---
title: "Niet-indiening, bankonderzoek · Rechtbank van eerste aanleg te Gent, 23 juni 2022"
description: "Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete. Rechtbank van eerste aanleg te Gent (België), 23 juni 2022."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/indiening-bankonderzoek-wedersamenstelling-omzet-wettelijke-rechtbank-gent-2022-06-23-1e9c"
lang: "nl"
---

# Niet-indiening, bankonderzoek, wedersamenstelling van de omzet, wettelijke boete

**Rechtscollege**

Rechtbank van eerste aanleg

**Zetel**

Gent

**Datum**

23 juni 2022

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

188 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Vonnis van de rechtbank van eerste aanleg, Oost-Vlaanderen, afd. Gent d.d. 23.06.2022 (Rolnr. 20/3023/A)

\[ Gemengd vonnis \]

*Belasting over de toegevoegde waarde – niet-indiening – bankonderzoek – wedersamenstelling van de omzet – wettelijke boete*

## Wettelijke bepalingen

Artikelen 53, 62, 62bis,2de, 3de en 4de lid, 64, §§ 1 en 2 en 70, §1 WBTW

## Samenvatting van het vonnis

De belastingplichtige is sinds 1 juli 2017 voor btw-doeleinden geregistreerd.

Het openbaar ministerie verleende aan de administratie op 24 mei 2018 toelating tot inzage van een gerechtsdossier dat lastens de belastingplichtige was geopend.

Het gerechtsdossier mondde uit in een vonnis van 17 juni 2019 waarin de belastingplichtige werd veroordeeld wegens oplichting, sluikwerk en geen inschrijving in de KBO. Er werd tevens een beroepsverbod voor 10 jaar opgelegd.

Naar aanleiding van de gegevens bekomen uit de inzage van het gerechtsdossier werd door de administratie een controle opgestart. Aangezien geen enkele reactie werd bekomen van de belastingplichtige werd, ging de administratie overeenkomstig artikel 62bis, 2de, 3de en 4de lid van het Btw-Wetboek, over tot een raadpleging van het Centraal Aanspreekpunt van de Nationale Bank.

Op basis van de financiële inlichtingen die werden verkregen uit het bankonderzoek, werd de omzet van de belastingplichtige weder samengesteld op basis van de artikelen [59, §1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) en [64, §§ 1 en 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) van het Btw-Wetboek. Op 18 september 2019 werd een correctieopgave aangetekend verstuurd en, bij gebreke van een akkoord, werd op 14 oktober 2019 een proces-verbaal opgemaakt.

Op 1 april 2020 legde de belastingplichtige een verzoekschrift op tegenspraak neer.

De rechter in eerste aanleg heeft vastgesteld dat de administratie bij de berekening van de verschuldigde btw geen rekening heeft gehouden met verschillende kosten. De overschrijvingen en stortingen werden gewoonweg opgeteld en de aankoopgegevens werden niet in aanmerking genomen.

Deze kosten en aankoopgegevens konden op zijn minst geraamd worden. Door hier uitdrukkelijk geen rekening mee te houden, op welke wijze dan ook, heeft de administratie de verschuldigde btw willekeurig berekend. Verder is de boete van 200% disproportioneel met de begane inbreuken en wordt verminderd naar 100%.

De administratie tekende beroep aan.

**Volledige tekst:**

### Tekst van de beslissing

## OPENBARE TERECHTZITTING VAN 23 JUNI 2022

**Rolnr. 20/3023/A**

**In de zaak van :**

**F.P.,** RRN 81…27, wonende te …;

***eisende partij,*** hebbende ais raadsman meester T.P., advocaat met kantoor te …

TEGEN:

**De BELGISCHE STAAT,** FOD Financiën — Stafdienst Logistiek - Koning Albert II laan 33 bus 971 te 1030 Brussel, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, op vervolging en benaarstiging van de Algemene Administratie van de Inning en de Invordering, handelend op verzoek van de Adviseur - generaal, Directeur van het KMO Centrum Aalst, met kantoren te 9100 Sint-Niklaas, Driekoningenstraat 4 bus 1, KBO 0308.357.159,

***verwerende partij,*** voor wie optreedt mevrouw D.A., attaché bij een fiscaal bestuur;

Beslist de rechtbank als volgt :

## I. DE RECHTSPLEGING

De rechtbank nam kennis van de argumenten van partijen op de openbare terechtzitting van 9 juni 2022. Vervolgens sloot de rechtbank het debat en nam de zaak in beraad. De rechtbank zag het dossier van de rechtspleging en de bewijsstukken in en in het bijzonder het neergelegd gedinginleidende verzoekschrift van 1 april 2020 en de conclusies van partijen.

