Hof van beroep te Gent, 5 november 1999 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Gent 5 november 1999

Zoeken

Hof van beroep te Gent, 5 november 1999Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-gent-1999-11-05-3051

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Gent
Datum
5 november 1999

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

57 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Gent d.d. 05.11.1999

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het Hof van beroep te Gent, tiende Kamer, rechtdoende in Correctionele zaken

In de zaak van :

De NV A. V. voor de M., V., HR Brussel … , met maatschappelijke zetel te …, …;

Thans de NV F., waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, … (HR Antwerpen nr. …)

tegen :

1. Nr ..... (thans niet in zake voor uitleggend arrest);

2. Nr. … NV G. J., verzekeringsmaatschappij, met maatschappelijke zetel te …, …; thans de NV A. G. J., verzekeringsmaatschappij, waarvan de maatschappelijke zetel gevestigd is te …, …, HR Brussel …;

- Vrijwillig tussenkomende partij -

Bij vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te leper, rechtdoende in correctionele zaken, rechtdoende op tegenspraak t.a.v. de vrijwillig tussenkomende partij en de burgerlijke partij, werd op 25 februari 1991 als volgt beslist m.b.t hoger vermelde partijen :

Veroordeelt de NV A. G. J. en de oorspronkelijke beklaagde, in solidum om te betalen aan :

…

10. de NV A. V. voor de M., het bedrag van … frank met de vergoedende rente op … frank vanaf de datum der uitbetalingen tot heden, op … frank vanaf 17 mei 1984 tot heden en met de verwijlrente op … frank vanaf heden, dat alles onder aftrek van het voorschot van … frank uitgekeerd op 4 september 1985.

Veroordeelt de NV A. G. J. en de oorspronkelijke beklaagde verder in solidum tot de kosten van aanstelling gevallen aan de zijde van de burgerlijke partij in zoverre de rechtsvordering van deze laatste tegen hen gericht was, met dien verstande dat de kosten van dagvaarding van de oorspronkelijke beklaagde uitsluitend ten laste vallen van hemzelf, en die voor de burgerlijke partij vermeld onder 10 van dat dispositief … frank bedragen.

Tegen voormeld vonnis werd ondermeer hoger beroep ingesteld op 11 maart 1991 door de NV A. G. J. en dit tegen alle beschikkingen;

Bij arrest van deze kamer van het Hof van 22 mei 1998, rechtdoende op tegenspraak t.a.v. de thans nog in zake zijnde partijen, werd t.a.v. deze partijen als volgt beslist :

Verklaart het beroep van de NV A. G. J. ontvankelijk en er ten gronde over beslissend;

Bevestigt het bestreden vonnis voor zover uitspraak wordt gedaan over de vordering van de burgerlijke partij de NV A. V. voor de M. tegen de oorspronkelijke beklaagde en de NV A. G. J..

Veroordeelt beide laatstgenoemden tot de kosten in beroep gevallen met betrekking tot deze vordering.

Gelet op de dagvaarding in uitlegging van 27 juli 1999 ten verzoeke van de NV A. G. J., voormeld, en gegeven aan de NV F., eveneens voormeld, ten einde :

"Het arrest op tegenspraak gewezen door de 10e correctionele Kamer van het Hof van Beroep te Gent van 22 mei 1998 te horen uitleggen in die zin dat het Hof zou specifiëren op welke wijze het door verzoekster op 4 september 1985 betaalde voorschot van … frank dient te worden toegerekend en in welke mate de intresten op dit betaalde voorschot verschuldigd zijn.

Te horen bevelen dat op kant van de uitgelegde beslissing, melding zal worden gemaakt van het beschikkend gedeelte van de nieuwe tussen te komen beslissing en dat geen uitgifte, afschrift noch uittreksel van de uitgelegde beslissing mag worden uitgereikt, tenzij daarop melding is gemaakt van het beschikkend gedeelte van de uitgelegde beslissing.

Kosten zoals naar recht.

Het te vellen vonnis uitvoerbaar te horen verklaren bij voorraad spijts ieder verhaal, zonder borg en met uitsluiting van kantonnement.”


Gehoord ter openbare terechtzitting in het Nederlands;

De NV A. G. J. in haar middelen van verdediging bij monde van mr. J. C., advocaat te … en mr. S., advocaat te ….

Het Openbaar Ministerie in zijn vordering bij monde van R. M., Advocaat-generaal.

