---
title: "Intracommunautaire levering, Wist of had moeten weten · Hof van beroep te Antwerpen, 31 maart 2026, 2024/AR/17"
description: "Intracommunautaire levering, Wist of had moeten weten. Hof van beroep te Antwerpen (België), 31 maart 2026, 2024/AR/17."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-wist-had-moeten-hof-van-beroep-antwerpen-2026-03-31-803a"
lang: "nl"
---

# Intracommunautaire levering, Wist of had moeten weten

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Rolnummer**

2024/AR/17

**Datum**

31 maart 2026

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

204 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen d.d. 31.03.2026 (2024/AR/17)

FIN 505-15-15/053595

*Intracommunautaire levering - Wist of had moeten weten*

## Samenvatting

Niet beschikbaar

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**Hof van Beroep Antwerpen**

**Kamer B6M – Burgerlijke zaken**

**Arrest**

**31.03.2026**

**2024/AR/17**

**BELGISCHE STAAT – FOD FINANCIËN**, ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de **ADVISEUR-GENERAAL VAN DE ALGEMENE ADMINISTRATIE VAN DE BIJZONDERE BELASTINGINSPECTIE 5E DIRECTIE**, ON 0252.796.351, met diensten te 1030 BRUSSEL, Koning Albert‑II laan 33 bus 42, met correspondentieadres te 9050 GENT, Gaston Crommenlaan 6/805, en handelend ten verzoeke van **DE ADMINISTRATIE BTW, REGISTRATIE EN DOMEIN,** in de persoon van de Adviseur van het Ontvangkantoor BTW Oostende, met diensten te 8400 OOSTENDE, Vrij havenstraat 1,

Eiser na cassatie, voor wie verschenen is mevrouw D.C., fiscaal ambtenaar,

tegen het vonnis van de 4 e kamer van de rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge van 01 juni 2016, gekend onder rolnummer 15/1049/A (zaak verwezen bij arrest van het Hof van Cassatie van 19 mei 2022 na vernietiging van het arrest van het hof van beroep te Gent van 17 november 2020)

tegen

Cie1, ON ..., met zetel te ...,

Verweerster na cassatie,

vertegenwoordigd door mr. GHEYSENS Luc, advocaat te 8560 WEVELGEM, Lode De Boningestraat 39 (ref.: 2014/210.03)

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het eensluidend afschrift van het arrest van het Hof van Cassatie van 19 mei 2022, op verzoek van de Belgische Staat bij gerechtsdeurwaardersexploot van 21 december 2023 betekend aan Cie1, met dagvaarding om te verschijnen voor het hof van beroep te Antwerpen.

Gelet op het tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 september 2025.

## 1. Voorafgaande feiten en procedure

Bij tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16/09/2025 werd een uiteenzetting gegeven van de feiten en voorgaanden die voor zoveel als nodig als herhaald dienen te worden beschouwd.

Bij tussenarrest van het hof van beroep te Antwerpen van 16 september 2025 werd een heropening der debatten bevolen teneinde de rechten van verdediging te vrijwaren en teneinde partijen standpunt te laten innemen over de vaststelling door het hof dat door verweerster na cassatie op 30 juni 2025 niet alleen het arrest van het hof van beroep te Gent gewezen in de strafzaak werd neergelegd, zoals door het hof toegestaan in toepassing van artikel 769,2 de lid Ger.W. , maar ook nog een ander stuk, zijnde "synthese beroepsbesluiten" voor "de heer C.C." tegen "HET OPENBAAR MINISTERIE".

Het hof bepaalde daartoe dwingende termijnen in toepassing van artikel 755 Ger.W.:

•voor eiser na cassatie uiterlijk op 24/11/2025

•voor verweerster na cassatie uiterlijk op 26/01/2026

Eiser na cassatie legde een syntheseconclusie na tussenarrest neer ter griffie van het hof op 21/11/2025. Deze conclusie werd overgemaakt aan de raadsman van verweerster na cassatie op 25/11/2025.

Verweerster na cassatie legde een conclusie na tussenarrest van 16/09/2025 neer ter griffie van het hof op 21/01/2026.

Eiser na cassatie, de Belgische Staat, vordert (zoals weergegeven in de laatste conclusie waarmee het hof thans rekening mag houden, zie hierna onder 2.1):

•het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en dienvolgens:

•de vordering, opgenomen in het dwangbevel uitgevaardigd op 03/12/2014, gekend onder RCIV‑nummer 500/1339/93247, gevestigd op naam van verweerster na cassatie gegrond en terecht te verklaren en deze integraal te bevestigen;

•het bestreden vonnis van 01/06/2016 (AR 15/1049/A) van de rechtbank van eerste aanleg West‑Vlaanderen, afdeling Brugge te vernietigen;

•verweerster na cassatie te veroordelen tot de kosten der procedure: betekening met dagvaarding na cassatie: PM.

•alle eisen van verweerster na cassatie ongegrond te horen verklaren

Ter zitting van 02/03/2026 vordert eiser na cassatie uitdrukkelijk de wering van de syntheseconclusie in de strafzaak zoals neergelegd als stuk door verweerster na cassatie.

Ter zitting van 02/03/2026 preciseert eiser na cassatie dat de kosten van betekening na cassatie 284,61 euro bedragen.

Verweerster na cassatie vordert:

•na ambtshalve wering van de besluiten voor eiser na cassatie gedateerd op 21/11/2025;

•het hoger beroep van de BTW tegen het vonnis van de rechtbank van West‑Vlaanderen, afdeling Brugge, 4 de kamer, d.d. 01/06/2016 af te wijzen als ongegrond;

•te zeggen voor recht dat het aanvankelijk verzet/vordering Cie1 d.d. 30/03/2015 neergelegd begin april 2015 ontvankelijk en gegrond is;

•het vonnis a quo van de fiscale rechtbank West-Vlaanderen, afdeling Brugge, d.d. 10/06/2016 te bevestigen behoudens op het punt waar het het dwangbevel beoordeelde als ontvankelijk en gegrond;

•de navordering Belgische Staat BTW (BBI) af te wijzen als onontvankelijk, verjaard en minstens ongegrond;

•te zeggen voor recht dat de vordering van de BTW‑administratie onontvankelijk is cq. ongegrond;

•de Belgische Staat te veroordelen in alle kosten van het geding, inclusief de rechtsplegingsvergoeding van 33.000 euro per aanleg.

Ter zitting van 02/03/2026 preciseert verweerster na cassatie dat de rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg dient begroot te worden op het maximumbedrag van 36.000 euro en in hoger beroep op het maximumbedrag van 47.093,02 euro. Eiser na cassatie gaat niet akkoord met de begroting op het maximumbedrag en stelt louter defensief dat de basisrechtsplegingsvergoeding moet worden opgelegd, zijde 18.000 euro in eerste aanleg en 23.546,51 euro in hoger beroep.

Verweerster na cassatie verzoekt de kosten van de cassatieprocedure ten laste van de Belgische Staat te leggen zijnde 518,06 euro.

Ter zitting van 02/03/2026 stelt verweerster na cassatie enkel de stukken C2, C4 en C9 te kunnen voorleggen. De stukken C1, C3, C5, C6, C7, C8 en C10 zijn niet meer in haar bezit.

## 2. Bespreking

***2.1. Wering conclusie van eiser na cassatie neergelegd na het tussenarrest heropening der debatten, ter griffie van het hof op 21/11/2025.***

Verweerster na cassatie vordert de wering van voormelde conclusie omdat deze conclusie pas aan haar werd meegedeeld via twee mails op 25/11/2025 om 10:54 u. en om 10:56 u..

Bij tussenarrest van 16 september 2025 heeft het hof ambtshalve (art. 774 Ger.W.) een heropening der debatten bevolen en volgende conclusietermijnen bepaald voor eiser na cassatie uiterlijk op 24 november 2025 en voor verweerder na cassatie uiterlijk op 26/01/2026.

Het hof heeft derhalve dwingende termijnen bepaald waarbinnen de conclusies over het onderwerp van de heropening diende uitgewisseld te worden en aan het hof diende bezorgd te worden.

