Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 04.04.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Hof van beroep te Gent, 26ste Kamer - Terechtzitting van 04 april 2006
Samengevoegde zaken :
1969/AR/48677
1969/AR/48946
1969/AR/49013
1969/AR/51171
1969/AR/51204
1. In de zaak met rolnummer 1969/AR/48677 van :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer ONTVANGER DER DOUANE EN ACCIJNZEN, met burelen te 8000 Brugge, Krakelweg 52,
hierna genoemd : "Douane & Accijnzen"
appellante,
hebbende als raadsman meester P. V., advocaat te …, …;
tegen :
de vennootschap naar Engels recht E. E. C., (…) Ltd., met maatschappelijke zetel gevestigd te Engeland, Dover. nummer 1 …. …, …, …, …
hierna genoemd : "E. C."
geïntimeerde, eiser in gedwongen tussenkomst,
destijds hebbende als raadsman meester L. G., advocaat te …, …; thans verstek latende partij;
en mede inzake :
de NV "P & 0 – E. F. (…) LIMITED (B. B.)", met maatschappelijke zetel te …-…, …, ingeschreven in het HR te Brugge onder nr. …, in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van de NV "H. V.", met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR te … onder nr. … voorheen genaamd NV "T. T. (…)", met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR te … onder nr. …, hierna genoemd : "P & O"
gedaagde in gedwongen tussenkomst (dagvaarding d.d. 06.05.1993), hebbende als raadsman meester T. W., advocaat te …, …;
en
2. In de zaak met rolnummer 1969/AR/48946 van :
E. E. C. LTO, hierna genoemd : "E. C."
appellante,
verstek latende partij;
tegen :
1. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de Belastingen over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen, in de persoon van de BTW-rekenplichtige van het Ontvangkantoor te Brugge, G. Vincke-Dujardinstraat nr. 4, hierna genoemd : "BTW"
eerste geïntimeerde,
hebbende als raadsman meester J. V. d. P., advocaat te …, …;
2. de NV "P & 0 – E. F. (…) LIMITED (B. B.)", met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR te … onder nr. …, in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van de NV "H. V.", met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR te … onder nr. … voorheen genaamd NV "T. T. (…)", met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR te … onder nr. …, hierna genoemd: "P & O"
tweede geïntimeerde, geding hervattende partij,
hebbende als raadsman meester T. W., advocaat te …, …;
en
3. In de zaak met rolnummer 1969/AR/49013 van :
de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer ONTVANGER DER DOUANE EN ACCIJNZEN, met burelen te 8000 Brugge, Krakelweg 52, hierna genoemd : "Douane & Accijnzen"
appellante,
hebbende als raadsman meester Ph. V., advocaat te …, …;
tegen :
de vennootschap naar Engels recht E. E. C., (…) Ltd., met maatschappelijke zetel gevestigd te Engeland, Dover. nummer 1 … c/o …, …, …, …, … hierna genoemd : "E. C."
geïntimeerde, verstek latende partij,
en
4. In de zaak met rolnummer 1969/AR/51171 van :
de NV "P & 0- E. F. (…) LIMITED (B. B.)", met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR te … onder nr. …, in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van de NV "H. V.", met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR te … onder nr. … voorheen genaamd NV "T. T. (…)", met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR te … onder nr. …, hierna genoemd : "P & O"
appellante, geding hervattende partij,
hebbende als raadsman meester T. W., advocaat te …, …;
tegen :
1. de vennootschap naar Grieks recht C., destijds met keuze van woonplaats bij de NV U.-H., …, aan de …, thans zonder gekend adres noch raadsman hierna genoemd : "C."
eerste geïntimeerde,
verstek latende partij;
2. de vennootschap naar Engels recht G. A. C° Ltd" met keuze van woonplaats ter zetel van de NV T. te …, aan de … (verzekeraar voor 12,50 %), hierna genoemd : "G."
tweede geïntimeerde,
hebbende als raadsman meester P. D. K., advocaat te …, …;
3. de NV A. I. C. B., A.I.C.B., met maatschappelijke zetel destijds te …, aan de … (verzekeraar voor 12,50 %), thans met maatschappelijke zetel te …, …, hierna genoemd : "AICB"
derde geïntimeerde,
verstek latende partij;
4. M. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, hierna genoemd : "M."
vierde geïntimeerde,
hebbende als raadsman meester P. D. K., advocaat te …, …;
5. de vennootschap naar Engels recht P. & G. A. te … (L. C.), vertegenwoordigd door de NV U.-H., … te …, thans zonder gekend adres noch raadsman, hierna genoemd : "P."
vijfde geïntimeerde,
verstek latende partij;
6. de vennootschap naar Engels recht P. A. C. Ltd C., vertegenwoordigd in België door de NV U.-H., … te …, thans zonder gekend adres noch raadsman, hierna genoemd : "P."
zesde geïntimeerde,
verstek latende partij;
en
5. In de zaak met rolnummer 1969/AR/51204 van :
de NV "P & 0 – E. F. (…) LIMITED (B. B.)", met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR te … onder nr. …, in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van de NV "H. V.", met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR te … onder nr. … voorheen genaamd NV "T. T. (…)", met maatschappelijke zetel te …, …, ingeschreven in het HR te Brugge onder nr. …, hierna genoemd : "P & O"
appellante, geding hervattende partij,
hebbende als raadsman meester T. W., advocaat te …, …;
tegen :
1. de vennootschap naar Grieks recht C., destijds met keuze van woonplaats bij de NV U.-H., …, aan de …, thans zonder gekend adres noch raadsman hierna genoemd : "C."
eerste geïntimeerde,
verstek latende partij;
2. de vennootschap naar Engels recht G. ASS. C0 Ltd., met keuze van woonplaats ter zetel van de NV T. te …, aan de … (verzekeraar voor 12,50 %), hierna genoemd : "G."
tweede geïntimeerde,
hebbende als raadsman meester P. D. K., advocaat te …, …;
3. de NV A. I. C. B., A.I.C.B., met maatschappelijke zetel destijds te …, aan de … (verzekeraar voor 12,50 %), thans met maatschappelijke Zetel te …, …, hierna genoemd : "AICB"
derde geïntimeerde,
verstek latende partij;
4. M. NV, met maatschappelijke zetel te …, …, hierna genoemd : "M."
vierde geïntimeerde,
hebbende als raadsman meester P. D. K., advocaat te …, …;
5. de vennootschap naar Engels recht P. & G. A. te … (L. C.), destijds keuze van woonst doende bij de NV U.-H., … te …, thans zonder gekend adres noch raadsman, hierna genoemd : "P."
vijfde geïntimeerde,
verstek latende partij;
6. de vennootschap naar Engels recht P. A. Cy. Ltd. C. (L. C.), destijds keuze van woonst doende bij de NV U.-H., … te …, thans zonder gekend adres noch raadsman, hierna genoemd : "P."
zesde geïntimeerde,
verstek latende partij;
velt het hof het volgend arrest :
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder de bestreden vonnissen d.d. 18 mei 1992 en d.d. 11 januari 1993 van de vijfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge, waarvan geen akte van betekening voorligt en waartegen tijdig en geldig naar de vorm hoger beroep werd aangetekend :
- inzake AR nr. 48677 bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof door de Ontvanger der Douane en Accijnzen op 11 januari 1993,
- inzake AR nr. 48946 bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof door E. E. C. op 10 februari 1993,
- inzake AR nr. 49013 bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof door de Ontvanger der Douane en Accijnzen op 16 februari 1993,
- inzake AR nr. 51171 bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof door de NV T. T., nu de NV P & 0 E. F. Ltd. op 28 oktober 1993 en
- inzake AR nr. 51204 bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof door de NV H. V. (voorheen), nu de NV P & 0 E. F. Ltd. op 3 november 1993.