## Il. DE VORDERING

**Eiser** vordert in syntheseconclusies de vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren:

> *"De boete voor het niet indienen van twee BTW-aangiftes te vernietigen resp. te ontheffen;*
>
> *Verweerder te veroordelen in alle kosten van het geding met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding te bepalen op 520,00 euro alsmede de retributie begrotingsfonds van de juridische tweedelijnsbijstand ten bedrage van 20,00 EUR".*

**Verweerster** vordert in syntheseconclusies de vordering ontvankelijk en ongegrond te verklaren, het proces-verbaal van 14 oktober 2019 te bevestigen en eiser te veroordelen tot de gedingkosten.

## III. RELEVANTE FEITEN EN GESCHIL

1.De heer F.P., eiser, is sinds 1 juli 2017 voor btw-doeleinden geregistreerd op het adres …

2.Het openbaar ministerie gaf op 24 mei 2018 toelating tot inzage van een gerechtsdossier dat jegens eiser was geopend.

3.De fiscale ambtenaren maakten op 23 juli 2018 een proces-verbaal op betreffende de door hen op 27 juni 2018 genomen inzage.

4.Naar aanleiding van deze inzage namen ze afschriften van een aantal stukken uit het gerechtsdossier.

5\. Uit deze stukken bleek dat eiser verdacht werd van oplichting van klanten. Tijdens een eerste verhoor verklaarde hij reeds sedert begin 2016 IT-materiaal en software te kopen en te verkopen onder de naam "The Refurbishers" en "vervangjecomputer". Hiertoe beschikte hij over een kantoorruimte in de ... Eiser verklaarde de huurprijs ervan nooit te hebben betaald. Aanvankelijk werd voor deze activiteiten geen ondernemingsnummer aangevraagd, maar werd ten onrechte het KBO-nummer van zijn moeder gebruikt. Pas vanaf 1 juli 2017 werd een ondernemingsnummer op naam van eiser actief.

6\. Eiser verklaarde een netto maandinkomen van ongeveer 2.500,00 EUR uit deze niet-aangegeven activiteit te hebben vergaard. De inkomsten van klanten werden, nog volgens hem, ontvangen op een bankrekening bij AXA en Argenta (stuk 15 verwerende partij).

7\. Naar aanleiding van een verhoor door de Economische Inspectie op 28 februari 2017 verklaarde eiser eveneens herstellingen van IT-materiaal ten behoeve van zijn klanten te hebben gedaan. Een aantal defecte toestellen zouden daartoe op zijn exploitatiezetel worden gestockeerd.

8\. Een beperkte analyse van de bankrekeningen van eiser werd ais bijlage toegevoegd aan het PV van 21 november 2016, opgesteld door een inspecteur van de Politiezone Sint-Niklaas (stuk 17).

9\. Het gerechtsdossier mondde uit in een vonnis van 17 juni 2019 waarin eiser werd veroordeeld wegens oplichting, sluikwerk en geen inschrijving in de KBO en er werd tevens een beroepsverbod voor 10 jaar opgelegd.

10\. Op 15 april 2019 heeft de fiscale administratie bij brief een controle aangekondigd bij eiser voor 21 mei 2019 voor de periode 01/01/2018 tot 31/12/2018.

11\. Op 28 mei 2019, na uitstel, heeft de fiscale controle plaats gevonden op het adres van eiser, om op grond van artikel 61, § 1 W.BTW. de boekhouding van eiser te controleren. De fiscale ambtenaar heeft meerdere keren aangebeld en vastgesteld dat niemand aanwezig was.

12\. Op diezelfde dag werd door de fiscale administratie een brief gestuurd aan eiser met de uitdrukkelijke vraag om zijn beroepsmatige bankrekeningen voor te leggen voor het jaar 2018 tegen uiterlijk 1 juli 2019.

Op deze brief kwam geen antwoord.

13\. De fiscale administratie stelde eveneens vast dat eiser geen enkele btw-aangifte had ingediend voor de periode 01/01/2018 - 30/06/2019.

14\. Uit een opzoeking op het Internet is gebleken dat eiser al in 2015 actief is in de verkoop van software en tweedehands informaticamateriaal.

15\. Aangezien eiser naliet de gevraagde inlichtingen te verstrekken, werd besloten overeenkomstig artikel 62bis, 2de, 3de en 4de lid W.BTW, het Centraal Aanspreekpunt gehouden door de Nationale Bank te raadplegen. Op 1 augustus 2019 werd op basis van artikel 62 en 62bis W.BTW, door de Adviseur Generaal — Centrumdirecteur van het KMO Centrum Aalst, gevraagd een bankonderzoek in te stellen bij de bankinstellingen waar eiser bankrekeningen aanhield.

16\. Op basis van deze bankinlichtingen werd de omzet van eiser weder-samengesteld op basis van de artikelen 59, §1 en 64, §§ 1 en 2 W.BTW. Hiervan werd op 18 september 2019 een correctieopgave aangetekend verstuurd naar eiser.