De NV F. in haar middelen van verdediging bij monde van mr. Ph. C. loco mr. B., beiden advocaat te ….


1. Eiseres N.V. A. G. J., oorspronkelijk vrijwillig tussenkomende partij, is de verzekeraar burgerrechtelijke aansprakelijkheid motorvoertuigen van de oorspronkelijke beklaagde W. V.; zij vordert blijkens de gegevens van de dagvaarding en de conclusies de uitlegging van die beslissing van het arrest, hierin niet begrepen deze over de kosten, van dit Hof van 22 mei 1998 waarbij uitspraak wordt gedaan over de tegen haar geformuleerde vordering door de toenmalige burgerlijke partij NV V. van de M.. De vordering is gericht tegen NV F., in de dagvaarding vermeld onder haar vroegere naam NV F., rechtsopvolgster van voormelde oorspronkelijke burgerlijke partij. Tegen voormeld arrest werd binnen de termijn van voorziening in cassatie door geen van de thans bij de vordering tot uitlegging betrokken partijen een dergelijke voorziening ingesteld.

2. Het Hof heeft het recht zijn vroegere beslissingen uit te leggen, in zover de beschikkingen ervan onduidelijk of dubbelzinnig zijn, zonder evenwel te mogen wijzigen of aanvullen hetgeen werkelijk werd beslist dan wel er een vaststelling te mogen aan toevoegen om wettelijk te maken hetgeen werkelijk werd beslist (Cass. 24 april 1970, Arr. Cass., 1970, 789).

Met betrekking tot de vordering van voormelde oorspronkelijke burgerlijke partij tegen huidige eiseres en haar verzekerde heeft het Hof in zijn voormeld arrest beslist : "bevestigt het bestreden vonnis voor zover uitspraak wordt gedaan over de vorderingen van de burgerlijke partijen NV A. V. van …, ...". Hiermee maakte het Hof de volgende beslissing van de eerste rechter (rechtbank eerste aanleg leper 25 februari 1991) tot de zijne : " veroordeelt W. V. en de NV G. J. in solidum om te betalen aan : ... 10 de A. V. voor de M. : het bedrag van … fr. met de vergoedende rente op … fr. vanaf de datum der uitbetalingen tot heden, op … fr. vanaf 17 mei 1984 tot heden en met de verwijlrente op … fr. vanaf heden, dat alles onder aftrek van het voorschot van … fr. uitgekeerd op 4 september 1985". De vraag van eiseres tot uitlegging betreft zoals blijkt uit de bewoordingen van de dagvaarding en haar conclusie meer speciaal de vermelding "dat alles onder aftrek van het voorschot van … fr. uitgekeerd op 4 september 1985”. Ofschoon het gaat om bewoordingen gebruikt door de rechter beslissend in eerste aanleg gaan partijen er terecht van uit dat, nu het Hof de beslissing van de eerste rechter op dit punt heeft bevestigd, het wel degelijk het Hof is dat de uit te leggen beslissing heeft gewezen in de zin van art. 795 Gerechtelijk Wetboek.

Om te oordelen of de beslissing onduidelijk is, is het inderdaad niet relevant te weten of zij al dan niet in strijd is met de heersende rechtspraak en rechtsleer.

Met eiseres en in strijd met hetgeen verweerster stelt oordeelt het Hof dat inderdaad sprake is van een onduidelijke beslissing, nu niet duidelijk is vermeld waarop de aftrek van het voorschot dient te gebeuren, namelijk op het totaal van de hoofdsom en de rente samen, dan wel op de hoofdsom terwijl voor de berekening van de rente rekening dient te worden gehouden met het betaalde voorschot en het tijdstip waarop dit is geschied. Mocht er alleen staan "dat alles onder aftrek van het voorschot van … fr." dan zou er geen onduidelijkheid zijn; "dat alles" verwijst immers in de gebruikelijke zin van de woorden naar de ervoor vermelde zelfstandige zaken (dit zijn de hoofdsom en renten), "met de nadruk op de groep als geheel" (zie Van Dale, Groot Woordenboek der Nederlandse taal, dertiende herziene uitgave, pag. 174 onder de eerste vermelding van het woord "alles"); er staat evenwel ook "uitgekeerd op 4 september 1985". Deze laatste vermelding heeft geen zin wanneer zou zijn beslist dat het voorschot dient te worden in mindering gebracht op het totaal van de hoofdsom van … fr. samen met de rente volgens het detail in de beslissing vermeld, zodat de vermelding van de woorden "uitgekeerd op 4 september 1985" de duidelijkheid van de woorden "dat alles" wegneemt en de beslissing onduidelijk maakt voor wie van de uitspraak kennis neemt.