Het Hof heeft in openbare terechtzitting van 1 februari 2005 partijen gehoord in hun middelen en conclusies.
Om reden van de goede rechtsbedeling en op vraag van alle in de diverse procedures betrokken partijen worden samengevoegd de zaken gekend onder algemene rolnummer :
1969/AR/48677,
1969/AR/48946,
1969/AR/49013,
1969/AR/51171, en
1969/AR/51204.
FEITEN EN RETROACTEN
E. C. is douaneagent, bij telex van 7 januari 1976 werd haar door de vennootschap naar Engels recht R&G F. opdracht gegeven om een lading sterke drank ter waarde van … DM opgeslagen in een container, zich bevindend in het Verenigd Koninkrijk, te vervoeren tussen Dover en Zeebrugge; alsmede om daartoe de nodige douaneformaliteiten te vervullen met bestemming Duitsland.
Het communautair vervoerdocument T1 (T-document nr. … d.d. 08.01.76 uitgegeven door douanekantoor van Dover) overeenkomstig art. 12 van de Basisverordening (nr. 542/69) werd afgeleverd.
Dit vervoer werd uitgevoerd en te Zeebrugge werd op 9 januari 1976 de container en trailer afgehaald door een chauffeur in (beweerdelijke) opdracht van de bestemmeling.
Voor het verschepen werd C. S. C. Ltd. aangesproken (nu P & 0) die op 9 januari 1976 de douanepapieren en de vervoerdocumenten voor de kwestige goederen beweerdelijk afgaf zonder verdere verificatie, onderzoek naar de identiteit of hoedanigheid van de personen.
De container werd enige tijd nadien leeg teruggevonden dichtbij de Nederlandse grens door de Rijkswacht van Merksplas.
Uit het navolgend onderzoek is o.m. gebleken :
- de container kon zonder controle op de parking van P & 0 weggehaald worden; dit blijkt uit het strafdossier en uit het onderzoek van V. en B. (stuk 16 E. C.);
- de firma die de container te Zeebrugge moest ophalen heeft een slechte reputatie;
- de bestemmeling op het vervoerdocument (stuk 4 E. C.) is een niet bestaande firma (zie o.a. stuk 13 Douane & Accijnzen);
- de in de 'packing-list' opgegeven hoeveelheid drank kon onmogelijk in de kwestige container gestapeld worden;
- de diefstal, nooit opgehelderd en duidelijk goed voorbereid, had tot gevolg dat de inhoud van de container op het grondgebied België aan de doorvoer onttrokken werd.
De goederen werden nooit teruggevonden en de daders van de diefstal werden nooit geïdentificeerd.
IN EERSTE AANLEG
De Douane en Accijnzen vorderde in eerste aanleg de veroordeling van E. C. tot het betalen van een bedrag van (… BEF) … EUR, meer de nalatigheidsintrest vanaf 9 januari 1976 aan 4 % tot 31.06.1979 en van dan af aan 12 %, meer de gerechtelijke intrest vanaf 30.09.1982 en de kosten.
Op deze vordering werd de door de National Westminsterbank betaalde borg van (… BEF) … EUR in mindering gebracht.
De administratie van de BTW heeft een dwangbevel uitgevaardigd op 09.12.1981 waarbij bevel tot betalen werd betekend op 24.12.1981 voor een bedrag van (… BEF) … EUR uit hoofde van verschuldigde BTW, (… BEF) … EUR uit hoofde van wettelijke geldboeten, meer de vertragingsinresten.
Voor het overige volstaat het te verwijzen naar het overzicht van feiten en retroacten zoals door de eerste rechter in de beide vonnissen a quo opgesomd.
De eerste rechter voegt de zaken samen en verklaart de vordering van Douane en Accijnzen niet ontvankelijk ingevolge verjaring.
Hij verklaart de vordering van E. C. gegrond en verklaart het dwangbevel d.d. 09.12.1981 van de BTW ongegrond.
Hij verklaart de hoofdvordering van E. C. tegen (de NV T. T.) P & 0 ongegrond.
Hij verklaart de tussenvorderingen van E. C. o.m. tegen P & 0 ongegrond voor wat betreft de vrijwaring.
Hij verklaart de vordering van P & 0 ongegrond.
Hij verklaart de tussenvorderingen van E. C. tegen P & 0 zonder voorwerp voor wat betreft de vrijwaring waartoe zij zou gehouden zijn.
HUIDIGE STAND VAN ZAKEN
Uit de samenlezing van de diverse dossiers van de samengevoegde zaken blijkt dat (slechts) volgende partijen nog betrokken zijn/vertegenwoordigd zijn/verschenen zijn in de onderscheiden en samengevoegde zaken :
1° "P&O"
appellante inzake AR 51171
inzake AR 51204
geïntimeerde inzake AR 48677
inzake AR 48946
2° "Douane & Accijnzen"
appellante inzake AR 48677
inzake AR 49013
3° "BTW" (Administratie)
geïntimeerde inzake AR 48946
4° "G."
"M."
geïntimeerden inzake AR 51171
inzake AR 51204
m.b.t. de overige partijen werd toepassing gemaakt van art. 753 Ger. W.
IN HOGER BEROEP
A. inzake AR 48677 tekent de Douane & Accijnzen beperkt hoger beroep aan tegen het vonnis d.d. 18.05.1992 van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge;
in hoger beroep wijzigt zij haar oorspronkelijke vordering en voert o.m. volgende grieven aan :
1.De eerste rechter heeft ten onrechte de verjaringstermijn van drie jaar, overeenkomstig artikel 143, § 2 A.W.D.A., aangenomen.
Vermits E. C. het document T1 nummer … d.d. 08.01.1976 ondertekende (artikel 12.3.) moet zij als aangever in de zin van artikel 11.A beschouwd worden, zodat het regelmatig verrichten van het douanevervoer en de naleving van artikel 13.A, d.w.z. de goederen die het voorwerp van het document T1 uitmaken, ongeschonden aan het kantoor van bestemming (in casu STUTTGART) te brengen, tot haar verplichtingen behoorde;
aangezien de goederen nooit ter plaatse aangekomen zijn treedt het mechanisme van artikel 34 en 36.1. in werking en is E. C. gehouden tot betaling van de rechten en andere heffingen met betrekking tot het niet gezuiverde document T1 nummer … d.d. 08.01.1976;
tevens gelden de artikelen 10, 11 en 257, § 1 A.W.D.A. zodat de invoerrechten verschuldigd zijn op de goederen in doorvoer.
De aangever van het T document is aansprakelijk voor de regelmatige zuivering van het T document.
Door de aangifte 08.01.1976 verbond E. C. zich ertoe als aangever de goederen binnen de geldigheidsduur van het document in ongeschonden staat aan te bieden op het voorziene bestemmingskantoor Stuttgart (artikelen 11 en 13 Verordening EEG).
Het kantoor Zeebrugge was als doorgangskantoor te aanzien (artikel 11.D. Verordening EEG), dus eindigde de taak van E. C. niet te Zeebrugge, doch pas na het vervullen van de verplichtingen voorzien in artikel 13 van de Verordening.
E. C. is als aangeefster aansprakelijk omdat zij haar verbintenis niet is nagekomen en haar verplichtingen als aangeefster zoals voorzien in artikel 13 van de EEG-Verordening niet is nagekomen;
ontheffing van de betaling wordt slechts verleend wanneer goederen teloor gaan ingevolge overmacht, dit is, vernietigd worden wegens ongeval of verdwijning wegens natuurlijke oorzaken afhankelijk van hun aard, bvb. verdamping.
