden gepleegd na een veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar en voordat vijf jaren zijn verlopen sinds de straf is ondergaan of sinds zij verjaard is, namelijk bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de correctionele rechtbank van Brugge de dato 10 oktober 2001 waarin hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van een jaar en een geldboete van … frank, wegens : cheque tonder dekking (herhaling) (4); oplichting (herhaling) (2).


II. IN DE ZAAK, met notitienummer BG. …, ambtshalve vervolgd door het Openbaar Ministerie :

tegen :

L. D., geboren te … op 19 juni 1960, vreemdeling van Duitse nationaliteit, handelaar, wonende te …, …, thans aangehouden en opgesloten in het penitentiair complex te …;

bijgestaan door meester K. V., voornoemd.

Beklaagd van :

A.Met het oogmerk om zich een zaak toe te eigenen die aan een ander toebehoort, zich gelden, roerende goederen, verbintenissen, kwijtingen, schuldbevrijdingen te doen afgeven of leveren, hetzij door het gebruik maken van valse namen of valse hoedanigheden, hetzij door het aanwenden van listige kunstgrepen om te doen geloven aan het bestaan van valse ondernemingen, van een denkbeeldige macht of een denkbeeldig krediet, om een goede afloop, een ongeval, of enige andere hersenschimmige gebeurtenis te doen verwachten of te doen vrezen, of om op andere wijze misbruik te maken van het vertrouwen of van de lichtgelovigheid, en ten deze, handelsgoederen ter waarde van … EURO, te … op 8 april 2004, ten nadele van E. D. B.V.B.A..

B.Bij inbreuk op de artikelen 3 en 61 van de wet van 1 maart 1961 betreffende de invoering in de nationale wetgeving van de eenvormige wet op de cheque en de inwerkingtreding van deze wet, willens en wetens een cheque of enig ander door deze wet met de cheque gelijkgesteld waardepapier te hebben uitgegeven zonder voorafgaand, toereikend en beschikbaar fonds, en ten deze, cheque nummer … getrokken op rekening nr. … voor een bedrag van … EURO, ondertekend te Oostende op 7 april 2004, uitgegeven te Wevelgem op 8 april 2004, ten nadele van E. D. B.V.B.A.


Gezien de beschikking van de raadkamer d.d. 22 oktober 2004.

Gelet op de dagvaardingen aan de beklaagden betekend.

Gezien de stukken van de bundel.

Gelet op de vordering van de burgerlijke partijen.

Gehoord het Openbaar Ministerie in zijn vordering.

Gehoord de beklaagden in hun antwoorden en verdediging.

De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.

SAMENVOEGING VAN DE ZAKEN :

Ter zitting d.d. 22 november 2004 werden de zaken met notitienummers BG. … en BG. … gevoegd met het oog op een goede rechtsbedeling.

VERBETERINGEN VAN DE DAGVAARDINGEN :

De rechtbank verbetert de dagvaarding in de zaak met notitienummer BG. … als volgt :

- met de omstandigheid dat de eerste beklaagde zich bevindt in staat van wettelijke herhaling voor wat betreft de tenlasteleggingen A, B, C1, C2, C3, D1, D2, D3, E1, F1, F4 en F5, gezien deze nieuwe feiten werden gepleegd na een veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar en voordat vijf jaren zijn verlopen sinds de straf is ondergaan of sinds zij verjaard is, namelijk bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de correctionele rechtbank van Brugge de dato 18 december 1997 waarin hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van … frank, wegens oplichting. poging oplichting. cheque zonder dekking.

- het feit C1 : "... als zaakvoerder in rechte tot 4 mei 2001..." in plaats van " ... tot 4 januari 2001...";

- het feit C2 : "...op 4 mei 2001 overgebracht naar ..." in plaats van "... op 5 juli 2000 overgebracht naar ...";

- het feit C4 : "… euro" in plaats van "… euro".

De rechtbank vult de dagvaarding in de zaak met notitienummer BG. … aan als volgt :

- met de omstandigheid dat de beklaagde zich bevindt in staat van wettelijke herhaling voor wat betreft de tenlasteleggingen A en B, gezien deze nieuwe feiten werden gepleegd na een veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar en voordat vijf jaren zijn verlopen sinds de straf is ondergaan of sinds zij verjaard is, namelijk bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de correctionele rechtbank van Brugge de dato 10 oktober 2001 waarin hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van … frank wegens cheque zonder dekking (4) en oplichting (2).

TEN GRONDE :

I. ZAAK MET NOTITIENUMMER BG. … :

1. Betreffende de feiten :

Beklaagden worden vervolgd voor hun betrokkenheid bij een aantal criminele feiten rond de vennootschappen B.V.B.A. J. en de B.V.B.A. C. C. T.. Met deze beide vennootschappen werd door beklaagden handel gedreven in computers en computeronderdelen.

De B.V.B.A. J. werd opgericht op 28/01/1998 door D. J.-P. en D. C.. De activiteit was de uitbating van een restaurant. De maatschappelijke zetel was achtereenvolgens gevestigd te …, …, en te …, …. Op 5 juli 2000 werd de maatschappelijke zetel overgebracht naar …, …, en werd eerste beklaagde als zaakvoerder benoemd. Van dan af is de activiteit de handel in computeronderdelen. Op 4 mei 2001 werd de zetel van de vennootschap verplaatst naar …, …. De aandelen werden overgedragen aan M. R., wonende te …, … te …. Eerste en tweede beklaagde, die ondertussen als medezaakvoerster was aangesteld, namen ontslag als zaakvoerders. Op 13 december 2001 werd de vennootschap failliet verklaard door de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen.

Ondertussen had eerste beklaagde in mei 2001 een vennootschap overgenomen onder de naam B.V.B.A. C. C. T., gevestigd te …, …. De vroegere benaming van die vennootschap was B.V.B.A. R. I., opgericht in juni 2000.

Op 3 juni 2001 startte de B.B.I. een onderzoek lastens de B.V.B.A. J. daar deze vennootschap sinds 1 januari 2001 geen BTW aangiftes meer indiende. Uit het gevoerde onderzoek is gebleken dat er zowel binnen de B.V.B.A. J. als binnen de B.V.B.A. C. C. T.-L. verschillende fiscale onregelmatigheden werden begaan. Het ging hierbij zowel om het niet indienen van BTW aangifte als het opmaken van fictieve facturen.

2. Betreffende de tenlastelegging en in hoofde van eerste beklaagde :

2.1. Betreffende het feit A :

Onder tenlastelegging A wordt EERSTE BEKLAAGDE ervan beklaagd het uittreksel houdende de beslissingen van de algemene vergadering van de B.V.B.A. J. dd. 02/05/2001, waarin de benoeming van M. R. als zaakvoerder van de B V.B.A. J. kenbaar wordt gemaakt te hebben vervalst (kaft I, stuk 631)

Uit het strafdossier blijkt dat eerste beklaagde aan M. R. na diens benoeming als zaakvoerder een aanzienlijk bedrag aan deze laatste heeft overhandigd. M. R. verklaart hieromtrent zelf dat hij … BEF heeft verdiend door enkel maar zijn handtekening te plaatsen om de zaak op zijn naam te plaatsen (kaft I, stuk 555) en dat hij enkel op papier zaakvoerder was (kaft I, stuk 571) Ook A. P. (zie kaft I, stuk 265) en M. E. (zie kaft I, stuk 581) stellen in hun verklaringen dat M. R. slechts zaakvoerder was op papier. Overigens blijkt uit het stuk 442 (kaft I) dat eerste beklaagde nog op 30 juli 2001 ondertekende in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de B.V.B.A. J.. Feit A komt dan ook bewezen voor.

