---
title: "Niet-indiening btw-aangiften, btw-boete · Hof van beroep te Antwerpen, 20 mei 2025"
description: "Niet-indiening btw-aangiften, btw-boete, non bis in idem, Evenredigheidsbeginsel, indienen van de aangifte. Hof van beroep te Antwerpen (België), 20 mei 2025."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-btw-aangiften-boete-non-hof-van-beroep-antwerpen-2025-05-20-df74"
lang: "nl"
---

# Niet-indiening btw-aangiften, btw-boete, non bis in idem, Evenredigheidsbeginsel

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

20 mei 2025

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

**Strekking volgens de FOD**

gunstig voor de Belgische Staat

## Tekst

85 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het hof van beroep te Antwerpen d.d. 20.05.2025

WF 707-15-19/066797 - Finaliti 54782065/01

\[ Gunstig arrest \]

*Belasting over de toegevoegde waarde – niet-indiening btw-aangiften – btw-boete – non bis in idem -*

*Evenredigheidsbeginsel*

Wettelijke bepalingen

[Art. 70, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70)

## Samenvatting van het vonnis/het arrest

1.Feiten en vonnis in eerste aanleg

Naar aanleiding van een btw-controle werd vastgesteld dat eiseres in hoger beroep vanaf het tweede kwartaal 2017 tot en met 2018 geen btw-aangiften heeft ingediend en geen btw heeft doorgestort terwijl wel belastbare handelingen werden gesteld. Er werd een proces-verbaal opgesteld op 21 november 2019 en de btw-schuld werd ingeschreven in het innings-en invorderingsregister dat uitvoerbaar werd verklaard op 14 januari 2020. Lastens eiseres in hoger beroep werden tevens na opening van bijzondere rekeningen 5 btw-boeten nagevorderd van telkens 2.000 EUR wegens het niet-indienen van periodieke aangiften en 3 btw-boeten van telkens 3.000 EUR wegens het niet indienen van de klantenlijsten van 2018, 2019 en 2020.

Eiseres in hoger beroep ging hiermee niet akkoord en tekende verzet aan bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 19 mei 2022. De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond.

Tegen dit vonnis heeft eiseres hoger beroep aangetekend.

2.Het arrest in hoger beroep

Eiseres in hoger beroep stelt in het verzoekschrift in hoger beroep dat geen btw verschuldigd zou zijn over de diensten aangerekend aan bepaalde vennootschappen en verwijst ter zake naar [artikel 21, §2 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) ingevolge waarvan de plaats van de dienst deze is waar de belastingplichtige zijn economische activiteit heeft gevestigd. Verder stelt eiseres in hoger beroep dat de btw aangerekend in de facturen aan bepaalde cliënten pas opeisbaar zou zijn op het tijdstip van betaling omdat het diensten zouden betreffen die werden geleverd aan particulieren. Tevens zou ten onrechte btw zijn aangerekend over facturen aan failliet verklaarde vennootschappen.

Hierover oordeelt het hof van beroep dat eiseres in hoger beroep zich beperkt tot loutere beweringen zonder voorlegging van de facturen en onderliggende objectieve en controleerbare stukken. Bij totaal gebrek aan bewijs dient de vordering van eiseres in hoger beroep dan ook te worden afgewezen.

Eiseres in hoger beroep werd enerzijds een btw-boete opgelegd van 20% in toepassing van [artikel 70, §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70). Tevens worden 5 btw-boeten nagevorderd van telkens 2.000 EUR wegens het niet-indienen van periodieke aangiften en 3 btw-boeten van telkens 3.000 EUR wegens het niet indienen van de klantenlijsten.

Het hof stelt vast dat de boete van 20% of 20.090 EUR werd opgelegd wegens het niet voldoen van de verschuldigde btw waar de andere geldboeten werden opgelegd wegens het niet indienen van btw-aangiften en klantenlistings. De verschillende boeten werden derhalve opgelegd wegens verschillende overtredingen over verschillende belastbare perioden. Van enige dubbele bestraffing van eenzelfde overtreding is dan ook geen sprake.