2.Douanerechten en accijnzen verjaren na 30 jaar.
De gemeenrechtelijke verjaringstermijn geldt inzake douane en accijnzen aangezien geen wettelijke bepaling een kortere verjaringstermijn voorziet.
Artikel 143, § 2 A.W.D.A. waarnaar wordt verwezen voorziet in een kortere verjaringstermijn, doch dit geldt enkel voor de invordering van bijkomende rechten, verschuldigd wegens onvoldoende inning voor "regelmatig aangegeven goederen", zodat artikel 143, A.W.D.A. niet van toepassing is vermits de goederen niet aangegeven zijn en zonder enige aangifte in het vrije verkeer gebracht werden.
Artikel 143, § 4 A.W.D.A. moet gezien worden in combinatie met de voorgaande paragrafen van hetzelfde artikel vermits daarin uitdrukkelijk verwezen wordt naar de termijnen die daarin bepaald worden.
De conclusie is dan ook dat niet de driejarige verjaringstermijn van artikel 143, § 2 of de éénjarige verjaringstermijn van artikel 143, § 4 van toepassing zijn doch wel de gemeenrechtelijke 30-jarige verjaringstermijn.
3.De verwijlintresten dienen berekend te worden vanaf 24.01.1976, hetzij na verloop van de geldigheidsduur van het document T3 tot en met de dag van de betaling.
B. inzake AR 48946 d.d. 10.02.1993 tekent E. C. hoger beroep aan strekkende tot :
- gegrondverklaring van het verzet tegen het dwangbevel van de BTW; dienvolgens E. C. te ontheffen van haar verplichtingen als aangever krachtens artikel 34 EEG-Verordening 542/69;
- P & 0 (subsidiair) te veroordelen tot betaling aan E. C. van alle bedragen waartoe zij zou veroordeeld worden ten opzichte van de BTW-administratie, zowel in hoofdsom, intresten als kosten;
- P & 0 te veroordelen in betaling aan E. C. van de hoofdsom van (… BEF) … EUR onder voorbehoud van verhoging van dit bedrag in de loop van het geding, vermeerderd met de gerechtelijke intresten vanaf de datum waarop de Douane & Accijnzen zich dit bedrag toegeëigend hebben;
- de BTW en P & 0 te veroordelen tot de kosten van de twee instanties;
uit de conclusie neergelegd door (de raadsman van -) E. C. d.d. 18.11.2004 blijkt dat deze vennootschap "verdwenen" is (nadien stelt dezelfde raadsman zonder instructies te zijn - zie brief d.d. 07.12.2004);
in deze procedure concludeert de BTW evenals P & 0 tot ongegrondverklaring van het hoger beroep (zie conclusie d.d. 12.09.1996);
C. inzake AR 49013 tekent de Douane & Accijnzen hoger beroep aan tegen het vonnis d.d. 11.01.1993 en vraagt de veroordeling van E. C. tot betaling van een bedrag van (… BEF) … EUR, meer de verwijlintresten vanaf 14.12.1975 aan 4 % tot 31.06.1979 en vanaf deze datum aan 12 %, meer de gerechtelijke intrest vanaf de datum van dagvaarding (01.06.1983) en de kosten op grond van dezelfde grieven als geformuleerd inzake AR 48677, nl. :
- ten onrechte heeft de eerste rechter de verjaringstermijn van drie jaar (artikel 143, § 2 A.W.D.A.) aangenomen;
- douanerechten en accijnzen verjaren na 30 jaar;
D. inzake AR 51171 tekent P & 0 hoger beroep aan tegen het vonnis d.d. 18.05.1992 op grond van o.m. volgende motieven :
1.de vordering van E. C. c/ P & 0 is verjaard :
inzake zeevervoer is de regel van art. 2257 B.W. niet toepasselijk, wél en alléén de specifieke wet m.b.t. het zeevervoer, nl. art. 266 e.v. (vnl. 270) van het Wetboek van Koophandel, Boek 2 - Zeevaart, titel IX
deze wet is én van dwingend recht én imperatief en bepaalt de verjaringstermijn op één jaar :
- feiten : vervoer op 09.01.1976
- dagvaarding : 08.07.1980 inzake de oorspronkelijke AR 33.706 omtrent BTW (Koophandel Brugge)
- dagvaarding in tussenkomst omtrent accijnzen in AR 30.414 (hoofddagvaarding 30.09.82) : 03.03.83;
2.Geen diefstal.
Een grondige analyse van de feiten laat blijken dat er op 09.01.1976 géén diefstal was, doch een normale afhaling van de container door de eigenaar en/of in opdracht van de eigenaar om reden dat :
a. de personen die de container ophaalden in het bezit waren van de douaneformulieren voor de transit doorheen België en van de vrachtdocumenten;
b. deze personen hadden van de eigenaar de noodzakelijke gegevens gekregen wààr de container stond;
c. om van de terreinen van P & 0 een container op te halen bestaan 4 controles :
- de aangestelde chauffeur dient zich aan te melden in het vrachtkantoor voor het ophalen van de rode kaart; hij krijgt een eerste stempel;
- deze chauffeur dient de douanedocumenten voor te leggen aan de douane-instanties en ontvangt een tweede stempel;
- de container wordt verzegeld bij het verlaten van het douanekantoor op de P & 0 - parking (= derde stempel);
- bij het verlaten van de P & 0 - parking gaat de rode kaart in een automatische "pointeermachine" met datum en uur (= vierde stempel) en wordt de kaart afgegeven aan P & 0;
d. in casu zijn deze 4 controles geschied (zie originele rode kaart).
Het onderzoek (strafdossier + onderzoeken van maritieme expertisebureau's) wijst erop dat de firma L. I., eigenaar van de container (de heer L.) "van onguur allooi" is.
3. Er is bij P & 0 geen fout gepleegd, vermits de container na 4 controles aan de aangestelde van de ladingsbelanghebbende is afgeleverd.
Deze controles en de afhaalprocedure waarborgen dat de container aan de juiste persoon wordt afgeleverd :
- hij dient alle informatie zelf te hebben om te weten dat die container er is :
•nummer container
•dag en uur van de overvaart
•douaneformulieren
- hij passeert 4 controles.
De verdwijning van de lading te Merksplas is het gevolg van bedrog gepleegd door de ladingeigenaars zelf en P & 0 beging géén fout in haar normale bewakingsplicht.
4. Het exoneratiebeding (subsidiar)
- P & 0 verwijst naar haar stelling voor de eerste rechter, welke óók de toepasselijkheid van deze exoneratieclausule in de contractuele relatie E. C. c/ P & 0 aanvaardde;
- zij herneemt al haar argumenten in feite en in rechte en neemt tevens als de hare de in het vonnis a quo weerhouden motivatie (zie blz. 1494 t.e.m. 1495).
5. Er is geen ernstige betwisting mogelijk omtrent de contractuele verbintenis tussen E. C. en P & 0
a. zie het vonnis a quo :
- blz. 1493 media e.v.: "wel degelijk een contractuele band"
- blz. 1494 sub "F" : "uit het voorgaande volgt dat er in casu geen sprake is van een quasi-deliktuele maar wel een contractuele aansprakelijkheid"
b. P & 0 verwijst naar het vervoersdocument zelf ("waybill") (zie stukkenbundel B, stuk 1) alwaar E. C. als opsteller van het document zich de "shipper'' noemt alsook "agent van de carrier''.