Op dit schrijven kwam geen enkele reactie.

17\. Aangezien de correctieopgave niet voor akkoord werd getekend, werd op 14 oktober 2019 een proces-verbaal opgemaakt waarin de inbreuk uit de correctieopgave werd hernomen.

De verschuldigde btw bedraagt 36.721,92 EUR en de verschuldigde boete 73.443,84 EUR.

De schuld is gekend onder het RCIV nummer 500/2165/42065.

18\. Op 30 oktober 2019 werd een betalingsbericht naar eiser gestuurd.

19\. Op 2 december 2019 werd nogmaals een betaalbericht naar eiser gestuurd.

20\. Op 3 december 2019 wordt een brief naar eiser gestuurd met de melding dat de fiscale schuld nr. 500/2165/42065 uitvoerbaar is verklaard en is ingeschreven in het innings- en invorderingsregister. Tevens wordt hij hierbij nogmaals uitgenodigd om de schuld te betalen.

21\. Aangezien eiser niet overging tot betaling werd de schuld, tezamen met nog andere schulden van eiser, betekend op 7 februari 2020.

22\. Op 1 april 2020 legde eiser een verzoekschrift op tegenspraak neer ter griffie van deze rechtbank om zich te verzetten tegen deze btw-schuld.

## IV. BEOORDELING

### 1. Ontvankelijkheid

Verweerster voert geen redenen aan die tot de onontvankelijkheid van de vordering kunnen leiden. Nu de rechtbank evenmin middelen van onontvankelijkheid, die zij ambtshalve zou moeten opwerpen, vaststelt is de vordering ontvankelijk.

### 2. Ten gronde

*Inzake de toepasselijke artikelen*

2.1.

Artikel 53 W.BTW bepaalt:

> *"§ 1.De belastingplichtige, met uitzondering van degene die geen enkel recht*
>
> *op aftrek heeft, is gehouden:*
>
> *1° een aangifte in te dienen bij de aanvang, de wijziging of de stopzetting van*
>
> *zijn werkzaamheid;*
>
> *2°* *iedere maand een aangifte in te dienen waarin hij vermeldt:*
>
> *a)* *het bedrag der in dit Wetboek bedoelde handelingen die hij heeft verricht of die aan hem werden verstrekt gedurende de vorige maand in het kader van zijn economische activiteit;*
>
> *b)* *het bedrag van de opeisbare belasting, van de te verrichten aftrek en van de te verrichten herzieningen;*
>
> *c)* *de gegevens die de Koning noodzakelijk acht om te voldoen aan de door de Gemeenschap uitgevaardigde regelgeving inzake statistieken en om de controle op de toepassing van de belasting te waarborgen;*
>
> *3°* *de verschuldigd geworden belasting te voldoen binnen de termijn van indiening van de bij 2° voorgeschreven aangifte.*
>
> *In afwijking van het eerste lid is de in artikel 56bis, bedoelde belastingplichtige gehouden tot de in het eerste 'id, 1°, bepaalde verplichtingen."*

2.2.Het KB nr. 1, van 29 december 1992, met betrekking tot de regeling voor de

voldoening van de belasting over de toegevoegde waarde Iuidt:

*"§ 1* *De persoon die gehouden is tot het indienen van de in artikel 53, § 1, eerste lid, 2°, of in artike153ter, 1°, van het Wetboek bedoelde aangifte moet deze, uiterlijk de twintigste dag volgend op het tijdvak waarop zij betrekking heeft, indienen bij de door de Minister van Financiën aangewezen dienst*

*§ 2* *In afwijking van* [*artikel 53, § 1, eerste lid, 2°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)*, van het Wetboek, wordt de belastingplichtige gemachtigd slechts om de drie maanden een aangifte in te dienen, uiterlijk de twintigste van de maand na ieder kalenderkwartaal wanneer:*

*10* *de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, voor de volledige economische activiteit niet meer bedraagt dan 2.500.000 euro;*

*2°* *de jaaromzet, exclusief belasting over de toegevoegde waarde, niet meer bedraagt dan 250.000 euro voor het geheel van de leveringen van de navolgende goederen:*

*a)* *energieproducten bedoeld in artikel 415, § 1, van de programmawet van 27 december 2004;*

*b)* *toestellen voor mobiele telefonie en computers alsmede hun randapparatuur, toebehoren en onderdelen;*

*c)* *landvoertuigen uitgerust met een motor onderworpen aan de reglementering betreffende de inschrijving.*

*De belastingplichtige die krachtens* [*artikel 53sexies, § 1*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53sexies)*, van het Wetboek gehouden is tot de maandelijkse indiening van de btw-opgave van de intracommunautaire handelingen, is uitgesloten van de regeling bedoeld in het eerste lid.*