2.2. Betreffende het feit B :

Onder tenlastelegging B wordt EERSTE BEKLAAGDE vervolgd voor het plegen van valsheid in geschriften in de periode van 15/06/2001 t/m 12/09/2001 met betrekking tot de facturen nrs. 210072, 210117, 210166, 210173, 210188, 210205, 210235, 210267, 210272, 210302, 210307, 210309, 210313, 210337, 210391, 210394, 210442, 210444, 210461, 210469,210485,210516,210559,210589,210593. Beklaagde wordt in het bijzonder vervolgd door dat hij in deze facturen als medecontractant de firma E. D'H. heeft opgegeven, terwijl in werkelijkheid de verkoop aan derden gebeurde (zie de stukken kaft I, st. 278, st. 434).

Met betrekking tot deze tenlastelegging blijkt uit de verklaringen van T. D. Z. en E. D’H. (kaft I, stuk 280 ) dat zij op zaterdag 23/02/02 omstreeks 15.30 u door E. M. werden verwittigd dat de B.V.B.A. C. C. T. voor miljoenen aan facturen uitschreef op naam van D’H. E.. Ten bewijze van deze bewering werden twee dergelijke facturen aan de betrokkenen bezorgd waaruit bleek dat zij die nooit hadden ontvangen en betrekking hadden op goederen die zij nooit bij de B.V.B.A. C. C. T. hadden aangekocht. Verder onderzoek toonde aan dat in de boekhouding van de B.V.B.A. C. C. T. tal van fictieve facturen op naam van E. D’H. staken. De tenlastelegging B komt dan ook bewezen voor.

2.3. Betreffende de feiten C1, C2, C3 en C4 :

Onder de tenlasteleggingen C wordt EERSTE BEKLAAGDE ervan beklaagd als zaakvoerder in rechte en in feite van de B.V.B.A. J. en de B.V.B.A. C. C. T. de BTW. te hebben ontdoken door niet iedere maand aangifte te doen van het bedrag van de BTW-handelingen die hij heeft verricht of die aan hem werden verstrekt, gedurende de vorige maand in het kader van zijn economische activiteit, van het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en de te verrichten herzieningen.

2.3.1. Betreffende de feiten C1 en C2 :

Onder tenlastelegging C1 en C2 wordt eerste beklaagde ervan beklaagd als zaakvoerder in rechte tot 04/01/2001, en in feite tot 13/12/2001, van de B.V.B.A J. geen aangifte te hebben gedaan van intracommunautaire verwervingen (kaft II, subkaft 5). Onder tenlastelegging C1 worden beklaagden ervan beklaagd voor een totaal bedrag van … EURO aan intracommunautaire verwervingen niet te hebben aangegeven in de periode van 01/01/2000 t/m 31/12/2000. Onder tenlastelegging C2 wordt eerste beklaagde ervan verdacht geen aangifte te hebben gedaan van intracommunautaire verwervingen voor een totaal bedrag van … EURO in de periode van 01/01/2001 t/m 13/12/2001.

Uit de stukken van het strafdossier blijkt dat de B.B.I.-administratie in 2001 een controle heeft uitgevoerd naar de B.V.B.A. J. om reden dat die firma sinds 01/01/2001 geen periodieke BTW-aangiften meer indiende, terwijl de BTW-registratie niet geschrapt was. Naar aanleiding van deze controle bleek dat de B.V.B.A. J. alleen boekhoudstukken bezat met betrekking tot de jaren 1998 tot en met 2000. Bij nazicht van de Europese gegevensbank bleek evenwel dat de B.V.B.A. J. in 2000 en 2001 verschillende intracommunautaire verwervingen had gedaan waarvoor geen aangifte werd ingediend. Bij verder onderzoek door de Belgische fiscale administratie bleek uiteindelijk uit de gegevens van het programma Euromail dat B.V.B.A. J. volgende intracommunautaire verwervingen heeft gedaan in de jaren 2000 en 2001 :

In het jaar 2000 :

- intracommunautaire levering door de B.V. M. B. voor een bedrag van … BEF. In de boekhouding van de B.V.B.A. J. opgenomen intracommunautaire verwervingen : … BEF. Verschil : … - … BEF = … BEF of … euro;

- intracommunautaire levering door de Gmbh E. E. C. T. voor een bedrag van … BEF. In de boekhouding van de B.V.B.A. J. opgenomen intracommunautaire verwervingen : … BEF Verschil : … - … BEF = … BEF of … euro;

In het jaar 2001 :

- intracommunautaire levering door de Gmbh E. C. T. voor een bedrag van … BEF;

- intracommunautaire levering door de VOF M-S. voor een bedrag van … BEF;

- intracommunautaire levering door de B.V. H. G. I. voor een bedrag van … BEF;

- intracommunautaire levering door de firma B. D. NS-E., …, …, Denemarken, BTW-nr. DK … geleverd voor een bedrag van … BEF;

- intracommunautaire levering door de Gmbh P. & Co voor een bedrag van … BEF;

- intracommunautaire levering door de Gmbh S.-C. voor een bedrag van … BEF;

- intracommunautaire levering door de Gmbh I. C. voor een bedrag van … BEF;

- intracommunautaire levering door de Gmbh A. C. H. voor een bedrag van … BEF;

- intracommunautaire levering door de Gmbh P. A. voor een bedrag van … BEF.

Aldus blijkt dat de B.V.B.A. J. in 2000 voor een totaalbedrag van … BEF of … euro en in 2001 voor een totaalbedrag van … BEF of … Euro aan intracommunautaire verwervingen niet had aangegeven. Als dusdanig werd een bedrag aan BTW ontdoken gelijk aan … BEF x 21 % = … BEF of … euro.

Het is duidelijk dat de intracommunautaire verwervingen in hoofde van de B.V.B.A. J. in de jaren 2000 en 2001 niet kunnen worden ontkend. Evenmin kan worden ontkend dat de B.V.B.A. J. geen aangifte heeft ingediend van deze intracommunautaire verwervingen. De feiten C1 en C2 komen dan ook bewezen voor in hoofde van beklaagde. Hij was als zaakvoerder immers verantwoordelijk voor het vervullen van de fiscale verplichtingen van de B.V.B.A. J..

2.3.2. Betreffende het feit C3 :

Onder tenlastelegging C3 wordt eerste beklaagde als zaakvoerder in rechte van de B.V.B.A. C. C. T. ervan beklaagd voor een totaal bedrag van … euro aan intracommunautaire verwervingen niet te hebben aangegeven in de periode van 01/05/2001 t/m 31/12/2001 (kaft 11,subkaft 6). De Rechtbank stelt vast dat tenlastelegging C3 in wezen gelijklopend is met tenlastelegging D3. Ook de Belgische Staat verwijst in haar burgerlijke partij stelling naar de verwevenheid van de tenlastelegging C3 met D3. Deze beide tenlasteleggingen zullen dan ook samen worden behandeld. Hiervoor kan worden verwezen naar de bespreking onder rubriek D3.

