---
title: "Hof van beroep te Brussel, 21 januari 2009"
description: "Hof van beroep te Brussel (België), 21 januari 2009."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-brussel-2009-01-21-297d"
lang: "nl"
---

# Hof van beroep te Brussel, 21 januari 2009 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

21 januari 2009

## Procesverloop

2 stappen · 1 jaar 8 maanden

1. Weergegeven beslissing Hof van beroep te Brussel 21.01.2009
2. [Beslissing in cassatie Hof van Cassatie van België 15.10.2010](https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-sancties-repressief-karakter-wettelijkheid-cassatie-brussel-2010-10-15-6b18)

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

93 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 21.01.2009

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 21-01-2009**

Nr. van de zaak : **2005/AR/216**

IN ZAKE VAN :

**DE BELGISCHE STAAT**, Ministerie van Financiën, administratie van de BTW, registratie en domeinen, controle BTW Tienen, in de persoon van de e.a. inspecteur, met kantoor te 3300 Tienen, Goossensvest 3,

**appellant,**

vertegenwoordigd door Meester, **B.**, loco Meester **J. H.**, advocaat te …, …,

**tegen :**

De heer **J. N.**, wonende te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Leuven onder nummer …,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **B.**, loco Meester **H. V.**, advocaat te …, …,

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

**R. 2009/473** **EINDARREST - ongegrond**

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de twaalfde kamer van de rechtbank van eerste aanleg te Leuven, op tegenspraak gewezen op 9 maart 2001 (AR nr. 99/1166/A), vonnis dat werd betekend op 28 juni 2001 en waartegen door appellant een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit hof op 19 juli 2001.

De ontvankelijkheid van het hoger beroep wordt niet betwist.

Het vonnis verklaarde de vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond.

Deze vordering strekte ertoe appellant te veroordelen tot terugbetaling van de som van … BEF, verhoogd met de wettelijke interesten.

## I. De feiten

Geïntimeerde baat een groot- en kleinhandel uit met een activiteit van voedingswarenbedrijf. Hij is als dusdanig onderworpen aan de BTW.

Geïntimeerde wijst op een hele reeks feitelijke gegevens waaruit naar zijn oordeel blijkt dat de inrichting van zijn handelszaak gericht is op de verkoop aan particulieren.

Op 12 februari, 3 april, 23 april en 18 juni 1997 werden door appellant controles uitgevoerd bij geïntimeerde met betrekking tot de toepassing van de BTW-wetgeving. Deze controles hadden betrekking op de periode van 1993 tot en met 1996.

Volgens appellant werd tijdens deze controles vastgesteld dat :

\- geïntimeerde moet worden beschouwd als uitbater van een grossiersbedrijf, nu meer dan de helft van de gerealiseerde omzet werd gefactureerd aan kleinhandelaars en horecabedrijven;

\- door geïntimeerde facturen werden opgemaakt met als geadresseerde *"kasticket"*, die volgens de verklaring van geïntimeerde de verkopen aan particulieren betreffen;

\- voor een gedeelte van de verkopen, waarvan geïntimeerde beweert dat ze zouden zijn gebeurd aan particulieren, geen factuur werd opgemaakt zoals voorzien in [art. 1, § 1 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) van 29 december 1992;

\- door geïntimeerde in de loop van de gecontroleerde periode voor een bedrag van in totaal … BEF aan facturen werden opgemaakt met als geadresseerde *"kasticket"*;

\- geïntimeerde bij toepassing van art. 70, § 2 W.BTW een geldboete verschuldigd was gelijk aan het dubbel van de verschuldigde belasting, dus : … BEF.

Voormelde vaststellingen werden opgenomen in een ontwerp van proces-verbaal, dat op 28 juli 1997 per brief ter kennis werd gebracht aan geïntimeerde.

Op 12 november 1997 vroeg geïntimeerde kwijtschelding van de opgelegde boete.

Op 13 januari 1998 verminderde de directeur van de BTW deze boete tot 20 %, zijnde … BEF.

Op 23 februari 1998 betaalde geïntimeerde onder alle voorbehoud dit bedrag van … BEF.

Op 12 mei 1999 dagvaardde geïntimeerde appellant tot teruggave van dit bedrag.

Bij het bestreden vonnis van 9 maart 2001 veroordeelde de rechtbank van eerste aanleg te Leuven appellant tot de teruggave van het bedrag van … BEF, verhoogd met de wettelijke interesten vanaf 12 mei 1999. De rechtbank te Leuven oordeelde dat het opzet van de wetgever bereikt was door het opleggen van een geldboete van … BEF ter bestraffing van de inbreuken zonder opzet gepleegd en ter voorkoming van herhaling van dergelijke en andere inbreuken in de toekomst.

