Intracommunautaire levering, Bewijs, Belastingplichtige geïdentificeerd in andere Lidstaat · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Rechtbank van eerste aanleg Antwerpen 3 januari 2003

Zoeken

Intracommunautaire levering, Bewijs, Belastingplichtige geïdentificeerd in andere Lidstaat

https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-bewijs-belastingplichtige-rechtbank-antwerpen-2003-01-03-a2a6

Rechtscollege
Rechtbank van eerste aanleg
Zetel
Antwerpen
Datum
3 januari 2003

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

105 paragrafen

Tekst van de beslissing

Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen dd. 03.01.2003

Intracommunautaire levering - Bewijs - Belastingplichtige geïdentificeerd in andere Lidstaat

Opdat een intracommunautaire levering wordt vrijgesteld van B.T.W. vereist (o.m.) artikel 2 van het K.B. nr. 52 het bewijs dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon die voor de B.T.W. geïdentificeerd is in een andere Lidstaat (art. 2 K.B. nr. 52). Voor de toepassing van deze bepaling volstaat het dat voormelde belastingplichtige voor de B.T.W. geïdentificeerd was in de andere Lidstaat en dit in de gecontroleerde periode. Het feit dat op de facturen een oud B.T.W.-nummer werd vermeld of het feit dat op het ogenblik van de controle niet kon worden aangetoond dat voormelde belastingplichtige nog steeds als B.T.W.-belastingplichtige geregistreerd was, is daarbij irrelevant.

Enig rechter : M. Wolles

Advocaten : Mr. Schoups, Mr. Lecoutre, Mr. Vandenhouten loco Mr. Lecoutre, Van Vaeck loco Mr. Van Steenwinckel, Mr. De Brabanter, Mr. De Wit

V.L.S.B. N.V.

tegen

1. A. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

B. B.T.W.-controlekantoor van het Gewest Antwerpen

2. A.P.S. LTD

V.L.S.B. N.V.

tegen

F.H.-L.R. A.G.

Gezien de stukken in het dossier der rechtspleging, onder meer :

- het exploot van rechtsingang, betekend door het ambt van plaatsvervangend gerechtsdeurwaarder C. Elens in vervanging van gerechtsdeurwaarder R. De Meerleer te Brussel op 14 juni 2000 voor wat betreft eerste verwerende partij op hoofdvordering sub A en betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. Beerten te Antwerpen op 16 juni 2000 voor wat betreft eerste verwerende partij op hoofdvordering sub B en tweede verwerende partij op hoofdvordering,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 747, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 20 oktober 2000,

- dagvaarding in tussenkomst betekend door het ambt van gerechtsdeurwaarder M. Beerten te Antwerpen op 7 februari 2001 via het ambt van de Procureur des Konings te Antwerpen aan verwerende partij in gedwongen tussenkomst,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 748, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 11 mei 2001,

- de beschikking verleend overeenkomstig artikel 748, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek op 12 april 2002.

- de besluiten van partijen.

Gelet op de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van talen in gerechtszaken.

Gelet op de verordeningen van de Raad van de ministers nummer 974/98 van 3 mei 1998 en nummer 1103/97 van 17 juni 1997 en de wetten van 26 juni 2000 en 30 juni 2000 ter invoering van de euro.

Gehoord de aanwezige partijen in hun middelen en gezegden ter zitting van 20 september 2002 en 6 december 2002.

Verwerende partij in gedwongen tussenkomst verschijnt niet, alhoewel behoorlijk in kennis gesteld van de beschikking overeenkomstig artikel 748, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek, en de aanwezige partijen een op tegenspraak gewezen vonnis overeenkomstig artikel 748, § 2 van het Gerechtelijk Wetboek.


De vordering strekt er in hoofdorde toe eerste verweerder op hoofdvordering te veroordelen tot teruggave van B.T.W., meer boete en intresten ten bedrage van :

- 13.652.016,- BEF, meer de moratoire intresten vanaf 12 mei 2000 en de gerechtelijke intresten,

- 450.850,- BEF, meer de moratoire intresten vanaf 6 juni 2000 en de gerechtelijke intresten,

te vermeerderen met de kosten van het geding.