2.3.3. Betreffende feit C4 :

Onder tenlastelegging C4 wordt eerste beklaagde als zaakvoerder in rechte van de B.V.B.A. C. C. T. ervan beklaagd aangifte te hebben gedaan van fictieve verwervingen in de BTW-aangifte voor de maand oktober 2001 voor een bedrag van … euro, met oog op het bedrieglijk bekomen van een BTW-tegoed ten belope van … euro (kaft II, subkaft 6). Uit het strafdossier blijkt uit de verklaringen van de Heer R. D. G. van de B.B.I.-administratie (kaft I, stuk 512) dat voor de maand oktober 2001 op 26/11/2001 een BTW-aangifte werd ingediend met daarin een aftrekbare BTW van … euro. Dit bedrag aan aftrekbare BTW werd voor een groot deel, m.n. … euro verantwoord door 2 facturen van N.V. O. die naderhand fictief bleken te zijn (zie tenlastelegging E1). Feit C4 komt dan ook gedeeltelijk bewezen voor evenwel in de mate waarin de BTW-aftrek betrekking heeft op de BTW-verschuldigd op de twee fictieve facturen van de NV O.. De dagvaarding dient in die zin te worden aangepast.

2.4. Betreffende de feiten D1, D2 en D3 :

Onder de tenlasteleggingen D wordt EERSTE BEKLAAGDE als zaakvoerder van de B.V.B.A. J. en de B.V.B.A. C. C. T. ervan beklaagd de bepalingen van de BTW-wetgeving met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden te hebben overtreden, door in gebreke te zijn gebleven de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de voorgeschreven aangifte.

2.4.1. Betreffende de feiten D1 en D2 :

Onder tenlastelegging D1 wordt eerste beklaagde ervan beklaagd als zaakvoerder in rechte tot 04/01/2001, en in feite tot 13/12/2001, van de B.V.B.A. J. in gebreke te zijn gebleven een bedrag van … EURO aan ontvangen BTW door te storten ten nadele van de Belgische Staat (kaft 11, subkaft 5).

Onder tenlastelegging D2 wordt beklaagde ervan beklaagd als zaakvoerder in rechte tot 04/01/2001, en in feite tot 13/12/2001, van de B.V.B.A. J. in gebreke te zijn gebleven een bedrag van … euro aan ontvangen BTW door te storten, te Oostende op verschillende niet nader te bepalen tijdstippen in de periode van 01/01/2001 t/m 13/12/2001, ten nadele van de Belgische Staat, Ministerie van Financiën (kaft 11, subkaft 5). De stukken waarnaar de dagvaarding door het Openbaar Ministerie verwijst tonen geenszins het bewijs van de vordering aan. Voor de tenlasteleggingen Dien D2 dient eerste beklaagde dan ook te worden vrijgesproken.

2.4.2. Betreffende feit D3 :

Onder tenlastelegging D3 wordt eerste beklaagde ervan beklaagd als zaak- voerder in rechte van de B.V.B.A. C. C. T., in gebreke te zijn gebleven een bedrag van … EURO aan ontvangen BTW door te storten, in de periode van 01/05/2001 t/m 31/12/2001, ten nadele van de Belgische Staat ( kaft 11,subkaft 6 ).

Uit het strafdossier en meer bepaald het onderzoek door de B.B.I.-administratie ( kaft 11, subkaft 6, stuk 65) is gebleken dat de B.V.B.A. C. C. T. had nagelaten de periodieke BTW-aangiften voor de maanden juni 2001 tot en met september 2001 in te dienen. De B.V.B.A. C. C. T. kon wel volledig ingevulde, maar niet ondertekende 'ontwerpen van BTW-aangiften' betreffende voornoemde periode voorleggen. De in die 'ontwerpen van BTW-aangiften' opgenomen cijfers bleken volledig in overeenstemming met de cijfers uit de boekhouding. Uit de boekhouding en derhalve uit de voorgelegde 'ontwerpen van BTW-aangiften' bleek een totaal aan verschuldigde belasting van … euro en een terug te vorderen BTW van … euro, hetzij in totaal … euro aan verschuldigde BTW Voor de maand oktober 2001 werd op 26 november 2001 een BTW-aangifte ingediend met daarin een aftrekbare BTW van … euro, voor een groot deel (… euro) afkomstig van 2 facturen van N.V. O.. Die 2 facturen blijken fictief te zijn en derhalve werden door N.V. O. geen goederen geleverd aan C. C. T. (C4). Feit D3 komt bewezen voor.

2.5. Betreffende de feiten E1 en E2 :

Onder de tenlasteleggingen E1 en E2 wordt EERSTE BEKLAAGDE als zaakvoerder in rechte van de B.V.B.A. C. C. T. vervolgd voor fiscale fraude inzake de BTW.

2.5.1. Betreffende feit E1 :

Onder tenlastelegging E1 wordt eerste beklaagde ervan beklaagd als zaakvoerder van de B.V.B.A. C. C. T. valse facturen te hebben opgesteld om de fiscale administratie te misleiden door haar bedrieglijk te doen geloven dat bepaalde aankopen werden gedaan. Op die manier konden beklaagden bedrieglijk een BTW-tegoed bekomen. De fictieve facturen onder feit E1 betreffen meer bepaald twee facturen d.d. 12/09/2001 en 26/10/ 2001 op naam van de N.V. O. (kaft II,sub-kaft 6).

Uit het strafdossier is gebleken dat de enige door C. opgemaakte BTW-aangifte die is van de verrichtingen met betrekking tot de maand oktober 2001, die werd ingediend in november 2001. Uit die aangifte blijkt een terugvorderbare BTW van … BEF. Dit belastingkrediet is nagenoeg uitsluitend te wijten aan 2 aankoopfacturen, uitgereikt door de N.V. O., …, …. Bij verder onderzoek door de B.B.I. naar de authenticiteit van die facturen werd vastgesteld :

- dat het door O. opgegeven BTW-nummer reeds in december 1998 werd geschrapt;

- dat het op de facturen vermelde telefoonnummer en faxnummer niet bleek te zijn toegekend;

- dat de op de facturen vermelde bankrekeningnummers onbestaand bleken en O. bij geen van beide banken ooit klant is geweest.

Hieruit kan worden besloten dat de 2 bovengenoemde facturen onbetwistbaar fictief zijn opgemaakt door beklaagden als zaakvoerders van de C. C. T.. Door gebruik te maken van fictieve facturatie zijn beklaagden er in geslaagd een bedrag aan BTW gelijk aan … EURO onrechtmatig in aftrek te brengen. Feit E1 komt dan ook bewezen voor.