## II. Discussie

### A. WAT HET HOOFDBEROEP VAN APPELLANT BETREFT

#### A.1. Wat het al dan niet factureren betreft

Appellant wijst erop dat [art. 1, § 2, 8° van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) expliciet bepaalt dat de ontheffing van de facturatieplicht niet van toepassing is voor de leveringen door voortbrengers- of grossiersbedrijven, ongeacht of zij al dan niet bijzonder ingericht zijn voor de verkoop in het klein. Er wordt enkel een uitzondering voorzien indien de onderneming uit twee bedrijfsafdelingen bestaat. In deze is dit laatste volgens appellant niet het geval, met als gevolg dat geïntimeerde verplicht was (en is) altijd een factuur uit te reiken.

---

[Art. 1 van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) van 29 december 1992, in de versie zoals van toepassing op de feiten, legt in zijn § 1 aan de BTW-belastingplichtigen de principiële verplichting op om facturen af te leveren in geval van leveringen van goederen of het verrichten van diensten. In § 2, lid 1 van hetzelfde artikel wordt een ontheffing van deze verplichting bepaald voor zover de BTW-belastingplichtige goederen levert of diensten verstrekt aan natuurlijke personen die ze bestemmen voor hun privé-gebruik. In § 2, lid 2 van hetzelfde artikel worden een aantal uitzonderingen op deze uitzondering bepaald. Zo is in [art. 1, § 2, lid 2, 8° van KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) bepaald dat de ontheffing van de verplichting facturen uit te reiken niet van toepassing is op de leveringen verricht door voortbrengers- of grossiersbedrijven.

Met reden doet appellant gelden dat geïntimeerde terzake verwijst naar een achterhaald uittreksel uit de Fiscale Documentatie Vandewinckele. Er wordt immers verwezen naar de versie van het KB nr. 1 die gold tot 31 december 1992, waarin stond gepreciseerd dat de uitzondering op de uitzondering (dus geen ontheffing van de verplichting tot factureren), toen terug te vinden in art. 8, lid 2, 5° van dit KB, gold voor de leveringen verricht in verkoopinrichtingen die normaal niet toegankelijk zijn voor particulieren of door voortbrengers- of grossiersbedrijven die niet bijzonder ingericht zijn voor de verkoop in het klein.

Sedert 1 januari 1993 geldt daarentegen een uitsluiting van de ontheffing van de verplichting tot factureren voor leveringen verricht door voortbrengers- of grossiersbedrijven, waarbij het niet meer uitmaakt of ze wel of niet bijzonder ingericht zijn voor de verkoop in het klein.

Het gaat hier om een algemene bepaling, waarop geen enkele uitzondering in de wet is bepaald. Evenwel staat de administratie, vanuit een bezorgdheid om te voorkomen dat de administratieve en andere kosten van een onderneming zouden toenemen, toch een afwijking toe, voor zover de onderneming bestaat uit twee bedrijfsafdelingen in de zin van art. 11 W.BTW en de ondernemer binnen zijn onderneming, doch onafhankelijk van elkaar, zowel een "groothandel" als een "kleinhandel" uitbaat die, vanuit technisch oogpunt, beide in staat zijn door eigen middelen te functioneren.

Het gaat hier om een administratieve tolerantie, waarvan de toepassingsvoorwaarden (met name de vereiste van twee bedrijfsafdelingen) in deze evenwel niet vervuld zijn.

Nu geïntimeerde, in tegenstelling tot wat hijzelf voorhoudt, wel degelijk als een grossier moet worden beschouwd (hij baat immers volgens eigen zeggen een groot- en kleinhandel uit met een activiteit van voedingswarenbedrijf en uit de niet door geïntimeerde betwiste cijfergegevens blijkt dat hij in de betwiste jaren een omzet van ongeveer 70 % haalde ten aanzien van handelaars aan wie hij factureerde en ongeveer 30 % ten aanzien van particulieren), was hij verplicht om, overeenkomstig [art. 1, § 2, lid 2, 8° van het KB nr. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) steeds een factuur uit te reiken.

#### A.2. Wat de boete betreft

Appellant wijst erop dat de in art. 70 W.BTW opgelegde administratieve boeten van rechtswege worden opgelopen door het loutere feit van de overtreding, ongeacht of er goede of kwade trouw aanwezig was. De wetgever heeft een zekere gradatie willen invoeren in de boeten, rekening houdend met de aard en omvang van de overtredingen zelf. Er is terzake geen schending van de artikelen 10 en 11 G. W., nu alle belastingplichtigen, die zich in een gelijkaardige situatie bevinden, gelijk worden behandeld.

Verder stelt appellant het argument van geïntimeerde te weerleggen volgens hetwelk de boeten niet verschuldigd zijn als de overtredingen als louter toevallig kunnen worden aangemerkt overeenkomstig art. 70, § 2, lid 2 W.BTW, door te verwijzen naar het aantal en belang van de handelingen, alsook naar het feit dat geïntimeerde als uitbater van een grossiers bedrijf dient te worden beschouwd.