Ondanks het feit dat de conclusie van eiser na cassatie tijdig werd bezorgd aan het hof, werd de conclusie van eiser na cassatie niet tijdig uitgewisseld/overgemaakt aan verweerster na cassatie, namelijk pas op dinsdag 25/11/2025 in plaats van maandag 24/11/2025.

Het hof weert dan ook de conclusie na heropening der debatten van eiser na cassatie uit de debatten.

### *2.2. Heropening debatten en wering stuk*

Om de rechten van verdediging ten volle te vrijwaren, dient de rechter ambtshalve de heropening der debatten te bevelen, indien hij aan de partijen de mogelijkheid gaf om een bepaald stuk neer te leggen, te dezen om het arrest van het hof van beroep te Gent gewezen in de strafzaak, en een van hen (te dezen verweerster na cassatie) voegt nog een ander stuk toe ("synthese beroepsbesluiten" voor "de heer C.C." tegen het "HET OPENBAAR MINISTERIE", zijnde syntheseconclusie opgesteld in de strafzaak voor het hof van beroep te Gent), dat het hof niet had toegestaan ter griffie neer te leggen in toepassing van artikel 769, tweede lid Ger.W. en waarvan bovendien niet bleek dat dit stuk tijdig in toepassing van artikel 740 en 747 Ger.W. was meegedeeld aan de tegenpartij (te dezen eiser na cassatie).

Eiser na cassatie vordert terecht de wering van dit stuk uit de debatten aangezien dit een stuk betreft dat zowel in strijd met artikel 747 Ger.W., als in strijd met artikel 769, tweede lid Ger.W. werd neergelegd ter griffie van het hof.

Het blijkt niet dat dit stuk uiterlijk samen met de syntheseconclusie van verweerster na cassatie is meegedeeld. Artikel 740 Ger.W. legt de wering op van alle stukken die niet uiterlijk samen met de syntheseconclusie zijn meegedeeld.

Gelet op voorgaande wordt het kwestieuze stuk uit de debatten geweerd.

Bovendien en volledig ten overvloede is het hof van oordeel dat er betreffende dit kwestieuze stuk sprake is van een kennelijk deloyale procesvoering door verweerster na cassatie, op grond waarvan dit stuk eveneens uit de debatten dient geweerd te worden. Het is kennelijk niet redelijk, billijk noch betamelijk om in het kader van artikel 769, tweede lid Ger.W. een ander stuk dan hetgeen werd toegestaan door het hof neer te leggen, wetende dat dit een stuk betreft dat niet uiterlijk samen met de syntheseconclusie conform artikel 747 Ger.W. en artikel 740 Ger.W., werd meegedeeld aan de tegenpartij. Op die manier kon verweerster na cassatie een heropening der debatten uitlokken en deed zij een poging om dit stuk alsnog in de debatten te behouden, zonder akkoord van de tegenpartij (eiser na cassatie vordert ter zitting uitdrukkelijk de wering van dit stuk), door te stellen dat dit stuk ondertussen niet meer zou kunnen geweerd worden uit de debatten aangezien het ondertussen wel werd meegedeeld aan de fiscale administratie.

Zelfs indien het hof het kwestieuze stuk niet uit de debatten zou weren dan is het hof van oordeel (zonder dat het nodig is voor dit oordeel kennis te nemen van de inhoud ervan) dat dergelijke syntheseconclusies opgesteld in de strafzaak sowieso als stuk achterhaald en niet langer relevant is wegens het ondertussen tussengekomen definitief arrest gewezen in de strafzaak.

### *2.3. Saisine van het hof van beroep te Antwerpen na verwijzing door het Hof van Cassatie*

Wanneer de vernietiging is uitgesproken en in zoverre zij is uitgesproken, worden de partijen voor de rechter naar wie de zaak verwezen wordt, teruggeplaatst in de toestand waarin zij zich bevonden voor de rechter wiens beslissing is vernietigd. De bevoegdheid van de rechter op verwijzing strekt zich uit tot ai datgene wat tot de bevoegdheid behoorde van de rechter aan wie de zaak onttrokken is.

De omvang van de vernietiging is in principe altijd beperkt tot de punten van de beslissing waartegen de voorziening in cassatie gericht is. De verwijzingsrechter kan zich bijgevolg in de regel niet uitspreken over de punten waartegen geen voorziening in cassatie werd ingesteld (deze zijn immers definitief geworden, hebben kracht van gewijsde gekregen). De omvang van de vernietiging is in de regel beperkt tot de draagwijdte van het middel dat ten grondslag ligt aan de vernietiging; het staat in die stand van de rechtspleging aan de verwijzingsrechter over die omvang te beslissen ongeacht de door het Hof gebruikte bewoordingen.

In het geval van gedeeltelijke cassatie, wanneer het Hof de zaak in beperkte mate verwijst, verstaat het hieronder dat het niet bestreden of niet vernietigde beschikkende gedeelte van de bestreden beslissing, dat zelf onderscheiden is van de draagwijdte van de cassatie en waartegen aldus geen enkele voorziening nog kan worden toegelaten, niet meer ter discussie kan worden gebracht voor de rechter naar wie de zaak wordt verwezen. Het hof is van oordeel dat te dezen de ontvankelijkheid van het hoger beroep van eiser na cassatie thans niet meer ter discussie kan worden gebracht. Bij arrest van het Hof van Cassatie van 19 mei 2022 werd immers beslist tot vernietiging van het arrest van het hof van beroep te Gent behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaarde.

In bepaalde gevallen kan de omvang van de vernietiging uitgebreid worden tot andere punten van de bestreden uitspraak dan deze die werden aangevochten door de cassatiemiddelen, o.m. wanneer er een onsplitsbare band bestaat tussen de punten van eenzelfde uitspraak of indien een vernietigd punt de vernietiging meebrengt van een ander punt van de beslissing die het gevolg is van of voortvloeit uit het vernietigd punt. Wanneer het Hof een punt van een beschikkend gedeelte van een vonnis of arrest heeft vernietigd, kan de rechter op verwijzing uitspraak doen over een middel tegen een niet vernietigd punt van een beschikkend gedeelte van die beslissing, indien dat het gevolg was van het vernietigde punt van het beschikkend gedeelte en de uitgesproken vernietiging noodzakelijkerwijze ook daarop betrekking had.

De reden van vernietiging door het Hof van Cassatie betrof het niet beantwoorden van een verweer van verweerster na cassatie, met name het verweer dat het dwangbevel nietig was omdat het bevel niet geviseerd en uitvoerbaar was verklaard door een bevoegd persoon en verweerster na cassatie zich wat dat betrof naar de wijsheid gedroeg van de rechter en aldus de geldigheid betwiste van het dwangbevel en dit verweer diende beantwoord te worden door de rechter. Ingevolge de vernietiging van het bestreden arrest om die reden, vervallen, behoudens de beslissing over de ontvankelijkheid van het hoger beroep, ook de overige beslissingen van het arrest van het hof van beroep te Gent omwille van de nauwe banden die tussen die beslissingen bestaan. Het middel dat verband hield met de voorgehouden nietigheid van het dwangbevel heeft betrekking op het geheel van de zaak (BTW‑vordering) zodat de vernietiging noodzakelijkerwijze betrekking heeft op de volledige beslissing ten gronde. De rechter dient immers bij de beoordeling ten gronde rekening te houden met de door de partijen aangevoerde gevolgen van de eventuele nietigverklaring van het dwangbevel, onder meer op het vlak van de verjaring.

Het hof dient te dezen dan ook volledig opnieuw ten gronde te oordelen.

### *2.4. Nietigheid dwangbevel?*

Verweerster na cassatie stelt dat het dwangbevel dat samen met het proces‑verbaal van 21/11/2014 werd betekend aan haar op 03/12/2014, nietig zou zijn en geen geldige stuitingsdaad zou uitmaken zodat de BTW‑vordering zou verjaard zijn.

Krachtens [artikel 85, § 1, eerste lid, Btw‑Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) wordt bij gebreke van voldoening van de belasting, interesten, administratieve geldboeten en toebehoren door de met de invordering belaste ambtenaar een dwangbevel uitgevaardigd. Dit wordt geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen of door de door hem aangewezen ambtenaar en, in de gevallen bepaald door de Koning, door de gewestelijke directeur van de administratie der douane en accijnzen of door de door hem aangewezen ambtenaar.