Als "shipper'' verklaart E. C. zich daarenboven uitdrukkelijk akkoord met de vervoersvoorwaarden : "the shipper certifies that the particulars on the face here of are correct and agrees to the conditions on the reverse hereof”.
E. inzake A R 51204/93 tekent P & 0 hoger beroep aan tegen het vonnis d.d. 18.05.1992 strekkende tot de gedwongen tussenkomst en vrijwaring van :
1° de vennootschap naar Grieks recht "C."
2° de vennootschap naar Engels recht "G. Ass. C° Ltd"
3° "L. A. I. C. B." (AICB)
4° de NV "M."
5° de vennootschap naar Engels recht "P. AND G. A."
6° de vennootschap naar Engels recht "PHOENIX ASSURANCE COMPANY Ud CONTINENTAL"
in de procedures inzake :
(a) het hoger beroep aangetekend door de Douane en Accijnzen tegen de vennootschap E. C. (internationale vervoerder en douaneagent) (AR 48.677/93);
(b) het hoger beroep in gedwongen tussenkomst en vrijwaring aangetekend door E. C. (AR. 48.677/93);
om reden van volgende procedure-voorgaanden :
a.oorspronkelijke dagvaarding van de Douane & Accijnzen van E. C. in betaling van accijnsrechten en bijhorigheden (dagvaarding d.d. 30.09.1982);
E. C. dagvaardde in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van P & 0;
c.P & 0 dagvaardde haar verzekeraars in gedwongen tussenkomst en vrijwaring :
- in het kader van de zaak AR 33.706 (ex Koophandel AR 18402) eerst in gedwongen tussenkomst en vrijwaring d.d. 15.01.1981 de NV "Groep U. 16" de verzekeraars elk individueel, bij dagvaardingen d.d. 25 en 23.03.1983;
- de zaak AR 33.706 werd samengevoegd met de zaak AR 30.414;
- in conclusies d.d. 17.02.1984 neergelegd 20.02.1984 werd de vordering in gedwongen tussenkomst en vrijwaring AR 33.706 uitgebreid naar de samengevoegde zaak AR 30.414;
d.Bij vonnis a quo d.d. 18.05.1992 werd de hoofdvordering AR 30.414 onontvankelijk verklaard (verjaring);
de vrijwaringsvordering E. C. t.o.v. P & 0 werd zonder voorwerp verklaard.
Idem wat betreft de vrijwaringsvordering P & 0 t.o.v. haar verzekeraars.
In hetzelfde vonnis werden de procedures AR 30.414, 33. 706 en 33.989 samengevoegd.
e.In hoger beroep :
a) bij verzoekschrift d.d. 11.01.1993 tekende de Douane & Accijnzen beroep aan tegen het vonnis d.d. 18.05.1992: dit beroep was alleen gericht tegen E. C. (AR 48677/93);
b) bij gerechtsdeurwaardersexploot d.d. 06.05.1993 dagvaardde E. C. P & 0 in gedwongen tussenkomst en vrijwaring;
c) bij verzoekschrift d.d. 03.11.1993 tekent P & 0 hoger beroep aan tot tussenkomst en vrijwaring lastens haar verzekeraars;
d) er is hoger beroep aanhangig (AR 48.946/93) tussen E. C. en de BTW en P & 0, waarin eveneens een vrijwaringsvordering (subsidiair) werd gesteld tussen P & 0 en haar verzekeraars.
BEOORDELING DOOR HET HOF
Op grond van de voorliggende gegevens sluit het hof zich aan bij het advies van het Openbaar Ministerie d.d. 14.12.1992 als volgt gesteld :
"Mijn ambt is van oordeel dat de goederen destijds wel degelijk regelmatig werden aangegeven te Zeebrugge.
In elk geval wordt de onregelmatigheid van de aangifte niet aangetoond.
De conclusie is dan ook dat de korte verjaringstermijn van artikel 143 A.W.D.A. van toepassing is en de verjaring is ingetreden."
Derhalve maakt het hof de motivering van de eerste rechter tot de zijne :
"Gezien de actie tot invordering door de lidstaat ingesteld, dient te gebeuren volgens de eigen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de Douane en Accijnzen niet ontvankelijk is gezien de ingetreden verjaring op grond van artikel 143, par. 2 van de algemene wet op de douane en accijnzen.
Er moet gesteld worden dat de aangifte van 09.01.1976 dateert waarbij de Douane en Accijnzen ten overstaan van de firma E. C. geen stappen heeft ondernomen waaruit een schorsing of stuiting kan afgeleid worden.
De dagvaarding zelf dateert van 30.09.1982, het zij meer dan zes jaar na de aangifte, zodat de vordering dus verjaard is."
de art. 10 - 11 – 257, par. 1/34 en 36/1 A.W.D.A. kunnen geen afbreuk doen aan de verjaring; de ingeroepen dertigjarige termijn is niet van toepassing;
De hogere beroepen aangetekend door de Douane en Accijnzen worden als ongegrond afgewezen;
Voor wat betreft het hoger beroep van E. C. kan de oordeelkundige redengeving van de eerste rechter worden bijgetreden nu ook blijkt dat de argumenten, aangehaald in de conclusies neergelegd door de BTW op 25.03.1996 en deze aangehaald door P & 0 in conclusies d.d. 12.09.1996 zelfs niet werden beantwoord (door E. C.); derhalve dient het hoger beroep van E. C. ongegrond te worden verklaard;
De grieven door P & 0 aangevoerd zijn niet bewezen en ook niet relevant gezien het voorgaande; de vordering van P & 0 in tussenkomst in graad van hoger beroep is zonder voorwerp;
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN,
HET HOF,
Recht doende op tegenspraak,
met inachtneming van artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken,
voegt samen de zaken gekend onder algemene rolnummer :
1969/AR/48677,
1969/AR/48946,
1969/AR/49013,
1969/AR/51171, en
1969/AR/51204;
bevestigt de bestreden vonnissen d.d. 18 mei 1992 en d.d. 11 januari 1993 van de vijfde kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge in al hun beschikkingen,
wijst voor het overige de hogere beroepen en het anders en meer gevorderde af als ongegrond,
veroordeelt de Douane en Accijnzen en P & 0 solidair tot de kosten in hoger beroep gevallen aan de zijde van G., begroot op : … EUR en van M., begroot op : … EUR;
veroordeelt E. C. tot de kosten aan de zijde van de BTW in hoger beroep, begroot op : … EUR;
zegt voor recht dat alle andere partijen in hoger beroep hun eigen kosten dragen;
bevestigt voor het overige de vonnissen a quo voor wat de kosten betreft.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, zesentwintigste kamer, recht doende in burgerlijke zaken, op vier april tweeduizend en zes.
Aanwezig :
de heer G. M., plaatsvervangend raadsheer - voorzitter;
de heer H. H., plaatsvervangend raadsheer;
de heer E. C., plaatsvervangend raadsheer;
de heer L. L., griffier.
