---
title: "Interpretatie · Rechtbank van eerste aanleg te Brugge, 13 december 2000"
description: "Interpretatie, omvorming en verbouwing van een onroerend goed, rondzendbrief. Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (België), 13 december 2000."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/interpretatie-omvorming-verbouwing-onroerend-goed-rechtbank-brugge-2000-12-13-926c"
lang: "nl"
---

# Interpretatie, omvorming en verbouwing van een onroerend goed, rondzendbrief · omzendbrieven - interpretatie - omvorming en verbouwing van een onroerend goed

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Brugge

**Datum**

13 december 2000

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

61 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

**Vonnis van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Brugge dd. 13.12.2000**

*Omzendbrieven*

*Interpretatie*

*Omvorming en verbouwing van een onroerend goed*

## Samenvatting

Sinds het K.B. van 18 juli 1986 geniet werk in onroerende staat dat bijdraagt tot de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of onderhoud van bestaande privé-woningen van een verlaagd B.T.W.-tarief van 6%. Werk in onroerende staat dat het bouwen van een nieuwe woning tot voorwerp heeft, wordt uitgesloten van deze regeling. Aangezien de wetgever de vergroting of de uitbreiding van een woning geenszins van het verlaagd tarief heeft uitgesloten, zal geval per geval nagegaan moeten worden of de werken tot een renovatie hebben geleid of dat er daarentegen sprake is van een nieuwbouw. Er zal slechts sprake zijn van een nieuwbouw wanneer blijkt dat na de uitvoering van de werken het oude bestaande gebouw nog slechts bijzaak is. Wanneer de uitbreidingen of toevoegingen enkel bijdragen tot het verbeteren van het bestaande gebouw en de verbeteringen geen eigen identiteit verwerven, kunnen de werken van het verlaagde tarief van 6% genieten. Zolang de verbeteringen slechts bijdragen tot de verbetering van het bestaande gebouw heeft men te maken met een renovatie en niet met een nieuwbouw. In voorliggend geval kunnen de werken die door het echtpaar werden uitgevoerd geenszins met de bouw van een nieuwe woning worden gelijkgesteld. De werken werden daarom terecht aan het verlaagd tarief van 6% gefactureerd.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**Vierde Kamer**

Alleensprekend rechter: N. Haemers

Advocaten: Mr. L. Gheysens, Mr. L. De Schepper

Partijen: F••••• V•••• W••••, tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën

## I. Rechtspleging

Gelet op de inleidende dagvaarding houdende verzet de dato 1 april 1998;

Gelet op de verwijzing van de zaak de dato 6 december 1999, in toepassing van artikel 90 van het Gerechltelijk Wetboek, naar de vierde kamer van deze rechtbank;

De rechtbank nam kennis van het dossier van de rechtspleging en van de door verweerder overgelegde bundel;

Partijen werden gehoord in hun middelen bij monde van hun raadsman in de openbare terechtzitting van 13 november 2000;

Artikel 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden in acht genomen;

## II. Bijzonderste gegevens van de zaak

**2.1.**

Eiser is een niet-belastingplichtige particulier die aan zijn woning in de Kasteelstraat, 166, te Tielt onroerende werken heeft verricht;

Op 19.08.1997 werd door de heer eric Buyse, bestuursassistent verbonden aan het BTW-controlekantoor te Tielt, een plaatsbezoek verricht met het oog op de vaststelling van het juiste tarief en bedrag van de BTW van toepassing op deze onroerende handelingen; naar aanleiding van dit toezicht werd een aantal overtredingen op de wetgeving en de reglementering inzake de belasting over de toegevoegde waarde vastgesteld;

Bij gebrek aan een akkoordverklaring over de vastgestelde overtredingen werd door de heer Buyse voornoemd, op 9 december 1997, een proces-verbaal opgemaakt waarin de door eiser begane overtredingen werden geacteerd (zie stuk 1 verweerder);