Wanneer de wet de bevoegdheid om een dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren, verleent aan de gewestelijke directeur van de administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, wordt hiermee de functie en niet de persoon bedoeld.

Het dwangbevel moet, om geldig te zijn, geviseerd en uitvoerbaar worden verklaard door de ambtenaar die op het ogenblik dat hij optreedt, daadwerkelijk de functie van gewestelijke directeur uitoefent of die daartoe door de gewestelijke directeur werd aangewezen.

Het hof stelt vast dat het dwangbevel op 28/11/2014 geviseerd en uitvoerbaar verklaard werd door de heer D.S., adviseur‑gewestelijk directeur a.i. Algemene Administratie van de Fiscaliteit (AAFisc), Directie BTW Brugge.

De gebruikte afkorting a.i. bij de ondertekening staat voor het Latijnse "ad interim" en wordt gebruikt bij het tijdelijk vervullen van een functie. De voorgelegde stukken bevestigen deze aanstelling ad interim. Uit het aanstellingsbesluit van 23/01/2014 uitgaande van de FOD Financiën, AAFisc Administrateur KMO blijkt dat de heer S. vanaf 01/04/2014 was aangesteld in zijn functie van Adviseur‑Gewestelijk Directeur bij een fiscaal bestuur bij voornoemde directie (zijnde de directie BTW Brugge). Deze aanstelling betekent dat de heer S. wel degelijk vanaf 01/04/2014 bevoegd was om op te treden als Gewestelijk directeur bij de Directie BTW Brugge. Deze aanstelling is bedoeld om de continuïteit van de openbare dienst te garanderen en behoeft geen officiële publicatie voor de rechtsgeldigheid ervan. Het betreft hier geen ambtenaar aan wie deze bevoegdheid werd overgedragen/gedelegeerd. De diverse aanvoeringen van verweerster na cassatie desbetreffend missen feitelijke en juridische grondslag.

Uit de voorgelegde stukken blijkt bijgevolg dat de heer S. werd aangewezen om op te treden als gewestelijk directeur bij de Directie BTW Brugge met ingang van 01/04/2014 en derhalve bevoegd was om het kwestieuze dwangbevel te viseren en uitvoerbaar te verklaren.

Het blijkt te dezen niet dat de uitvoerbaarverklaring onwettig zou zijn.

Het hof is derhalve van oordeel dat het kwestieuze dwangbevel stuitende werking had. Het dwangbevel werd aangetekend ter kennis gebracht van verweerster na cassatie op 03/12/2014, zijnde nog binnen de gewone driejarige termijn voor het belastbaar tijdperk van 01/01/2011 tot 31/08/2014. Overeenkomstig [artikel 85 §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) stuit die kennisgeving de verjaring van de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten, van de administratieve geldboeten en toebehoren.

De vordering tot voldoening van de btw, van de interesten en van de administratieve geldboeten begint te verjaren vanaf de dag dat deze vordering ontstaat ([art. 81 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81)). Er bestaat geen discussie tussen partijen dat verweerster na cassatie kwartaalaangever is en dat de vrijstellingen voor intracommunautaire leveringen werd ingeroepen voor het belastbaar tijdperk van 01/01/2011 tot 31/08/2014. Evenmin is er discussie over het feit dat het dwangbevel aangetekend ter kennis werd gebracht aan verweerster na cassatie op 03/12/2014.

Er is verjaring voor de vordering tot voldoening van de belasting, van de interesten en van de administratieve geldboeten, na het verstrijken van het derde kalenderjaar volgend op dat waarin de oorzaak van opeisbaarheid van die belasting, interesten en administratieve geldboeten zich heeft voorgedaan.

Ingevolge de stuiting wordt de verjaring pas verkregen vijf jaar na de laatste stuiting van de vorige verjaring.

De vordering in rechte werd ingesteld bij de rechtbank van eerste aanleg op 30/03/2015 door de belastingplichtige. Dit verzet tegen zowel het proces‑verbaal als het dwangbevel schorst de verjaring. Deze schorsing vangt aan met de akte van rechtsingang en eindigt wanneer de rechterlijke beslissing in kracht van gewijsde is gegaan, hetgeen tot op heden nog niet het geval is ([art. 83 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83)).

Er is derhalve geen sprake van verjaring van de BTW‑vordering.

***2.5. Het proces‑verbaal van 21/11/2014***

Verweerster na cassatie stelt dat het proces‑verbaal de wapengelijkheid schendt. Verder houdt verweerster na cassatie voor dat er een schending is van de zorgvuldigheid, het behouden van het rechtmatig vertrouwen en van het behoorlijk bestuur.

Uit het dossier blijkt dat de bijzondere belastinginspectie voor het eerst controles bij verweerster na cassatie heeft aangevat op 10 april 2014 om inlichtingen te kunnen verstrekken over de vragen vanwege de buitenlandse administraties bij toepassing van de Verordening 904/2010. De relevante vragen om inlichtingen uitgaande van de Griekse, Bulgaarse, Hongaarse en Duitse belastingadministratie maken deel uit van het voorgelegde administratief dossier. Deze informatie van de buitenlandse belastingadministratie en de vaststellingen door de BBI zijn duidelijk. Op basis van de controle van de uitgaande handelingen werd vastgesteld dat de omzet van verweerster na cassatie hoofdzakelijk bestond uit intracommunautaire leveringen. Die leveringen bedroegen voor de jaren 2011 tot 08/2014 respectievelijk 75%, 78%, 72% en 93% van de totale omzet. Uit de beschikbare gegevens bleek dat 10 intracommunautaire klanten, namelijk Bulgaarse, Griekse en Hongaarse klanten, samen verantwoordelijk waren voor de aankoop van 3263 wagens in de betrokken periode. De meeste BTW‑nummers van deze klanten, resp. 8 op de 10, waren na een korte periode niet meer geldig. Geen van de intracommunautaire verwervingen via verweerster na cassatie was door de 'missing traders' in hun land van herkomst aangegeven.

De aanvang van het onderzoek is derhalve wel degelijk gekend. Verweerster na cassatie maakt geenszins aannemelijk dat voor de uitoefening van haar rechten noodzakelijke stukken zouden ontbreken. Evenmin blijkt dat eiser na cassatie opzettelijk stukken zou achterhouden die relevant zouden zijn voor de bestreden BTW‑vordering. Het hof oordeelt op basis van de stukken die thans worden voorgelegd aan het hof en die aan tegenspraak werden onderworpen. Het blijkt ook niet dat er door de belastingadministratie gebruik gemaakt wordt van bewijsmiddelen die zouden verkregen zijn op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat dit gebruik onder alle omstandigheden als ontoelaatbaar moet worden geacht, of dit gebruik het recht van de belastingplichtige op een eerlijk proces in het gedrang brengt. Er is derhalve geen sprake van een schending van de wapengelijkheid noch van de rechten van verdediging. In casu meent het hof dat de rechten van de BTW‑plichtige wel degelijk werden gerespecteerd.

Voor zover de lokale controledienst zou hebben aangenomen dat intracommunautaire leveringen met vrijstelling konden gebeuren, moet geoordeeld worden dat die aannames gebaseerd zijn op valse informatie en stukken (zie hierna verder onder 2.6). De controle door de lokale controledienst van 10 september 2013, gevolgd door een correctieopgave, betrof voornamelijk een controle van de aftrekregeling bij verweerster na cassatie, hetgeen normaal is daar een lokaal controleur niet over dezelfde mogelijkheden beschikt om buitenlandse afnemers na te gaan. Verweerster na cassatie kon geen gewettigd vertrouwen of rechten putten uit voorgaande controles.

Opmerkelijk is de vaststelling dat zelfs na de kennisgeving van het proces‑verbaal van 21 november 2014 waarin de Hongaarse klant Cie5 als een missing trader wordt aangeduid, verweerster na cassatie verder aan deze "afnemer" formeel intracommunautaire leveringen bleef verrichten en aanspraak bleef maken op de vrijstelling van btw. Zeker in die context is het onaanvaardbaar dat verweerster na cassatie aan die "klant" is blijven leveren zonder op grond van een minimale voorzichtigheid te eisen dat de afnemer bewijst dat de wagens werkelijk als een intracommunautaire verwerving zijn aangegeven.