2.5.2. Betreffende het feit E2 :

Onder de tenlastelegging E2 wordt eerste beklaagde beklaagd van het bedrieglijk ontduiken van BTW, omwille van het feit dat hij twee facturen heeft uitgeschreven voor vermeendelijk uitgevoerde intracommunautaire leveringen aan de GmbH P. A.. In het bijzonder gaat het hierbij om de factuur nr. 210965 voor een bedrag van … euro, en de factuur nr. 211011 voor een bedrag van … euro (kaft I, st. 463 e.v., st. 621 e.v.).

Uit het strafdossier blijkt dat de B.B.I.-administratie in de boekhouding van de B.V.B.A. C. C. T. 2 facturen gericht aan de Duitse firma P. A. GmbH aantreft, nl. resp. factuur nr. 210965 d.d. 05/11/2001 voor een bedrag van … BEF (… euro) en factuur nr. 211011 d.d. 14/11/2001 voor een bedrag van … BEF (… euro). Ingevolge deze facturatie kon de B.V.B.A. C. C. T. enerzijds het BTW-bedrag van de facturen van N.V. O. terugvorderen van de Belgische Staat en anderzijds diende zij m.b.t. de facturatie aan de Duitse firma P. A. geen BTW aan te rekenen, en bijgevolg ook niet terug te storten aan de Belgische Staat, gezien het intracommunautaire verkopen betreft. Uit het telefonisch contact van de B.B.I.-administratie met A. U. van P. A. GmbH is gebleken dat deze firma eenmalig goederen heeft besteld bij C. C. T. B.V.B.A., dat die goederen vooraf werden betaald maar dat nooit levering van die goederen werd bekomen. A. U. ontkende verder dat de firma P. A. GmbH 2 facturen zou hebben ontvangen van de B.V.B.A. C. C. T. voor een bedrag van meer dan … EURO. Feit E2 komt dan ook bewezen voor.

2.6. Betreffende de feiten F1, F2, F3, F4 en F5 :

Onder de tenlasteleggingen F wordt EERSTE BEKLAAGDE beklaagd van het plegen van een reeks van oplichtingen en misbruiken van vertrouwen.

2.6.1. Betreffende feit F1 :

De tenlastelegging F1 (kaft II, subkaft 7) is het gevolg van een klacht van de GmbH P. A. Deze firma bestelde voor een bedrag van … euro excl. BTW, goederen bij eerste beklaagde en de BVBA C. C. T.. Er werd gefactureerd op 17 juli 2001 en meteen betaald door GmbH P. A., daar de levering ook op deze datum was overeengekomen. Eerste beklaagde en de B.V.B.A. C. C. T. gingen echter om allerlei drogredenen niet over tot levering.

Omtrent de klacht van de GmbH P. A. stelde eerste beklaagde in zijn verklaring d.d. 29 oktober 2002 ( kaft II, subkaft 7, stuk 6) : “Met betrekking tot de klacht van P. A. wens ik het volgende te verklaren. Het klopt dat P. A. een bestelling bij ons heeft geplaatst en daarvoor op voorhand heeft betaald. Er is inderdaad vertraging opgelopen bij de levering maar uiteindelijk werden de goederen enkele weken na de bestelling toch bij P. A. aangeboden. Die goederen werden daar geweigerd. U stelt hierbij dat er dan waarschijnlijk een document voor weigering van ontvangst moet ondertekend zijn door P. A.. Dat is niet het geval. In dergelijke gevallen neemt de transporteur gewoon de goederen terug mee.”

Deze verklaring komt echter weinig geloofwaardig over. In dit verband kan worden verwezen naar de verklaring van A. C. (kaft II; subkaft 7, stuk 9) - de vroegere secretaresse van B.V.B.A. J. en nadien van B.V.B.A. C. C. T. - die de feiten uit de klacht van P. A. GmbH bevestigde: 'Verder is er ook een buitenlandse klant geweest, ik herinner mij alleen de voornaam A., die een grote bestelling plaatste en van L. op voorhand moest betalen omwille van het feit dat C. ook zelf op voorhand moest betalen. Die klant had ook betaald maar heeft nooit zijn bestelde goederen ontvangen. Die klant heeft mij diverse keren opgebeld maar L. weigerde om hem te spreken.' Gezien A. C. die verklaring heeft afgelegd zonder kennis te hebben van de klacht van P. A. die pas nadien is ingediend, ziet de Rechtbank inderdaad geen reden om aan de geloofwaardigheid van haar verklaring te twijfelen. Feit F1 komt dan ook bewezen voor.

2.6.2. Betreffende het feit F2 :

De tenlastelegging F2 is het gevolg van een klacht van B. M. namens de VOF B. M.. Uit het strafdossier (kaft II, subkaft 10/2) is gebleken dat deze firma van eerste beklaagde namens de firma C. via e-mail, een advertentie kreeg toegestuurd betreffende computeronderdelen. De VOF B. M. plaatste een bestelling en betaalde zoals afgesproken. Op 03/09/2002 ontving zij de factuur van de bestelling. De bestelde en betaalde goederen werden evenwel nooit geleverd. Ook deze tenlastelegging komt bewezen voor.

2.6.3. Betreffende het feit F3 :

De tenlastelegging F3 is het gevolg van een klacht van de N.V. C. tegen eerste beklaagde dit wegens uitgifte van een cheque zonder dekking op 4 juli 2002 en oplichting ten nadele van de N.V. C. op zelfde datum.

De N.V. C. is een verdeler van allerlei computeronderdelen. Uit het strafdossier (kaft II; subkaft 10/3) blijkt dat zij in het kader van deze handelsactiviteit een bestelling van eerste beklaagde, handeldrijvende onder de benaming de N.V. L. W. ontving voor een bedrag van … euro BTW inbegrepen. Voor de materiële aflevering van deze bestelling deed de N.V. C. een beroep op de firma ABX L. die ter plaatse de goederen ging afleveren. Van eerste beklaagde ontving zij op 4 juli 2002 een cheque t.b.v. … euro, dewelke naderhand niet kon worden geïnd. De cheque die bij de overhandiging van de goederen werd afgegeven had betrekking op een rekening die op het ogenblik dat de cheque uitgeschreven werd, reeds tien maanden was geannuleerd. Feit F3 komt derhalve bewezen voor.

2.6.4. Betreffende het feit F4 :

De tenlastelegging F4 is het gevolg van een klacht met burgerlijke partij stelling van de Nederlandse vennootschap M. B. B.V. Uit het strafdossier (kaft II, subkaft 4) blijkt dat de vennootschap B.V.B.A. J. van eerste beklaagde in augustus, september en oktober 2000 bij de Nederlandse vennootschap M. B. B.V. voor … BEF aan computerapparatuur heeft gekocht, waarvan zij slechts … BEF heeft betaald.

In gevolge deze feiten werd de B.V.B.A. J. op 3 mei 2001 door de Rechtbank van Koophandel te Oostende veroordeeld tot het betalen van … BEF, te vermeerderen met intresten en kosten. Onmiddellijk na de uitspraak verplaatste de B.V.B.A. J. echter haar maatschappelijke zetel naar …. Op 16 mei 2001 wordt de verplaatsing van de maatschappelijke zetel gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Op de vroegere zetel van de B.V.B.A. J. te … nam een andere vennootschap van eerste beklaagde m.n. de B.V.B.A. C. C. T. haar intrek. De B.V.B.A. C. C. T. heette vroeger R. I.. De handel in computers werd aldus voortgezet onder de vorm van een andere vennootschap, die voorheen haar maatschappelijke zetel had op het adres van de huidige maatschappelijke zetel van de B.V.B.A. J..