Verder is het hof van oordeel dat de opgelegde boete van 20% en de niet-proportionele geldboeten evenredig zijn met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering zijn. Het hof is dan ook van oordeel dat er in casu geen enkele reden is om de boeten kwijt te schelden dan wel te verminderen. Het vonnis van de eerste rechter wordt bevestigd.

**Volledige tekst**

### Tekst van de beslissing

**Arrest hof van beroep te Antwerpen dd. 20.05.2025**

**2023/AR/1806**

**X.,** ON …, met zetel te …,

Eiseres in hoger beroep,

Niet verschenen noch vertegenwoordigd ter terechtzitting van 6 mei 2025

tegen het vonnis van de AFi4 kamer van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen van 26 juni 2023, gekend onder rolnummer 22/2085/A

tegen

**BELGISCHE STAAT - FOD FINANCIEN,** ON 0308.357.159, in de persoon van de minister van Financiën, met kabinet te 1000 BRUSSEL, Wetstraat 12, handelend ten verzoeke van de **ADVISEUR-GENERAAL- DIRECTEUR VAN HET KMO CENTRUM ANTWERPEN,** ON 0308357.159, met diensten te 2000 ANTWERPEN, Italiëlei 4 bus 2,

Verweerder in hoger beroep,

vertegenwoordigd door mr. B.B., advocaat te …

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, van 26 juni 2023, betekend bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 14 september 2023, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep, neergelegd ter griffie van het hof van beroep te Antwerpen op 16 oktober 2023, ingeschreven op 27 november 2023, waarbij een tijdig en regelmatig hoger beroep wordt ingesteld.

**1.** **Feitelijke en procedurele retroacta.**

1.1. Huidige betwisting heeft betrekking op de B.T.W.-navorderingen middels de innings- en invorderingsregisters

•met schuldnummer 500/2212/63339 opgemaakt op 6 januari 2020 en uitvoerbaar verklaard op 14 januari 2020 (A.D. 2),

•met schuldnummer 500/2154/52938, gebaseerd op de bijzondere rekening van 31 januari 2019 (A.D. 6),

•met schuldnummer 500/2193/64361, gebaseerd op de bijzondere rekening van 31 juli 2019 (A.D. 14),

•met schuldnummer 500/2329/94477, gebaseerd op de bijzondere rekening van 30 april 2020 (A.D. 16),

•met schuldnummer 500/2375/00230, gebaseerd op de bijzondere rekening van 31 oktober 2020 (A.D. 18),

•met schuldnummer 500/2464/94554, gebaseerd op de bijzondere rekening van 30 april 2021 (A.D. 4),

•met schuldnummer 500/2222/55567, gebaseerd op het proces-verbaal wegens niet indiening van de klantenlijst 2018 (A.D. 10),

•met schuldnummer 500/2369/79965, gebaseerd op het proces-verbaal wegens niet indiening van de klantenlijst 2019 (A.D. 8),

•met schuldnummer 500/2498/55808, gebaseerd op het proces-verbaal wegens niet indiening van de klantenlijst 2020 (A.D. 12).

Bij B.T.W.-controle werd vastgesteld dat eiseres in hoger beroep vanaf het tweede kwartaal 2017 tot en met 2018 geen B.T.W.-aangiften heeft ingediend en geen B.T.W. heeft doorgestort terwijl wel belastbare handelingen werden gesteld. Er werd op 7 oktober 2019 een correctieopgave opgesteld ingevolgde waarvan eiseres in hoger beroep een bedrag van 100.462,11 EUR als B.T.W. verschuldigd was, meer een geldboete ten bedrage van 20.090 EUR en nalatigheidsintresten (A.D. 22). Bij gebrek aan reactie werd een proces-verbaal opgesteld op 21 november 2019 (A.D. 1). De B.T.W.-schuld werd ingeschreven in het innings-en invorderingsregister met schuldnummer 500/2212/63339 opgemaakt op 6 januari 2020 en uitvoerbaar verklaard op 14 januari 2020 (A.D. 2). Bezwaar werd aangetekend op 13 december 2019, dat werd afgewezen bij beslissing d.d. 7 april 2020.