Er is geen sprake van een schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur.

### *2.6.* [*Artikel 39 bis WBTW*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis)

Op grond van artikel 39bis, lid 1, 1° W.btw zijn van de belasting vrijgesteld, de leveringen van goederen door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56, § 2 W.btw, door de afnemer of voor hun rekening, verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap, die worden verricht voor een andere belastingplichtige, of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lidstaat en die er aldaar toe gehouden zijn hun intracommunautaire verwervingen van goederen aan de belasting te onderwerpen, voor zover die leveringen van goederen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij art. 58, § 4 W.btw.

[Artikel 1 van het Koninklijk Besluit nr. 52](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9#ar52-art1) van 29 december 1992 (met betrekking tot de vrijstellingen betreffende de intracommunautaire leveringen van goederen en de ermee gelijkgestelde handelingen, alsook betreffende de intracommunautaire verwervingen van goederen, op het stuk van de belasting over de toegevoegde waarde), zoals van toepassing op het huidige geschil, bepaalt dat de in [artikel 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) van het wetboek bedoelde vrijstelling afhankelijk is van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap.

[Artikel 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-december-betrekking-bewijsregeling-vrijstellingen-4cdb#ar52-art2) van dit besluit bepaalt dat de in [artikel 39bis, eerste lid, 1°](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) van het wetboek bedoelde vrijstelling bovendien afhankelijk is van het bewijs dat de levering geschiedt voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere lidstaat.

Krachtens [artikel 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-december-betrekking-bewijsregeling-vrijstellingen-4cdb#ar52-art3) van dit besluit moet de verkoper te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt en moet hij ze op ieder verzoek van de met de controle van de belasting over de toegevoegde waarde belaste ambtenaren overleggen. Die stukken zijn onder meer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken.

De toepassing van de vrijstelling vereist dat aan deze voorwaarden voldaan is. De bewijslast van het recht op de toekenning van deze vrijstelling rust op degene die aanspraak maakt op een dergelijk recht (HvJ, arrest Twoh International, [C‑184/05](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-184-05-arrest), 27 september 2007, pt 26). De belastingplichtige kan die bewijslast niet afwentelen op haar Staat. De Staat is niet verplicht op verzoek van de belastingplichtige inlichtingen op te vragen aan de lidstaat van de bestemming van de intracommunautaire levering. De voorwaarden waaraan voldaan moet zijn voor de rechtmatige toepassing van de vrijstelling zijn vastgelegd in KB nr. 52 van 29 december 1992. In dit KB is bepaald dat de vrijstelling afhankelijk is van het bewijs dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1) en de levering geschiedt voor een belastingplichtige die voor btw‑doeleinden is geïdentificeerd in de andere Lidstaat (artikel 2). Alle stukken die de echtheid van de intracommunautaire levering bewijzen dienen op verzoek aan de controlerende ambtenaren te worden voorgelegd (artikel 3).

De belastingplichtige moet de geldige toepassing van de vrijstelling bewijzen aan de hand van een geheel van gebruikelijke en met elkaar overeenstemmende handelspapieren, zoals bestelbons, facturen van de vervoerder, vervoersbewijzen, betalingsstukken, contracten, ontvangsten van betaling enz..

Deze bewijsvoering is in hoofde van de belastingplichtige op zich vrij. De BTW‑belastingplichtige maakt rechtmatig aanspraak op zijn recht op aftrek indien de materiële voorwaarden daartoe zijn vervuld, ook wanneer niet voldaan is aan bepaalde formele voorwaarden (zie [Circulaire 2017/C/64](https://juriel.be/nl/omzendbrieven/2017-c-64-factuur-voorwaarde-uitoefenen-recht-aftrek-242e) betreffende de factuur, voorwaarde voor het uitoefenen van het recht op aftrek inzake Btw).

Dat formeel aan de voorwaarden voldaan is of zou zijn, verleent de BTW‑belastingplichtige geen absoluut recht op de vrijstelling.

Het is immers vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat niemand in geval van bedrog of misbruik aanspraak kan maken op rechten die voortvloeien uit het rechtsstelsel van de Unie (HvJ 18 december 2014, Italmoda, [C‑131/13](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-131-13-arrest), C‑163/13, C‑164/13, stuk 36 eiser na cassatie). De Unieregeling mag niet zo (ruim) worden toegepast dat zij gevallen van misbruik dan wel bedrog dekt. Het is een toepassing van het rechtsbeginsel "fraus omnia corrumpit": men kan zich nooit op zijn bedrog beroepen, noch in contractuele noch in buitencontractuele verhoudingen, om de toepassing van een rechtsregel in zijn voordeel te rechtvaardigen.

Daarvoor is niet vereist dat de btw belastingplichtige zelf belastingfraude pleegt. Het volstaat dat de BTW‑belastingplichtige wist of had moeten weten dat de handeling waaraan hij deelnam, onderdeel was van btw-fraude door de leverancier of een andere ondernemer die in een eerder of later stadium van de toeleveringsketen actief was (HvJ 6 juli 2006, samengevoegde zaken Axel Kittel tegen Belgische Staat ([C‑439/04](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-439-04-arrest)) en Belgische Staat tegen Recolta Recycling SPRL ([C‑440/04](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-439-04-arrest)), ptn. 45, 46, 56 en 60, https://eur-lex.europa.eu/legal-content/NL/TXT/?uri=CELEX%3A62004O0439).

De vrijstelling kan derhalve geweigerd worden indien op basis van het geheel van de beschikbare concrete feitelijke elementen moet worden afgeleid, meer zelfs, zonder gerede twijfel moet worden besloten dat de belastingplichtige wist dat hij betrokken was in een fraudecircuit.

De volgende concrete elementen in het dossier laten toe met zekerheid te besluiten dat verweerster na cassatie wist dat zij deel uitmaakte van een fraudecircuit.

Het hof stelt vooreerst vast dat verweerster na cassatie actief is in een fraudegevoelige sector van de recente tweedehandswagens. Het is een algemeen bekend gegeven dat de sector van de internationale handel in (recente) tweedehandswagens een fraudegevoelige sector is. Eenieder die de keuze maakt zich in die sector te begeven en er te goeder trouw wil opereren, weet of moet weten dat zich een dubbele of bijzondere voorzichtigheid opdringt. Met betrekking tot elk aspect van de transacties zijn er in deze vaststellingen die wijzen op het verdachte karakter ervan en die erop wijzen dat de verweerster na cassatie niet onwetend kon zijn, zeker niet indien al deze elementen samen worden bekeken.

Verweerster na cassatie was een relatief kleine onderneming in tweedehandsvoertuigen en kende plots in 2011 een explosieve groei van omzet door de verkoop van wagens (vervallen leasecontracten) aan Bulgaarse, Griekse en Hongaarse klanten.

Het is tussen de partijen geen geschilpunt dat naar aanleiding van het onderzoek is vastgesteld dat de klanten van de betwiste intracommunautaire leveringen van verweerster na cassatie zogenaamde "missing traders" zijn. Het zijn allemaal ondernemingen die geen intracommunautaire verwervingen hebben aangegeven en zelfs op geen enkele wijze hun fiscale verplichtingen vervuld hebben.

Zeer kenmerkend voor de fraude is de cascade van opeenvolgende klanten die allen slechts een korte periode in het systeem gebruikt worden om te worden opgevolgd door een andere klant. Deze "klanten" werden steeds vertegenwoordigd door "volmachthouders" R. en A.. Geen enkele van de afnemers heeft intracommunautaire verwervingen aangegeven. Tevens blijkt uit de vaststellingen dat 'handel in voertuigen' geen deel uitmaakte van de handelsactiviteiten van deze vennootschappen.