Op7 juni 2001 betekent gerechtsdeurwaarder L. het vonnis aan de nieuwe zetel van de B.V.B.A. J. te … en stelt hij vast dat de zetel van deze vennootschap enkel een brievenbus omvat zodat het aldus blijkt dat eerste beklaagde de zetel van de B.V.B.A. J. louter heeft verplaatst naar … om te ontkomen aan de gedwongen uitvoering van het vonnis. Feit F4 komt dan ook bewezen voor.

2.6.5. Betreffende feit F5 :

De tenlastelegging F5 is het gevolg van een klacht met burgerlijke partij stelling van P. B. en de B.V.B.A. I. lastens eerste beklaagde en de B.V.B.A. C. C. voor een totaalbedrag van … BEF en dit wegens misbruik van vertrouwen, oplichting en bedriegerij en bedrieglijke organisatie van onvermogen.(kaft I, subkaft 1) Uit het strafdossier blijkt dat er tussen de B.V.B.A. I. en de B.V.B.A. C. C. T. enige tijd een handelsrelatie heeft bestaan. Op 11 september 2001 werd door de B.V.B.A. I. een bestelling geplaatst bij de B.V.B.A. C. C. T. tot levering van goederen voor een totaalbedrag van … BEF, exclusief BTW. Alvorens te leveren werd er van de kant van eerste beklaagde en de B.V.B.A. C. C. T. contante betaling geëist van de B.V.B.A. I.. Deze betaling geschiedde per overschrijving op 13 september 2001. De bestelde goederen werden daarna evenwel nooit geleverd door eerste beklaagde en de B.V.B.A. C. C. T..

In zijn verklaring (kaft 1, stuk 8) betwiste eerste beklaagde deze tenlastelegging. Hij ontkende niet dat de bestelde goederen niet werden geleverd aan de B.V.B.A. I. doch hij stelde dat dit het gevolg was van de aanslagen van 9 september 2001 waardoor hij geen goederen meer uit de USA kon verkrijgen. Eerste beklaagde kon echter geen zinnige verklaring geven waarom hij voorafgaande betaling heeft gevraagd en waarom hij de betaalde prijs niet heeft terugbetaald toen bleek dat de goederen niet zouden kunnen worden geleverd zoals voorzien. Deze tenlastelegging komt dan ook bewezen voor.

3. Betreffende de tenlasteleggingen in hoofde van de tweede beklaagde :

Tweede beklaagde wordt vervolgd voor de tenlasteleggingen C1, C2, C3, C4, D1, D2, D3, E1 en E2. Tweede beklaagde stelt ter zitting dat zij eerste beklaagde volledig vertrouwde bij het beheer van de vennootschappen en dat zij derhalve onwetend was van de gepleegde misdrijven. Zij stelt derhalve dat het moreel bestanddeel van de misdrijven in haren hoofde niet aanwezig was en zij verzoekt de Rechtbank om een vrijspraak over de gehele lijn.

De Rechtbank stelt evenwel vast dat tweede beklaagde als zaakvoerder werd aangesteld binnen de vennootschappen van beklaagden. Het spreekt voor zich dat het zaakvoerderschap zekere verantwoordelijkheden met zich meebrengt. Uit het dossier blijkt tevens dat tweede beklaagde een actieve rol heeft vervuld binnen de werking van de beide vennootschappen zodat zij niet kan voorhouden louter passief te zijn gebleven. Bovendien is de argumentatie van tweede beklaagde dat zij totaal onwetend was over de gepleegde feitelijkheden weinig geloofwaardig. Zo stelt tweede beklaagde in haar verklaring d.d. 14 februari 2002 (kaft I, stuk 76) dat zij zelf binnen de B.V.B.A. C. C. T. voor de financiële verrichtingen zorgt samen met een interne en externe boekhouder. Tweede beklaagde geeft hiermee zelf duidelijk te kennen dat zij zich inliet met het financiële beheer van de vennootschap. In die omstandigheden kan tweede beklaagde onmogelijk nog gaan voorhouden dat zij niet op de hoogte was van het financiële reilen en zeilen van de vennootschappen. Deze verklaringen van tweede beklaagde worden trouwens bevestigd door A. P. die in zijn verklaringen stelt dat het in feite tweede beklaagde was die alle betalingen binnen de vennootschappen uitvoerde (kaft I, stuk 268), en door L. J. die stelde dat tweede beklaagde opdracht gaf facturen op te maken die naderhand fictief bleken (kaft I, stuk 501).

De tenlasteleggingen C1, C2, C3, C4, D3, E1 en E2 komen dan ook in hoofde van tweede beklaagde bewezen voor.

Tweede beklaagde dient uit hoofde van de feiten D1 en D2 te worden vrijgesproken. De rechtbank verwijst naar wat sub. 2.4.1. werd uiteengezet.

II. ZAAK MET NOTITIENUMMER BG. 19.L6.105.336/04 :

De tenlasteleggingen A en B komen ten genoege van rechte bewezen voor en worden door beklaagde – L. D. - niet betwist.

III. BETREFFENDE DE STRAFMAAT :

1. In hoofde van de eerste beklaagde :

Wat de gemeenrechtelijke misdrijven betreft : beklaagde getuigt van een fundamenteel malafide ingesteldheid. De rechtbank verwijst naar de besluitvorming van de heer dr. H. H. waaruit blijkt dat beklaagde pathologisch leugenachtig en manipulatief is, geen schuldgevoel kent en niet bereid is de verantwoordelijkheid van zijn daden te accepteren. De kans op herval in gelijkaardige feiten wordt door dr. H. H. als hoog ingeschat.

Beklaagde werd in het verleden reeds herhaaldelijk voor gelijkaardige feiten veroordeeld en trok hieruit kennelijk niet de nodige lessen. Beklaagde verkeert overigens in staat van wettelijke herhaling.

Wat de gepleegde fiscale misdrijven betreft is uit het onderzoek gebleken dat beklaagde middels vennootschappen een carrouselfraude heeft opgezet waarbij gebruik werd gemaakt van een systeem van 'kruisfacturatie'. Er werd een fictieve facturatiestroom op gang gebracht naar aanleiding van een reële facturatiestroom waarbij de BTW-schuld ingevolge de reële facturatiestroom gecompenseerd wordt door een fictief BTW-tegoed ingevolge de fictieve facturatiestroom.