De vordering strekt er in ondergeschikte orde toe tweede verweerster op hoofdvordering te veroordelen tot betaling van de sommen van 13.652.016,- BEF en 450.850,- BEF, meer de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

Bij conclusie, neergelegd op 22 december 2000, heeft eiseres op hoofdvordering haar vorderingen beperkt als volgt, namelijk :

- in hoofdorde eerste verweerder op hoofdvordering te veroordelen tot teruggave van B.T.W., meerboete en intresten ten bedrage van 13.652.016,- BEF, meer de moratoire intresten vanaf 12 mei 2000, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding,

- in ondergeschikte orde tweede verweerster op hoofdvordering te veroordelen tot betaling van de som van 13.652.016,- BEF, meer de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

Bij conclusie, neergelegd op 8 februari 2001, heeft eiseres op hoofdvordering in uiterst ondergeschikte orde gevorderd eerste verweerder op hoofdvordering te veroordelen tot terugbetaling van de verjaarde B.T.W. ten belope van 350.274,- BEF, meer de wettelijke intresten vanaf 12 mei 2000, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

Bij exploot van 7 februari 2001 heeft eiseres op hoofdvordering verweerster in tussenkomst en vrijwaring gedagvaard teneinde tussen te komen in deze procedure en haar in ondergeschikte orde te veroordelen tot terugbetaling van 13.652.016,- BEF (338.424,64 EUR), meer de moratoire intresten vanaf 12 mei 2000, de gerechtelijke intresten en de kosten van het geding.

Bij conclusie, neergelegd op 14 juni 2001, heeft eiseres op hoofdvordering gevorderd haar vordering lastens verweerster in tussenkomst en vrijwaring naar de rol te verzenden in afwachting van verdere in staatstelling.

Bij conclusie, neergelegd op 15 februari 2002, heeft tweede verweerster op hoofdvordering een tegeneis gesteld, strekkende tot veroordeling van eiseres op hoofdvordering tot vergoeding van de bijkomende kosten voor de tussenkomst van haar fiscale adviseurs en advocaten en tot betaling van een morele schadevergoeding van 1 EUR.

Relevante feiten

Eiseres op hoofdvordering was aansprakelijke vertegenwoordiger van verweerster in tussenkomst en vrijwaring, een vennootschap die destijds gevestigd was te Panama.

Verweerster in tussenkomst en vrijwaring factureerde tweede verweerster op hoofdvordering, een vennootschap gevestigd in Groot-Brittannië, voor de levering van goederen en vermeldde het B.T.W. nummer GB 183.312.577 als B.T.W. nummer van tweede verweerster op hoofdvordering.

Deze beweerde intracommunautaire leveringen werden door verweerster in tussenkomst en vrijwaring gefactureerd met vrijstelling van B.T.W.

Eiseres op hoofdvordering diende, in haar hoedanigheid van aansprakelijke vertegenwoordiger van verweerster in tussenkomst en vrijwaring, kwartaalaangiften in.

Voor de periode van 1 januari 1995 tot en met 30 juni 1998 werd een B.T.W. controle uitgevoerd bij eiseres op hoofdvordering, in haar hoedanigheid van aansprakelijke vertegenwoordiger van verweerster in tussenkomst en vrijwaring, waarvan op 25 april 2000 een proces-verbaal werd opgesteld.

Volgens dit proces-verbaal had verweerster in tussenkomst en vrijwaring ten onrechte tweede verweerster op hoofdvordering gefactureerd met vrijstelling van B.T.W. aangezien het opgegeven B.T.W. nummer GB 183.312.577 van tweede verweerster op hoofdvordering slechts geldig was tot 1 januari 1991 en haar nieuw B.T.W. nummer GB 675.217.228 slechts geldig was vanaf 24 juli 1996.

Bijgevolg werd - volgens de administratie - het bewijs niet geleverd dat de leveringen geschied waren voor een belastingplichtige die voor de B.T.W. geïdentificeerd was in een andere lidstaat zodat eiseres op hoofdvordering, in haar hoedanigheid van aansprakelijke vertegenwoordiger van verweerster in tussenkomst en vrijwaring, de hierna vermelde bedragen verschuldigd was, namelijk :

- B.T.W.

10.699.992,- BEF

- boete

1.069.000,- BEF

- intresten berekend tot 20 mei 2000

1.883.024,- BEF

TOTAAL

(338.424,64 EUR) 13.652.016,- BEF

Beoordeling

Betreffende het bewijs van de intracommunautaire leveringen

Krachtens artikel 39 bis, lid 1, 1º W.B.T.W. zijn de leveringen van goederen vrijgesteld van de belasting indien :

- de leveringen worden verricht door de verkoper, andere dan een belastingplichtige die de regeling geniet bepaald in artikel 56 § 2,

- de leveringen worden verricht voor een andere belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die als zodanig optreden in een andere Lid-Staat en die aldaar ertoe gehouden zijn hun intracommunautaire verwerving en van goederen aan de belasting te onderwerpen,

- de leveringen niet onderworpen zijn aan de bijzondere regeling van de belastingheffing over de winstmarge ingesteld bij artikel 58 § 4,

- de goederen worden verzonden of vervoerd buiten België maar binnen de Gemeenschap door de verkoper, de koper of voor hun rekening.