*§ 3* *De overgang van de regeling kwartaal-aangiften naar maandaangiften geschiedt bij het verstrijken van het kalenderkwartaal waarin voor de eerste maal niet meer aan aile in § 2 vermelde voorwaarden is voldaan. De belastingplichtige is gehouden uiterlijk de tiende van de maand volgend op het bovenbedoelde kalenderkwartaal het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert schriftelijk kennis te geven van deze overgang.*

*Aile andere overgangen van een aangifteregeling naar een andere kunnen, op uitdrukkelijk verzoek van de belastingplichtige, door de administratie worden toegestaan en treden in werking de eerste dag van het aangiftetijdvak van de door de belastingplichtige gevraagde regeling volgend op de datum van*

*aanvaarding van de aanvraag door de betrokken administratie. Het gemotiveerd schriftelijk verzoek moet worden ingediend bij het controlekantoor van de belasting over de toegevoegde waarde waaronder hij ressorteert.*

*§ 4* *De belastingplichtigen gehouden tot het indienen van de aangifte bedoeld in* [*artikel 53, § 1, eerste lid, 2°*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)*, van het Wetboek moeten deze aangifte longs elektronische weg indienen.*

*§ 5* *De belastingplichtigen bedoeld onder § 4, zijn vrijgesteld van de verplichting tot indiening longs elektronische weg zolang zij en in voorkomend geval de persoon die gemachtigd is de bedoelde aangiften namens hen in te dienen, niet over de nodige geïnformatiseerde middelen beschikken om aan deze verplichting te voldoen. De toepassingsmodaliteiten van het eerste lid worden geregeld door of vanwege de Minister van Financiën.*

*§ 6* *De belastingplichtigen gehouden tot het indienen van de in de §§ 1 en 2 bedoelde aangiften:*

*a)* *die deze aangiften niet fangs elektronische weg indienen, moeten gebruik maken van de formulieren die hen worden verstrekt door de administratie en waarvan het model voorkomt op de brjlage I bij dit besluit wat betreft de aangifte bedoeld in* [*artikel 53, § 1, eerste lid*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53)*,* [*2*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2)*, van het Wetboek en op de billage 111 wat betreft de aangifte bedoeld in* [*artikel 53ter*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter)*,* [*10*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-10)*, van het Wetboek. De omschrijving van de roosters van de aangifte waarvan het model voorkomt in de genoemde bijlage 1, maakt het voorwerp uit van de bijlage Il bij dit besluit.*

*\[tweede lid opgeheven\] ;*

*b)* *die deze aangiften langs elektronische weg indienen, moeten onder de door of vanwege de Minister van Financiën geste!de voorwaarden, dezelfde gegevens overdragen ais die bevat in de onder a) bedoelde aangifte.*

*§ 7* *De belastingplichtigen gehouden tot het indienen van de in de artikelen* [*58ter, § 5*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58ter) *en* [*58quater, § 5*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58quater)*, van het Wetboek bedoelde aangifte, gebruiken de aangifteformulieren die bestaan uit een elektronisch bericht waarvan de inhoud is bepaald in de artikelen 58ter, § 5, tweede !id en 58quater, § 5, tweede lid, van het Wetboek. Zij moeten het sturen naar het elektronisch adres dat te dien einde gecreëerd werd door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde.*

*De belastingplichtigen gehouden tot het indienen van de aangifte bedoeld in* [*artikel 58bis, § 2, 40*](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58bis)*, van het Wetboek zoals het van toepassing is tot en met 31 december 2014, wat de belasting betreft die opeisbaar is geworden in een aan 1 januari 2015 voorafgaand tijdvak, blijven verder het aangifteformulier gebruiken dat bestaat uit een elektronisch bericht dat wordt gestuurd naar het elektronisch adres dat te dien einde gecreëerd werd door de Minister van Financiën of zijn gemachtigde."*

Artikel 64 W.BTW bepaalt:

> *"§ 1.Hij die goederen verkrijgt of produceert om ze te verkopen wordt behoudens tegenbewijs geacht de door hem verkregen of geproduceerde goederen te hebben geleverd onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.*
>
> *§ 2.Hij die diensten verricht, wordt behoudens tegenbewijs geacht dat te hebben gedaan onder voorwaarden waaronder de belasting opeisbaar wordt.*
>
> *(..)"*

*Inzake het betwiste proces-verbaal*

2.3.

Eiser vordert de nietigverklaring van het proces-verbaal van 14 oktober 2019 en vordert een taxatie op basis van de voorgelegde inkomende en uitgaande facturen voor de periode 2018. Verder vraagt eiser de kwijtschelding van de proportionele boete.