Zo werd onder meer vastgesteld:

•Wat betreft afnemer Cie2 ...:

Volgens de Hongaarse administratie heeft afnemer Cie2 niet voldaan aan zijn fiscale verplichtingen. De laatst ingediende BTW‑aangifte heeft betrekking op juli 2011, daarin werden enkel interne aankopen en interne verkopen aangegeven. Voor het eerste en tweede kwartaal van 2013 werden nihil aangiften ingediend. Het BTW‑nummer werd geannuleerd op 30 augustus 2012, en de afnemer is in vereffening sinds 14 maart 2013.

Verweerster na cassatie factureerde aan deze afnemer van 24 september 2012 tot en met 19 november 2012 voor € 621.700 aan voertuigen, hoewel het BTW‑nr. van deze afnemer reeds geschrapt was op 30 augustus 2012.

Deze afnemer maakte gebruik van 4 verschillende bedrijfsstempels qua lay‑out. Zelfs voor eenzelfde transactie werden voor de verklaringen van zelfoverbrenging, de CMR's en op de doordruk van de daaraan gekoppelde factuur verschillende stempels gebruikt. Er werd vastgesteld dat de naam van E.R.B. op verschillende schrijfwijzen en met verschillende handschriften werd geschreven. In bepaalde gevallen werden 2 verschillende originele handtekeningen op hetzelfde stuk gebruikt.

Alle handtekeningen van E.R.B. op de voorgelegde documenten met betrekking tot de transacties verschillen zichtbaar met zijn handtekening op zijn identiteitskaart.

Er kon een doordruk van de handtekening in vak 16 van de CMR's worden vastgesteld op de daaropvolgende stukken hetgeen bewijst dat de documenten met betrekking tot de verkoop tegelijk werden opgemaakt met deze die de levering op de bestemming moeten bewijzen.

De documenten van de verkopen bevatten geen bewijs van consultatie van het VIES ofwel verschilt de printdatum met de datum van de factuur, terwijl verweerster na cassatie beweert dat zij altijd vooraf het VIES controleerde.

•Wat betreft De afnemer Cie3 ...:

Vanaf de BTW‑registratie op 20 september 2011 tot en met de registratie op 3 september 2012 heeft deze afnemer 4 verkopen aan 1 Bulgaarse belastingplichtige en 1 aankoop bij 1 Bulgaarse belastingplichtige aangegeven. Er werden geen intracommunautaire verwervingen aangegeven vanwege verweerster na cassatie.

Verweerster na cassatie heeft over een periode van 2 maand (van 29 juni 2012 tot en met 30 augustus 2012) voor een bedrag van € 1.299.715 verkocht aan deze voor verweerster na cassatie onbekende belastingplichtige, die 1 jaar heeft bestaan. Drie dagen na de laatste levering werd het BTW‑nummer geannuleerd.

•Wat betreft de afnemer Cie4 ...:

Het bedrijf diende wel BTW‑aangiften in maar heeft geen intracommunautaire verwervingen aangegeven van verweerster na cassatie.

Verweerster na cassatie heeft over een periode van ongeveer 8 maanden (van 30 maart 2011 tot en met 12 november 2011) voor € 1.841.350 verkocht aan deze voor verweerster na cassatie onbekende klant.

Op 6 december 2011 werd het BTW‑nummer geannuleerd.

•Wat betreft de afnemer Cie5 ...:

De Hongaarse administratie deelde mee dat het BTW‑nummer van deze afnemer geschorst was gedurende de periode van 29 december 2012 en 27 maart 2013. Er werden geen intracommunautaire verwervingen aangegeven en tijdens de jaren 2013 en 2014 werden nihil aangiften ingediend. Er kon niemand aangetroffen worden. Er gebeurden geen verrichtingen op de financiële rekening van de onderneming.

Verweerster na cassatie factureerde wagens aan deze afnemer ten bedrage van € 529.000 in 2012, € 2.968.545,00 in 2013 en € 4.314.250,00 tot op datum van de controle. Geen enkele van de aangekochte wagens werd ingeschreven in Hongarije.

•Wat betreft de afnemer D.H.N. EL ...:

De Griekse belastingadministratie deelde op verzoek van eiser na cassatie mee dat deze afnemer als hoofdactiviteit de groothandel in kleding en als nevenactiviteit groothandel in schoeisel heeft.

Het bedrijf startte haar activiteiten op 14 februari 2011 maar er kon verder niets over het bedrijf worden teruggevonden. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft de Griekse belastingdienst op 6 augustus 2012 het BTW‑nummer gedeactiveerd.

Verweerster na cassatie factureerde aan deze afnemer in een periode van vijf maanden (van 5 februari 2013 tot en met 24 juli 2013) voor € 2.544.250,00 aan intracommunautaire leveringen.

Op basis van de voorgelegde stukken is duidelijk zichtbaar dat de handtekeningen van D.H.N. op de CMR's niet steeds dezelfde zijn. Bovendien is zijn handtekening op de CMR van 6 februari 2013 identiek aan deze van de klant die hem in de cascade opvolgde, met name aan de handtekening van de Hongaarse afnemer Cie5.

•Wat betreft de afnemer Z.H.A. EL ...:

Volgens de informatie van de Griekse belastingdienst is deze afnemer een "missing trader". Een controle ter plaatse werd verricht in maart 2012 maar niemand werd aangetroffen. Deze afnemer heeft nooit intracommunautaire verwervingen aangegeven. Het BTW‑nummer werd geschrapt op initiatief van de Griekse administratie op 17 juli 2012.

Verweerster na cassatie verrichtte intracommunautaire leveringen aan deze afnemer vanaf het 2de kwartaal 2011 tot en met het eerste kwartaal 2012 voor een bedrag van € 1.838.018,00.

Tijdens de huiszoeking uitgevoerd bij verweerster na cassatie werden stempels aangetroffen in het bureel van het privaat gedeelte van het domein. Deze stempels stonden op naam en bevatten de volledige gegevens van twee zeer belangrijke (qua getal en aantal) Hongaarse 'klanten', namelijk Cie5. en Cie6. In deze sector van de internationale handel in autovoertuigen draagt de aftekening via stempels er in belangrijke mate toe bij om te bewijzen dat de goederen (auto's) België effectief verlaten hebben en bij de buitenlandse klant (op wiens naam er gefactureerd werd) zijn geleverd. Dat deze stempels in handen zijn van de leverancier is een ernstige aanwijzing dat hiermee het papierwerk kan worden geregeld om een erkenning te creëren dat de wagens werkelijk bij de klant zijn aangekomen, terwijl ze in werkelijkheid een andere bestemming kregen. In het fraudesysteem laat het bezit van de stempels van de afnemers door de leverancier toe om meteen en tegelijk verkoopfacturen op te maken op naam van de kopers die als fictieve tussenschakel fungeren in een groter fraudeschema en om zo de ontdekking van de fraude moeilijker te maken.

Tijdens de huiszoeking bij de zaakvoerder van verweerster na cassatie werd een aangetekende zending aangetroffen van 16 september 2014 van een buitenlandse klant. In deze omslag zaten alle stukken die verweerster na cassatie van al zijn klanten bijhoudt (een VIES document van 2011, bedrijfsstempel, paspoort etc...). Deze brief is verzonden na de aankondiging van de controle door de BBI en enkele dagen voorafgaand aan de BBI‑controle op 22 september 2014.

Verweerster na cassatie kende plots in 2011 een explosieve groei van de omzet door de verkoop aan Bulgaarse, Griekse en Hongaarse klanten.

Het hof stelt vast dat verweerster na cassatie doorverkocht met verlies hetzij met een zeer lage winstmarge van ongeveer € 100,00 per wagen.

Hoewel verweerster na cassatie verklaarde geen voorraad te hebben en online te bestellen, bleek uit de analyse van de PC van verweerster na cassatie dat er quasi geen internetverkeer was met de diverse biedingssites. Er werden nochtans door verweerster na cassatie in die periode duizenden auto's verkocht. Deze vaststelling is een ernstige aanwijzing dat verweerster na cassatie niet zelf de aankopen van de voertuigen verrichtte maar door de werkelijke kopers gebeurden aan de hand van de logingegevens van verweerster na cassatie. Uit het definitief arrest gewezen in de strafzaak blijkt dat uit nazicht van het mailverkeer van de zaakvoerder van verweerster na cassatie bleek dat deze zijn professionele login en paswoord van de biedingsites doorstuurde aan derden.