3. Om na te gaan welke uitlegging dient te worden gegeven aan de onduidelijke beslissing dienen de erin gebruikte bewoordingen eerder uitgelegd te worden zodanig dat alle woorden zin hebben dan dat aan sommige elke zin zou worden ontnomen. Verder kan worden gekeken naar andere bewoordingen van de uitspraak met betrekking tot de betrokken vordering; in het arrest wordt overwogen dat wordt beslist "binnen de perken van de in termen van pleidooien geformuleerde vorderingen en betwistingen en bij gebrek aan ambtshalve aan te voeren middelen"; het wordt niet betwist dat er voor het Hof geen betwisting werd gevoerd nopens de toerekening van het voorschot als zodanig, zodat in het arrest zelf geen aanknoping kan worden gevonden voor de uitlegging, behalve de uitdrukkelijke vermelding in de beslissing nopens de aftrek van het voorschot dat dit werd "uitgekeerd op 4 september 1985". Deze bepaling heeft slechts zin wanneer met het tijdstip van de uitkering rekening dient te worden gehouden bij de berekening van het verschuldigde.

Dit brengt het Hof er toe te beslissen dat de onduidelijke beslissing zo dient te worden uitgelegd dat het bedrag van het voorschot van … fr. in mindering moet worden gebracht op de hoofdsom van … fr., dat voor de berekening van de verschuldigde vergoedende rente het bedrag van … fr. vanaf 4 september 1985 dient te worden verminderd met het bedrag van … fr. en dat voor de berekening van de verwijlrente het bedrag van … fr. eveneens dient te worden verminderd met het bedrag van … fr.

De vermelding zowel van de woorden "dat alles" als "uitgekeerd op 4 september 1985" samen beschouwd wijzen erop dat werkelijk in voormelde zin werd beslist, zodat van geen uitbreiding, beperking of wijziging van in het arrest bevestigde rechten sprake is.

Beschikkend gedeelte

OP DEZE GRONDEN,

HET HOF,

rechtdoende op tegenspraak ten aanzien van de NV F. en de NV. A. G. J., gelet op de artikelen 793 tot 801 van het Gerechtelijk Wetboek, gelet op de artikelen :

24 van de wet van 15 juni 1935,

190, 211 wetboek van strafvordering,

ontvangt de vordering en er ten gronde over beslissend :

legt de beslissing van het arrest van 22 mei 1998 met betrekking tot de vordering van de oorspronkelijke burgerlijke partij NV A. V. voor de M. tegen de NV A. G. J. zo uit dat de bevestigde beslissing van de eerste rechter luidend als volgt :

"veroordeelt W. V. en de NV A. G. J. in solidum om te betalen aan : ... 10. de NV A. V. voor de M. : het bedrag van … fr. met de vergoedende rente op … fr. vanaf de datum der uitbetalingen tot heden, op … fr. vanaf 17 mei 1984 tot heden en met de verwijlrente op … fr. vanaf heden, dat alles onder aftrek van het voorschot van … fr. uitgekeerd op 4 september 1985",

zo moet worden begrepen dat het bedrag van het voorschot van … fr in mindering moet worden gebracht op de hoofdsom van … fr., dat voor de berekening van de verschuldigde vergoedende rente het bedrag van … fr. vanaf 4 september 1985 dient te worden verminderd met het bedrag van … fr. en dat voor de berekening van de verwijlrente het bedrag van … fr. eveneens dient te worden verminderd met het bedrag van … fr.,

beslist dat de griffier op de kant van de uitgelegde beslissing melding zal maken van het beschikkend gedeelte van dit arrest en dat geen uitgifte, afschrift, noch uittreksel van het arrest van 22 mei 1998 mag worden uitgereikt tenzij daarop melding is gemaakt van het beschikkend gedeelte van dit uitleggend arrest,

wijst het meer of anders gevorderde af als niet gegrond,

legt de kosten van de dagvaarding tot uitlegging ten laste van de Staat.

Aldus uitgesproken in openbare terechtzitting van 5 november 1999;

Aanwezig :

J. L., Kamervoorzitter;

E. V. d. S., Raadsheer;

R. M., Advocaat-generaal;

K. G., Griffier.

K. G. E. V. d. S. D. V. R. J. L.