Artikel 39 bis, lid 2 W.B.T.W. heeft aan de Koning opgelegd de beperkingen en voorwaarden te bepalen die voor de toepassing van deze vrijstelling moeten worden nageleefd, hetgeen hij deed bij K.B. nr. 52 van 29 december 1992.

Krachtens voornoemd K.B. nr. 52 is de vrijstelling van artikel 39 bis , lid 1, 1º W.B.T.W. afhankelijk van de volgende voorwaarden :

- het bewijs dient geleverd te worden dat de goederen verzonden of vervoerd zijn buiten België maar binnen de Gemeenschap (artikel 1) en de verkoper moet te allen tijde in het bezit zijn van alle stukken waaruit de echtheid van de verzending of het vervoer van de goederen blijkt; die stukken zijn ondermeer de contracten, de bestelbons, de vervoerdocumenten en de betalingsstukken (artikel 3),

- het bewijs dient geleverd te worden dat de levering is geschied voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de belasting over de toegevoegde waarde geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat (artikel 2).

Bijgevolg heeft eiseres op hoofdvordering, die zich beroept op de vrijstelling, de bewijslast en dient zij, in haar hoedanigheid van aansprakelijke vertegenwoordiger van verweerster in tussenkomst en vrijwaring, dan ook het bewijs te leveren dat voldaan is aan alle voorwaarden van de vrijstelling, bij gebreke waaraan de belasting verschuldigd is.

Verzending of vervoer van de goederen buiten België maar binnen de Gemeenschap

Het wordt geenszins betwist door de administratie dat aan deze voorwaarde is voldaan.

Levering voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de B.T.W. geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat

Er dient te worden nagegaan of de goederen werkelijk werden geleverd voor een belastingplichtige of voor een niet-belastingplichtige rechtspersoon, die voor de B.T.W. geïdentificeerd is in een andere Lid-Staat.

Volgens de administratie is aan deze voorwaarde niet voldaan aangezien het gebruikte B.T.W. nummer 183.312.577 van tweede verweerster op hoofdvordering niet meer geldig was in de gecontroleerde periode en aangezien eiseres op hoofdvordering, op het ogenblik van de controle, niet kon aantonen dat tweede verweerster op hoofdvordering nog steeds als B.T.W. belastingplichtige geregistreerd was in Groot-Brittannië.

De verificatie van een B.T.W.-identificatienummer, dat werd afgeleverd door een andere Lid-Staat, is noch noodzakelijk, noch voldoende om de levering rechtmatig vrij te stellen en voegt zich enkel bij het geheel van de bewijsmiddelen.

De Britse administratie «HM Customs and Excise» heeft uitdrukkelijk bevestigd dat :

- tweede verweerster op hoofdvordering in 1990 geregistreerd werd onder het B.T.W. nummer GB 183.312.577,

- haar B.T.W. nummer GB 183.312.577 gebruikt werd tot 31 maart 1992 en vanaf 1 april 1992 gewijzigd werd naar GB 246.079.843,

- haar B.T.W. nummer GB 246.079.843 gebruikt werd tot 23 juli 1996 en vanaf 24 juli 1996 gewijzigd werd naar GB 675.217.228,

- haar B.T.W. nummer GB 675.217.228 op 14 juni 2000 nog steeds geldig was.

Bijgevolg is het bewezen dat tweede verweerster op hoofdvordering, in de gecontroleerde periode vanaf 1 januari 1995 tot en met 30 juni 1998, voor de B.T.W. geïdentificeerd was in een andere Lid-Staat.

Nu het onomstotelijk vaststaat dat tweede verweerster op hoofdvordering, in de gecontroleerde periode, voor de B.T.W. geïdentificeerd was in een andere Lid-Staat, is het niet relevant dat

- op de facturen het oude B.T.W. nummer GB 183.312.577 werd vermeld,

- op het ogenblik van de controle niet kon aangetoond worden dat tweede verweerster op hoofdvordering nog steeds als B.T.W. belastingplichtige geregistreerd was in Groot-Brittannië.

Het is dan ook ontegensprekelijk bewezen dat de goederen werkelijk werden geleverd voor tweede verweerster op hoofdvordering, die voor de B.T.W. geïdentificeerd was in een andere Lid-Staat.