Er kunnen geen contracten, bestelbonnen etc. worden voorgelegd.

Het waren bijna steeds dezelfde twee personen, met name R. en A., die op basis van identieke volmachten de vertegenwoordigers waren van Griekse, Hongaarse en Bulgaarse klanten. De handtekeningen van volmachtgever/drager is niet steeds dezelfde. Veel van die volmachten van verschillende bedrijven, zijn tegelijk opgemaakt op 1 oktober 2013 door één en dezelfde persoon. Op 22 september 2014 verklaarde de zaakvoerder van verweerster na cassatie het volgende: "*Als er een aantal wagens aangekocht zijn, wordt er contact opgenomen met mijn contactpersonen en zij beslissen dan welke buitenlandse vennootschap welke wagens aankopen*". Dit toont duidelijk aan dat éénzelfde organisatie schuil ging achter deze vennootschappen die in werkelijkheid geleid werden door dezelfde organisatoren van de fraude. Dit wijst erop dat de afnemers niet de werkelijke kopers maar louter instrumenten of schijnvehikels waren om de aankopen formeel correct voor te stellen. Uit deze verklaring van verweerster na cassatie en de omvang van de transacties kan niet anders dan worden besloten dat verweerster na cassatie en haar zaakvoerder wisten dat ze meewerkten aan een schijnvertoning.

Hoewel A. de gevolmachtigde was voor de aankoop bij de verweerster na cassatie van duizenden wagens, verklaarde hij niets te kennen van de autosector en niet over een rijbewijs te beschikken, noch te kunnen autorijden.

A. werd veroordeeld door een meervoudige strafkamer van de rechtbank te Amsterdam bij vonnis van 6 maart 2018 tot een gevangenisstraf van 24 maanden wegens het onder meer witwassen van € 10.024.790,00 ingevolge cash stortingen op de B‑post rekening van verweerster na cassatie. Uit dit vonnis blijkt dat A. als gevolmachtigde optrad namens frauduleuze buitenlandse handelaars in auto's. Daarbij ondertekende hij onder meer blanco documenten ten huize van de zaakvoerder van verweerster na cassatie. Wat betreft de volmachten laat de rechter er geen twijfel over bestaan dat het gaat om vervalste documenten, gelet op het knip – en plakwerk (pag. 4, voorlaatste al. van het vonnis).

De heer A. verklaarde dat hij gedurende een aantal jaren iedere week of om de week naar België ging met verschillende personen, alwaar geld werd overhandigd aan de zaakvoerder van verweerster na cassatie. De zaakvoerder telde het geld en stelde een brief op waarmee naar het postkantoor werd gegaan. A. verklaarde voorts dat hij verschillende documenten moest ondertekenen ten huize van de zaakvoerder van verweerster in hoger beroep, waaronder ook blanco documenten.

Hij verklaarde kennis te hebben van de problemen die verweerster na cassatie had bij de belastingdiensten en dat bij de zaakvoerder van verweerster na cassatie snel een bedrijf diende te worden geactiveerd omdat door de problemen met de belastingdiensten de Hongaarse afnemer "Cie5" was uitgeschreven. Hij verklaarde dat bij de zaakvoerder thuis veel documenten lagen die door verschillende mensen moesten worden ondertekend zodat de zaak bij de belastingdienst sterk kon worden gemaakt. Volgens A. maakte verweerster na cassatie er ook een probleem van dat de kopers formeel niet actief waren in de autosector, maar het bijvoorbeeld kleding- of schoenbedrijven betroffen. Dit probleem zou opgelost worden via de boekhouder.

A. verklaarde dat verweerster na cassatie beschikte over een geldtelmachine waarmee het cash geld geteld werd. Nadat het geld was geteld, kreeg A. het in handen om het dan met een of twee personen naar de cie9 te brengen. Als het geld gestort was, diende het bewijs daarvan aan de zaakvoerder van verweerster na cassatie overhandigd te worden (Proces‑verbaal 507006/2018 van 20 september 2017 (IRC Nederland, verhoor A.).

A. verklaarde dat hij meermaals blanco documenten ondertekende bij de verweerster na cassatie (Proces‑verbaal 514043/2017 van 19 september 2017 (Inlichtingen rechtshulponderzoek – verhoor A.,).

Er werd onderzoek gevoerd naar het gebruik van de creditcard van A.. Daaruit blijkt dat A. vaak in het buitenland was op momenten dat fysieke transacties met A. zouden hebben plaatsgevonden in België, volgens de documenten die verweerster na cassatie voorlegt. De stelling van verweerster na cassatie dat A. zijn creditcard dan wel zal hebben uitgeleend aan iemand anders strookt niet met het onderzoek van de Samsung telefoon van A.. Daaruit blijkt dat het gebruik van de creditcard overeenkomt met de aangetroffen gegevens op de Samsung telefoon die toen verbinding maakte met een buitenlands WIFI‑netwerk. Tevens werden facturen en reisbewijzen aangetroffen bij A. die overeenkomen met de landen of buitenlandse steden waarop de creditcard werd gebruikt. Op die momenten was A. in België volgens de bewijsstukken van verweerster na cassatie. Daarmee geconfronteerd, verklaarde verweerster na cassatie dat de datums vooraf ingevuld werden omdat dit tijdsbesparend is tijdens de afhandeling van de verkoop. Hiermee erkent verweerster na cassatie dat de data op de documenten niet met de werkelijkheid overeenstemmen.

R. en A. kochten als 'volmachthouders' ook bij andere leveranciers dan verweerster na cassatie, zoals Cie7, waarover de rechtbank van eerste aanleg te Leuven in een vonnis van 10 april 2020 oordeelde dat de intracommunautaire leveringen terecht werden verworpen en dat, gelet op de ganse handelswijze van de transacties, deze leverancier had moeten weten dat ze participeerde aan een fraudecircuit.

De verhoren van A. maken duidelijk dat een criminele organisatie stelselmatig buitenlandse bedrijven op naam liet zetten van arme mensen die vervolgens officieel wagens kochten die in werkelijkheid allemaal naar de automarkten in ... gingen om daar in het zwart te worden verkocht.

Hoewel er werd verkocht aan Griekse, Bulgaarse en Hongaarse kopers, werden de wagens getransporteerd naar Berlijn.

Waar het transport officieel volledig geregeld werd door de 'kopers', was het verweerster na cassatie die de transporteur Cie8 "voorstelde".

Cie8 is de transporteur die volgens verweerster na cassatie op verzoek van de afnemers maar op haar aanraden de transporten verrichte naar het buitenland. De transporteur verklaarde op 4 oktober 2014 het volgende: "*al de verschillende vennootschappen, voor mij verandert er niets aan de verschillende personen die ik zie. R. en zijn maten vertegenwoordigen de verschillende buitenlandse vennootschappen.*". Ook voor de transporteur was het duidelijk dat de verschillende afnemers maar een schijnvertoning waren aangezien in werkelijkheid altijd dezelfde personen de transacties regelden.

De transporteur G.P. (Cie8) verklaarde dat een boek met CMR's in het bezit was van de (zaakvoerder van) verweerster na cassatie. Hij verklaarde dat hij vaak zelf de CMR's aftekende bij levering. Hij kon geen uitleg verstrekken over vastgestelde anomalieën op de CMR's. Identieke CMR's die het transport moeten aantonen, één in bezit van de verkoper en één in bezit van de transporteur, vertonen verschillende handtekeningen van de afnemer. In de boekhouding van Cie1 zit voor elke levering een document EX1 van de CMR die voor ontvangst door de klant is afgetekend in vak 16. Cie8 doet het transport in opdracht van de klant naar Berlijn. In principe blijft het document EX1 van de CMR bij de verkoper. Bij nazicht van de boekhouding van de transporteur Cie8 werd vastgesteld dat vak 16 van de EX 3 en EX 4 van de CMR's ofwel niet zijn afgetekend voor ontvangst, ofwel zijn afgetekend met een andere handtekening dan deze op het EX 1 in het bezit van verweerster na cassatie.

