---
title: "Inhouding, BTW-tegoed · Hof van Cassatie van België, 6 november 2003, C.00.0144.N"
description: "Inhouding, BTW-tegoed, Rechterlijke toetsing. Hof van Cassatie van België, 6 november 2003, C.00.0144.N."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/inhouding-btw-tegoed-rechterlijke-toetsing-cassatie-brussel-2003-11-06-4107"
lang: "nl"
fr: "https://juriel.be/fr/jurisprudence/retenue-excedents-controle-judiciaire-cassation-bruxelles-2003-11-06-52b2"
---

# Inhouding, BTW-tegoed, Rechterlijke toetsing

**Rechtscollege**

Hof van Cassatie

**Rolnummer**

C.00.0144.N

**Datum**

6 november 2003

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

180 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van Cassatie dd. 06.11.2003 (C.00.0144.N)

*Inhouding - BTW-tegoed - Rechterlijke toetsing*

## Wettelijke bepalingen

Art. 76, § 1, 3° lid, W.BTW

Art. 8¹, § 3, lid 4 en lid 10, BTW K.B. nr. 4

## Samenvatting

Uit artikel 76, ,§ 1, derde lid B.T.W.-Wetboek, dat aan de Koning opdracht heeft gegeven in een aan eigen regelen beantwoordende wijze van inhouding van B.T.W.-tegoeden te voorzien, volgt dat de inhouding dezelfde gevolgen heeft als een bewarend beslag onder derden, inzonderheid wat betreft het recht van de belastingplichtige de geldigheid van de inhouding te laten toetsen door de rechter; uit die wetsbepaling volgt niet dat de inhouding alleen mag worden gedaan wanneer aan alle voorwaarden van het Gerechtelijk Wetboek voor het leggen van een beslag onder derden is voldaan.

In het kader van het jurisdictioneel toezicht over de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding van B.T.W.-tegoeden, behoort het tot de taak van de beslagrechter te toetsen of de schuldvordering van de Administratie, hoewel betwist, prima facie een zekere en vaststaande vordering uitmaakt in de zin van artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek, en inzonderheid of de bewijselementen of aanwijzingen van fraude aangevoerd in de processen-verbaal van de B.T.W.-administratie de inhoudingsmaatregel kunnen rechtvaardigen, rekening houdend met de omstandigheden van de zaak, de noodzaak om de belangen van de Schatkist te beschermen en de noodzakelijke proportionaliteit tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

## Arrest van het Hof van Cassatie

**dd. 06.11.2003**

**(C.00.0144.N)**

D.D.B., besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, met maatschappelijke zetel te …, ingeschreven in het handelsregister te Mechelen, nummer …, eiseres, vertegenwoordigd door mr. J.V., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te …, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, wiens kabinet is gevestigd te 1000 Brussel, Wetstraat 14, voor wie optreedt de ontvanger van het BTW-ontvangkantoor te Mechelen, met kantoor te 2800 Mechelen, Nekkerspoel 21-23 en de hoofdcontroleur van het BTW-controlekantoor te Mechelen, met kantoor te 2800 Mechelen, St.-Romboutskerkhof 4, verweerder, vertegenwoordigd door mr. I.C.B., advocaat bij het Hof van Cassatie, kantoor houdende te …, alwaar keuze van woonplaats wordt gedaan.

### Bestreden beslissing

Het cassatieberoep is gericht tegen een arrest, op 22 september 1999 gewezen door het Hof van Beroep te Antwerpen.

### Rechtspleging voor het Hof

Raadsheer Ghislain Londers heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

### Feiten

De feiten worden in het verzoekschrift als volgt omschreven :

Verschillende BTW-tegoeden van eiseres werden door verweerder ingehouden.

Eiseres heeft telkens verzet aangetekend teneinde de inhouding van die tegoeden onwettig en nietig te horen verklaren.

Bij beschikkingen respectievelijk gewezen op 15 september 1995, 11 oktober 1996, 3 januari 1997 en 5 december 1997 door de beslagrechter in de Rechtbank van Eerste Aanleg te Mechelen, werden de vorderingen van eiseres tot opheffing van de BTW-inhoudingen gegrond verklaard.

Verweerder heeft tegen die beschikkingen hoger beroep ingesteld.

Het bestreden arrest voegt de zaken samen, verklaart de hogere beroepen in de vier zaken gegrond en de incidentele beroepen ongegrond, doet de vier beroepen beschikkingen teniet en verklaart de vier oorspronkelijk door eiseres geformuleerde verzetten tegen de inhoudingen van belastingkredieten inzake BTW ongegrond en verwijst eiseres in de kosten van beide aanleggen.

### Middel

Eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

*Geschonden wettelijke bepalingen*

de artikelen 10, 11, 105, 149 en 159 van de Grondwet ;

het algemeen rechtsbeginsel van het Europese gemeenschapsrecht houdende het evenredigheidsbeginsel ;

de artikelen 5, 99 en 100 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, gesloten te Rome op 25 maart 1957, goedgekeurd bij wet van 2 december 1957, zowel in de eerste versie vóór als na de wijziging ervan door het Verdrag van de Europese Unie opgemaakt te Maastricht op 7 februari 1992, goedgekeurd bij wet van 26 november 1992 ;

[artikel 18, lid 4, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-18) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgeving der Lid-Staten inzake omzetbelasting-Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde ;

de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek ;

de artikelen 2, 1395, 1396, 1413, 1415 en 1420 van het Gerechtelijk Wetboek ;

artikel 76, ,§1, van het BTW-Wetboek, zoals gewijzigd bij artikel 86 van de Wet van 28 december 1992 ;

artikel 8¹, ,§3, lid 4 en lid 10, van het BTW-K.B. nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd door artikel 8 van het K.B. van 29 december 1992 en vervangen door artikel 7 van het K.B. van 14 april 1993.

