Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 02.09.2010
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer
Nr. van de zaak : 2007/AR/3071
Openbare terechtzitting van 02/09/2010
IN ZAKE VAN :
P. P. C., vennootschap naar het recht van de staat …, met zetel te …, …, …, die woonst heeft gekozen op het kantoor van haar raadsman te …, …,
appellante,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester C. loco meester E. D. R., advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….
tegen :
De BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, in de persoon van de eerstaanwezend inspecteur van het centraal BTW-kantoor voor buitenlandse belastingplichtigen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1030 Brussel, Paleizenstraat 48,
geïntimeerde,
ter terechtzitting vertegenwoordigd door meester J. B. loco meester J. H., advocaat, met kantoor gevestigd te …, ….
R. 2010/5824 EINDARREST- gegrond
In deze zaak spreekt het hof volgend arrest uit.
PROCEDURE
Gelet op de procedurestukken, inzonderheid het tussenarrest van het hof van 21 januari 2010.
FEITEN EN BESTREDEN BESLISSING
Het hof verwijst wat betreft de feiten en het bestreden vonnis naar de uiteenzetting in het tussenarrest van 21 januari 2010.
Bij dit tussenarrest verklaarde het hof het hoger beroep ontvankelijk en, alvorens ten gronde uitspraak te doen, beval de heropening der debatten omtrent de verjaring stuitende werking van de gedeeltelijke betaling van de vordering van de administratie door de NV K..
BEOORDELING
1. Meer bepaald was het in het tussenarrest de vraag of de gedeeltelijke betaling van de som van … EUR, die de NV K. op 8 december 1999 deed aan het ontvangkantoor van de BTW - van welke betaling appellante op de zitting waarop de zaak na heropening der debatten werd gepleit de werkelijkheid niet langer betwist - kon gelden als een erkenning in de zin van artikel 2248 B.W., naar luid waarvan de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt door de schuldenaar de verjaring stuit.
Uit de stukken blijkt dat de NV K. de betaling deed op verzoek van het ontvangkantoor BTW-CKBB bij schrijven van 15 oktober 1999.
Het betreft volgens geïntimeerde een borgstelling voorzien in het koninklijk besluit nr. 31 van 29 december 1970 met betrekking tot de toepassingsmodaliteiten van de belasting over de toegevoegde waarde ten aanzien van de handelingen verricht door in het buitenland gevestigde belastingplichtigen, die hier te lande geen vaste inrichting hebben.
Artikel 3 derde lid, van voormeld koninklijk besluit voorziet dat indien de aansprakelijke vertegenwoordiger niet voldoende solvabel is, een zekerheid wordt gevraagd tot waarborg van de invordering van al wat opeisbaar zou kunnen worden aan belasting, geldboeten, interesten en kosten ten laste van de vertegenwoordigde belastingplichtige.
Overeenkomstig artikel 3, laatste lid, van het koninklijk besluit nr. 31 kan de zekerheid bestaan uit een hypotheek in eerste rang op in België gelegen onroerende goederen, een borgtocht in speciën, een borgtocht in effecten of een persoonlijke borgstelling van een verzekeringsonderneming of van een bank of private spaarkas die hun activiteiten in België uitoefenen.
Naar luid van de ''persoonlijke borgstelling n° …" van 3 april 1996, verklaarde de NV K. "zich hoofdelijk borg te stellen ten belope van de som van :
BEF …,- (…BELGISCHE FRANK)
tegenover de Belgische Staat, Ministerie van Financiën, Administratie van de belasting over de toegevoegde waarde, registratie en domeinen, tot zekerheid van de invordering van al hetgeen lastens de NV A. (...) in hoedanigheid van aansprakelijke vertegenwoordiger van (appellante) (...), als belasting, interesten, geldboeten en kosten opeisbaar is of zou kunnen worden uit hoofde van de toepassing van artikel 55 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde en van de in uitvoering ervan genomen besluiten.