Dergelijke praktijken zijn ten zeerste verwerpelijk. In een staatsbestel met een zeer uitgebreide collectieve dienstverlening is de financiële solidariteit van de rechtsonderhorigen een fundamentele onvermijdelijkheid. Het solidariteitsprincipe vereist van elke rechtsonderhorige een substantiële financiële bijdrage in de dekking van de algemene overheidsuitgaven, zodanig dat de overheid over de nodige financiële middelen kan beschikken om zich van haar taak te kwijten. In een systeem dat is gestoeld op de financiële solidariteit van de rechtsonderhorigen heeft de fiscaal incivieke ingesteldheid van de rechtsonderhorigen uiteraard nefaste gevolgen. Het ligt voor de hand dat indien belastingplichtigen zich bedrieglijk gaan onttrekken aan hun fiscale verplichtingen er onmiddellijk een onevenwicht ontstaat in het geheel van de collectieve fiscale inspanningen van de gemeenschap. De financiële kloof die op die manier ontstaat in de openbare financiën creëert een verhoogde belastingdruk op de belastingplichtigen en impliceert dat het deel dat aan de Schatkist wordt onttrokken partieel naar de andere belastingplichtigen toe wordt verschoven. Het is daarenboven tevens van belang om op te merken dat de belastingontduiking niet alleen voor minder fiscale ontvangsten zorgt voor de Staat maar ook voor een verhoging van de collectieve uitgaven. De belastingontduiking fungeert immers tevens als hefboom voor de sociale ontduiking.

De toekenning van sociale uitkeringen (studiebeurzen, kinderbijslag, sociale woningen, bouwpremies etc.) wordt in veel gevallen rechtstreeks beïnvloed door de fiscale situatie van de uitkeringsgerechtigde. Belastingplichtigen die zich niet fiscaal correct gedragen kunnen aldus een beroep doen op een sociale prestatie van de overheid waartoe ze niet, of alleszins in mindere mate, gerechtigd zouden zijn dan indien ze op basis van hun werkelijke inkomsten zouden zijn belast. Het is aldus duidelijk dat het gemis aan fiscale inkomsten enerzijds en het surplus aan collectieve uitgaven anderzijds een ware dreiging vormen voor het functioneren van de moderne welvaart- en verzorgingsstaat.

De gepleegde feiten zijn uitermate ernstig en getuigen van een gebrek aan normbesef. Een strenge straf dringt zich dan ook op om beklaagde de ernst van de door hen gepleegde feiten te doen inzien.

Gezien de bewezen verklaarde feiten de uiting vormen van eenzelfde misdadig opzet, dient overeenkomstig artikel 65 Sw. slechts één straf te worden uitgesproken, namelijk de zwaarste.

Met betrekking tot de toepassing van de wet van 26 juni 2000 betreffende de invoer van de euro :

De feiten werden gepleegd voor op en na 1 januari 2002, zodat wat betreft de uit te spreken geldboeten deze rechtstreeks in euro dienen te worden uitgedrukt en de opdeciemes gebracht worden op veertig bij toepassing van de artikelen 2, 4-1° en 9 van de wet van 26 juni 2000.

2. In hoofde van de tweede beklaagde :

Wat de gepleegde fiscale misdrijven betreft is uit het onderzoek gebleken dat beklaagden middels vennootschappen een carrouselfraude hebben opgezet waarbij gebruik gemaakt werd van een systeem van 'kruisfacturatie'. Er werd een fictieve facturatiestroom op gang gebracht naar aanleiding van een reële facturatiestroom waarbij de BTW-schuld ingevolge de reële facturatiestroom gecompenseerd wordt door een fictief BTW-tegoed ingevolge de fictieve facturatiestroom.

Dergelijke praktijken zijn ten zeerste verwerpelijk. In een staatsbestel met een zeer uitgebreide collectieve dienstverlening is de financiële solidariteit van de rechtsonderhorigen een fundamentele onvermijdelijkheid. Het solidariteitsprincipe vereist van elke rechtsonderhorige een substantiële financiële bijdrage in de dekking van de algemene overheidsuitgaven, zodanig dat de overheid over de nodige financiële middelen kan beschikken om zich van haar taak te kwijten. In een systeem dat is gestoeld op de financiële solidariteit van de rechtsonderhorigen heeft de fiscaal incivieke ingesteldheid van de rechtsonderhorigen uiteraard nefaste gevolgen. Het ligt voor de hand dat indien belastingplichtigen zich bedrieglijk gaan onttrekken aan hun fiscale verplichtingen er onmiddellijk een onevenwicht ontstaat in het geheel van de collectieve fiscale inspanningen van de gemeenschap. De financiële kloof die op die manier ontstaat in de openbare financiën creëert een verhoogde belastingdruk op de belastingplichtigen en impliceert dat het deel dat aan de Schatkist wordt onttrokken partieel naar de andere belastingplichtigen toe wordt verschoven.

Het is daarenboven tevens van belang om op te merken dat de belastingontduiking niet alleen voor minder fiscale ontvangsten zorgt voor de Staat maar ook voor een verhoging van de collectieve uitgaven. De belastingontduiking fungeert immers tevens als hefboom voor de sociale ontduiking. De toekenning van sociale uitkeringen (studiebeurzen, kinderbijslag, sociale woningen, bouwpremies etc.) wordt in veel gevallen rechtstreeks beïnvloed door de fiscale situatie van de uitkeringsgerechtigde. Belastingplichtigen die zich niet fiscaal correct gedragen kunnen aldus een beroep doen op een sociale prestatie van de overheid waartoe ze niet, of alleszins in mindere mate, gerechtigd zouden zijn dan indien ze op basis van hun werkelijke inkomsten zouden zijn belast. Het is aldus duidelijk dat het gemis aan fiscale inkomsten enerzijds en het surplus aan collectieve uitgaven anderzijds een ware dreiging vormen voor het functioneren van de moderne welvaart- en verzorgingsstaat.

De gepleegde feiten zijn uitermate ernstig en getuigen van een gebrek aan normbesef. Een strenge straf dringt zich dan ook op om beklaagde de ernst van de door haar gepleegde feiten te doen inzien.

Gezien de bewezen verklaarde feiten de uiting vormen van eenzelfde misdadig opzet, dient overeenkomstig artikel 65 Sw. slechts één straf te worden uitgesproken, namelijk de zwaarste.

IV. BETREFFENDE DE VORDERING VAN DE BURGERLIJKE PARTIJEN :

De rechtbank stelt vast dat P. B. en M. B. B.V. niet verschijnen en geen vordering stellen, zodat dienaangaande niet dient gestatueerd.

1.1. Betreffende de gevorderde bedragen :

Uit de akte van burgerlijke partij stelling blijkt dat de Belgische Staat de Rechtbank verzoekt beklaagden te veroordelen tot het betalen van de som van … EURO meer de vergoedende intresten en kosten. Als dusdanig vordert de Belgische Staat :

- voor het feit B een bedrag van … EURO;

- voor het feit C3 een bedrag van … EURO (indien beklaagden veroordeeld worden voor de tenlasteleggingen onder D3 dan dient het bedrag onder C3 begroot te worden op … EURO);

- voor het feit C4 een bedrag van … EURO;

- voor het feit D3 een bedrag van … EURO (indien beklaagden veroordeeld worden voor de tenlasteleggingen onder C3 dan dient het bedrag onder D3 begroot te worden op … EURO);

- voor het feit E1 een bedrag van … EURO (zie PV dd.12 september 2002) zijnde … EURO (… EURO verschuldigde BTW + … EURO ten onrechte aftrek) te vermeerderen met … EURO geldboeten op grond van artikel 70, § 1 van het BTW-Wetboek, wegens niet betaling van de belasting (2 maal de ontdoken belasting);

- voor het feit E2 een bedrag van … EURO.