Verweerster na cassatie verklaarde dat de CMR's aan haar terugbezorgd werden na het transport met de handtekening van A., terwijl A. verklaarde de CMR's te ondertekenen in het huis van de zaakvoerder van de verweerster na cassatie.

Ook in de boekhouding van verweerster na cassatie werden tal van onregelmatigheden vastgesteld (PV nr. 507989/2019 van 23 mei 2019, eiser na cassatie).

Zo werden 7 ontvangstbewijzen aangetroffen, waar naam en handtekening van de contactpersoon niet in originele tekstkleur waren, maar een kopie zijn van een ander ontvangstbewijs van een andere factuur. De zaakvoerder antwoordde "*ik zal geen blanco exemplaren meer gehad hebben en een kopij genomen hebben*", waarmee verweerster na cassatie erkent dat de ontvangstbewijzen nagemaakt zijn en geen correcte weergave zijn van de werkelijkheid.

Voor de afnemer "Cie3" werden 2 volmachten opgemaakt, één voor A. verkregen van Z.I., zaakvoerder van deze vennootschap, en één voor Z.I. zelf, die op zijn beurt volmacht had gekregen van zijn gevolmachtigde, A.. Daarmee geconfronteerd, verklaarde de zaakvoerder van verweerster na cassatie dat twee volmachten dienden te worden opgemaakt om 'zeer zeker in orde te zijn'.

Er werd vastgesteld dat ontvangstbewijzen CMR's stempels bevatten van 2 verschillende bedrijven. Dit wijst uit dat achter de formele afnemers steeds dezelfde personen schuil gingen.

Er werd vaak vastgesteld dat het tweede origineel exemplaar van een CMR, bestemd voor de geadresseerde en bij te houden door de geadresseerde, werd aangetroffen bij verweerster na cassatie.

Er werden handtekeningen vastgesteld op verklaringen van zelfoverbrenging door onbekende personen die geen volmachtdrager/houder waren.

Er gebeurden vaak betalingen nog voor er een factuur werd opgemaakt.

De betalingen gebeurden in contanten vaak boven of net onder de drempel voor een witwasmelding en de saldo's werden overgeschreven via buitenlandse (Duitse) rekeningen die niet op naam van de afnemer stonden. De Duitse administratie heeft inlichtingen ingewonnen met betrekking tot de betalingen via Duitse rekeningen waaruit is gebleken dat door Hongaarse staatsburgers meermaals een bankrekening werd geopend bij de Duitse "Cie9". Vanaf deze bankrekeningen werden aanzienlijke bedragen overgeschreven naar de bankrekening van verweerster na cassatie. De rekeninghouders zijn overwegend "kleinverdieners". In diverse filialen van de Cie9 werden hoge bedragen cash gestort om dan te worden overgeschreven naar de rekening van verweerster na cassatie. Voor de periode 2012‑2014 zijn er overschrijvingen gekend ten bedrage van € 2.818.000. Op grond van eigen internet‑consultatie gaat de Cie9 ervan uit dat de rekeninghouders personen zijn zonder enige economische achtergrond en dat de overschrijvingen te maken hebben met het witwassen van illegaal geld. Wie de daadwerkelijke koper van deze voertuigen is of op welke wijze deze voertuigen verder worden verhandeld blijkt niet uit het dossier en kan niet worden gecontroleerd. Ook de CFI deed over de cash‑stortingen een witwasmelding aan de CAD (coördinatiediensten antifraude).

Op basis van het geheel van de voormelde gegevens en de stukken van het dossier blijkt met zekerheid dat een buitenlandse criminele organisatie minstens sinds 2011 grootschalige BTW‑ en fiscale fraude pleegde door de officieuze verkoop van tweedehandse auto's op de automarkt te Berlijn. Elk aspect en elke schakel van de transacties bevatten zeer duidelijke verdachte elementen die een normale eerlijke deelnemer in deze sector moest doen afzien van elke deelname aan (elk aspect van) dergelijke transacties. De Duitse opsporingsdienst belastingen deelde aan de Belgische bevoegde belastingambtenaren mee dat deze (grensoverschrijdende) werkwijze op de Berlijnse automarkten een systeemfraude is en meermaals werd vastgesteld, ook met Nederlandse leveranciers.

Er kan geen twijfel over bestaan dat verweerster na cassatie wist of diende te weten dat zij betrokken was in een fraudesysteem. Meer nog, de elementen van het dossier doen met zekerheid besluiten dat verweerster na cassatie actief, wetens en willens deelnemer was in het fraudesysteem. Verweerster na cassatie was in het fraudesysteem een essentiële schakel als een lokale officiële en actieve autohandelaar die de wagens kon opkopen van leasingbedrijven om ze dan via buitenlandse "missing traders" te doen toekomen aan de criminele organisatie.

Dit alles wordt ook nog eens bevestigd door het arrest van het hof van beroep te Gent van 20/11/2024 gewezen in de strafzaak lastens de zaakvoerder van verweerster na cassatie. Uit het strafdossier is gebleken dat verweerster na cassatie een cruciale schakel was in een fraudesysteem gericht op het op grote schaal aanbieden van voertuigen op de tweedehandsmarkt in Berlijn waarbij het betalen van elke vorm van BTW in België en/of de uiteindelijke verwervende lidstaat ontdoken werd. Verweerster na cassatie bleek formeel de aankoper te zijn van Belgische en Nederlandse tweedehands leasingvoertuigen. In werkelijkheid gebeurden deze aankopen door derden die al dan niet rechtstreeks gebruik maakten van de login-gegevens van verweerster na cassatie bij de diverse biedingsites. De verkoop werd verder geofficialiseerd alsof verweerster na cassatie de werkelijke aankoper was. Dit was nodig omdat de echte aankopers niet geregistreerd waren/raakten bij de verkopende leasingmaatschappijen.

De echte aankopers maakten verder gebruik van Griekse, Hongaarse en Bulgaarse vennootschappen in wiens naam ze zogezegd deze voertuigen aankochten van verweerster na cassatie. Deze vennootschappen hadden veelal geen handel in tweedehands voertuigen als economisch doel. Al deze vennootschappen kenmerken zich als "missing traders" die op geen enkel ogenblik aangifte hebben gedaan van de verwerving van de tweedehandsvoertuigen die zij zogezegd aankochten bij verweerster na cassatie. De voertuigen werden ook nooit geleverd in Griekenland, Hongarije of Bulgarije. De tussenkomst was louter pro forma. Er werd voor geen enkel voertuig ergens in de Europese Unie BTW betaald.

Verweerster na cassatie liet zich systematisch en langdurig inschakelen in een nodeloos complex handels‑ en betalingsschema. Bij de cashtransacties en de transporten kwamen steeds dezelfde figuren tussen, die contactpersonen bleven voor de steeds opeenvolgende 'missing traders' en zij zorgden er voor dat formeel het papierwerk in orde was. Het papierwerk stemde geenszins overeen met de economische realiteit en was er slechts op gericht om ten onrechte de vrijstelling in de zin van artikel 39 bis, lid1, 1° WBTW (zoals van toepassing ten tijde van de feiten) te bekomen en ervoor te zorgen dat er nergens BTW zou worden afgedragen.

Op basis van de concrete gegevens van het dossier blijkt dat verweerster na cassatie geen werkelijke intracommunautaire handelsrelaties had met Bulgaarse, Hongaarse en/of Griekse firma's.

Gelet op al het voorgaande, meer bepaald, de voorgelegde objectieve en met elkaar overeenstemmende gegevens en vaststellingen van de belastingadministratie, de vaststellingen van de verbalisanten in het strafdossier, het definitief arrest van het hof van beroep te Gent van 20/11/2024 gewezen in de strafzaak, is het hof van oordeel dat te dezen bewezen is dat verweerster na cassatie bewust, actief en langdurig deelnam aan het BTW‑fraudecircuit en dat zij daarin een noodzakelijke schakel vormde.

Bijgevolg volstaat het in voormelde omstandigheden niet dat verweerster na cassatie steeds vooraf het VIES geconsulteerd heeft en tal van documenten kon voorleggen die moeten doen geloven dat zij correct gehandeld heeft.