Bijgevolg staat het onomstotelijk vast dat ook aan deze voorwaarde is voldaan.

Betreffende het bewijs dat door tweede verweerster op hoofdvordering werd overgegaan tot intracommunautaire verwervingen

Aangezien zowel de hoedanigheid van B.T.W. belastingplichtige van tweede verweerster op hoofdvordering als het vervoer van de goederen buiten België met bestemming een andere Lid-Staat van de Europese Gemeenschap zijn bewezen, kan de B.T.W. vrijstelling wegens intracommunautaire levering niet geweigerd worden met als enige reden het feit dat het niet bewezen zou zijn dat tweede verweerster op hoofdvordering intracommunautaire verwervingen van de geleverde goederen zou hebben aangegeven.

Voor de vrijstelling is het immers niet relevant of de bestemmeling de goederen als intracommunautaire verwervingen aangeeft of niet.

Het volstaat immers dat tweede verweerster op hoofdvordering de goederen als B.T.W. belastingplichtige moest aangeven, hetgeen in casu het geval is, en het is niet nodig dat tweede verweerster op hoofdvordering de goederen ook daadwerkelijk heeft aangegeven.

Het is immers nogal duidelijk dat de leverancier niet kan instaan voor de correcte uitvoering van de fiscale en andere verplichtingen van de klant.

Het bewijs van de intracommunautaire leveringen werd dan ook geleverd zodat, krachtens artikel 39 bis, lid 1, 1º W.B.T.W., deze leveringen dan ook vrijgesteld zijn van B.T.W.

Betreffende de tegenvordering van tweede verweerster op hoofdvordering

Het is geenszins bewezen dat eiseres op hoofdvordering, bij de behandeling van deze zaak, een fout heeft begaan in de zin van de artikelen 1382 en 1383 B.W. zodat zij niet kan veroordeeld worden tot betaling van een schadevergoeding.

Betreffende de vordering tegen tweede verweerster op hoofdvordering en de tussenvordering tegen verweerster in tussenkomst en vrijwaring

Aangezien de vordering tegen eerste verweerder op hoofdvordering toelaatbaar en gegrond is, zijn deze vorderingen zonder voorwerp.

Betreffende de uitvoerbaar verklaring bij voorraad

Door partijen worden er geen redenen voorgebracht die nopen tot de uitvoerbaar verklaring bij voorraad van huidig vonnis.

Beschikkend gedeelte

Om die redenen

De Rechtbank,

Rechtdoende op tegenspraak ten opzichte van eiseres op hoofdvordering en eerste en tweede verweerders op hoofdvordering en rechtdoende op tegenspraak overeenkomstig artikel 748 van het Gerechtelijk Wetboek ten opzichte van verweerster in tussenkomst en vrijwaring.

Alle andere en strijdige conclusies verwerpend.

Verklaart de hoofdvordering tegen eerste verweerder op hoofdvordering toelaatbaar en als volgt gegrond.

Veroordeelt eerste verweerder op hoofdvordering tot terugbetaling van B.T.W., meer boete en intresten ten bedrage van driehonderd achtendertigduizend vierhonderd vierentwintig euro en vierenzestig cent (338.424,64 EUR), vermeerderd met de moratoire intresten overeenkomstig artikel 91 W.B.T.W.

Verklaart de tegenvordering van tweede verweerster op hoofdvordering tegen eiseres op hoofdvordering toelaatbaar, doch ongegrond en wijst deze af.

Verklaart de hoofdvordering tegen tweede verweerster op hoofdvordering en de tussenvordering tegen verweerster in tussenkomst en vrijwaring zonder voorwerp.

Veroordeelt eerste verweerder op hoofdvordering tot de kosten van het geding tot op heden door eiseres op hoofdvordering begroot op 659,89 EUR dagvaardingskosten, 334,67 EUR rechtsplegingsvergoeding en 730,32 EUR dagvaardingskosten verweerster in tussenkomst en vrijwaring en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 115,17 EUR dagvaardingskosten en 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Veroordeelt eiseres op hoofdvordering tot de kosten van het geding tot op heden door tweede verweerster op hoofdvordering begroot op 327,22 EUR rechtsplegingsvergoeding en door de rechtbank ambtshalve vereffend op 334,66 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Veroordeelt eiseres op hoofdvordering tot de kosten van het geding tot op heden door verweerster in tussenkomst en vrijwaring niet begroot en derhalve door de rechtbank niet vereffend.

Wijst het meer en/of anders gevorderde af.

Aangehaalde teksten

1
KB nr. 52 art. 22 voorkomens