2. Beoordeling :

A. Betreffende de vordering in verband met de ontdoken belasting :

Artikel 73sexies, eerste lid W.BTW voorziet dat personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld, hoofdelijk gehouden zijn tot betaling van de ontdoken belasting.

Deze bepaling verleent als dusdanig aan de Belgische Staat de rechtsgrond om van eerste en tweede beklaagde de betaling te vorderen van de ontdoken BTW in hoofde van de B.V.B.A. J. en de B.V.B.A. C. C. T..

Het spreekt evenwel voor zich dat de gehoudenheid van beklaagden tot de ontdoken belasting op grond van het fiscaal realiteitsbeginsel beperkt dient te blijven tot de werkelijk en wettelijk verschuldigde belasting en zich niet verder kan uitstrekken.

In dit verband moet in eerste instantie worden opgemerkt dat de door beklaagden gepleegde misdrijven kaderen in de carrouselfraude door kruisfacturatie. Dit betekent dat beklaagden de door hen te betalen BTW op de inkomende handelingen hebben gecompenseerd door aftrekbare BTW op fictieve uitgaande belastingen. In een dergelijke situatie is het duidelijk dat in de mate waarin er sprake is van compensatie de BTW slechts één enkele keer door de Belgische Staat kan worden gevorderd. Hiermee rekening houdend dient de vordering van de Belgische Staat met betrekking tot de feiten B en E2 te worden afgewezen daar de vordering hier slaat op BTW op fictieve handelingen, die als dusdanig nooit hebben plaatsgevonden en die tot doel hebben gehad te betalen BTW te compenseren.

Daarnaast moet tevens worden opgemerkt dat een aantal van de tenlasteleggingen betrekking hebben op verschillende misdrijven maar die gezamenlijk bekeken slechts tot gevolg hebben dat de BTW maar één maal is verschuldigd. Dit is het geval voor wat de vordering voor de feiten C3, D3, C4 en E1 betreft.

Wat de vordering met betrekking tot de feiten C3 (geen aangifte doen) en D3 (niet doorstorten van BTW) betreft moet worden vastgesteld dat deze vordering werd begroot op … EURO aan ontvangen BTW Uit het strafdossier en meer bepaald het onderzoek door de B.B.I.-administratie (kaft 11, subkaft 6, stuk 65) is gebleken dat de B.V.B.A. C. C. T. had nagelaten de periodieke BTW-aangiften voor de maanden juni 2001 tot en met september 2001 in te dienen. Uit de boekhouding en uit de voorgelegde 'ontwerpen van BTW-aangiften' bleek een totaal aan verschuldigde belasting van … EURO en een terug te vorderen BTW van … euro, hetzij in totaal … euro aan verschuldigde BTW.

Wat de vordering voor het feit C4 betreft blijkt dat deze werd begroot op een BTW-tegoed ten belope van … EURO. Uit het strafdossier blijkt evenwel dat deze vordering moet worden beperkt tot een bedrag van … euro, nml. het BTW-tegoed gecreëerd door de 2 facturen van N.V. O. die naderhand fictief bleken te zijn.

Dit betekent met andere woorden dat de vordering van de Belgische Staat voor de feiten C3, D3 en C4 in wezen reeds onderdeel uitmaken van de vordering met betrekking tot het feit E1. Voor wat feit E1 betreft vordert de Belgische Staat een bedrag van … euro zijnde … euro aan verschuldigde BTW (zie ook de feiten C3 en D3 ) + … euro aan onrechte BTW-aftrek (zie ook feit C4).

De vordering van de Belgische Staat dient dan ook wat de feiten C3, D3, C4 en E1 betreft te worden beperkt tot een bedrag van … euro aan ontdoken BTW.

B. Betreffende de vordering in verband met de opgelegde geldboeten :

Voor het feit E1 vordert de Belgische Staat tevens dat beklaagden zouden worden veroordeeld tot het betalen van een som van … EURO aan geldboeten opgelegd op grond van artikel 70, § 1 van het BTW-Wetboek, wegens niet betaling van de belasting.

Ook dit aspect van de vordering van de Belgische Staat dient evenwel te worden afgewezen.

Op grond van artikel 73sexies, eerste lid W.BTW zijn personen die als daders of als medeplichtigen van misdrijven bedoeld in de artikelen 73 en 73bis werden veroordeeld, slechts hoofdelijk gehouden tot de betaling van de 'ontdoken belasting'. De hoofdelijke aansprakelijkheid voor het bedrag van de « ontdoken belasting » behelst niet de administratieve geldboeten, die essentieel verschillen van de belasting (Cass., 12 maart 1936, Pas., 1936, I, 192; advies van advocaat-generaal G. V. D. M., voorafgaand aan Cass., 7 februari 1950, I, 131).

Bovendien moet worden opgemerkt dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens in zijn arrest Silverster's Horeca Service van 4 maart 2004 (F.J.F. 2004, afl. 6, 528) onmiskenbaar te kennen heeft gegeven, dat de fiscale geldboeten die overeenkomstig artikel 70 W.BTW worden opgelegd een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 E.V.R.M. Dit betekent met andere woorden dat de fiscale geldboeten in casu als een straf moeten worden beschouwd. Het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf verzet er zich dan ook tegen dat beklaagden, zonder het bestaan van een wettelijke basis, zouden worden veroordeeld tot het betalen van een geldboete opgelegd aan een derde, m.n. de B.V.B.A. C. C. T. (zie het P.V. van de B.B.I.-administratie van 12 september 2002).

Ook om deze reden kan de vordering van de Belgische Staat tot de hoofdelijke gehoudenheid voor de fiscale geldboete niet worden aanvaard.

OM DEZE REDENEN :

Gelet op de hiernavolgende artikelen, door de Voorzitter aangeduid :

artikelen 2 ,3, 40, 42, 43, 44, 45, 50, 56, 65, 79, 80, 100, 193, 196, 197, 213 en 214 van het strafwetboek;

artikelen 1, 2, 3, 4, 25bis, 25ter, 25quinquies, 25sexies, 25septies, 38bis, 51, 53-3°-4° t/m 53nonies, 3°, 73, 73bis, 73ter en 77 van het Wetboek van de Belasting over de Toegevoegde Waarde (BTW-wetboek);

artikelen 3 en 61 van de wet van 1 maart 1961 betreffende de invoering in de nationale wetgeving van de eenvormige wet op de cheque en de inwerkingtreding van deze wet;

artikelen 1382 en 1383 van het burgerlijk wetboek;

artikelen 11, 12, 14, 31, 36, 37 en 41 van de wet van 15 juni 1935;

artikelen 130, 162, 182, 184, 185, 189, 190, 191, 194, 195, 226, 227 en 367 van het wetboek van strafvordering.

Alsmede alle overige in de dagvaarding vermelde en hiervoor aangehaalde en bewezen wetsartikelen.

DE RECHTBANK,

Rechtdoende op tegenspraak.

Voegt de zaken met notitienrs. BG. 20.99.927/01 en BG. 19.L6.l05.336/04 samen.