Aangevochten beslissingen

Het hof van beroep beslist bij het bestreden arrest dat noch het gelijkheidsbeginsel noch [artikel 76 BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) noch het evenredigheidsbeginsel van het Europees gemeenschapsrecht werden geschonden en verklaart dientengevolge de hogere beroepen in de vier dossiers gegrond en de incidentele beroepen ongegrond, doet de vier bestreden beschikkingen van de beslagrechter teniet en verklaart, opnieuw rechtdoende, de vier oorspronkelijke door eiseres geformuleerde verzetten tegen de inhoudingen van belastingkredieten inzake BTW ongegrond en verwijst haar in de gerechtkosten van de beide instanties om redenen :

"(...) dat de grondwettelijke regels inzake de gelijkheid der Belgen en de niet-discriminatie inzake belastingen niet in de weg staan dat een verschillende fiscale behandeling wordt ingesteld ten aanzien van bepaalde categorieën van personen, voor zover daarvoor een objectieve en redelijke verantwoording bestaat ;

Dat alle BTW-belastingplichtigen die zich in dezelfde feitelijke toestand bevinden onderworpen zijn aan dezelfde behandeling en dit ter vrijwaring van de inning van de gelden van de schatkist ;

Dat de invoering van de inhouding der BTW-tegoeden tot doel heeft de belangen van de schatkist te vrijwaren, namelijk een bescherming te bieden tegen de steeds meer voorkomende al dan niet georganiseerde insolvabiliteit van BTW-plichtigen die wel aanspraak maken op teruggave van BTW-tegoeden terwijl zij anderzijds schuldenaar zijn van belangrijke BTW-sommen ;

Dat de inhoudingsprocedure derhalve alleszins een legitiem doel heeft ; (...)

Dat de procedure van inhouding van BTW-tegoeden betrekking heeft op alle BTW-plichtigen die hetzij ten aanzien van de BTW-administratie een schuld hebben die ze betwisten (alinea 4 van artikel 8¹, ,§ 3, van het betreffend K.B.) hetzij op BTW-plichtigen die schuldenaar zullen worden van de BTW-administratie op grond van bewijzen of ernstige vermoedens dat verkeerde of onvolledige gegevens werden opgenomen in BTW-aangiften (alinea 5 van voormeld wetsartikel) ; (...)

Dat derhalve bij de introductie van de maatregel der inhouding der BTW-tegoeden een absoluut objectief criterium werd ingesteld om de categorieën van personen af te bakenen die het voorwerp zouden uitmaken van de nieuwe bewarende maatregel ; (...)

Dat de toestand van andere burgers die onderworpen kunnen zijn aan een bewarend beslag waarop het gemeen recht van toepassing is, niet vergeleken kan worden met de BTW-belastingplichtigen die aan een speciale wet zijn onderworpen ;

Dat de opheffing van het beslag wel mogelijk is binnen de voorwaarden van de desbetreffend voorziene speciale wetgeving en deze voorwaarden voor alle belastingplichtigen die zich in dezelfde feitelijke situatie bevinden dezelfde zijn ;

Dat een verschil in behandeling volgens bepaalde categorieën van personen kan worden ingesteld voor zover voor het onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat ;

Dat het gelijkheidsbeginsel geschonden zou worden wanneer vast zou staan dat de aangewende middelen niet evenredig zijn met het beoogde doel ; Dat het doel erin bestaat de rechten van de schatkist te vrijwaren ;

Dat de maatregel van inhouding op zich geenszins onevenredig is met het beoogde doel zoals uiteengezet en een objectieve en redelijke verantwoording heeft ; dat het vrijwaren van de rechten van de schatkist het best gediend is met de inhoudingen der tegoeden ;

Dat deze inhoudingen alleen worden opgelegd in de gevallen voorzien in lid 4 en lid 5 van artikel 8¹, ,§ 3, van voormeld K.B. ;

Dat het Arbitragehof stelt dat de artikelen 10 en 11 der Grondwet worden geschonden wanneer de procedure van inhouding aan de personen die er het voorwerp van uitmaken een daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en geldigheid van de inhouding zou ontzeggen ;

Dat niet wordt aangetoond door (eiseres) dat aan de beslagrechter iedere daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en geldigheid van de inhouding wordt ontzegd ;

(...) dat de Koning in het voordeel van de administratie van de BTW, registratie en domeinen een inhouding kan voorzien die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Dat de wetgever door te stellen dat deze inhouding van artikel 76 BTW-wetgeving slechts als een bewarend beslag onder derden geldt zonder dat het een bewarend beslag onder derden is, duidelijk de mogelijkheid heeft willen bieden aan de Koning om ten dienste van de administratie van de BTW, registratie en domeinen een rechtsfiguur te creëren waarmee zij hetzelfde doel kan bereiken als een bewarend beslag onder derden, ingegeven door de rechtmatige zorg van de wetgever om de rechten van de Schatkist te vrijwaren in de strijd van de administratie tegen belastingontduiking en fraude ;

Dat de verwijzing naar de rechtsfiguur van het bewarend beslag onder derden er toe strekt de gevolgen van dergelijk beslag toepasselijk te maken op de bedoelde inhouding zodat deze rechtsfiguur hetzelfde effect heeft als een bewarend beslag onder derden ;

Dat de Koning dan ook niets anders heeft gedaan dan de bevoegdheid uit te oefenen die hem is toegekend door artikel 76, ,§ 1, derde lid, van het BTW-Wetboek ;

Dat het gaat om een beslag sui generis, namelijk een procedure eigen in fiscale zaken en er geen bewarend beslag onder derden conform artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek mee bedoeld wordt ;

Dat de bevoegdheid van de beslagrechter terzake specifiek is en namelijk zoals omschreven in het K.B.

nummer 4 ;

Dat indien deze inhouding op geen enkel punt zou afwijken van de bestaande rechtsfiguur voorzien in het Gerechtelijk Wetboek namelijk het bewarend beslag onder derden, dit niet uitdrukkelijk had dienen voorzien te worden door [artikel 76 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) ;

Dat deze afwijking dan ook geldt voor de voorwaarde van het spoedeisend karakter van de zaak in die zin dat de voorwaarde van spoedeisendheid geacht wordt vervuld te zijn ;

Dat de Koning dan ook op geen enkele wijze de wet heeft geschonden ;

Dat dit beslag sui generis omschreven in het K.B. nummer 4 BTW dan ook niet strijdig kan zijn met de bepalingen vervat in het Gerechtelijk Wetboek inzake bewarend beslag onder derden daar het geen bewarend beslag onder derden is, maar slechts de gevolgen ervan deelt ;

Dat artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek dan ook niet wordt geschonden door de bepaling van alinea 10 van artikel 8, ,§ 3, K.B. nummer 4 gezien dit artikel een aanvulling en uitbreiding vormt van artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Dat de bevoegdheid van de beslagrechter niet wordt aangetast of beperkt ; dat de beslagrechter zowel bij het bewarend beslag als bij de inhouding van BTW-tegoeden binnen het kader van de hem toebedeelde rechtsmacht zowel de grondvoorwaarden in het concrete geval als de procedurele aspecten van het gelegde beslag onderzoekt volgens de toepasselijke regelgeving ;