Vervolgens wijst appellant erop dat volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof en van het Hof van Cassatie de boete een strafrechtelijk en vergeldend karakter heeft, waardoor de rechtbanken en hoven de bevoegdheid hebben om ook de opportuniteit en de hoogte daarvan te onderzoeken en er desgevallend kwijtschelding of vermindering van te verlenen.

In deze is het eventuele tekort aan respect voor de motiveringsplicht volgens appellant onevenredig ten aanzien van de andere te overwegen argumenten, die volgens hem aantonen dat de begane overtredingen ernstig zijn en het algemeen belang schade toebrengen.

Appellant vraagt dan ook een heroverweging en een herziening van het terugbrengen van de reeds fel verminderde boete van … BEF naar … BEF.

---

De kwestie van de boete zal hierna onder B, in het kader van het incidenteel beroep van geïntimeerde worden behandeld.

### B. WAT HET INCIDENTEEL BEROEP VAN GEÏNTIMEERDE BETREFT

Geïntimeerde vraagt zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren en appellant te veroordelen tot het terugbetalen van de som van … BEF, verhoogd met de wettelijke interesten sedert de dagvaarding.

---

In zijn arrest nr. 22/99 van 24 februari 1999 1 oordeelde het Grondwettelijk Hof dat de interpretatie van de voorheen geldende wettelijke bepalingen, als zou de burgerlijke rechter geen volheid van rechtsmacht hebben om over de administratieve geldboetes te oordelen, ongrondwettelijk is. Het Hof oordeelde het onverenigbaar met de G. W. dat een burgerlijke rechter die een repressieve fiscale boete moet beoordelen, geen rekening zou kunnen houden met bepaalde omstandigheden, telWijl een strafrechter wel verzachtende omstandigheden in rekening kan brengen. Deze rechtspraak impliceert dat de belastingplichtigen de mogelijkheid moeten hebben om· door een rechter te laten beoordelen of de repressieve fiscale boete in rechte en in feite verantwoord is, en of de wettelijke bepalingen en algemene beginselen, die de administratie in acht moet nemen, werden geëerbiedigd. Eén van deze beginselen is het evenredigheidsbeginsel.

Verder impliceert deze rechtspraak eveneens dat indien de administratie de mogelijkheid heeft de sanctie te moduleren (in de zin van een gedeeltelijke vermindering of kwijtschelding), niets wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter mag ontsnappen.

Hoewel het arrest van het Grondwettelijk Hof betrekking heeft op administratieve geldboetes inzake BTW, neemt de rechtsleer 2 - terecht - aan dat de in dit arrest uiteengezette beginselen een algemene draagwijdte hebben en dus ook voor de beoordeling van de administratieve sancties in de andere belastingen gelden.

In drie arresten van 24 januari 2002 3 oordeelde het Hof van Cassatie dat de rechtbanken en hoven de wettelijkheid van de administratieve boetes mogen onderzoeken en mogen nagaan of de feitelijke en wettelijke voorwaarden vervuld zijn voor die sancties, en of die sancties verzoenbaar zijn met de dwingende eisen van internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen, waaronder de evenredigheid met de inbreuk.

Het Hof van Cassatie aanvaardt alleen een evenredigheidstoetsing, waarbij de rechtbanken en hoven inzonderheid acht mogen slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige zaken werd geoordeeld. Binnen het kader van deze evenredigheidstoetsing neemt het Hof van Cassatie wel aan dat de rechtbanken en hoven de administratieve boetes kunnen verminderen tot onder het wettelijk bepaald minimum in geval van vastgestelde onevenredigheid 4.

Daarentegen meent het Hof van Cassatie dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat zij om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke voorschriften in de opgelegde boetes kunnen verminderen of kwijtschelden 5.

Op 4 maart 2004 werd voormelde rechtspraak van het Hof van Cassatie van 24 januari 2002 kritisch benaderd door het E.H.R.M., dat oordeelde dat het Hof van Cassatie op te algemene wijze had beslist dat motieven van billijkheid en opportuniteit niet mogen meespelen in de rechterlijke beoordeling 6.

Toch bleef het hof van Cassatie bij zijn weigering om de rechterlijke opportuniteitscontrole toe te laten naar analogie met het Regentsbesluit van 18 maart 1831, het zg. Organiek besluit van het bestuur van 's lands middelen 7. Het Hof van Cassatie oordeelde dat het toetsingsrecht van de rechtbanken en hoven niet inhoudt dat deze op grond van een subjectieve appreciatie van verzachtende omstandigheden eigen aan de persoon van de belastingplichtige, om loutere redenen van opportuniteit en tegen wettelijke regels in, boetes kunnen verminderen of kwijtschelden.