Verbetert en vult de dagvaarding in de zaak met notitienummer BG. 20.99.89271/01 aan als volgt :

- met de omstandigheid dat de eerste beklaagde zich bevindt in staat van wettelijke herhaling voor wat betreft de tenlasteleggingen A, B, C1, C2, C3, D1, D2, D3, E1, F1, F4 en F5, gezien deze nieuwe feiten werden gepleegd na een veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar en voordat vijf jaren zijn verlopen sinds de straf is ondergaan of sinds zij verjaard is, namelijk bij een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de correctionele rechtbank van Brugge de dato 18 december 1997 waarin hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van … frank wegens oplichting, poging oplichting. cheque zonder dekking.

- het feit C1 : "als zaakvoerder in rechte tot 4 mei 2001" in plaats van "tot 4 januari 2001";

- het feit C2 : "op 4 mei 2001 overgebracht naar ..." in plaats van "... op 5 juli 2000 overgebracht naar ...";

- het feit C4 : "… euro" in plaats van "… euro".

Vult de dagvaarding in de zaak met notitienummer BG. 19.L6.105. 336/04 aan als volgt :

"met de omstandigheid dat de beklaagde zich bevindt in staat van wettelijke herhaling voor wat betreft de tenlasteleggingen A en B, gezien deze nieuwe feiten werden gepleegd na een veroordeling tot een gevangenisstraf van ten minste één jaar en voordat vijf jaren zijn verlopen sinds de straf is ondergaan of sinds zij verjaard is, namelijk bij een in jkracht van gewijsde gegaan vonnis van de correctionele rechtbank van Brugge de dato 10 oktober 2001 waarin hij veroordeeld werd tot een gevangenisstraf van één jaar en een geldboete van … frank wegens cheque zonder dekking (4) en oplichting (2)."

1. Verklaart de feiten D1 en D2 in de zaak met notitienummer BG. 20.99.927/01 in hoofde van de eerste beklaagde – L. D. - niet bewezen, spreekt hem vrij en ontslaat hem uit dien hoofde van alle verdere rechtsvervolging.

Verklaart de overige feiten bewezen en,

Veroordeelt de eerste gedaagde – L. D. - hoofdens de feiten A, B, C1, C2, C3, C4, D3, E1, E2, F1, F2. F3, F4 en F5 in de zaak met notitienummer BG. 20.99.927/01 en de feiten A en B in de zaak met notitienummer BG. 19.L6.105.336/04 samen - in staat van wettelijke herhaling - tot een gevangenisstraf van VIER JAAR en een geldboete van … EURO (… EURO).

Zegt dat bij toepassing van artikel 1 van de wet van 5 maart 1952, zoals gewijzigd door de wetten van 22 december 1989, 25 juni 1975, 2 juli 1981, 22 december 1989, 20 juli 1991, 26 juni 1992, het artikel 1-20 van de wet van 24 december 1993, en de artikelen 4-10 en 9 van der wet van 26 juni 2000, voormelde geldboete met … deciemen verhoogd wordt en aldus gebracht wordt op … EURO (… EURO).

Beveelt dat, bij gebrek aan betaling binnen de door de wet bepaalde tijd, voormelde geldboete zal mogen vervangen worden door een gevangenisstraf van drie maanden.

2. Verklaart de feiten D1 en D2 in de zaak met notitienummer BG. 20.99.927/01 in hoofde van de tweede beklaagde – V. S. - niet bewezen, spreekt haar vrij en ontslaat haar uit dien hoofde van alle verdere rechtsvervolging.

Verklaart de overige feiten bewezen en,

Veroordeelt de tweede gedaagde – V. S. - hoofdens de feiten C1, C2, C3, C4, D3, E1 en E2 in de zaak met notitienummer BG. 20.99.927/01 samen tot een gevangenisstraf van ZES MAANDEN en een geldboete van (… / 40,3399 =) … EURO en … cent (… euro).

Beveelt dat, bij gebrek aan betaling binnen de door de wet bepaalde tijd, voormelde geldboete zal mogen vervangen worden door een gevangenisstraf van drie maanden.

Verwijst de veroordeelden tot het betalen van elk de helft van de kosten van het geding, in zijn geheel begroot op … euro en … cent (… euro), kosten die het gevolg zijn van de door hen gepleegde feiten.

Verwijst de veroordeelden tevens tot het betalen van elk een vergoeding van respektievelijk … (…) euro, zoals bepaald bij artikel 1 van het K.B. dd. 29 juli 1992, in uitvoering van artikel 71 van de wet van 28 juli 1992, gewijzigd door artikel 1 K.B. dd. 23.12.1993 en door artikel 1 van het K.B. van 11.12.2001.

Verplicht de veroordeelden daarenboven om boven de correctionele hoofdstraf een bedrag van respektievelijk … euro + … opdeciemen = … (…) euro te betalen bij wijze van bijdrage tot de financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden (artikel 1 van de wet van 5 maart 1952, artikelen 28 en 29 van de wet van 1 augustus 1985, in werking getreden door het K.B. van 18 december 1986, B.S. 20 februari 1987, gewijzigd door de artikelen 1, 2° en 3 van de wet van 24 december 1993, en gewijzigd bij de artikelen 2, 4-1°, 9 van de wet van 26 juni 2000 en het artikel 36 van de wet van 7 februari 2003).

Verklaart verbeurd de overtuigingsstukken OS/02.3510, OS/02.5422 en OS/02.5421, dewelke het voorwerp uitmaken van, gediend hebben of bestemd waren tot het plegen van voormelde feiten.

Beveelt de teruggave van het overtuigingsstuk OS/04.1696 aan de rechtmatige eigenaar.

Stelt de overtuigingsstukken OS/02.05423, OS/02.5424, OS/02.5419, OS/02.2565, OS/02.2566, OS/02.983 en OS/03.2818 ter beschikking van het Openbaar Ministerie, teneinde er mee te handelen als naar recht.

OP BURGERLIJK GEBIED

Stelt vast dat de burgerlijke partijen P. B. en M. B. B.V. niet verschijnen en geen vordering stellen zodat dienaangaande niet dient gestatueerd.

Verklaart de vordering van de burgerlijke partij - DE BELGISCHE STAAT - ontvankelijk en deels gegrond.

Verwijst de veroordeelden solidair om te betalen aan de burgerlijke partij de som van … euro en … cent (… euro), meer de gerechtelijke intresten en de kosten.

Wijst het meergevorderde af als ongegrond.

Alles wat voorafgaat werd overeenkomstig de bepalingen van de wet op het gebruik der talen in het Nederlands behandeld.

Aldus gevonnist en uitgesproken op de openbare terechtzitting van tien januari twee duizenden vijf.

Waar zetelden :

I. D., rechter, waarnemend voorzitter, zetelend bij wettig belet van de titularis, ouder in rang van benoeming;

N. D. L., rechter;

M. M., plaatsvervangend rechter;

G. B., eerste substituut procureur des Konings;

J. V. H., griffier.

J. V. H. M. M. N. D. L. L. D. V.

Aangehaalde teksten

2
WBTW art. 702 voorkomens
WBTW art. 731 voorkomen

Vergelijkbare beslissingen

8