Volgens eiser bevat het proces-verbaal geen volledige en juiste weergave van de feiten, zodat het proces-verbaal geen bewijswaarde heeft. De gegevens in dit proces-verbaal zijn fundamenteel ongegrond.

Eiser stelt dat uit de vermelding in het proces-verbaal *"Uit een opzoeking op internet is gebleken dat Dhr. F.P. reeds in 2015 actief is in de verkoop van software en 2% hands informatica materiaal (profiel 6441932 op de website 2dehands.be met vermelding van zijn telefoonnummer en met vermelding actief sinds 02 april 2015"* de administratie enkel kon vermoeden dat eiser btw-plichtig zou zijn.

2.4.

Artikel 59, §1 W.BTW. bepaalt dat:

> "Iedere overtreding of elk misbruik van de bepalingen van dit Wetboek of van de ter uitvoering ervan gegeven regelen, alsmede feiten die de opeisbaarheid van de belasting of van een geldboete aantonen of ertoe bijdragen die aan te tonen, kunnen door de administratie worden bewezen volgens de regelen en door alle middelen van het gemene recht, getuigen en vermoedens inbegrepen, doch uitgezonderd de eed, en daarenboven door de processen-verbaal van de ambtenaren van de Federale Overheidsdienst Financiën.
>
> De processen-verbaal leveren bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen."

2.5.

Het proces-verbaal van 14 oktober 2019 geeft op een duidelijke wijze de fiscale vaststellingen uit het gevoerde fiscaal onderzoek weer.

De fiscale administratie heeft vastgesteld dat eiser wel degelijk reeds sedert eind 2015 een zelfstandige activiteit uitoefent, zonder zich hiertoe te hebben geregistreerd. Bovendien merkt de rechtbank op dat eiser dit niet heeft betwist (stukken 15, 16 en 17 verwerende partij). Eiser verklaarde immers zelf dat hij uit zijn zelfstandige bezigheden een maandelijks netto inkomen heeft verkregen van ongeveer 2.500,00 EUR (cfr. gerechtsdossier — stuk 15 verwerende partij). De van klanten op rekening ontvangen sommen bedragen voor de betreffende jaren 2015, 2016 en 2017 respectievelijk 5.748,24 56.204,25 en 110.921,96 EUR. Deze opbrengsten kunnen enkel worden gegenereerd door het verrichten van regelmatige prestaties die wijzen op beroepsinkomsten.

Verder is vastgesteld dat eiser, om zijn activiteiten te verhullen, gebruik maakte van het bestaande btw-nummer op naam van zijn moeder. Hij registreerde zich pas nadat een gerechtsdossier jegens hem werd geopend.

2.6.

De rechtbank merkt op dat het proces-verbaal een akte is waarin een bevoegd ambtenaar zijn opzoekingen, de verkregen inlichtingen, de materiële vaststellingen van bepaalde feiten en de aan hem afgelegde verklaringen optekent. Overeenkomstig artikel 59, §1, tweede lid, W. BTW. leveren de processen-verbaal bewijs op zolang het tegendeel niet is bewezen.

De bewijskracht van een proces-verbaal strekt zich dus uit tot alle handelingen die de ambtenaren verklaren gesteld te hebben en alle feiten waarvan zij verklaren getuige te zijn geweest.

2.7.

In het voorliggende geschil heeft de bevoegde fiscale ambtenaar

vaststellingen gedaan op basis van de door haar gevraagde bankinlichtingen.

De opmerking van eiser dat hij *"het overzicht van zijn inkomsten en uitgaven en financiële journalen (is) komen tonen ten kantore van de belastingadministratie"* is niet ernstig. Nu aan de fiscale administratie, bij zijn bezoek op 16 augustus 2018, enkel volgende documenten werden voorgelegd:

\- een overzicht van de inkomsten voor de periode 23/08/2017 - 30/07/2018 - een overzicht van de uitgaven voor de periode 30/06/2017 - 17/08/2018

\- een overzicht van de bankrekening BE76…95 (periode 09/08/2016 - 09/08/2018).

De rechtbank stelt verder vast dat eiser meermaals werd uitgenodigd om de aan- of verkoopfacturen en de aan- en verkoopdagboeken voor de betreffende periode voor te leggen. Eiser heeft dit nagelaten.

2.8.

Verder deelt de rechtbank niet de zienswijze van eiser dat het bankonderzoek onrechtmatig zou zijn. Aangezien eiser naliet om alle gevraagde stukken voor te leggen was een bankonderzoek wel degelijk noodzakelijk en bovendien proportioneel.

De rechtbank dient in deze vast te stellen dat eiser blijkbaar geen medewerking heeft verleend om de discussiepunten uit te klaren. Bovendien heeft de fiscale administratie verschillende kansen aan eiser gegeven om van gedachten te wisselen.