In haar hoedanigheid van hoofdelijke borg en onder de uitdrukkelijke afstand van het voorrecht van uitwinning en, eventueel, van het voorrecht van schuldsplitsing en van alles wat aan de geldigheid van deze akte zou kunnen afbreuk doen, inzonderheid het voordeel van hetgeen is bepaald bij artikel 2037 van het Burgerlijk Wetboek waarvan de Bank verklaart volledig kennis te hebben, verplicht de K. NV. zich tot betaling van de sommen die door de NV A. zouden verschuldigd zijn en zulks bij eerste verzoek dat daartoe door voormelde administratie tot haar zou worden gericht, zonder dat het nodig is zijn toevlucht te nemen tot enigerlei voorafgaande formaliteit.
(...)".
2. Appellante antwoordt op de door het hof gestelde vraag vooreerst dat de vraag of de betaling door de borg geldt als een erkenning lastens de hoofdschuldenaar, d.i. appellante, "niet van toepassing is" (conclusie na tussenarrest, blz 3), nu de betaling gebeurde door een derde die zich derhalve tot appellante niet verhoudt als borg.
Wat betreft artikel 2249, eerste lid, B.W., ingeroepen door geïntimeerde, meent appellante dat een borg nooit kan worden gelijkgesteld met een hoofdelijke medeschuldenaar.
Volgens geïntimeerde volgt uit artikel 1206 B.W. en artikel 2249, eerste lid, B.W. dat een handeling die stuitend werkt t.a.v. een bepaalde hoofdelijke schuldenaar ook stuitend werkt wanneer deze handeling werd verricht tegen elke andere hoofdelijke schuldenaar.
Krachtens artikel 1206 B.W. stuiten vervolgingen tegen een van de hoofdelijke schuldenaars de verjaring t.a.v. allen.
Naar luid van artikel 2249, eerste lid, B.W. stuit de ingebrekestelling van een der hoofdelijke schuldenaars, of de erkenning van de schuld door hem gedaan, de verjaring tegen alle overige.
Geïntimeerde verwijst ook naar artikel 55, derde lid, W.BTW, overeenkomstig hetwelk de aansprakelijke vertegenwoordiger (de NV A.) met zijn lastgever (appellante) hoofdelijk gehouden is tot voldoening van de belasting, interesten en geldboeten verschuldigd door de lastgever.
Te dezen is, volgens geïntimeerde, de borg eveneens hoofdelijk gehouden tot betaling van de sommen die door de hoofdelijk gehouden aansprakelijke vertegenwoordiger van appellante verschuldigd zijn, zij het beperkt tot … EUR (… BEF).
Geïntimeerde nodigt het hof uit te zeggen voor recht dat "een gedeeltelijke betaling van een derde die handelt in de hoedanigheid van borg en als hoofdelijk aansprakelijke medeschuldenaar, een verjaring stuitende werking heeft".
3. Uit de voormelde borgstellingakte blijkt enerzijds dat de NV K. (borg) afstand deed van het voorrecht van uitwinning en zich hoofdelijk met de hoofdschuldenaar (de NV A.) verbond.
De NV K. is aldus hoofdelijk met de hoofdschuldenaar (de NV A.) gehouden.
I.t.t. wat appellante meent, kan een borgtocht als hoofdelijk worden bedongen (M. V. Q., Borgtocht, in Algemene Praktische Rechtsverzameling, Antwerpen, Kluwer, 1999, nrs. 404 en 408).
Uit de voormelde borgstellingakte blijkt anderzijds dat de NV K. zich verbond tot betaling van de sommen verschuldigd door de NV A., en zulks op eerste verzoek van de administratie.
Op grond van het beding "eerst betalen, dan praten", waarop de borgtocht op eerste verzoek neerkomt (M. V. Q., o.c., nr. 677), moest de NV K. in elk geval betalen toen de administratie het verzoek daartoe deed in een schrijven van 15 oktober 1999.
Meende de NV K. dat aan de hoofdschuld bepaalde excepties kleefden, dan kon zij die aanvoeren in een nadien tegen de schuldeiser in te stellen vordering wegens onverschuldigde betaling (ibid.).
Het blijkt niet dat de NV K. na de betaling een vordering wegens onverschuldigde betaling instelde.
Men zou nochtans verkeerdelijk de betaling en de ontstentenis van een vordering wegens onverschuldigde betaling beschouwen als een erkenning door de NV K. van de schuld van appellante, welke erkenning de verjaring zou stuiten.