Lastens eiseres in hoger beroep werden tevens na opening van bijzondere rekeningen 5 B.T.W.-boeten nagevorderd van telkens 2.000 EUR wegens het niet-indienen van periodieke aangiften en 3 B.T.W.-boeten van telkens 3.000 EUR wegens het niet indienen van de klantenlijsten van 2018, 2019 en 2020.

1.2. Bij verzoekschrift op tegenspraak, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen op 19 mei 2022, vorderde eiseres in hoger beroep de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en bijgevolg het dwangbevel nietig te verklaren, minstens te horen zeggen voor recht dat de in het innings- en invorderingsregister B.T.W., met registernummer 201910NL021, schuldnummer 500/2212/63339 opgemaakt op 6 januari 2020 en uitvoerbaar verklaard op 14 januari 2020 gegrond op het proces-verbaal tot naheffing van de B.T.W. gevorderde sommen niet verschuldigd zijn, zowel wat de B.T.W. betreft als wat de boeten, kosten en interesten betreft, derhalve de uitvoering van het innings- en invorderingsregister B.T.W. te horen verbieden, alsmede het dwangbevel nietig te verklaren, minstens te zeggen voor recht dat de in het innings- en invorderingsregister B.T.W., opgenomen B.T.W.-schulden (500/2464/94554, 500/2154/52938, 500/2193/64361, 500/2329/94477, 500/2375/00230 en 500/2222/55567, 500/2369/79965 en 500/2498/55808) niet verschuldigd zijn, derhalve de uitvoering van het innings- en invorderingsregister B.T.W. wat betreft voornoemde B.T.W.-schulden waartegen verzet gedaan wordt te horen verbieden, derhalve de Belgische Staat te horen veroordelen alle ingehouden, betaalde of in beslag genomen bedragen terug te betalen, te vermeerderen met de moratoriumintresten en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten.

De eerste rechter verklaarde de vordering van eiseres in hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond en veroordeelde haar tot de kosten, niet begroot en vereffend op 0 EUR.

De eerste rechter stelde vast dat er geen concrete betwisting werd gevoerd met betrekking tot de inbreuken aangaande de niet-aangifte en niet-doorstorting van de B.T.W. De eerste rechter oordeelde dat de administratie terecht de verschuldigde B.T.W. navorderde.

Betreffende de opgelegde boetes oordeelde de eerste rechter dat deze regelmatig werden opgelegd, conform de wettelijke bepalingen. Van enige schending van het 'non bis in idem'-beginsel kon geen sprake zijn. De eerste rechter oordeelde dat de opgelegde boeten in redelijke verhouding staan tot de aard en de ernst van de gepleegde inbreuken en dat er geen redenen zijn om deze te herleiden. Overmacht wordt niet aangetoond.

Tegen dit vonnis heeft eiseres in hoger beroep bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het hof op 16 oktober 2023 en ingeschreven op 27 november 2023 hoger beroep ingesteld.

**2.** **De vorderingen in hoger beroep.**

2.1. Eiseres in hoger beroep vordert het hoger beroep ontvankelijk en gegrond te verklaren en opnieuw rechtdoende het bestreden vonnis te hervormen, dienvolgens over te gaan tot de vernietiging van het dwangbevel, minstens te horen zeggen voor recht dat de in het innings- en invorderingsregister B.T.W., met registernummer 201910NL021, schuldnummer 500/2212/63339 opgemaakt op 6 januari 2020 en uitvoerbaar verklaard op 14 januari 2020 gegrond op het proces-verbaal tot naheffing van de B.T.W. gevorderde sommen niet verschuldigd zijn, zowel wat de B.T.W. betreft als wat de boeten, kosten en interesten betreft; derhalve de uitvoering van het innings- en invorderingsregister B.T.W. te horen verbieden. Eiseres in hoger beroep vordert tevens het dwangbevel nietig te verklaren, minstens te zeggen voor recht dat de in het innings- en invorderingsregister B.T.W., opgenomen B.T.W.-schulden (500/2464/94554, 500/2154/52938, 500/2193/64361, 500/2329/94477, 500/2375/00230 en 500/2222/55567, 500/2369/79965 en 500/2498/55808) niet verschuldigd zijn, derhalve de uitvoering van het innings- en invorderingsregister B.T.W. wat betreft voornoemde B.T.W.-schulden waartegen verzet gedaan wordt te horen verbieden, derhalve de Belgische Staat te horen veroordelen alle ingehouden, betaalde of in beslag genomen bedragen terug te betalen, te vermeerderen met de moratoriumintresten en verweerder in hoger beroep te veroordelen tot de kosten, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding.

