Hof van beroep te Gent, 18 juni 2002 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 18 juni 2002

Zoeken

Hof van beroep te Gent, 18 juni 2002Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-gent-2002-06-18-e3bf

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
18 juni 2002

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

67 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep van Gent d.d. 18.06.2002

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Hof van beroep te Gent 14de Kamer - Terechtzitting van 18 juni 2002

1998/AR/2479 - In de zaak van :

V. D. R. R., bestuurder van vennootschappen, wonende te …, …, …,

appellant,

vertegenwoordigd door Mr. D. G., advocaat te …, …,

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen, vertegenwoordigd door de Rekenplichtige van het BTW-Ontvangkantoor te Wetteren, met kantoor te 9230 Wetteren, Gentsesteenweg 93,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. P. M., advocaat te …, …,

velt het hof het volgend arrest :

R. V. D. R. heeft -tijdig en geldig naar de vorm- hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Gent, gewezen op 13.10.1998.

Bij het bestreden vonnis besliste de eerste rechter, op het verzet van de appellant, als volgt :

"Zegt voor recht dat op 11 juli 1995 ten verzoeke van de verweerder terecht uitvoerend beslag op roerend goed werd gelegd lastens de eiser met dien verstande dat de oorzaken van dit beslag te verminderen zijn met de ten onrechte in aanmerking genomen som van … frank "inningsrecht" alsook de omstreeks 23 mei 1995 door de eiser gedane betaling t.b.v. … frank;

Veroordeelt de eiser om aan de verweerder te betalen het bedrag van … frank te vermeerderen met de verwijlintrest te berekenen aan de wettelijke rentevoet op dat bedrag vanaf 6 november 1995 tot heden en met de gerechtelijke interest te berekenen aan de wettelijke rentevoet op datzelfde bedrag vanaf heden tot de dag van de algehele betaling;

Ontzegt het anders of meer gevorderde;

veroordeelt de eiser tot de betaling van de kosten (...)"

Met zijn hoger beroep beoogt de appellant zijn oorspronkelijke vordering "volledig" gegrond te doen verklaren, "met dien verstande dat de gevorderde schadevergoeding in graad van hoger beroep vrijwillig beperkt wordt tot (… FR) … EUR. Minstens dient aan de appellant een bedrag van (… FR) … EUR toegekend te worden voor de geleden materiële schade", met afwijzing van de tegeneis en verwijzing van de Belgische Staat in de gedingkosten.

De geïntimeerde van zijn kant wil zich een schadevergoeding ten bedrage van (… F) … EUR doen toekennen, in plaats van de vergoeding ten belope van (… F) … EUR, toegekend door de eerste rechter.


De partijen werden gehoord in hun middelen en conclusies;

de stukken werden ingezien.


1. De gegevens van belang voor de beoordeling van de­ ze zaak

Bij opeenvolgende brieven van 01.07.1988, 01.12.1989, 12.06.1991 en 20.05.1992, schreef de hoofdcontroleur van de BTW de appellant aan, vast stellende dat de laatste steeds "nihil­aangiften" deed en suggererend een aangifte van stopzetting van activiteit in te dienen.

Per 26.06.1991 heeft V. D. R. (eenmalig) daarop geantwoord het hem "toegekende BTW-nummer voorlopig nog te willen behouden".

Per 30.04.1994 zendt de administratie aan de appellant een BTW-uittreksel, ter inning van een boete van (… BEF) … EUR, verschuldigd op 31.01.1994;

betaling is gevolgd per 17.06.1994.

Per 07.07.1994 schrijft de rekenplichtige ontvanger V. D. R. aan, hem o.m. wijzende op de niet indiening van één of meerdere aangiften, wat nogmaals aangetekend werd herinnerd aan de appellant op 12.08.1994.

Aan de (derde) aangetekende ingebrekestelling van 06.09.1994, waarin de belastingplichtige uitdrukkelijk is gewezen op zijn verplichting tot indienen van aangiftes, op straffe van een geldboete van (… F) … EUR per niet ingediende aangifte, met vermelding dat desgevallend tot de invordering zal worden overgegaan, heeft de appellant gevolg gegeven door indiening van de twee ontbrekende kwartaalaangiften (eerste en tweede kwartaal 94) op 15.09.1994 (gedateerd van 12.09.1994).