L. L. E. C. H. H. G. M.
Door de FOD bijgevoegde beslissing
De rechtbank van eerste aanleg te Brugge, VIJFDE KAMER, heeft het hiernavolgend vonnis verleend
In de zaak AR nr. 92/30.414 Rep. Nr. : 92/5591
De heer ONTVANGER DER DOUANE EN ACCIJNZEN, wiens burelen gevestigd zijn te Brugge, L. Coiseaukaai
eiseres,
voor wie optreedt meester L. D. S., advocaat te …, …
tegen :
E. E. C. (Dover) Ltd, met maatschappelijke zetel te … …, …, …, …
verweerster,
voor wie zijn opgetreden meester H.-R. D., advocaat te …, … en meester L. G., advocaat te …, …
MEDE IN ZAKE :
E. E. C. (…) Ltd, naar Engels recht, internationale vervoerde en douane agent, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …, …, …, …, ingeschreven in het Engels register onder nr. …
eiseres in tussenkomst en vrijwaring,
voor wie zijn opgetreden meester H.-R. D. en meester L. G. voornoemd
tegen :
T. B. NV, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, met maatschappelijke zetel te …, …
verweerster in tussenkomst en vrijwaring,
voor wie is opgetreden meester Th. W., advocaat te …, …
EN IN DE ZAAK AR 69/30.989
E. E. C. Ltd (…), maatschappij naar Engels recht, …, …, …, …, … (…), ingeschreven in het Engels register onder nummer …, welke ten einde dezer woonstkeuze doet ten kantore van de heer F. D. M., gerechtsdeurwaarder, wonende te …, …
eiseres, tevens eiseres in tussenkomst en vrijwaring,
voor wie zijn opgetreden meester H.-R. D. en meester L. G. voornoemd
tegen :
1. DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de Toegevoegde Waarde, Registratie en persoon van de BTW-rekenplichtige van het kantoor te Brugge, Vincke-Dujardinstraat 4
verweerster,
voor wie is opgetreden meester J. V. d. P., advocaat te …, …
2. T. B. NV, ingeschreven in het handelsregister te … onder het nummer …, met maatschappelijke zetel te …, …
verweerster in tussenkomst en vrijwaring,
voor wie is opgetreden meester Th. W. voornoemd
EN IN DE ZAAK AR 69/33.706
E. E. C. (…) Ltd, naar Engels recht, internationale vervoerder en douaneagent, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …, …, …, postcode …, ingeschreven in het Engels register onder nummer …,
eiseres,
voor wie optreden meester H.-R. D. en meester L. G. voornoemd
tegen :
T. B NV, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …, met maatschappelijke zetel te …-…, …
verweerster,
voor wie is opgetreden meester Th. W., voornoemd
MEDE IN ZAKE
T. B. NV, thans ingevolge naamwijziging gepubliceerd in het BS d.d. 13.6.1980 : T. T. (…) naamloze vennootschap, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …, met maatschappelijke zetel te …-…, …, …
eiseres in tussenkomst en vrijwaring,
tegen :
1. G. U. 16 NV, met maatschappelijke zetel te …, …
verweerster in tussenkomst en vrijwaring,
voor wie is opgetreden meester P. D. K., advocaat te …, …
2. "C.'', vennootschap naar Grieks recht, welke evenwel keuze van woonst doet ter maatschappelijke zetel van de NV U. H. te …, …
3. "G." Ass. C° Ltd, vennootschap naar Engels recht, welke keuze van woonst doet ter maatschappelijke zetel van de NV "T.", … te …
4. L. A. I. C. B. (A. I.C.B.), met maatschappelijke zetel te …, …
5. M. naamloze vennootschap, met maatschappelijke zetel te …, …
6. P. AND G. A., vennootschap naar Engels recht, welke keuze van woonst doet ter maatschappelijke zetel van de NV U. H. te …, …
7. P. A. C. Ltd C., vennootschap naar Engels recht, welke keuze van woonst doet ter maatschappelijke zetel van de NV U. H. te …, …
verweerders in tussenkomst en vrijwaring,
voor wie optreedt meester P. D. K. voornoemd, ingeschreven in het handelsregister te … onder nummer …, met maatschappelijke zetel te …-…, …
8. C. O. P. R., vennootschap met portoricaans recht, met maatschappelijke zetel te …, …, …
Verweerster in tussenkomst en vrijwaring,
die niet verschijnt
I. PROCEDURE
a) AR 30.414
De zaak werd ingeleid bij dagvaarding op 30.09.1982 aan de Maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd (hierna genoemd de firma E. C.) betekend ten verzoeke van de heer Ontvanger der Douane en Accijnzen hierna genoemd de Douane en Accijnzen)
Met akte d.d. 08.03.1983 is de firma E. C. overgegaan tot dagvaarding van de NV T. B., waarvan lopende het geding de benaming gewijzigd werd in de NV T. T. in gedwongen tussenkomst en vrijwaring.
b) AR 30.989
De zaak werd ten verzoeke van de firma E. C. ingeleid met akte verzet tegen bevel tot betalen en dwangbevel, betekend op 28.12.1932 aan de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen (hierna genoemd de BTW dienst) en voor zoveel als nodig aan de gerechtsdeurwaarder B. R. waarbij enkel aan de BTW dienst dagvaarding werd gegeven om te verschijnen voor de rechtbank.
Ook in deze zaak is de firma E. C. overgegaan tot dagvaarding in gedwongen tussenkomst en vrijwaring van de NV T. T. (akte betekend op 27.10.1983).
c) AR 33.706
De zaak werd ingeleid bij dagvaarding op 08.07.1980 aar de NV T. T. betekend ten verzoeke van de firma E. C..
Met akte d.d. 15.01.1981 is de NV T. T. overgegaan tot dagvaarding van de "G. U. 16" in gedwongen tussenkomst en vrijwaring.
Met akte d.d. 25.03.1983 is de NV T. T. overgegaan tot dagvaarding van de vennootschap naar Grieks recht "C.", de vennootschap naar Engels recht "G." Ass. C. Ltd, de naamloze vennootschap "Les Assurances Internationales Compagnie Belge'', de naamloze vennootschap "M.", de vennoot.schap naar Portorikaans recht "Commonwealth of Puerto Rico'", de Vennootschap naar Engels ·recht "Parcels and General Association" en de vennootschap naar Engels recht "Phoenix Assurance Company Ltd. Continental" in gedwongen tussenkomst en vrijwaring.
Met vonnis van 29.09.1983 van de rechtbank van koophandel te Brugge, gewezen in staat van verstek ten overstaan van de vennootschap naar Portorikaans recht Commonwealth of Puerto Rico, en op tegenspraak tegenover de andere partijen werd vooreerst geoordeeld dat de dagvaarding d.d. 15.01.1981 nietig is gezien de “G. U. 16” geen rechtspersoonlijkheid heeft en bijgevolg niet kon gedagvaard worden.
Voor het overige werd de zaak verzonden naar de rechtbank van eerste aanleg te Brugge om er gevoegd te worden met de zaken gekend onder de nummers … en … van de algemene rol.
Partijen werden gehoord bij monde van hun raadslieden in openbare terechtzitting van 06.04.1992, uitgezonderd de vennootschap naar Portorikaans recht Commonwealth of Puerto Rico die voor deze zitting niet behoorlijk opgeroepen werd en die ook op deze zitting niet verschenen is.
Op de zitting van 06.04.1992 werd mondeling advies verstrekt door het openbaar ministerie. Het advies beperkte zich tot het stellen dat het openbaar belang niet in het gedrang komt door huidige betwisting.
Kennis werd genomen van het dossier van de rechtspleging en van de door de verschenen partijen overhandigde bundels.
De artikelen 2 en volgende van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken werden nageleefd.
II. BIJZONDERSTE GEGEVENS
Aan de basis van huidig geschil ligt een diefstal van een container sterke drank op 08.01.1976.
Wat de feitelijke omstandigheden betreft kan vooreerst verwezen worden naar een verslag van een zekere V. d.d. 19.03.1976 waarin de "reisweg" van de container beschreven wordt (stuk 17 E. C., inzonderheid de voorlaatste pagina).
Daaruit volgt dat de firma E. C. op 07.01.1976 voor de inscheping gezorgd heeft van de container die moest verzonden worden onder dekking een document. T1/32.194 "kennisgeving van doorgang" (stuk 6 Douane en Accijnzen), onderworpen aan het regime transit.