2.9.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de elementen die de fiscale administratie heeft vastgesteld aan de hand van de stukken die haar werden voorgelegd wel degelijk bewijskracht hebben zolang het tegendeel niet is bewezen door eiser. Eiser faalt schromelijk om het tegenbewijs, van de in het bestreden proces-verbaal opgenomen vaststellingen, te leveren.

Inzake de vaststelling van de verschuldigde BTW

2.10.

,Eiser werpt op dat verschillende misvattingen in het proces-verbaal zijn geslopen om de verschuldigde btw te berekenen:

\- de belastingadministratie houdt enkel rekening met de inkomstenzijde en niet van de kostenzijde. Dergelijke werkwijze wijst op willekeur;

\- mogelijk heeft eiser in de beginperiode te maken met opstartverliezen en is het saldo van de BTW aan de Staat negatief (terug te vorderen BTW);

\- voor zover de omzet kleiner is dan 25.000,00 EUR exclusief BTW had de vrijstellingsregeling van artikel 56bis W.BTW voor kleine ondernemingen toegepast kunnen worden. Voor kleine ondernemers bestaat geen BTW-aangifteplicht.

Verder is de onttrekking van de BTW aan de bruto ontvangsten ad. 21% volledig willekeurig, gelet op de margeregeling die van toepassing is in geval verkoop van tweedehandssoftware en tweedehandshardware.

2.11.

Nu de rechtbank heeft vastgesteld dat het proces-verbaal bewijskracht heeft, dient de rechtbank ook vast te stellen dat verweerster bij de berekening van de verschuldigde BTW geen rekening heeft gehouden met volgende factoren:

\- De verschillende kosten;

\- De overschrijvingen en stortingen werden gewoonweg opgeteld;

\- De aankoopgegevens werden niet in aanmerking genomen.

Deze kosten en aankoopgegevens konden op zijn minst geraamd worden door verweerster. Door hier uitdrukkelijk geen rekening mee te houden, op welke wijze dan ook, heeft verweerster de verschuldigde btw willekeurig berekend.

*Inzake de proportionele geldboete*

2.12.

Eiser argumenteert dat geen proportionele boete kan worden opgelegd omdat er geen grondslag (maatstaf van heffing) is. Bovendien is een "monsterboete" van tweemaal de BTW onevenredig en heeft deze een strafrechtelijk karakter. Eiser vraagt de boete te verminderen tot een minimum.

2.13.

Overeenkomstig [artikel 70 §1 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) wordt, voor iedere overtreding van de verplichting de belasting te voldoen, een geldboete opgelegd gelijk aan het dubbele van de ontdoken of niet tijdig betaalde belasting. Overeenkomstig artikel 70 §1bis W. BTW verbeurt ieder die op onrechtmatige of ongeoorloofde wijze de belasting in aftrek heeft gebracht, een geldboete gelijk aan het dubbele van die belasting, in zover die overtreding niet wordt bestraft bij toepassing van §1, eerste lid.

Overeenkomstig [artikel 84 WBTW](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) wordt het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten binnen de door de wet gestelde grenzen verminderd volgens een schaal waarvan de trappen door de Koning worden vastgesteld.

Overeenkomstig [artikel 1, laatste lid van het KB nr. 41](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c#ar41-art1) van 30 januari 1987 tot vaststelling van het bedrag van de proportionele fiscale geldboeten op het stuk van de BTW is de schaal voor de vermindering van de proportionele fiscale geldboeten niet van toepassing ten aanzien van overtredingen begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

2.14.

De rechter die gevraagd wordt een administratieve sanctie te controleren die een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van artikel 6 EVRM moet de wettigheid van die sanctie nagaan en kan meer bepaald onderzoeken of die sanctie verenigbaar is met de dwingende vereisten van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen. Dat controlerecht biedt de rechter de mogelijkheid om, met in aanmerkingneming van alle omstandigheden van de zaak, te onderzoeken of de straf niet buiten verhouding staat tot de overtreding, zodat hij kan onderzoeken of de administratie redelijkerwijs een administratieve sanctie van die omvang mocht opleggen. In dat opzicht kan de rechter inzonderheid rekening houden met de ernst van het misdrijf, het bedrag van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop uitspraak is gedaan in soortgelijke zaken. Dit controlerecht houdt niet in dat de rechter, louter om opportuniteitsredenen en in strijd met de wettelijke regels, geldboeten kan kwijtschelden of verminderen (zie ook Cass. 18 april 2013, [F.11.0142.F](https://juriel.be/nl/rechtspraak/fiscale-geldboeten-vermindering-kwijtschelding-geldboete-cassatie-brussel-2013-04-18-5d60), www.cass.be).