2.2. Verweerder in hoger beroep, de Belgische Staat, vordert het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, dienvolgens het bestreden vonnis te bevestigen en aldus de door eiseres in hoger beroep ingestelde vordering in nietigverklaring van het proces-verbaal van 21 november 2019 en van de inschrijving (onder de referte 202001NL004) van het schuldartikel 500/2212/63339 in het innings- en invorderingsregister dat uitvoerbaar werd verklaard op 14 januari 2020, ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, de door eiseres in hoger beroep ingestelde vordering om de schuldartikels houdende opgelegde boeten wegens niet-indiening van de B.T.W.-aangiften zoals die blijken uit de diverse bijzondere rekeningen (500/2464/94554, 500/2154/52938, 500/2193/64361, 500/2329/94477, 500/2375/00230) en de schuldartikels houdende opgelegde boeten wegens de niet-indiening van de klantenlijsten voor de jaren 2018, 2019 en 2020 (500/2222/55567, 500/2369/79965 en 500/2498/55808), nietig of minstens van onwaarde te verklaren, ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en zodoende de inhoud van het proces-verbaal van 21 november 2019 en de inschrijving in het innings- en invorderingsregister d.d. 14 januari 2020 (202001NL004) te bevestigen zodat de erin opgenomen bedragen verschuldigd blijven, de verschuldigdheid van de boeten opgelegd middels de bijzondere rekeningen d.d. 31 januari 2019, 31 juli 2019, 30 april 2020, 31 oktober 2020 en 30 april 2021 zoals die blijken uit de respectieve innings- en invorderingsberichten van 18 oktober 2019 (201910NL013), 6 januari 2020 (201912NL022), 4 januari 2021 (202012NL019), 15 april 2021 (202104NL010) en 14 december 2021 (202111NL021) te bevestigen, en de verschuldigdheid van de boeten opgelegd wegens het niet-indienen van de klantenlijsten voor de jaren 2018, 2019 en 2020 zoals die blijken uit de respectieve innings- en invorderingsberichten van 5 maart 2020 (202003NL002), 8 april 2021 (202104NL004) en 3 maart 2022 (202202NL023) te bevestigen, eiseres in hoger beroep tenslotte te veroordelen tot alle kosten van het geding, in hoofde van geïntimeerde begroot op de rechtsplegingsvergoeding hoger beroep van 7.848,84 EUR.

**3.** **Bespreking.**

3.1. De administratie stelde vast bij controle dat door eiseres in hoger beroep vanaf het tweede kwartaal 2017 tot en met 2018 geen B.T.W.-aangiften werden ingediend en geen B.T.W. werd doorgestort terwijl wel belastbare handelingen werden gesteld. Aan de hand van het boek uitgaande facturen en het dagboek ontvangsten werd berekend dat eiseres in hoger beroep over 2017 en 2018 een bedrag van 100.462,11 EUR als B.T.W. in hoofdsom verschuldigd was. Er werd eiseres in hoger beroep tevens een B.T.W.-boete opgelegd van 20%. Deze B.T.W.-schuld werd opgenomen in het innings- en invorderingsregister d.d. 14 januari 2020.