De container kwam aan te Zeebrugge en werd op de gesloten parkeerruimte van de NV T. T., die voor het vervoer zorgde, geplaatst. De container werd aldaar weggehaald op 08.01.1976 en werd op 15.01.1976 ledig teruggevonden door de Rijkswacht van Merksplas.
Het daaropvolgend onderzoek loonde volgende zaken aan :
- een container kon zonder enige vorm van controle op de parking van de NV T. T. weggehaald worden. Dit blijkt zowel uit het strafdossier als uit het onderzoek van V. en B. (stuk 16 E. C.);
- de firma die de container te Zeebrugge moest ophalen en doorvervoeren, heeft een slechte reputatie.
- de bestemmeling ('consignee') op het vervoerdocument (stuk 4 E. C.) is een niet bestaande firma (zie o.a. stuk 13 Douane en Accijnzen).
- de in de 'packing-list' opgegeven hoeveelheid drank kon onmogelijk in de container geplaatst worden.
Deze diefstal, die nooit opgehelderd werd en die duidelijk goed voorbereid was, had tot gevolg dat de inhoud van de container op het grondgebied van België aan de doorvoer onttrokken werd, hetgeen resulteerde in volgende vorderingen;
a) AR 30.414
De Douane en Accijnzen vordert thans de veroordeling van de firma E. C. lot het betalen van een bedrag van … frank, meer de nalatigheidsinteresten vanaf 09.01.1976 aan 4 % tot 31.06.1979 en vanaf de voornoemde datum aan 12 %, meer de gerechtelijke interesten vanaf 30.09.1982 en de kosten.
In haar vordering heeft de Douane en Accijnzen de door de National Westminster Bank betaalde borg van … frank reeds in mindering gebracht.
In deze procedure vraagt de firma E. C. dat de NV T. T. haar, ingeval van veroordeling, volledig zou vrijwaren.
De NV T. T. op haar beurt vraagt dat, wanneer zij tot vrijwaring zou gehouden zijn, de verzouden veroordeeld worden tot betaling aan de NV T. T. van al hetgeen de NV T. T. zou moeten vereffenen aan de firma E. C..
b) AR 30.989
De BTW dienst heeft een dwangbevel uitgevaardigd op 09.12.1981 waarbij bevel tot betalen werd betekend op 24.12.1931, waarbij betaling werd gevorderd van :
- … frank uit hoofde van verschuldigde belasting.
- … frank uit hoofde van wettelijke geldboeten.
- 1 % per maand vertraging op de nog verschuldigde BTW vanaf 09.01.1977
- 0,60 % per maand vertraging op de nog verschuldigde BTW vanaf 09.01.1976 tot 08.01.1977
- de wettelijke interesten te berekenen op de nog verschuldigde geldboelen vanaf de betekening van dit dwangbevel.
De firma E. C. vordert de nietigverklaring van dit dwangbevel.
Ter zitting van 06.04.1992 heeft de BTW dienst verklaard dat zij afstand doet van haar vordering m.b.t. de geldboetes en haar vordering bijgevolg herleidt tot … frank. Dit volgt ook uit het schrijven van de BTW dienst d.d. 12.01.1983 (stuk 13 E. C.).
Hier worden dezelfde vorderingen tot vrijwaring gesteld.
c) AR 33.706
De National Westminster Bank heeft, in haar hoedanigheid van borg in het kader van de reglementering van de gemeenschappelijke transit, een bedrag van … frank uitbetaald waarbij zij op haar beurt dit bedrag in debet heeft geboekt op de rekening van de firma E. C..
De firma E. C. is overgegaan tot dagvaarding van de NV T. T. en vordert haar veroordeling tot terugbetaling van dit bedrag onder voorbehoud van vermeerdering van dit bedrag.
De NV T. T. is dan overgegaan tot dagvaarding van een groep verzekeraars die gekend zijn onder de benaming "G. U. 16", en bij wie zij een verzekering heeft afgesloten voor haar wettelijke en contractuele aansprakelijkheid voor schade, veroorzaakt aan de goederen of voorwerpen die haar door derden worden toevertrouwd met het oog op verzending (zie niet genummerde stukken van deze groep).
Zij vraagt dat deze verzekeraars zouden veroordeeld worden tot betaling aan de NV T. T. van al hetgeen de NV T. T. zou moeten vereffenen dan de firma E. C..
III. BEOORDELING
A. Samenvoeging
Gezien de zaken gekend onder de algemene rolnummers …, … en … samenhangend zijn, komt het passend voor in het kader van een goede rechtsbedeling deze zaken samen te voegen.
B. Ten aanzien van de "G. U. 16",
De rechtbank stelt vast dat partijen in besluiten nog telkenmale de "G. U. 16" als in zake zijnde partij vermelden.
Dit gebeurt ten onrechte gezien de "G. U. 16 " reeds met vonnis van de rechtbank van koophandel d.d. 29.09.1983, waarin geoordeeld werd dat de dagvaarding d.d. 15.01.1931 nietig was gezien de "G. U. 16" geen rechtspersoonlijkheid heeft en bijgevolg niet kon gedagvaard worden, buiten zake werd gesteld.
C. Ten aanzien van de vennootschap naar Portorikaans recht Commonwealth of Puerto Rico.
Gezien deze partij niet rechtsgeldig opgeroepen werd voor de zitting van 06.04.1992 kon de NV T. T. geen verstek en vonnis tegen haar vorderen.
Gezien het in casu om een splitsbaar geschil gaat dient de vordering, in zoverre gericht tegen de vennootschap naar Portorikaans recht Commonwealth of Puerto Rico, terug naar de bijzondere rol verwezen te worden.
D. De vordering van de Douane en Accijnzen
Gezien het een communautair douanevervoer betrof, waarbij de container van Engeland naar Duitsland, via België, vervoerd moest worden, kan het niet betwist worden dat :
- de firma E. C. als aangever moet beschouwd worden (art. 11 EEG Verordening 542/69 en als dusdanig er voor moet zorgen dat de goederen binnen de gestelde termijn ongeschonden aan het kantoor van de bestemming gebracht worden (art. 13 EEG Verordening 542/69).
- vanaf er een onregelmatigheid begaan wordt in een bepaalde lidstaat, wordt de actie tot invordering van de eventueel opeisbare rechten en andere heffingen, onverminderd eventuele strafvervolging, door deze Lidstaat ingesteld volgens zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen (art. 36 EEG Verordening 542/69).
- artikel 257 van de algemene wet op de douane en accijnzen voorziet in par. 1 voorziet dat wanneer deze verplichting niet binnen de gestelde termijn nageleefd wordt, de titularis van het document een geldboete oploopt, onverminderd de betaling van de rechten op de in het document vermelde goederen.
Dit houdt in dat er een hoofdelijke aansprakelijkheid gecreëerd werd in hoofde van de aangever (in casu de firma E. C.).
Gezien de actie tot invordering door de lidstaat ingesteld, dient te gebeuren volgens de eigen wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, is de rechtbank van oordeel dat de vordering van de Douane en Accijnzen niet ontvankelijk is gezien de ingetreden verjaring op grond van artikel 143, par. 2 van de algemene wet op de douane en accijnzen.
Er moet gesteld worden dat de aangifte van 09.01.1976 dateert waarbij de Douane en Accijnzen ten overstaan van de firma E. C. geen stappen heeft ondernomen waaruit een schorsing of stuiting kan afgeleid worden.
De dagvaarding zelf dateert van 30.09.1932, het zij meer dan zes jaar na de aangifte, zodat de vordering dus verjaard is.