Dat de beslagrechter in hoofde van de administratie van de BTW, registratie en domeinen dient na te gaan of er een schuldvordering bestaat die prima facie een voldoende schijn van gegrondheid heeft doch niet vereist wordt dat de schuldvordering effectief 'zeker' is ;

Dat er slechts een miniem verschil bestaat met het gewone bewarend beslag gezien de beslagrechter immers in principe bij inhouding van BTW-tegoeden een bewarend beslag moet toelaten, zelfs indien de schuldvordering niet 'zeker' is in de zin van artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Dat echter de schuldvordering van de administratie steeds opeisbaar dient te zijn en de BTW-schuld steeds becijferd of minstens becijferbaar dient te zijn, hetgeen een identieke controlebevoegdheid impliceert zoals bij de gewone bewarende beslagen ;

Dat artikel 8, ,§ 3, K.B. nr. 4 derhalve in overeenstemming is met artikel 76 BTW-wet en geenszins strijdig met de artikelen 1395, 1396, 1413, 1415 en 1420 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Dat bovendien (eiseres) noch voor de beslagrechter, noch voor de bodemrechter enig element heeft voorgelegd als tegenbewijs voor de vaststellingen opgenomen in de diverse p.v.'s ;

Dat de processen-verbaal overeenkomstig artikel 59, ,§ 1, WBTW het bewijs opleveren zolang het tegendeel niet is bewezen en bijgevolg volstaan om het bestaan en de omvang van de BTW schuld in hoofde van de belastingplichtige aan te tonen en een afwijking vormen op het gemeen recht inzake bewarend beslag ;

Dat hierdoor echter aan de belastingplichtige geenszins een daadwerkelijk rechterlijke toetsing van zijn zaak door de beslagrechter wordt ontzegd ; dat de belastingplichtige zelf de onjuistheid van de bewijzen of ernstige vermoedens die door de administratie worden weerhouden dient aan te tonen, temeer omdat het vermoeden iuris tantum van juistheid enkel verbonden is aan de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal en zich niet uitstrekt tot de besluiten die de controle-agenten uit de vaststellingen hebben getrokken ;

Dat het bewijs dat de belastingplichtige dient te leveren zeker moet zijn ; dat hij zich niet mag beperken tot het aantonen van de waarschijnlijke onjuistheid van de in de processen-verbaal opgenomen feiten ;

Dat (eiseres) dit bewijs geenszins levert ;

(...) dat de beslagrechter in het kader van de inhoudingen een fundamentele rol te vervullen heeft :

\- hij moet nagaan of de inhoudingsprocedure regelmatig werd toegepast overeenkomstig de vormvoorwaarden zoals bepaald in het K.B. nr. 4 ;

\- hij moet nagaan of de grondvoorwaarden van de inhouding zoals bepaald bij het K.B. nr. 4 vervuld zijn ;

Dat deze grondvoorwaarden terzake zijn :

a) het bestaan van een belastingskrediet dat voortkomt uit de periodieke aangiften die door de belastingplichtige eenzijdig werden ingevuld en ingediend ;

b) het bestaan van een schuldvordering van de Staat ten opzichte van de BTW-plichtige, die door laatstgenoemde wordt betwist ; de schuldvordering moet voortvloeien uit inbreuken op het BTW-Wetboek of op de uitvoeringsbesluiten, die werden begaan voor de indieningdatum van de BTW-aangifte waaruit het BTW-krediet is ontstaan ;

Dat de beslagrechter in het kader van alinea 4 dient na te gaan of de schatkist beschikt over een toereikende schuldvordering ; hij moet verifiëren of de BTW-administratie prima facie gelijk heeft ; dat de schuldvordering wel betwist is doch deze betwisting geen afbreuk doet aan het feit dat de schatkist beschikt over een schuldvordering jegens de belastingplichtige ;

Dat de functie van de beslagrechter identiek is aan zijn functie bij de beoordeling van de grond- en vormvoorwaarden van de beslagen zoals bedoeld in deel 5 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Dat er enkel een verschil is om over te gaan tot de inhouding waar de vereiste voorwaarden soepeler zijn en in het bijzonder niet vereist is dat de administratie beschikt over een schuldvordering die 'zeker' is in de zin van artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek ; voldoende is dat deze bestaat ;

(...) dat de beoordeling door de beslagrechter zal geschieden overeenkomstig de wettelijke opdracht van de beslagrechter en de wijze waarop hij recht spreekt namelijk prima facie en na summier onderzoek ;

Dat artikel 8¹, ,§ 3, lid 4, van het voormeld K.B. de beslagrechter toelaat te onderzoeken of de bewijswaarde van de processen-verbaal worden weerlegd ; dat terzake zelfs niet wordt aangetoond of aangevoerd dat de bewuste processen-verbaal niet correct zouden zijn ;

Dat gelet op hogere elementen er geen enkele reden is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof ;

Dat het aangevoerde middel dan ook geenszins opgaat".

En voor wat het Europees gemeenschapsrecht betreft, om redenen :

"(...) dat volgens hogere rechtspraak echter door de nationale rechter dient onderzocht of het Europeesrechtelijk evenredigheidsbeginsel niet is geschonden ; dat het Hof van Justitie desbetreffend een aantal toetsingscriteria aanreikt die moeten worden gehanteerd om de bestaande Belgische wetgeving te toetsen ; dat (eiseres) stelt dat dit evenredigheidsbeginsel niet werd nageleefd ;

Dat terzake opnieuw dient gesteld dat de inhouding een noodzakelijk en onmisbaar middel uitmaakt ter bescherming van de rechten van de Schatkist gezien de Staat in het kader van de grote fraudes gehouden is snel te reageren en de effectieve teruggave van valse belastingkredieten tegen te houden ; bij BTW-overtredingen die niet behoren tot de georganiseerde misdaad, is de administratie zelden in staat om, op het ogenblik dat zij door de rechter in het gelijk wordt gesteld of dat de schuldvordering van de Staat vaststaat, te nemen wat haar toekomt, gezien het passief van de belastingplichtige groter is dan het actief of deze nu failliet verklaard is of niet ;

Dat bovendien sedert 1 januari 1993 de administratie aan strikte en verkorte termijnen voor teruggave van belastingkredieten is gebonden ; (artikel 76, ,§ 1, WBTW en artikel 8¹, ,§ 3, K.B. nr. 4) ;