Ten gevolge van dit proces-verbaal werd van eiser een bedrag gevorderd van 278.438,- Bf. aan BTW en een bedrag van 27.000,- Bf. aan geldboete;

Wegens niet-betaling werd op 30 juli 1998 een dwangbevel uitgevaardigd dat op 3 augustus 1998 werd geviseerd en uitvoerbaar verklaard door de heer Robert Vanhecke, e.a. inspecteur a.i. bij de BTW te Tielt (zie stuk 2 verweerder);

Dit dwangbevel werd op 13 augustus 1998 bij deurwaardersexploot aan eiser betekend (zie stuk 3 verweerder);

**2.2.**

De vordering van eiser strekt ertoe:

\- te horen zeggen dat huidig verzet ontvankelijk en gegrond is;

\- dienvolgens te horen zeggen dat voornoemd dwangbevel niet kan worden uitgevoerd en dat de daarin vermelde sommen niet verschuldigd zijn;

\- verweerder te horen veroordelen tot bde ksoten van het geding, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding, in hoofde van eiser begroot op 2.950,- Bf. dagvaardingskosten en 12.600, - Bf. rechtsplegingsvergoeding;

\- het tussen te komen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren, niettegenstaande elke voorziening, zonder borgstelling en met uitsluiting van kantonnement;

**2.3.**

Verweerder vraagt dat de vordering van eiser als ongegrond wordt afgewezen en dat eiser wordt veroordeeld tot de kosten van het geding, in zijn hoofde begroot op 12.900,- Bf. rechtsplegingsvergoeding;

## III. Beoordeling

**3.1.**

Eiser stelt dat het in casu niet gaat over een nieuwbouw maar over de omvorming en verbouwing van een uit zijn aard onroerend goed zodat de werken onderworpen zijn aan het laagste BTW-tarief van 6 %;

**3.2.**

Sinds 1 augustus 1986 zijn sommige werken in onroerende staat, onder bepaalde voorwaarden, bij toepassing van rubriek XXXI van tabel A van de bijlage bij het K.B. nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, onderworpen aan het verlaagde BTW-tarief van 6 %; De toepassing van dit verlaagde tarief is beperkt tot de handelingen die de omvorming, renovatie, rehabilitatie, verbetering, herstelling of het onderhoud, met uitsluiting van de reiniging, geheel of ten dele van de woning tot voorwerp hebben;

Krachtens §1 1° van rubriek XXXI van tabel A zijn het werk in onroerende staat en de daarmee gelijkgestelde handelingen die het bouwen van een nieuw gebouw tot voorwerp hebben, impliciet uitgesloten van het voordeel van het tarief A;

In de administratieve aanschrijving nr. 6 van 22 augustus 1986 wordt de toepassing van het verlaagd tarief in de onroerende sector toegelicht; in voormelde aanschrijving staat te lezen dat onder "omvorming" wordt verstaan de verbouwing zowel aan de buitenkant als aan de binnenkant van het gebouw of de vergroting door toevoeging van nieuwe vertrekken of uitbreiding van bestaande vertrekken;

In het BTW-revue nr. 110 van september 1994 wordt verder verduidelijkt in welk geval een vergroting al dan niet kan worden aangemerkt als een "omvorming" in de izn van rubriek XXXI van de bijlage A van het KB nr. 20; In voormelde revue lezen we het volgende: " De uitbreiding van een bestaand gebouw kan worden aangemerkt als omvorming (of verbouwing) van dat gebouw, voor zover de oppervlakte van het oude gedeelte betekenisvol is ten aanzien van het nieuwe gedeelte; er kan worden van uitgegaan dat dit het geval is, wanneer de oppervlakte van het oude gedeelte groter is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning of het woningcomplex na de uitvoering van de werken";