Eiseres in hoger beroep stelt in het verzoekschrift in hoger beroep dat geen B.T.W. verschuldigd zou zijn over de diensten aangerekend aan L.G. en A.B. Ltd. en verwijst ter zake naar artikel 21, §2 W.B.T.W. ingevolge waarvan de plaats van de dienst deze is waar de belastingplichtige zijn economische activiteit heeft gevestigd.

Het hof stelt vast dat eiseres in hoger beroep hoegenaamd niet motiveert waarom geen B.T.W. verschuldigd zou zijn door de betrokken vennootschappen. De facturen worden niet voorgelegd, evenmin als onderliggende stukken die op enigerlei wijze zouden kunnen ondersteunen waarom geen Belgische B.T.W. verschuldigd zou zijn. De enkele bewering dat het geen Belgische B.T.W.-plichtigen zouden zijn, wat bij totaal gebrek aan stukken niet door het hof kan worden vastgesteld, is ter zake onvoldoende.

Eiseres in hoger beroep stelt voorts dat de B.T.W., aangerekend in de facturen aan mevrouw M.J., de heer M.K. en mevrouw K., pas opeisbaar zou zijn op het tijdstip van betaling omdat het diensten zouden betreffen die werden geleverd aan particulieren. Tevens zou ten onrechte B.T.W. zijn aangerekend over facturen aan failliet verklaarde vennootschappen BV H. en BV V.R..

Ook hier beperkt eiseres in hoger beroep zich tot loutere beweringen zonder voorlegging van de facturen en onderliggende objectieve en controleerbare stukken. Bij totaal gebrek aan bewijs dient de vordering van eiseres in hoger beroep dan ook te worden afgewezen.

3.2. Eiseres in hoger beroep werd enerzijds een B.T.W.-boete opgelegd van 20% in toepassing van artikel 70, §1 W.B.T.W. wegens de overtreding de belasting te voldoen. Tevens worden 5 B.T.W.-boeten nagevorderd van telkens 2.000 EUR wegens het niet-indienen van periodieke aangiften en 3 B.T.W.-boeten van telkens 3.000 EUR wegens het niet indienen van de klantenlijsten van 2018, 2019 en 2020.

Eiseres in hoger beroep stelt dat er sprake is van een schending van het 'non bis in idem'-beginsel door voor dezelfde feiten verschillende boeten op te leggen en dat de opgelegde boetes niet proportioneel zouden zijn. Er zou sprake zijn van overmacht.

Het hof stelt vast dat de boete van 20% of 20.090 EUR werd opgelegd wegens het niet voldoen van de verschuldigde B.T.W. waar de andere geldboeten werden opgelegd wegens het niet indienen van B.T.W.-aangiften en klantenlistings. De verschillende boeten werden derhalve opgelegd wegens verschillende overtredingen over verschillende belastbare perioden. Van enige dubbele bestraffing van eenzelfde overtreding is dan ook geen sprake.

Voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, wordt in toepassing van artikel 70, §1 W.B.T.W. een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbel van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Deze geldboete komt niet in aanmerking voor vermindering wanneer blijkt dat ze werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of ontduiking mogelijk te maken ([artikel 1, tweede lid K.B. nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1)).

De boete die de administratie oplegt in toepassing van art. 70 W.B.T.W. is een fiscale sanctie met strafrechtelijk karakter in de zin van art. 6 EVRM. De rechter moet aldus kunnen nagaan of de sanctie in rechte en in feite verantwoord is en of zij de wettelijke bepalingen en algemene beginselen eerbiedigt die de administratie in acht moet nemen (G.W.-Hof 24 februari 1999, *Fiscoloog,* nr. 697, 5). Artikel 6 EVRM verschaft aan de rechter de bevoegdheid het opleggen van dergelijke boete te controleren met voile rechtsmacht, en de beslissing daaromtrent op alle punten, zo in feite als in rechte, te hervormen (EHRM 4 maart 2004, *Fiscoloog,* 2004, nr. 928,1).