Dat zij dan ook dient te beschikken over een voldoende en efficiënt juridisch middel om zich te kunnen bevrijden van haar verplichtingen in het geval het belastingkrediet niet terugbetaald mag worden ;

Dat de inhouding het evenwicht herstelt tussen de verplichtingen en rechten van de administratie, met aan de ene kant de eenzijdige macht van de belastingplichtige om zich schuldeiser van de Staat te verklaren en aan de andere kant de middelen van de administratie om de juistheid en de omvang na te gaan van de vorderingen lastens de Staat waarvan de BTW-plichtigen beweren titularis te zijn ;

Dat de andere maatregelen waarover de schatkist beschikt namelijk de provisionele storting, borgtocht, consignatie, wettelijke hypotheek en het traditioneel bewarend beslag, niet de mogelijkheid geven om met dezelfde efficiëntie op te treden om haar doel te bereiken namelijk de vrijwaring van de rechten van de schatkist ;

Dat de rechtsfiguur van de inhouding werd ontworpen om onverwijld, desgevallend ook voor het uitvaardigen van een dwangbevel en de aanvang van een gerechtelijke procedure, de rechten van de schatkist tegen de wederrechtelijke creatie van BTW-tegoeden te kunnen vrijwaren of betwiste BTW-schulden voorlopig veilig te kunnen stellen en dit naarmate BTW-tegoeden ontstaan en vooraleer zij dienen te worden teruggegeven ;

Dat zowel de inschrijving van de wettelijke hypotheek, als de bewarende maatregel overeenkomstig het Gerechtelijk Wetboek, als het verzoek om een provisionele storting, kosten veroorzaken ten laste van de belastingplichtige doch deze onbestaande zijn in het geval van een inhouding ; dat de provisionele storting en borgtocht in elk geval een uitvoerbare titel vereisen, met name een dwangbevel ; dat de consignatie slechts kan bekomen worden naar aanleiding van een hoger beroep ; dat de uitvaardiging van een dwangbevel veronderstelt dat de administratie voorafgaand een grondig onderzoek heeft kunnen verrichten waarbij de overtredingen precies werden vastgesteld, hetgeen doorgaans slechts kan na het uitvoeren van meerdere controles bij meerdere belastingplichtigen of na het uitwisselen van inlichtingen met andere lidstaten van de Europese Unie ; dat tevens voor het uitvaardigen van een dwangbevel vereist wordt dat het bedrag van de ontdoken belasting kon worden bepaald en de identiteit en verantwoordelijkheid van de overtreders werd vastgesteld ; dat het resultaat van een onderzoek ook de medewerking vereist van de belastingplichtige, zij het door een controle te aanvaarden, zij het door zekere inlichtingen of documenten te verschaffen ;

Dat de verplichting om voorafgaandelijk een dwangbevel te moeten uitvaardigen om tot bewarende maatregelen te kunnen overgaan tot gevolg heeft dat de administratie niet zijn gebruikelijke methoden van belastingzetting kan toepassen, zijnde de betrachting om tot een minnelijke regeling te komen ter bepaling van het juist bedrag der belasting ;

Dat de kennisgeving of betekening van een dwangbevel tot gevolg heeft dat de verminderde proportionele fiscale geldboeten alsook de verminderde niet-proportionele geldboeten verhoogd worden met 50 pct. ;

Dat (wat) de wettelijke hypotheek betreft, deze slechts strekt tot zekerheid van de voldoening van belasting, intresten en kosten met uitsluiting van fiscale geldboeten ;

Dat deze laatste zekerheid trouwens slechts nut heeft voor zover de belastingschuldige voor hypotheek vatbare goederen bezit en deze nog niet belast zijn met voorheen ingeschreven hypotheken ten voordele van andere schuldeisers ;

Dat verder bovendien aan de administratie der BTW nooit vooraf een voorstel werd gedaan om de effectieve betaling van de door de administratie vastgestelde BTW-schuld te waarborgen ; dat (eiseres) bovendien geen aanwijzingen verstrekt dat zij in de betaling van de schuld kan, zal of wil voorzien indien mocht blijken dat zelfs een deel der betwiste vorderingen effectief verschuldigd zou zijn ; dat de schuldvordering van de administratie in die zin zelfs in gevaar verkeert zodat de hoogdringendheid zelfs kan ingeroepen worden ;

Dat het ten onrechte is zoals reeds gesteld dat (eiseres) de beslagrechter een sterk beperkte rol toebedeelt, aangezien het hem toekomt de bewijselementen of de aanwijzingen van fraude, weergegeven in de processen-verbaal te beoordelen".

*Grieven*

*1. Eerste onderdeel*

Artikel 76, ,§1, van het BTW-Wetboek, bepaalt :

> "Wanneer het bedrag van de belasting die ingevolge de artikelen 45 tot 48 voor aftrek in aanmerking komt, aan het einde van het kalenderjaar meer bedraagt dan de belasting die verschuldigd is door de belastingplichtige (...) dan wordt, onder de voorwaarden bepaald door de Koning, het verschil teruggegeven binnen drie maanden op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige.
>
> De Koning kan bepalen dat het overschot, in de door hem te bepalen gevallen en onder de door hem te stellen voorwaarden, vóór het einde van het kalenderjaar wordt teruggegeven.
>
> Met betrekking tot de in het eerste en tweede lid bedoelde voorwaarden kan de Koning ten voordele van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, een inhouding voorzien die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1455 van het Gerechtelijk Wetboek".

Artikel 8¹, ,§3, 4e lid, BTW-K.B. luidt als volgt :

> "Indien de in het eerste lid bedoelde belastingschuld in het voordeel van de administratie geen schuldvordering vormt die geheel en gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of aanleiding heeft gegeven tot een dwangbevel bedoeld in artikel 85 van het wetboek, waarvan de tenuitvoerlegging werd gestuit door het verzet bedoeld in artikel 89 van het wetboek, wordt het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de administratie ingehouden. Deze inhouding geldt als bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest. Voor de toepassing van deze inhouding wordt de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht te zijn vervuld".

Het tiende lid luidt als volgt :

> "De belastingplichtige kan enkel verzet doen tegen de inhouding bedoeld in het vierde lid door toepassing te maken van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek. De beslagrechter kan evenwel de opheffing van het beslag niet gelasten zolang het door de processen-verbaal, bedoeld in het zesde lid, geleverde bewijs niet is weerlegd, zolang de gegevens overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschappen uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen Lid-Staten van de Gemeenschap niet werden bekomen of gedurende een opsporingsonderzoek van het Parket of een gerechtelijk onderzoek van de onderzoeksrechter".