**3.3.**

Het is duidelijk dat voormelde aanschrijving en mededeling geen andere bedoeling en draagwijdte hebben dan de bestaande wetgeving en reglementering in herinnering te brengen en/of toe te lichten, en daaraan eventueel aanbevelingen vast te knopen; zij hebben met andere woorden niet de bedoeling de erin vervatte interpretaties of richtlijnen verplichtend te stellen, aan wie dan ook; volgens een vaste rechtspraak van de Raad van State en van het Hof van Cassatie hebben dergelijke interpretatieve omzendbrieven geen bindend karakter;

**3.4.**

Het onderscheid tussen de vergrotingswerken, die als een omvorming kunnen worden aangemerkt en dus het tarief A kunnen genieten, en de vergrotingswerken die bijdragen tot de oprichting van een nieuwbouw en dus uitgesloten blijven van de toepassing van het tarief A, is een feitenkwesite die geval per geval moet worden beoordeeld (Vr. en Antw. Kamer, 1992-93, nr. 70, 6703 - Vr. nr. 585 GEHLEN, b.t.w.-rev., nr.107, 106, nr. 3)

**3.5.**

Tijdens het plaatsbezoek en op basis van de voorgelegde bouwplans werd door de bevoegde ambtenaar vastgesteld dat de vloeroppervlakte van het behouden gedeelte van de bestaande woning, zijnde 101.10 m² (61,32 m² op gelijkvloers en 39,78 m² op de verdieping) kleiner is dan de helft van de totale oppervlakte van de woning na de uitvoering van de werken, zijnde 216,09 m² (125,37 m² op gelijkvloers en 90,82 m² op de verdieping) (stuk 1 verweerder)

De rechtbank stelt vast dat de reeks handelingen die door de wetgever werden opgesomd, en waarop het verlaagd tarief van toepassing is, geenszins de vergroting en/of de uitbreiding van een woning uitsluiten;

In casu werd het oude gebouw vergroot doordat er nieuwe vertrekken werden toegevoegd en doordat er bestaande vertrekken werden uitgebreid; op basis van de voorgelegde plans en het onderzoek ter plaatse blijkt dat op het gelijkvloers een WC, een gang en een keuken en op de eerste verdieping twee slaapkamers aan de bestaande woning werden toegevoegd. Tevens werd de oude garage afgebroken en vervangen door een ruimere garage;

De kwestieuze uitbreidingswerken zijn, in tegenstelling met wat verweerder voorhoudt, niet van die aard dat het oude bestaande gebouw nog slechts de bijzaak is; verder is het ook zo dat de kwestieuze uitbreidingen en toevoegingen dienstig zijn in functie van de veranderingen aan de bestanddelen van het bestaande voorwerp en dat zij op zich geen eigen identiteit hebben verworven;

Het is duidelijk dat voormelde werken de omvorming van een woning vormen en geenszins de bouw van een nieuwe woning betekenen; het verlaagde tarief is dan ook van toepassing op de uitgevoerde werken;

**3.6.**

De vordering van eiser is dan ook gegrond;

### Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

De Rechtbank,

Wijzende in eerste aanleg en op tegenspraak;

Alle verdere middelen van partijen verwerpende als niet-dienend;

Verklaart het fiscaal verhaal ontvankelijk en gegrond;

Vernietigt het bestreden dwangbevel;

Veroordeelt verweerder tot de gedingkosten, aan zijn zijde niet te begroten aangezien ze hem ten laste blijven, aan de zijde van eiser begroot op 12.600,- Bf. rechtsplegingsvergoeding en 2.950,- Bf. dagvaardingskosten;

Verklaart onderhavig vonis uitvoerbaar bij voorraad, spijts alle verhaal en zonder borgstelling.

De namen van natuurlijke personen die leesbaar bleven in de versie die de FOD Financiën verspreidt, worden hier niet opnieuw gepubliceerd: ze zijn tot hun initiaal herleid. De tekst is nergens anders gewijzigd.