De rechter aan wie gevraagd wordt de sanctie opgelegd op grond van artikel 70 W.BTW te toetsen, mag aldus de wettelijkheid van die sanctie onderzoeken en mag in het bijzonder nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dit toetsingsrecht moet in het bijzonder de rechter toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang. Hierbij mag hij in het bijzonder acht slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld, maar moet hij in acht nemen in welke mate het bestuur zelf gebonden was in verband met die sanctie, in welk geval de rechter een grotere terughoudendheid in acht moet nemen (zie onder meer Cass. 24 maart 2023, [F.21.0056.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboete-evenredigheid-genaderecht-boete-cassatie-brussel-2023-03-24-7c10)). Dit toetsingsrecht houdt niet in dat de rechter op grond van een subjectieve appreciatie van wat hij redelijk acht, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boeten kan kwijtschelden of verminderen (zie onder meer Cass. 23 september 2022, [F.20.0112.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/boete-evenredigheid-vermindering-cassatie-brussel-2022-09-23-f674); Cass. 13 februari 2009, [F.06.0108.N](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-boete-vermindering-boetes-kwijtschelding-cassatie-brussel-2009-02-13-05d6)).

Eiseres in hoger beroep stelt dat de boete van 20% of 20.090 EUR en de niet-proportionele geldboeten wegens niet-indiening van B.T.W.-aangiften en klantenlistings disproportioneel zijn omdat zij alle voor de controle van de leveringen, juiste heffing van de belasting en ter preventie van fraude noodzakelijke informatie zou hebben aangeleverd. Bovendien zou de boete gelijk zijn aan het bedrag van de over de bewuste leveringen aangerekende B.T.W..

Het hof is van oordeel dat de opgelegde geldboete van 20 % in casu evenredig is met de ernst en de aard van de gepleegde inbreuken en een aangepaste en adequate sanctionering is van de door eiseres in hoger beroep gepleegde feiten waarbij over een periode van twee jaar geen B.T.W.-aangiften werden ingediend en geen verschuldigde B.T.W. werd betaald terwijl wel belastbare handelingen werden gesteld. Ook de niet-proportionele geldboeten wegens niet-indiening van B.T.W.-aangiften en klantenlistings zijn evenredig met gepleegde inbreuken, zijnde de herhaalde niet-indiening van B.T.W.-aangiften, tot vijf maal toe, en de herhaalde niet-indiening van klantenlistings voor drie opeenvolgende jaren. Dat eiseres in hoger beroep ter controle aan de administratie informatie ter beschikking heeft gesteld, kan hieraan geen afbreuk doen, bijkomend in acht genomen dat aan de volledigheid van de aangeleverde informatie ten zeerste kan worden getwijfeld, gelet op ieder gebrek aan onderbouwing door eiseres in hoger beroep van haar grieven. Althans stelt eiseres in hoger beroep ten onrechte dat de boete gelijk zou zijn aan de verschuldigde B.T.W. nu de boete 20% van de verschuldigde B.T.W. bedraagt.

Eiseres in hoger beroep motiveert verder niet waarom de boete van 20% in haren hoofde onredelijk zou zijn en verder dan noodzakelijk zou gaan. De geldboete werd proportioneel berekend met inachtneming van de niet betaalde B.T.W. voor een bedrag van 100.462,11 EUR. De omvang van de geldboete is dan ook recht evenredig met de B.T.W. die niet werd afgedragen. Enkel de omvang maakt deze dan ook niet buitensporig. Eiseres in hoger beroep heeft bovendien in elk geval wel degelijk een voordeel bekomen, door de verschuldigde B.T.W. gedurende twee jaar lang niet te betalen. Eiseres in hoger beroep motiveert evenmin waarom de niet-proportionele geldboeten van 2.000 EUR dan wet 3.000 EUR disproportioneel zouden zijn.

Eiseres in hoger beroep beroept zich tenslotte op overmacht omdat zij wegens zware ziekte diverse ingrepen diende te ondergaan en gehospitaliseerd was.