Overeenkomstig artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek, mag bewarend beslag in principe enkel worden gelegd wegens schuldvorderingen die zeker, opeisbaar en vaststaand zijn, of vatbaar voor een voorlopig raming. In strijd met deze wetsbepaling laat artikel 8¹, ,§3, leden 4 en 5, BTW-K.B. nr. 4 de inhouding voor een betwiste BTW-vordering toe ook in gevallen waarin op grond van vermoedens een vordering in het vooruitzicht gesteld wordt.

Volgens artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek is bewarend beslag slechts mogelijk in spoedeisende gevallen en de bewijslast rust daarbij op de schuldeiser. Uit voornoemd artikel 8¹, ,§3, lid 4, in fine, BTW-K.B. nr. 4 vloeit voort dat in afwijking van artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek de spoedeisendheid op onweerlegbare wijze wordt geacht vervuld te zijn met als gevolg een uitzonderlijke beperking van de controlebevoegdheid van de beslagrechter.

Artikel 1395 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat alle vorderingen betreffende bewarende beslagen voor de beslagrechter worden gebracht met als gevolg dat deze over een controlebevoegdheid beschikt over de wettigheid en de regelmatigheid van het beslag en dat hij meer bepaald het beslag moet kunnen opheffen indien de door het Gerechtelijk Wetboek beschreven voorwaarden niet vervuld zijn. Artikel 8¹, ,§3, lid 10, van het BTW-K.B. nr. 4 stelt evenwel dat de beslagrechter de opheffing van het beslag niet kan gelasten zolang de belastingplichtige het door de Administratie in haar proces-verbaal aangevoerde bewijs niet heeft weerlegd of wanneer de belastingplichtige het voorwerp uitmaakt van een gerechtelijk onderzoek door de onderzoeksrechter. De inhouding kan evenmin worden opgeheven zolang de administratie niet de inlichtingen heeft bekomen die zij aan de Administratie van de andere E.G.-lidstaten heeft gevraagd. Bovendien blijven de gevolgen van de inhoudingen bestaan zolang geen in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is gewezen.

Hieruit vloeit voort dat de beslagrechter zich enkel over de formele regelmatigheid van de inhoudingsprocedure en niet over de grondwaarden ervan mag uitspreken.

Uit voornoemd artikel 8¹, ,§3, van het BTW-K.B. nr. 4 vloeit derhalve voort dat, in afwijking van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, de inhouding kan gebeuren zelfs indien de schuldvordering geen zeker, vaststaand en opeisbaar karakter heeft. De spoedeisendheid van de inhouding wordt op onweerlegbare wijze geacht vervuld te zijn. De beslagrechter kan zich enkel over de formele regelmatigheid van de inhoudingsprocedure uitspreken en niet over de grondvoorwaarden ervan.

Volgens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn "de in dit wetboek gestelde regels van toepassing op alle rechtsplegingen, behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepaling van dit wetboek". Derhalve is het gemeen gerechtelijk recht van toepassing in belastingzaken tenzij de belastingwet uitdrukkelijk ervan afwijkt. [Artikel 76 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) dat uitdrukkelijk naar het Gerechtelijk Wetboek verwijst kan niet beschouwd worden als een bepaling afwijkend van het gemeenrecht van de procedure.

[Artikel 76 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) kan evenmin beschouwd worden op uitdrukkelijke wijze aan de Koning de bevoegdheid te hebben verleend om af te wijken van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek. Inderdaad kan krachtens artikel 105 van de Grondwet dergelijke bevoegdheid aan de Koning slechts worden verleend indien de Koning daartoe uitdrukkelijk werd gemachtigd. [Artikel 76 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) houdt geen enkele uitdrukkelijke machtiging van de Koning in om van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het bewarend beslag af te wijken.

Hieruit volgt dat artikel 8¹, ,§3, van het BTW-K.B. nr. 4 niet wettig is en het bestreden arrest dat hiervan toepassing maakt naar recht niet verantwoord is (schending van de artikelen 105 en 159 van de Grondwet, de artikelen 2, 1395, 1396, 1413, 1415 en 1420 van het Gerechtelijk Wetboek, artikel 76, ,§1, van het BTW-Wetboek en artikel 8¹, ,§3, lid 4 en lid 10, van het BTW-K.B. nr. 4 van 29 december 1969).

*2. Tweede onderdeel*

De grondwettelijke regels van de gelijkheid der Belgen voor de wet en van de niet-discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen zou worden ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk evenredig verband bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Indien men zou aannemen dat artikel 8¹, ,§3, van het BTW-K.B. nr. 4 wettig van het gemeen recht inzake bewarend beslag kan afwijken, dient de wetgever ervoor te zorgen dat de Koning niet wordt toegestaan verder te gaan dan strikt noodzakelijk om de fiscale fraude te voorkomen en de belangen van de Schatkist te vrijwaren. De afwijkingen van het gemeen beslagrecht kunnen derhalve niet tot gevolg hebben dat de betrokken belastingplichtigen de essentiële waarborg wordt ontzegd die in de daadwerkelijke jurisdictionele controle betreffende de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding van een belastingschuld in een beslagprocedure bestaat.

Uit voornoemde artikel 8¹, ,§3, van het BTW-K.B. nr. 4 vloeit voort dat, in afwijking van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, de inhouding kan gebeuren zelfs indien de schuldvordering geen zeker, vaststaand en opeisbaar karakter heeft ; dat de spoedeisendheid van de inhouding op onweerlegbare wijze wordt geacht vervuld te zijn, dat de beslagrechter zich enkel over de formele regelmatigheid van de inhoudingprocedure kan uitspreken en niet over de grondvoorwaarden ervan en dat derhalve de door de inhouding beoogde personen op onevenredige wijze geraakt worden in hun recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht.

Meer bepaald, voor wat het "zeker" karakter van de schuldvordering van de Administratie betreft, heeft eiseres in conclusie laten gelden dat de vorderingen van de BTW-administratie volledig op een supplementaire aanslag in de directe belastingen gesteund zijn. Uit de processen-verbaal bij de dwangbevelen blijkt duidelijk dat deze supplementaire aanslag in de directe belastingen door eiseres echter ook wordt betwist en :

"Aangezien de BTW-administratie zich beroept op een taxatie in de directe belastingen, kan het BTW-geschil niet worden behandeld zolang het geschil over de aanslag in de directe belastingen niet is opgelost.