Na daarop volgende heffing van verminderde boeten ingevolge de tussentijdse indiening van de twee ontbrekende kwartaalaangiften, ten belope van (… en … BEF) … en … EUR per 12.12.1994, mits kwijting voor de uiterste betalingsdatum van 20.12.1994 (volgens de bewoordingen van "de laatste waarschuwing voor vervolgingen"), betaalt V. D. R., met opdracht 26.05.1995, de... verhoogde bedragen ten belope van (… BEF) … EUR.

Vooraf had de Belgische Staat evenwel aan betrokkene -bij exploot van 10.05.1995- een dwangbevel laten betekenen, in betaling van :

- hoofdsom (… F) … EUR;

- boetes (… F) … EUR;

onverminderd uitvoeringskosten en moratoire intrest.

Daarop is bij gebreke aan betaling van de uitvoeringskosten -bij exploot van 11.07.1995- uitvoerend roerend beslag gevolgd, lastens V. D. R.

Op 22.08.1995 liet V. D. R. de Belgische Staat dagvaarden voor de beslagrechter te Gent, in opheffing van het uitvoerend beslag en schadevergoeding.

Hierop werd het bestreden vonnis verleend.

2. Beoordeling

2.1. Het vonnis van de eerste rechter -wat betreft de afwijzing van het verzet van V. D. R. en van dezes vordering in schadevergoeding wegens "abusief" beslag- dient integraal bevestigd.

Het Hof maakt daarbij de motieven van de eerste rechter tot de zijne en neemt deze alhier voor volledig herhaald.

Immers, met de geïntimeerde moet beaamd worden dat de appellant niet te goeder trouw handelt :

de fundering van het hoger beroep (zoals het oorspronkelijk verzet) van V. D. R., is gedragen

* door onvolledige lectuur van de stukken door de administratie aan V. D. R. gestuurd,

* door afwezigheid van onderscheid tussen de rekening­courant en de bijzondere rekening BTW, alhoewel de briefwisseling daarvan uitdrukkelijk gewaagt,

* en door bedrieglijke manipulatie van data.

De echtgenote van de appellant werd zelfs strafrechtelijk veroordeeld voor vervalsing van de datum van betekening van het dwangbevel (vonnis van 12.09.1997), gewijzigd van 10.05.1995 in 10.06.1995...

Meteen volgt hieruit dat het hoger beroep -in elk zijner geledingen- grond mist.

2.2. Afgezien het voren gestelde waarop de eerste rechter in niet mis te verstane termen reeds heeft gealludeerd,

afgezien dat de appellant door de eerste rechter reeds werd veroordeeld wegens procesrechtsmisbruik en de "medewerking" van zijn echtgenote (waardoor de appellant beoogde te bewijzen dat hij betaalde waartoe hij door de administratie werd uitgenodigd, voorafgaand de betekening van het dwangbevel) strafrechtelijk werd gesanctioneerd, heeft R. V. D. R. desalniettemin nog hoger beroep ingesteld.

Dergelijk handelen is een verregaande vorm van afwending van het procesrecht van zijn doel, waarbij de geïntimeerde gedwongen wordt tot verdere procedure, met de gevolgen van dien.

Het incidenteel beroep is -gelet op het vorenstaande- gedeeltelijk gegrond, zoals hierna bepaald.

Beschikkend gedeelte

OP DIE GRONDEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak,

met in acht name van het art. 24 van de wet van 15.06.1935,

alle meer omvattende, anders luidende en tegenstrijdige conclusies afwijzende als ongegrond, niet ter zake en/of overbodig,

verklaart het hoger beroep en het incidenteel beroep toelaatbaar, het eerste ongegrond en het tweede gedeeltelijk gegrond;

bevestigt het bestreden vonnis, behalve wat betreft de schadevergoeding toekomend aan de geïntimeerde;

opnieuw oordelend over de vordering in schadevergoeding van de Belgische Staat;

veroordeelt R. V. D. R. in betaling van een schadevergoeding van … EUR, begroot op heden, vermeerderd met de moratoire intrest, onder de vorm van gerechtelijke intrest vanaf heden tot op de dag der integrale betaling;

verwijst de appellant in de kosten van deze instantie, in hoofde van de geïntimeerde vereffend op … EUR, overeenkomstig begroting.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het Hof van beroep te Gent, veertiende kamer, zetelende in burgerlijke zaken, op achttien juni tweeduizend en twee.

Aanwezig :

mevrouw M.-J. D. C., kamervoorzitter;

de heer L. L., adjunct-griffier.

L. L. E C.