Immers, i.t.t. wat geïntimeerde meent, bestaat de hoofdelijkheid voortvloeiend uit de hoofdelijke borgtocht enkel tussen de NV K. en de NV A., en niet tussen de NV K., de NV A. en appellante.
Het enkele feit dat de NV K. zich hoofdelijk borg stelde voor de NV A., in dezes hoedanigheid van aansprakelijke vertegenwoordiger van appellante, en de hoofdelijke gehoudenheid van deze beiden tot de BTW, geldboeten, interesten en kosten op grond van artikel 55, derde lid W.BTW zijn niet van aard om de hoofdelijkheid op basis van de hoofdelijke borgtocht uit te breiden naar appellante, die geen partij is bij de borgtocht, of nog, om de hoofdelijkheid uit artikel 55, derde lid W.BTW uit te breiden naar de NV K..
In de driepartijenverhouding tussen de borg (de NV K.), de schuldeiser (geïntimeerde) en de hoofdschuldenaar (de NV A.) is appellante geen partij.
De hoofdelijkheid tussen de NV K. en de NV A. op basis van de hoofdelijke borgtocht enerzijds en de hoofdelijkheid tussen de NV A. en appellante voortvloeiend uit de wet (artikel 55, derde lid W.BTW, vóór de vervanging door de wet van 7 maart 2002) anderzijds, zijn volledig gescheiden hoofdelijkheden.
Derhalve, toen de NV K., hoofdelijke borg, op 8 december 1999 de betaling van het bedrag van … EUR aan geïntimeerde deed en nadien geen vordering wegens onverschuldigde betaling instelde, erkende zij hoogstens de schuld van de hoofdschuldenaar, de NV A., niet de schuld van appellante.
Derhalve werd de verjaring niet gestuit noch op grond van artikel 2248 B.W., noch op grond van artikel 1206 B.W. en artikel 2249, eerste lid, B.W.
4. De eerste rechter kende derhalve ten om-echte verjaring stuitende werking toe aan de betaling van 8 december 1999.
Op het ogenblik dat geïntimeerde op 6 september 2004 zijn tegenvordering instelde, was zijn vordering al verjaard.
Er is derhalve geen grond tot compensatie met het door geïntimeerde overigens niet betwiste belastingkrediet van … EUR.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF, rechtsprekend na tegenspraak,
Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;
Verklaart het hoger beroep gegrond,
Hervormt het betreden vonnis,
Veroordeelt geïntimeerde tot betaling van het bedrag van … EUR, vermeerderd met de moratoire interesten sedert 15 juli 1998 en de gerechtelijke interesten,
Verklaart de tegenvordering onontvankelijk wegens verjaring,
Veroordeelt geïntimeerde tot betaling van de kosten van beide aanleggen, aan de zijde van appellante begroot op de dagvaardingskosten eerste aanleg van … EUR, de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van … EUR en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van … EUR, en aan de zijde van geïntimeerde op de rechtsplegingvergoeding eerste aanleg van … EUR en de rechtsplegingvergoeding hoger beroep van … EUR.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de zesde fiscale kamer van het hof van beroep te Brussel, op 02/09/2010.
alwaar aanwezig waren en zitting namen :
P. V., alleenzetelend raadsheer,
C. D. N., griffier.
C. D. N. P. V.
Lasten en bevelen dat alle daartoe gevorderde gerechtsdeurwaarders dit arrest ten uitvoer zullen leggen;
Dat Onze Procureurs-generaal en Onze Procureurs des Konings bij de rechtbanken van eerste aanleg daaraan de hand zullen houden en dat alle bevelhebbers en officieren van de openbare macht daartoe de sterke hand zullen bieden wanneer dit wettelijk van hen gevorderd wordt;
Ten blijke waarvan dit arrest is ondertekend en gezegeld met de zegel van het hof.
Voor gelijkvormige expeditie afgeleverd aan Mter. E. D. R., advocaat voor P. P. C.
(Goedgekeurd de doorhaling van … regel en … woord)
Brussel, 20/10/10
Griffier - hoofd van dienst
HOF VAN BEROEP - BRUSSEL
Burgerlijke GRIFFIE
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.