Die zogenaamde voorzorgsmaatregelen zoals verklaringen van vervoer, vervoersbewijzen, afgetekende CMR's kaderen in het opzet van het realiseren, van verborgen houden en het bestendigen van de fraude. Deze formele controles waren doelbewust oppervlakkig en hadden geenszins de bedoeling om op een oprechte wijze na te gaan of de betrokken vennootschappen betrouwbare handelspartners waren maar hadden de bedoeling om bij de binnenlandse en buitenlandse belastingdiensten de indruk/schijn te wekken dat verweerster na cassatie zogezegd alles deed om haar betrokkenheid bij fraude te vermijden.

In het licht van de reeds gemaakte beoordeling is te dezen bewezen dat verweerster na cassatie volstrekt te kwader trouw was. Het gevoerde onderzoek toont aan dat zij (en haar zaakvoerder) samen met de andere leden van de organisatie wetens en willens misbruik hebben gemaakt van het VIES om ogenschijnlijk met vrijstelling te kunnen leveren aan buitenlandse afnemers.

Verweerster na cassatie wist zeer goed dat de formele handelstransacties niet overeenstemden met de werkelijkheid en dat er geen BTW zou worden afgedragen door de Bulgaarse, Hongaarse en Griekse vennootschappen waarmee zij op papier handel dreef.

Het uitvoerige onderzoek bewijst de medeplichtigheid van verweerster na cassatie aan de fraude. Verweerster na cassatie heeft niet het bewijs geleverd dat werd voldaan aan de vereisten gesteld in artikel 39bis W.BTW., namelijk dat het gaat om effectieve levering en vervoer van goederen naar de voorgestelde afnemer binnen de EU. Als mededader in de BTW‑fraude kan de verweerster na cassatie geen rechtmatige aanspraak maken op de vrijstelling van artikel 39bis W.BTW. of het beginsel van de neutraliteit van het BTW‑stelsel (HvJ, 131/13, 18 december 2014, "Italmoda", curia.europa.eu). De aanspraken van de btw‑administratie op de navordering van de btw, zoals die ook uitvoerig zijn toegelicht in het proces‑verbaal van 21 november 2014 en het dwangbevel van 24 november 2014 zijn terecht en gegrond.

Gelet op voorgaande wijst het hof de overige argumentatie van partijen af als niet ter zake dienend en/of overbodig.

### *2.7. De belastingverhoging van 200%*

Wat betreft de opgelegde boete van 200% die in hoofde van verweerster na cassatie (niet in hoofde van haar zaakvoerder) is opgelegd, kan er geen twijfel over bestaan dat het een administratieve boete betreft die een repressief karakter heeft en waarop verweerster na cassatie zich kan beroepen op de waarborgen die zijn voorzien in artikel 6 EVRM.

De rechter mag de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken. Hij mag in het bijzonder nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sanctie en of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. De rechter kan in voorkomend geval, op grond van de genoemde normen, de opgelegde straf opheffen of verminderen (Cass. 24 januari 2002, F.00.0099.N, op http://jure.juridat.just.fgov.be). Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder aan de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat de rechter mag onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. De rechter mag hierbij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit, boeten kan kwijtschelden of verminderen.

Waar in het systeem van de btw de medewerking en goede trouw van de deelnemers van essentieel belang is, is deze georganiseerde systeemfraude een aanslag op de goede werking van de instellingen van de Europese Unie. Als signaal en straf tegen dergelijke aanslagen kan alleen de zwaarste straf volstaan. De belastingverhoging van 200% is terecht, regelmatig en in overeenstemming met de wet opgelegd. De boete is evenredig met de aard, de ernst en de omvang van de fraude. Er kan geen enkele reden aangenomen worden die een uitstel of vermindering van de boete kan verantwoorden.

### *2.8. De gerechtskosten*

Verweerster na cassatie, de in het ongelijk gestelde partij, dient veroordeeld te worden tot de kosten van beide aanleggen.

Het hof stelt vast dat eiser na cassatie niet vertegenwoordigd noch bijgestaan werd/wordt door een advocaat.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van eiser na cassatie zoals bepaald in het beschikkend gedeelte van onderhavig arrest.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

### Beschikkend gedeelte

## 3. Beslissing

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak, binnen de perken van het verwijzingsarrest van het Hof van Cassatie van 19/05/2022.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof weert het stuk "synthese beroepsbesluiten" voor "de heer C.C." tegen het "HET OPENBAAR MINISTERIE" (zijnde syntheseconclusie opgesteld in de strafzaak voor het hof van beroep te Gent), neergelegd ter griffie van het hof op 30/06/2025, uit de debatten.

Het hof weert de conclusie na heropening der debatten van eiser na cassatie uit de debatten.

Het hof verklaart het hoger beroep van eiser na cassatie gegrond als volgt. Het hof vernietigt het bestreden vonnis als volgt.

Het hof verklaart de vordering van verweerster na cassatie ongegrond.

Het hof veroordeelt verweerster na cassatie tot de kosten van beide aanleggen.

Het hof vereffent de kosten in hoofde van eiser na cassatie op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in eerste aanleg, op 284,61 euro kosten van betekening na cassatie en op 0 euro rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak vrij is van rolrecht overeenkomstig art. 279 1, 1°, juncto 162, 4° W.Reg..

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van **31 maart 2026** door

| C. PRINCEN | Raadsheer dd. voorzitter |
| --- | --- |
| E. DE BRAUWER | Raadsheer |
| K. LEYSEN | Raadsheer |
| E. CLEYMANS | Griffier |

…

## Aangehaalde teksten

10

[WBTW art. 39bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-39bis) 3 voorkomens

[WBTW art. 85](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-85) 2 voorkomens

[KB nr. 52 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-vrijstellingen-intracommunautaire-gelijkgestelde-handelingen-b8b9) 1 voorkomen

[KB nr. 52 art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-december-betrekking-bewijsregeling-vrijstellingen-4cdb) 1 voorkomen

[KB nr. 52 art. 3](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-52-december-betrekking-bewijsregeling-vrijstellingen-4cdb) 1 voorkomen

[WBTW art. 81](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-81) 1 voorkomen

[WBTW art. 83](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-83) 1 voorkomen

[C-131/13, arrest van 18 december 2014](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-131-13-arrest) 1 voorkomen

[C-184/05, arrest van 27 september 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-184-05-arrest) 1 voorkomen

[C-439/04 en C-440/04, arrest van 6 juli 2006](https://juriel.be/nl/rechtspraak-unie/c-439-04-arrest) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Schuldenaar van de vordering, Verjaring, Handeling onder bezwarende titel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/schuldenaar-vordering-verjaring-handeling-onder-hof-van-beroep-antwerpen-2024-03-05-3cdb) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Geldigheid van het dwangbevel, Afdoende motivering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/geldigheid-dwangbevel-afdoende-motivering-verwijzing-hof-van-beroep-luik-2022-09-14-7774) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Belastingen over toegevoegde waarde, Akkoordverklaring, Afstand van Geding, Verjaring](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belastingen-toegevoegde-waarde-akkoordverklaring-afstand-hof-van-beroep-2026-01-27-bd27) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaring, nalatigheidsinterest, afstand van geding](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaring-nalatigheidsinterest-afstand-geding-rechtbank-brugge-2025-04-08-ca5a) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijs, Ontvankelijkheid van het bewijs, Regelmatigheid van het bewijs](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-ontvankelijkheid-regelmatigheid-intracommunautaire-levering-cassatie-brussel-2015-05-22-bd5e) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Werken in onroerende staat, Verbouwings- of renovatiewerken](https://juriel.be/nl/rechtspraak/belasting-toegevoegde-waarde-btw-werken-rechtbank-brussel-2025-11-21-35f5) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Strafbepaling, administratieve geldboete, vervolging, geding, rechten en voorrechten schatkist](https://juriel.be/nl/rechtspraak/strafbepaling-administratieve-geldboete-vervolging-geding-hof-van-beroep-gent-2009-05-12-3414) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Dwangbevel, Delegatie van de visa en van de uitvoering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-delegatie-visa-uitvoering-geldigheid-hof-van-beroep-luik-2016-06-10-3f9a) 3 gemeenschappelijke bepalingen