E. Omtrent het verzet van de firma E. C. legen het dwangbevel van de BTW dienst
Ingeval van onregelmatigheden bij de doorvoer die de BTW dienst opvorderbaar maken stoelt de vordering van de administratie van de BTW dienst niet op artikel 8 van het KB nr. 7 van 12.03.1970 (BS 18.03.1970), maar wel op de douanereglementering inzake communautair douanevervoer.
Dit volgt uit de artikelen 11 12, 13 en 36 EEG Verordening 542/69, artikel 7 par. 1 AWDA en op artikel 13 van het KB nr. 7.
De hoofdelijke aansprakelijkheid van de firma E. C. als aangever in de zin van artikel 11 EEG Verordening 542/69, bestaat dus ook tegenover de BTW dienst.
Zie ook :
- Fiscale documentatie Vandewinckele, CED SAMSOM, XIVd, BTW, nr. 40/2, p. 222).
Gezien nog het oude regime van de zesjarige verjaring toepasselijk is (de verjaring van vijf jaar trad pas in werking op 01.01.1978; zie art. 27 Wet 22.12.1977), het dwangbevel betekend werd op 27.12.1981 en het verzet exploot dateert van 28.12.1981, kan er geen sprake zijn van verjaring voor wat betreft de vordering van de BTW-dienst.
Volgens artikel 34 EEG Verordening 542/69 wordt de aangever ontheven van zijn verplichtingen wanneer de goederen, waarop de rechten geheven worden, teloor zijn gegaan door naar behoren vastgestelde overmacht of naar behoren vastgesteld toeval.
Van overmacht of toeval kan hier geen sprake zijn.
In dit verband moet vooraf benadrukt worden dat de firma E. C. het ten onrechte voorstelt als zou zij enkel gehandeld hebben met T. C. Ltd en dat. de NV T. T. ten opzichte van haar een derde is.
De NV T. T. is immers de uitbatingszetel van T. C. F. Ltd in België hetgeen onder andere volgt uit de door de NV T. T. voorgelegde rechtspraak van de rechtbank van koophandel te Brugge (vonnissen d.d. 12.11.1985/AR 19.590 en d.d. 28.10.1986/AR 28.513 waarin onder andere staat : “… en met maatschappelijke zetel voor België gevestigd te …” en “… doende de betekening aan haar uitbatingszetel...").
Dit maakt dat er tussen de firma E. C. en de NV T. T. wel degelijk een contractuele band bestaat, waarbij het plaatsen van de container op een gesloten parkeerruimte een onderdeel was van de opdracht aan T. C. F. Ltd / de NV T. T.. Deze bewaarneming, die een noodzakelijk deel is van de vervoeropdracht, werd niet behoorlijk uitgevoerd gezien er ter zake geen enkele vorm van controle gebeurde. De rechtbank heeft dit reeds voldoende aangetoond in de feitelijke uiteenzetting (zie hierboven …).
Dit houdt in dat een (contractuele) fout van de NV T. T. de verdwijning van de container mee in de hand gewerkt heeft zodat de firma E. C. nooit overmacht kan inroepen. De NV T. T. heeft de firma E. C. immers geholpen bij de uitvoering van haar verbintenis, zodat er ter zake geen vreemde oorzaak voorhanden is waarop de firma E. C. zich kan beroepen.
Zie :
- De Page, H., Traite, T. II, uitgave 1964, nrs. 592 en 598.
Dit alles ongeacht de bedenking, dat diefstal, wat op zichzelf geen overmacht inhoudt, van containers een vrij regelmatig voorkomend fenomeen is en men hier in geen geval de vereiste voorzorgen genomen heeft om een gebeurlijke diefstal onmogelijk te maken, of toch minstens te bemoeilijken.
Dit maakt dat op zichzelf het verzet van de firma E. C. volledig ongegrond ware geweest, ware het niet dat de BTW-dienst ter zitting van 06.04.1992 uitdrukkelijk heeft gesteld dat zij niet langer aandringt wat de geldboetes (en bijhorende interesten betreft). Gezien de BTW dienst in huidige procedure geen vordering stelt kan bezwaarlijk gesteld worden dat dit een herleiding van haar vordering inhoudt. De rechtbank kan niet anders dan vaststellen dat, gezien het schrijven van de BTW-dienst en de verklaring ter zitting, het verzet gegrond is m.b.t. de geldboetes en bijhorende interesten.
F. De hoofdvordering van de firma E. C. tegen de NV T. T. (procedure AR 33.706) en de tussenvorderingen in vrijwaring (AR 30.414 en 30.989).
Uit het bovengaande volgt dat er in casu geen sprake is van een quasi-delictuele maar wel van een contractuele aansprakelijkheid.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering van de firma E. C. tegenover de NV T. T. niet verjaard is.
Er mag tussen de beide partijen geen onevenwicht bestaan. Dit houdt in dat er rekening dient gehouden te worden met de situatie waarin de firma E. C. zich bevond.
Zolang de firma E. C. niet aangesproken werd door de Douane en Accijnzen of de BTW dienst kon de firma E. C. ook geen vordering richten tot haar medecontractant.
De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verjaring niet liep m.b.t. de vordering tot vrijwaring ten overstaan van de NV T. T., zolang de vordering tot uitwinning tegenover de firma E. C. niet had plaatsgehad (zie artikel 2257 B.W.).
Gezien de verjaring van de vordering van de Douane en Accijnzen is de tussenvordering in vrijwaring van de firma E. C. tegenover de NV T. T., die op deze vordering van de Douane en Accijnzen betrekking heeft (zie AR 30.414), zonder voorwerp gevallen.
De overige vorderingen van de firma E. C. tegen de NV T. T. zijn evenwel niet gegrond omdat de NV T. T. zich ter zake kan beroepen op de overduidelijke exoneratieclausules die de vervoersvoorwaarden regelen. Naast de artikelen 1 en 3 kan inzonderheid verwezen worden naar de artikelen 5 en 6 van deze voorwaarden (stuk 1bis NV T. T.) waarin letterlijk staat :
"(5) (...) Zij is ook niet verantwoordelijke voor (…) het verlies of de schade aan de lading (…) gedurende of na het aan land brengen op kade (…).
(6) (...) Zij is ook hoegenaamd niet verantwoordelijk voor de lading die werd ontscheept van hun schepen op kaden, werven of in een vaartuig".
Dit beding doet de vervoerovereenkomst uiteraard niet teniet. De niet te miskennen nonchalance waarmee de NV T. T. de goederen bewaakte kan daarbij niet gelijkgesteld worden met een persoonlijk bedrog (ongeacht het gegeven dat de firma E. C. van deze slordige werkwijze op de hoogte moet geweest zijn), zodat de exonaratieclausule geldig is en de firma E. C. ten onrechte een vordering en tussenvordering tegen de NV T. T. heeft ingeleid.
G. De vordering van de NV T. T. tegen de vennootschap naar Grieks recht "C.", de vennootschap naar Engels recht "G." Ass. C. Ltd, de naamloze vennootschap "Les Assurances Internationales Compagnie Belge", de naamloze vennootschap "M.'", de vennootschap naar Engels recht "Parcels and General Association" en de vennootschap naar Engels recht "Phoenix Assurance Company Ltd. Continental".
Uit het voorgaande volgt dat deze vorderingen zonder voorwerp gevallen zijn.
De gedingskosten.
Gezien de vordering van de Douane en Accijnzen niet ontvankelijk is dient de Douane en Accijnzen de kosten gevallen naar aanleiding van haar vordering legen de firma E. C. volledig te dragen.