De betwiste aanslag in de directe belastingen, die de aanleiding vormt voor de navordering van de BTW-administratie, heeft betrekking op het inkomstenjaar 1984 (aanslagjaar 1985) welke ingekohierd werd op 23 december 1987.

Op 4 februari 1988 (dus vlug na de vestiging van de aanslag) heeft (eiseres) een bezwaarschrift ingediend tegen de aanslag die voor aanslagjaar 1985 gevestigd werd.

Op 19 oktober 1995, dit wil zeggen acht jaar later, heeft de gewestelijke directeur een beslissing genomen over de betwiste aanslag (stuk nr. 6). In zijn beslissing heeft de gewestelijke directeur de betwiste aanslag bevestigd. (...)

Op 13 november 1995 (dus vlug na de kennisgeving van de directoriale beslissing) heeft (eiseres) hoger beroep aangetekend tegen de beslissing van de gewestelijke directeur. Aldus werd de zaak aanhangig gemaakt bij het Hof van Beroep te Antwerpen (...).

Op datum van 4 december 1997 (dit wil zeggen meer dan twee jaar later dan datum van het fiscaal verhaal) heeft de administratie het administratief dossier neergelegd ter griffie en (eiseres) heeft onmiddellijk, zijnde op 2 februari 1988 geconcludeerd in deze zaak (stuk nr. 8).

Op datum van heden, namelijk 2 juni 1999, dit wil zeggen bijna 18 maanden nadat (eiseres) haar besluiten heeft neergelegd ter griffie van het Hof van Beroep te Antwerpen, heeft de administratie nog altijd geen besluiten genomen, en dat terwijl artikel 382 WIB (1992) uitdrukkelijk voorziet dat de gewestelijke directeur binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf het verstrijken van de termijn van zestig dagen na de neerlegging van de stukken uit het administratief dossier de antwoordbesluiten ter griffie moet afgeven.

Zolang de administratie haar besluiten niet ter griffie neerlegt, blijft de zaak voor het hof van beroep dus geblokkeerd.

De conclusie is dus dat na meer dan 10 jaar het geschil met betrekking tot de aanslag in de directe belastingen nog altijd niet is opgelost, en dat dit uitsluitend te wijten is aan de traagheid en de onwil van de administratie.

Ondertussen blijft dus ook het BTW-geschil volledig geblokkeerd, buiten de wil van de belastingplichtige om. De belastingplichtige kan niets doen om een spoedige beslissing af te dwingen, vermits de beslissing in het BTW-geschil afhankelijk is van de uitspraak in de directe belastingen, en men dus moet wachten tot er eerst een definitief arrest is met betrekking tot de aanslag in de directe belastingen" (samenvattende besluiten in hoger beroep p. 2-5).

En eveneens :

"In casu heeft de vordering van de administratie allerminst de schijn gegrond te zijn. Zij wordt door (eiseres) op ernstige gronden betwist, wat blijkt uit de op 2 februari 1998 neergelegde besluiten die werden opgesteld in het hoger beroep dat ingesteld werd tegen de directoriale beslissing van 19 oktober 1995" (samenvattende besluiten in hoger beroep p. 16).

Hieruit volgt dat, door te oordelen dat eiseres noch voor de beslagrechter, noch voor de bodemrechter enig element heeft voorgelegd als tegenbewijs voor de vaststellingen opgenomen in de diverse p.v.'s, het hof van beroep de bewijskracht van de conclusie van eiseres schendt die op omstandige wijze liet gelden dat de vorderingen van de BTW-administratie volledig op een supplementaire aanslag in de directe belastingen gesteund zijn, dat dit uit de processen-verbaal bij de dwangbevelen duidelijk blijkt, dat deze supplementaire aanslagen in de directe belastingen door eiseres echter ook worden betwist (schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek) en evenmin op deze conclusie antwoordt (schending van artikel 149 van de Grondwet). Bovendien kon het hof van beroep niet naar recht oordelen dat eiseres die het voorwerp van een inhouding uitmaakt, over een daadwerkelijke en doelmatige rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding beschikte (schending van de artikelen 10, 11 en 105 van de Grondwet en van artikel 76, ,§1, van het BTW-Wetboek).

*3. Derde onderdeel*

Uit het arrest van het Hof van Justitie van 16 december 1992 blijkt voorts dat de Lid-Staten hun bevoegdheid moeten uitoefenen met inachtneming van het gemeenschapsrecht en bijgevolg van het evenredigheidsbeginsel.

Artikel 18, ,§4, van de Zesde BTW-Richtlijn, genomen op grond van de artikelen 99 en 100 van het E.G.-Verdrag, stelt :

> "Indien voor een bepaalde aangifteperiode het bedrag van de toegestane aftrek groter is dan dat van de verschuldigde belasting, kunnen de Lid-Staten, hetzij het overschot doen overbrengen naar de volgende periode, hetzij het overschot teruggeven overeenkomstig de door hen vastgestelde regeling".

Indien [artikel 18, lid 4, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-18) in beginsel geen belemmering vormt voor maatregelen zoals de inhouding voorzien in artikel 8¹, ,§3, lid 4, van het BTW-K.B. nr. 4, moeten de Lid-Staten evenwel in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel middelen aanwenden waarmee het door het nationale recht nagestreefde doel weliswaar doeltreffend kan worden bereikt, doch die doelstellingen en beginselen van de betrokken gemeenschapsregeling zo min mogelijk aantasten.

Zoals in de twee eerste onderdelen van het middel aangetoond, vloeit uit voornoemd artikel 8¹, ,§3, van het BTW-K.B. nr. 4 voort dat de inhouding automatisch toegepast wordt zelfs indien de schuldvordering geen zeker, vaststaand en opeisbaar karakter heeft, dat de spoedeisendheid van de inhouding op onweerlegbare wijze wordt geacht vervuld te zijn, dat de beslagrechter zich enkel over de formele regelmatigheid van de inhoudingsprocedure kan uitspreken en niet over de grondvoorwaarden ervan en dat derhalve de door de inhouding beoogde personen op onevenredige wijze geraakt worden in hun recht op een daadwerkelijk jurisdictioneel toezicht.

Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 18 december 1997 beslist dat wanneer een procedure van bewarend beslag het karakter heeft van een procedure die afwijkt van het gemene recht inzake bewarend beslag, door een onweerlegbaar vermoeden van noodzaak en spoedeisendheid, twijfel gerechtvaardigd is, of zij wel noodzakelijk is om de invordering van de verschuldigde bedragen te verzekeren en dat anders dan een eenvoudig vermoeden een onweerlegbaar vermoeden dus verder gaat dan nodig is om een doelmatige invordering te waarborgen en dit het evenredigheidsbeginsel schendt, aangezien het de belastingplichtige niet in staat stelt tegenbewijs te leveren onder rechterlijk toezicht van de beslagrechter.

Uit artikel 8¹, ,§3, van het BTW-K.B. nr. 4 vloeit voort dat de beslagrechter zich enkel over de formele regelmatigheid van de inhoudingsprocedure kan uitspreken en niet over de grondvoorwaarden ervan en dat bovendien de gevolgen van de inhoudingen blijven bestaan zolang geen in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest is gewezen. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 18 december 1997 beslist dat het evenredige karakter van de aantasting van het recht op aftrek slechts kan worden getoetst, indien een doelmatige rechterlijke toetsing bestaat in het kader van zowel de rechtsmiddelen in de zaak ten gronde, als de rechtsmiddelen voor de beslagrechter en dat wettelijke of reglementaire bepalingen die de beslagrechter beletten, de inhouding van het voor teruggave vatbare BTW-overschot of gedeeltelijk op te heffen, terwijl hij over alle bewijzen beschikt om te kunnen concluderen dat de vaststellingen in de processen-verbaal van de administratie op het eerste gezicht onjuist zijn, derhalve moeten worden geacht verder te gaan dan nodig is om een doelmatige invordering te garanderen en het recht op aftrek onevenredig aan te tasten.

Hieruit volgt dat maatregelen zoals de inhouding die eiseres wordt opgelegd geacht dienen te worden verder te gaan dan nodig om een doelmatige invordering te garanderen en het recht op aftrek van eiseres onevenredig aan te tasten. Derhalve schendt het hof van beroep het algemene rechtsbeginsel van het Europees gemeenschapsrecht houdende het evenredigheidsbeginsel en [artikel 18, lid 4, van de Zesde richtlijn](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-18).

## Beslissing van het Hof

*Eerste onderdeel*

Overwegende dat, overeenkomstig artikel 105 van de Grondwet, de Koning geen andere macht heeft dan die welke de Grondwet en de bijzondere wetten, krachtens de Grondwet zelf uitgevaardigd, hem uitdrukkelijk toekennen ;

Dat voormelde grondwetsbepaling het mogelijk maakt dat de wetgever aan de Koning de opdracht geeft om bij koninklijk besluit een materie te regelen die tot zijn residuaire bevoegdheid behoort ;

Overwegende dat het te dezen toepasselijke artikel 76, ,§1, derde lid, BTW-Wetboek bepaalt dat de Koning met betrekking tot het overschot dat de belastingplichtige toekomt, ten voordele van de administratie van de BTW, registratie en domeinen, een inhouding kan voorzien, die geldt als bewarend beslag onder derden in de zin van artikel 1445 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Dat die wetsbepaling omwille van de noodzaak om de invordering van de belasting op efficiënte wijze te verzekeren, aan de Koning opdracht heeft gegeven in een aan eigen regelen beantwoordende wijze van inhouding te voorzien die, zoals een beslag onder derden, de onbeschikbaarheid van de vordering van de belastingplichtige tot gevolg heeft ;

Dat uit die wetsbepaling tevens volgt dat de inhouding dezelfde gevolgen heeft als een bewarend beslag onder derden, inzonderheid wat betreft het recht van de belastingplichtige de geldigheid van de inhouding te laten toetsen door de rechter, maar hieruit niet volgt dat de inhouding alleen mag worden gedaan wanneer aan alle voorwaarden vereist voor een bewarend beslag is voldaan ;

Dat wat die voorwaarden betreft, de vereisten van het Gerechtelijk Wetboek voor het leggen van een beslag onder derden slechts van overeenkomstige toepassing zijn ;

Dat die wetsbepaling aldus niet vermag aan de personen die het voorwerp uitmaken van een inhouding van een belastingkrediet iedere daadwerkelijke rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en rechtmatigheid van de inhouding te ontzeggen ;

Overwegende dat het onderdeel dat er van uitgaat dat artikel 76, ,§1, derde lid, BTW-Wetboek aan de Koning niet de machtiging verleent om in een wijze van inhouding van belastingkredieten te voorzien die afwijkt van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het bewarend beslag onder derden, faalt naar recht ;

*1. Tweede onderdeel*

Overwegende dat het arrest niet alleen oordeelt dat "(eiseres) noch voor de beslagrechter, noch voor de bodemrechter enig element heeft voorgelegd als tegenbewijs voor de vaststellingen opgenomen in de diverse p.v.'s", maar tevens dat "de belastingplichtige zelf de onjuistheid van de bewijzen of ernstige vermoedens die door de administratie worden weerhouden dient aan te tonen, temeer omdat het vermoeden iuris tantum van juistheid enkel verbonden is aan de vaststellingen opgenomen in het proces-verbaal en zich niet uitstrekt tot de besluiten die de controle-agenten uit de vaststellingen hebben getrokken ; dat het bewijs dat de belastingplichtige dient te leveren zeker moet zijn ; dat hij zich niet mag beperken tot het aantonen van de waarschijnlijke onjuistheid van de in de processen-verbaal opgenomen feiten" en dat "(eiseres) dit bewijs geenszins levert" ;

Dat het arrest aldus het in het onderdeel bedoelde verweer verwerpt en beantwoordt en van de conclusie van eiseres een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is ;

Dat het onderdeel in zoverre het een motiveringsgebrek en miskenning van de bewijskracht van akten aanvoert, feitelijke grondslag mist ;

Overwegende voorts dat, krachtens artikel 8¹, ,§3, vierde lid, van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake de belasting over de toegevoegde waarde, het belastingkrediet tot het beloop van de schuldvordering van de administratie wordt ingehouden, wanneer deze over een belastingschuld in haar voordeel beschikt, zoals bedoeld in het eerste lid van deze bepaling, en die belastingschuld geen schuldvordering vormt die geheel of gedeeltelijk zeker, opeisbaar en vaststaand is, wat onder meer het geval is wanneer ze wordt betwist of aanleiding heeft gegeven tot een dwangbevel waarvan de tenuitvoerlegging wordt gestuit door het verzet bedoeld in [artikel 89 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-89) ;