Gelet op de voile rechtsmacht die deze rechtbank heeft inzake administratieve boetes die een strafrechtelijk karakter hebben in de zin van artikel 6 EVRM, is deze rechtbank van oordeel dat zij bevoegd is om de opgelegde geldboete te verminderen of zelfs kwijt te scheiden. Artikel 70 W.BTW moet in grondwettelijke zin worden geïnterpreteerd (zie ook GwH 15 mei 2008, nr. 79/2008).

2.15.

Uit de omstandigheden en de gedane vaststellingen blijkt duidelijk dat eiser BTW-overtredingen heeft begaan in de periode van 01/01/2018 tot 31/12/2018.

Deze overtredingen werden opgenomen in het proces-verbaal van 14 oktober 2019. Verweerster heeft een proportionele geldboete opgelegd van 200% omdat de overtredingen werden begaan met het oogmerk de belasting te ontduiken of de ontduiking ervan mogelijk te maken.

Volgens verweerster is dit oogmerk duidelijk aanwezig omdat eiser sinds de start van zijn activiteit van verkoop van tweedehands hardware en software in 2015 bewust zijn inkomsten verborgen houdt voor de fiscale administratie door geen btw-aangiften in te dienen, door geen boekhouding voor te leggen, door zijn beroepsmatige bankrekeningen niet voor te leggen noch zijn medewerking te verlenen aan een fiscale controle. Het verborgen houden van zijn beroepsinkomsten heeft tot doel de belastingplichtige, ten nadele van de Schatkist, een ongeoorloofd voordeel te bezorgen. Uit niets blijkt de goede trouw van de belastingplichtige.

2.16.

Uit de omstandigheden en de gedane vaststellingen blijkt duidelijk dat eiser te kwader trouw heeft gehandeld met het oogmerk om de belasting te ontduiken.

Nu de fiscale administratie, in het voorliggende geschil, een boete van 200% heeft opgelegd is dit disproportioneel met de begane btw-inbreuken. Des te meer omdat de verschuldigde btw willekeurig werd berekend.

In het voorliggende geschil werd een boete van 73.443,84 EUR opgelegd. Alhoewel er niet getwijfeld kan worden aan de \`kwade' bedoelingen van eiser is de rechtbank van oordeel dat een gedeeltelijke kwijtschelding opportuun is.

2.17.

De rechtbank heeft redenen om in het voorliggende geschil de administratieve geldboete van 200% te milderen tot 100%. Op deze wijze is het proportionaliteitsprincipe gewaarborgd en is de opgelegde boete evenredig met de inbreuken en met het doel van een administratieve geldboete.

Zelfs indien de wet zou voorzien in de mogelijkheid om de boete met uitstel op te leggen, dan nog zijn er volgens de rechtbank geen redenen om dit uitstel te verlenen. Alleen een werkelijke sanctie, boete aan 100%, kan het gewenste doel bereiken.

*Besluit*

2.18.

Op basis van de hierboven gemaakte overwegingen dient de btw-navordering te worden herberekend zoals hieronder bepaald, evenals een passende ontheffing.

De rechtbank besluit dat verweerster rekening dient te houden met de verschillende kosten en de aankoopgegevens, die door eiser moeten ter beschikking gesteld worden, opdat de verschuldigde btw op een correcte wijze kan worden berekend. De rechtbank wijst in deze ook op de verantwoordelijkheid van eiser die zich dient te gedragen volgens de medewerkingsverplichting in fiscale zaken.

De vordering van eiser is in beperkte mate gegrond zodat het proces-verbaal van 14 oktober 2019 rekening dient te houden met de hierboven genoemde elementen betreffende de periode van 01/01/2018 tot 31/12/2018.

De vordering van eiser is gedeeltelijk (beperkt) gegrond.

Alle meeromvattende en strijdige conclusies worden verworpen ais niet ter zake dienend.

## V. GERECHTSKOSTEN - RECHTSPLEGINGSVERGOEDING

1\. De kosten omvatten in de onderliggende zaak de bijdrage voor de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand (artikel 1018, 8° van het Gerechtelijk Wetboek) en de rechtsplegingsvergoeding (artikel 1018, *6° juncto* artikel 1022 Ger. W.).

In toepassing van de artikelen 279 en 162,4° van het Wetboek der registratie-, hypotheek- en griffierechten is geen rolrecht verschuldigd.

2\. Wanneer de partijen wederzijds jegens elkaar in het ongelijk werden gesteld, kan de rechtbank de kosten omslaan, zo zij dit raadzaam acht (art. 1017, eerste Iid Gerechtelijk Wetboek).

Gelet op de bovenstaande beoordeling, waarbij eiser deels in het gelijk wordt gesteld en deels in het ongelijk, komt het passend voor te zeggen voor recht dat elk van de partijen de eventuele kosten, gevallen aan de eigen zijde, definitief voor eigen rekening zal dragen, derwijze dat partijen uit dien hoofde aan elkaar niets meer verschuldigd zullen zijn.