De firma E. C. dient veroordeeld te worden tol de kosten gevallen zowel in haar hoofde als in hoofde van de BTW dienst, naar aanleiding van de procedure tegen de BTW dienst.
De firma E. C. dient tevens veroordeeld te worden tot de kosten specifiek gevallen naar aanleiding van de hoofd- en tussenvorderingen legen de NV T. T..
Op haar beurt dient de NV T. T. veroordeeld te worden tot de kosten gevallen naar aanleiding van de procedure in tussenkomst tegenover de hierboven bij naam vermelde groep verzekeraars.
OM DEZE REDENEN
DE RECHTBANK, wijzende in burgerlijke zaken, zetelend in eerste aanleg, in staat van verstek tegenover de vennootschap naar Portorikaans recht Commonwealth of Puerto Rico en op tegenspraak tegenover alle andere partijen.
Alle strijdige en meer omvattende besluiten verwerpend als ongegrond, niet terzake dienend of overbodig.
Voegt de zaken gekend onder de algemene rolnummers 30.414, 30.989 en 33.706 samen.
Geeft akte aan de NV T. Belgium dat lopende het geding haar maatschappelijke benaming gewijzigd werd in de NV T. T..
Stelt voor zoveel als nodig vast dat de "G. U. 16" niet langer in zake is en door de partijen ten onrechte in de hoofding van hun besluiten vermeld wordt.
Verzendt de zaak, in zoverre het gaat om vorderingen gericht tegen de vennootschap naar Portorikaans recht Commonwealth of Puerto Rico, terug naar de bijzondere rol gezien de vennootschap naar Portorikaans recht Commonwealth of Puerto Rico niet rechtsgeldig opgeroepen werd voor de zitting van 06.04.1992 en er geen verstek tegen haar kon gevorderd worden.
Verklaart de vordering van de heer Ontvanger der Douane en Accijnzen tegen de Maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd niet ontvankelijk omwille van de ingetreden verjaring.
Verklaart de vordering van de maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd tegen de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen toelaatbaar en gegrond in de mate zoals hierna bepaald.
Dienvolgens zegt voor recht dat het dwangbevel uitgevaardigd op 09.12.1981 en betekend op 24.12.1931 nietig is in zoverre het strekt tot invordering van … frank uit hoofde van wettelijke geldboeten en tot betaling van de wettelijke interesten te berekenen op de nog verschuldigde geldboeten vanaf de betekening van dit dwangbevel, gezien deze bedragen niet verschuldigd zijn.
Verklaart het verzet van de Maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd ongegrond in zoverre het de nietigheid vordert van het dwangbevel uitgevaardigd op 09.12.1981 en betekend op 24.12.1981 en strekkende tot invordering van :
- … frank uit hoofde van verschuldigde belasting.
- 0,60 % interesten per maand vertraging op de nog verschuldigde BTW vanaf 09.01.1976 tot 08.01.1977.
- 1 % interesten per maand vertraging op de nog verschuldigde BTW vanaf 09.01.1977.
Verklaart de hoofdvordering van de Maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd tegen de NV T. T. (AR 33.706) toelaatbaar doch ongegrond.
Verklaart de tussenvorderingen van de Maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd tegen de NV T. T. toelaatbaar doch ongegrond in zoverre deze tussenvordering betrekking heeft op het bekomen van vrijwaring van alle bedragen waartoe de Maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd ten overstaan van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen veroordeeld wordt (AR 30.939).
Verklaart de tussenvorderingen van de Maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd tegen de NV T. T. toelaatbaar doch zonder voorwerp gevallen in zoverre deze tussenvordering betrekking had op het bekomen van vrijwaring van alle bedragen waartoe de Maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd ten overstaan van de heer Ontvanger der Douane en Accijnzen zou veroordeeld worden gezien de ingetreden verjaring van de vordering van de heer 0ntvanger der Douane en Accijnzen (AR 30.414).
Verklaart de tussenvordering van de NV T. T. tegenover de vennootschap naar Grieks recht "C.” de vennoot.schap naar Engels recht "G." Ass. C. Ltd, de naamloze vennootschap "Les Assurances Internationales Compagnie Belge", de naamloze vennootschap "M.", de vennootschap naar Engels recht "Parcels and General Association" en de vennootschap naar Engels recht ''Phoenix Assurance Company Ltd. Continental" toelaatbaar doch zonder voorwerp gevallen gezien de NV T. T. tot geen enkel bedrag of vrijwaring veroordeeld wordt.
Veroordeelt de heer Ontvanger der Douane en Accijnzen tot de kosten gevallen naar aanleiding van haar vordering tegen de Maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd (AR 30.414).
Begroot deze kosten als volgt :
•in hoofde van de heer Ontvanger der Douane en Accijnzen :
- dagvaarding en rol : … frank
- rechtsplegingsvergoeding : … frank
•in hoofde van de Maatschappij naar E. E. C. Ltd :
- rechtsplegingsvergoeding : … frank.
Veroordeelt de Maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd tot de kosten gevallen naar aanleiding van de procedure verzet tegen het betekende dwangbevel (AR 30.939).
Begroot deze kosten als volgt :
* in hoofde van de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de Belasting over de Toegevoegde Waarde, Registratie en Domeinen :
- rechtsplegingsvergoeding : … frank.
* in hoofde van de Maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd :
- kosten akte verzet : … frank
- rechtsplegingsvergoeding : … frank.
Veroordeelt de Maatschappij naar Engels recht E. E. C. Ltd tot de kosten gevallen naar aanleiding van haar hoofdvordering en tussenvorderingen tegen de NV T. T..
Begroot deze kosten als volgt :
* in hoofde van de Maatschappij naar Engels E. E. C. Ltd :
- kosten dagvaarding (AR 33.706) : … frank
- dagvaarding in tussenkomst (AR 30.414) : … frank
- dagvaarding in tussenkomst (AR 30.989) : … frank
- rechtsplegingsvergoeding : … frank
* in hoofde van de NV T. T. :
- rechtsplegingsvergoeding : … frank.
Veroordeelt de NV T. T. tot de kosten naar aanleiding van de tussenvordering in vrijwaring tegen de vennootschap naar Grieks recht "C.", de vennootschap naar Engels recht "G." Ass. C. Ltd, de naamloze vennootschap "Les Assurances Internationales Compagnie Belge", de naamloze vennootschap "M.", de vennootschap naar Engels recht "Parcels and General Association" en de venootschap naar Engels recht "Phoenix Assurance Company Ltd. Continental", die gezien zij allen door dezelfde raadsman vertegenwoordigd werden, slechts gerechtigd zijn op een rechtsplegingsvergoeding.
Deze kosten begroot als volgt :
•in hoofde van de NV T. T. :
- dagvaarding en rol : … frank
- rechtsplegingsvergoeding : … frank
•in hoofde van de vennootschap naar Grieks recht "C.", de vennootschap naar Engels recht "G." Ass. C. Ltd., de naamloze vennootschap "Les As.surances Internationales Compagnie Belge'', de naamloze vennootschap "M.", de vennootschap naar Engels recht "Parcels and General Association" en de vennootschap naar Engels recht ''Phoenix Assurance Company Ltd. Continental":
- rechtsplegingsvergoeding : … frank.
Vonnis uitvoerbaar bij voorraad niettegenstaande elk verhaal en zonder borgstelling.
Aldus gewezen en uitgesproken in het gerechtsgebouw te Brugge, op achttien mei negentienhonderd tweeënnegentig.
Aanwezig zijn :
P. B., alleenrechtsprekend rechter;
J.-L. C., substituut procureur des Konings;
G. D. S., klerk-griffier.
G. D. S. P. B.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.