Er is sprake van overmacht wanneer men zijn verplichtingen niet kan naleven omwille van een oorzaak die de betrokkene niet toerekenbaar is en waaraan hij niet de minste fout heeft. Er moet sprake zijn van een ontoerekenbare onmogelijkheid. Eiseres in hoger beroep dient daarbij in concreto aan te tonen dat overmacht haar heeft verhinderd tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Het hof stelt andermaal vast dat eiseres in hoger beroep zich beperkt tot een loutere bewering zonder ter zake zelfs maar een begin van bewijs bij te brengen. Overmacht is dan ook niet aangetoond.

Rekening houdende met de aard en de ernst van de feiten en de concrete gegevens van de zaak is er in casu dan ook geen enkele reden om de boeten kwijt te schelden dan wet te verminderen. Het vonnis van de eerste rechter wordt bevestigd.

---

Het hoger beroep van eiseres in hoger beroep is ongegrond en het vonnis van de eerste rechter dient te worden bevestigd.

Verweerder in hoger beroep begroot de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 7.848,84 EUR. Met inachtneming van het bedrag van de vordering, begroot het hof de rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep op 7.848,84 EUR en legt deze ten laste van eiseres in hoger beroep, als de in het ongelijk gestelde partij.

Het hof stelt vast dat onderhavige zaak is vrijgesteld van rolrecht in toepassing van artikel 279 1, 1° io. 162, 4° W.Reg..

### Beschikkend gedeelte

**4.** **Beslissing.**

Het hof beslist bij arrest op tegenspraak met toepassing van art. 747 §4 Ger.W. ten aanzien van eiseres in hoger beroep.

De rechtspleging verliep in overeenstemming met de wet van 15 juni 1935 op het gebruik van de taal in gerechtszaken.

Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en bevestigt het vonnis van de eerste rechter.

Het hof veroordeelt eiseres in hoger beroep tot de kosten van het hoger beroep, in hoofde van verweerder in hoger beroep begroot op en vereffend op 7.848,84 EUR rechtsplegingsvergoeding in hoger beroep.

Het meer en anders gevorderde wordt afgewezen.

Dit arrest werd uitgesproken in de openbare zitting van 20 mei 2025 door

C. P. Raadsheer dd. voorzitter

E. D. Raadsheer

K. L. Raadsheer

E. C. Griffier

### Nota van de FOD Financiën

## Referentie WF

WF 707-15-19/066797 - Finaliti 54782065/01

## Aangehaalde teksten

3

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 3 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 21](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-21) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Uitoefening van het recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/uitoefening-recht-aftrek-facturen-aankoop-hof-van-beroep-brussel-2019-10-17-7b1b) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Zetel van economische activiteit, strafrechtelijk gewijsde, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zetel-economische-activiteit-strafrechtelijk-gewijsde-hof-van-beroep-gent-2024-01-09-000e) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Dienstverlening in andere lidstaat, taxidienst, intracommunautaire Btw](https://juriel.be/nl/rechtspraak/taxi-dienstverlening-in-andere-lidstaat-rechtbank-brussel-2026-01-07-2aa4) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Zetel van economische activiteit, strafrechtelijk gewijsde, misbruik](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zetel-economische-activiteit-strafrechtelijk-gewijsde-hof-van-beroep-gent-2024-01-09-351c) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Doelgebondenheid, Plaats van vestiging, Neutraliteitsbeginsel, plaats van de dienst](https://juriel.be/nl/rechtspraak/doelgebondenheid-plaats-vestiging-neutraliteitsbeginsel-hof-van-beroep-brussel-2026-05-13-36ee) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Consulting, Bedrieglijk opzet, Plaats van de dienst, adviesverstrekking](https://juriel.be/nl/rechtspraak/consulting-bedrieglijk-opzet-plaats-dienst-hof-van-beroep-brussel-2025-03-19-77c1) 2 gemeenschappelijke bepalingen

[Verplichtingen van de belastingplichtige, Indienen van periodieke aangiften](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verplichtingen-belastingplichtige-indienen-periodieke-aangiften-rechtbank-2025-06-10-8211) 2 gemeenschappelijke bepalingen