**OIVI DEZE REDENEN,**

### Beschikkend gedeelte

**BESLIST DE RECHTBANK,** recht doende op tegenspraak,

met inachtneming van de artikelen 2 en 37 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken:

\- alle meeromvattende en strijdige conclusies te verwerpen als niet ter zake dienend;

\- de vordering van eiser ontvankelijk en gedeeltelijk (beperkt) gegrond te verklaren in volgende mate:

\- het proces-verbaal van 14 oktober 2019 dient rekening te houden met de hierboven genoemde elementen (zie *Besluit* randnummer 2.16.: verschillende kosten en de aankoopgegevens) betreffende de periode van 01/01/2018 tot 31/12/2018;

\- de administratieve geldboete (van 200%) te herleiden (rekening houdende met de herberekende verschuldigde btw) tot 100%;

\- de herberekening te bevelen van de navordering van de BTW rekening houdend met de hierboven vermelde elementen;- de terugbetaling te bevelen van alle op grond van voormelde navordering ten onrechte geïnde sommen, vermeerderd met de moratoriumintrest;

\- de vordering van eiser voor het overige ongegrond te verklaren;

\- te zeggen voor recht dat iedere partij zijn eigen kosten draagt, in hoofde van eiser te begroten op de kosten voor het bijdragefonds voor een bedrag van 20,00 EUR en in hoofde van verweerster te begroten op 00,00 EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting door de **zesde burgerlijke kamer** van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, op donderdag **23 juni 2022,** waar aanwezig waren : de heer Thierry LOQUET, rechter, voorzitter van deze kamer, bijgestaan door mevrouw Twiggy DE ZUTTER, griffier.

T.L., rechter

T.D., griffier

## Aangehaalde teksten

13

[WBTW art. 53](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53) 3 voorkomens

[KB nr. 41 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-41-januari-vaststelling-bedrag-proportionele-fiscale-d48c) 1 voorkomen

[WBTW art. 10](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-10) 1 voorkomen

[WBTW art. 2](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-2) 1 voorkomen

[WBTW art. 53sexies](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53sexies) 1 voorkomen

[WBTW art. 53ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-53ter) 1 voorkomen

[WBTW art. 58bis](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58bis) 1 voorkomen

[WBTW art. 58quater](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58quater) 1 voorkomen

[WBTW art. 58ter](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-58ter) 1 voorkomen

[WBTW art. 59](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-59) 1 voorkomen

[WBTW art. 64](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-64) 1 voorkomen

[WBTW art. 70](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-70) 1 voorkomen

[WBTW art. 84](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/artikel-84) 1 voorkomen

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Recht op aftrek](https://juriel.be/nl/rechtspraak/recht-aftrek-rechtstreeks-onmiddellijk-verband-rechtbank-luxemburg-2022-10-12-cbcc) 6 gemeenschappelijke bepalingen

[BTW-Schuld, Gebouw, Terrein, gebouwd onroerend goed](https://juriel.be/nl/rechtspraak/btw-schuld-gebouw-terrein-gebouwd-rechtbank-2025-12-15-34eb) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Nietigheid proces-verbaal, Recht op aftrek, Fraude, Boete en intresten](https://juriel.be/nl/rechtspraak/nietigheid-proces-verbaal-recht-aftrek-hof-van-beroep-gent-2024-03-05-5b56) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet aangegeven omzet, Wettelijk vermoeden, Wettelijke boete, omzetcoëfficiënt, zwartverkoop](https://juriel.be/nl/rechtspraak/aangegeven-omzet-wettelijk-vermoeden-wettelijke-hof-van-beroep-gent-2024-06-11-d90a) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Grossierbedrijf;facturatie;geldboete, groothandel, facturering](https://juriel.be/nl/rechtspraak/grossierbedrijf-facturatie-geldboete-groothandel-hof-van-beroep-antwerpen-2005-02-08-618f) 5 gemeenschappelijke bepalingen

[Bijzondere rekening, Formele wettigheid van de kennisgeving](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bijzondere-rekening-formele-wettigheid-kennisgeving-rechtbank-namen-2020-04-30-3b6e) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Verjaringen, Innings- en invorderingsregister, Uitvoerbare titel, Delegatie](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verjaringen-innings-invorderingsregister-uitvoerbare-titel-hof-van-beroep-gent-2023-06-13-3f97) 4 gemeenschappelijke bepalingen

[Bewijs van het recht op aftrek, Fictieve facturen](https://juriel.be/nl/rechtspraak/bewijs-recht-aftrek-fictieve-facturen-rechtbank-bergen-2022-02-15-5e77) 4 gemeenschappelijke bepalingen