Dat die inhouding geldt als een bewarend beslag onder derden tot het geschil definitief wordt beëindigd op administratieve wijze of bij wijze van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis of arrest ; dat voor de toepassing van deze inhouding de voorwaarde vereist door artikel 1413 van het Gerechtelijk Wetboek geacht wordt te zijn vervuld ;

Overwegende dat, krachtens artikel 8¹, ,§3, zevende lid, van het voornoemd K.B. nr. 4, de inhouding bedoeld in het vierde en vijfde lid van deze bepaling geldt als bewarend beslag onder derden tot op het ogenblik dat het bewijs vervat in de in het vorige lid bedoelde processen-verbaal is weerlegd, of tot op het ogenblik dat de waarachtigheid van de handelingen blijkt uit gegevens verkregen overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschap uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen Lid-Staten van de Gemeenschap ;

Dat de belastingplichtige, krachtens het tiende lid van artikel 8¹, ,§3, van het voormeld K.B. nr. 4 van 29 december 1969, enkel verzet kan doen tegen de inhouding bedoeld in het vierde en vijfde lid door toepassing te maken van artikel 1420 van het Gerechtelijk Wetboek ; dat, krachtens die bepaling, de beslagrechter evenwel de opheffing van het beslag niet kan gelasten zolang het door de processen-verbaal, bedoeld in het zesde lid, geleverd bewijs niet is weerlegd, zolang de gegevens overeenkomstig de procedures van de door de Europese Gemeenschap uitgevaardigde reglementering inzake het uitwisselen van inlichtingen tussen Lid-Staten van de Gemeenschap niet werden bekomen of gedurende een opsporingsonderzoek van het parket of een gerechtelijke onderzoek van de onderzoeksrechter ;

Overwegende dat de hoven en de rechtbanken de aspecten van de regeling vervat in artikel 8¹, ,§3, van het voormelde besluit die een daadwerkelijk toezicht in de weg staan, overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet niet mogen toepassen ; dat de bepalingen van het besluit daarenboven moeten worden uitgelegd op een wijze die zoveel mogelijk bestaanbaar is met de strekking van het genoemde [artikel 76 van het BTW-Wetboek](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) ;

Overwegende dat de omstandigheid dat de schuldvordering van de Administratie, op grond waarvan het belastingkrediet krachtens artikel 8¹, ,§3, vierde lid, van het K.B. nr. 4 van 29 december 1969 wordt ingehouden, in beginsel niet zeker, opeisbaar en vaststaand is, niet wegneemt dat de beslagrechter vermag te toetsen of bedoelde schuldvordering, hoewel betwist, prima facie een zekere en vaststaande vordering uitmaakt in de zin van artikel 1415 van het Gerechtelijk Wetboek ;

Dat het tot de taak van de beslagrechter behoort in het kader van het jurisdictioneel toezicht over de regelmatigheid en de rechtmatigheid van de inhouding, te oordelen of de bewijselementen of de aanwijzingen van fraude aangevoerd in de processen-verbaal van de BTW-administratie, de inhoudingsmaatregel van de BTW-tegoeden kunnen rechtvaardigen, rekeninghoudend met de omstandigheden van de zaak, de noodzaak om de belangen van de Schatkist te beschermen en de noodzakelijke proportionaliteit tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel ;

Overwegende dat, in zoverre het onderdeel ervan uitgaat dat eiseres niet over een daadwerkelijke en doelmatige rechterlijke toetsing van de regelmatigheid en de geldigheid van de inhouding beschikte, faalt naar recht ;

2\. Derde onderdeel

Overwegende dat het onderdeel uitgaat van dezelfde onderstelling die reeds in het antwoord op het tweede onderdeel werd verworpen ;

Dat het onderdeel faalt naar recht ;

### Beschikkend gedeelte

**OM DIE REDENEN,**

**HET HOF,**

Verwerpt het cassatieberoep ;

Veroordeelt eiseres in de kosten.

De kosten begroot op de som van tweehonderd vierentwintig euro negenenzeventig cent jegens de eisende partij en op de som van zevenenzestig euro zes cent jegens de verwerende partij.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter …

Ondertekening

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 76](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-76) 6 voorkomens

[Zesde richtlijn 77/388 art. 18](https://juriel.be/nl/unierecht/zesde-richtlijn-77-388/artikel-18) 3 voorkomens

[WBTW art. 89](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-89) 1 voorkomen

## Rechtspraak

2

### België

2

Hof van Cassatie F.19.0150.N 30.04.2021

#### [Dwangbevel, Bijzondere rekening, Inhouding, inhouding van een Btw-belastingskrediet](https://juriel.be/nl/rechtspraak/dwangbevel-bijzondere-rekening-inhouding-btw-cassatie-brussel-2021-04-30-284f)

Grondwettelijk Hof 5366 17.01.2013

#### [Teruggave, Inhouding van btw-kredieten, Bewarend beslag onder derden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggave-inhouding-btw-kredieten-bewarend-grondwettelijk-hof-brussel-2013-01-17-4-2013)

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek van belasting, teruggaaf van belasting, vervolging](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-belasting-teruggaaf-vervolging-rechtbank-gent-2001-06-12-8019) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Inhouding, Belastingkrediet, Rechterlijke toetsing door de beslagrechter](https://juriel.be/nl/rechtspraak/inhouding-belastingkrediet-rechterlijke-toetsing-beslagrechter-cassatie-brussel-2003-01-03-e94b) 3 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid dwangbevel, Openbare orde karakter van de belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-dwangbevel-openbare-orde-karakter-hof-van-beroep-antwerpen-2021-10-05-474e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verkopen op afstand, Recht op teruggaaf, Verjaring, Neutraliteits-en doeltreffendheidsbeginsel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verkopen-afstand-recht-teruggaaf-verjaring-hof-van-beroep-gent-2023-05-02-ec95) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Aanwijzingen voor fraude, Regularisatieoverzicht, Proces-verbaal, Ontvangstregister](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aanwijzingen-fraude-regularisatieoverzicht-proces-verbaal-rechtbank-nijvel-2024-01-08-5c8e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Teruggave, Inhouding van btw-kredieten, Bewarend beslag onder derden](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggave-inhouding-btw-kredieten-bewarend-grondwettelijk-hof-brussel-2013-01-17-4-2013) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Teruggaaf van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-rechtbank-brugge-2006-01-17-88f7) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Teruggaaf van belasting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/teruggaaf-belasting-hof-van-beroep-gent-2001-12-04-999a) 2 gemeenschappelijke bepalingen