Op 15 mei 2008 besliste het Grondwettelijk Hof evenwel dat, wanneer bij de rechter een beroep wordt ingesteld tegen een beslissing die de minister van Financiën of diens gedelegeerde op grond van art. 9 van voornoemd Regentsbesluit heeft genomen, die rechter, zoals de minister van Financiën of diens gedelegeerde, de geldboete moet kunnen kwijtschelden of verminderen 8.

---

In deze gaat het hof met geïntimeerde akkoord dat het opleggen van een boete van … BEF een schending van het evenredigheidsbeginsel uitmaakt.

Met reden wijst geïntimeerde erop dat hij op geen enkele wijze BTW heeft ontdoken, maar de BTW over zijn verrichtingen tot de laatste frank (euro) heeft afgedragen aan de Belgische Staat. Van enige nadelige gevolgen in hoofde van het algemeen belang, zoals voorgehouden door appellant, wordt derhalve geen bewijs voorgelegd. Overigens heeft geïntimeerde zijn werkwijze onmiddellijk aangepast, nadat hij tijdens de controle op zijn verplichting. tot factureren werd gewezen, en factureert hij sedertdien ook aan particulieren. Ten slotte werd de opgelegde boete op geen enkele wijze gemotiveerd, hetgeen overigens door appellant zelf wordt toegegeven.

Het hof meent dan ook dat in deze, gelet op de bijzondere omstandigheden van onderhavige zaak, de boete voor het geheel dient te worden kwijtgescholden.

### C. WAT DE KOSTEN BETREFT

Op 1 januari 2008 is de Wet van 21 april 2007 betreffende de verhaalbaarheid van de erelonen en de kosten verbonden aan de bijstand van een advocaat en haar uitvoerings-KB van 26 oktober 2007 in werking getreden. Deze wet en dit KB vinden toepassing op onderhavige zaak.

Ter openbare terechtzitting van het hof van 10 december 2008 verklaarden beide partijen terzake de rechtsplegingvergoeding in graad van hoger beroep op het basisbedrag van … EUR te begroten.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, rechtsprekend op **tegenspraak**,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het beroep van appellant ontvankelijk, doch wijst het af als ongegrond;

Verleent geïntimeerde akte van het instellen van zijn incidenteel beroep;

Verklaart dit ontvankelijk en gegrond;

Doet het bestreden vonnis teniet en, opnieuw rechtdoende,

Verklaart de oorspronkelijke vordering van geïntimeerde ontvankelijk en gegrond;

Veroordeelt appellant tot het terugbetalen van de som van … EUR (… BEF), verhoogd met de wettelijke interesten sedert de dagvaarding;

Veroordeelt de Belgische Staat tot de kosten van beide aanleggen, begroot in graad van hoger beroep op … EUR voor appellant en op … EUR voor geïntimeerde;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **zesde fiscale kamer** van het hof van beroep te Brussel, op **21-01-2009**.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**J. V.**, alleenzetelend raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **J. V.**

\_\_\_\_\_

1 Grondwettelijk Hof 24 februari 1999, A.A. 1999, 257; B.S. 30 april 1999; Fiscoloog 1999, afl. 697, 5; F.J.F. 1999, 489; J.L.M.B. 1999, 532; J.T. 1999, 45; T.F.R. 1999, 385, met noot B. COOPMAN en G. STESSENS, "Mensenrechtelijke waarborgen toepasselijk op de administratieve fiscale boete : reflecties bij de recente rechtspraak van het Hof van Cassatie en het Arbitragehof".

2 L. VANDENBERGHE, "Arbitragehof - Rechter toch bevoegd om zich uit te spreken over administratieve sanctie", Fisc. Act. nr. 9, 2 maart 1999, 2.

3 Cass. 24 januari 2002, T.F.R. 2002, 765, met noot B. COOPMAN en K. LAMMENS.

4 L. VANDENBERGHE, "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten : een stand van zaken", Fisc. Act. 2003, nr. 14, 10 april 2003, nrs. 3 en 4, p. 10.

5 L. VANDENBERGHE, "De rechterlijke bevoegdheid inzake administratieve fiscale boeten: een stand van zaken", o.c. 9 e.v.

6 B. COOPMAN, "Rechterlijke toetsing van fiscale boetes : cassatie teruggefloten door Straatsburg", noot onder E.H.R.M. 4 maart 2004, T.F.R. 2004, 642.

7 [Cass. 21 januari 2005](https://juriel.be/nl/rechtspraak/administratieve-sancties-repressief-karakter-wettelijkheid-cassatie-brussel-2005-01-21-fb70), Fiscoloog nr. 969, p. 7; Cass. 30 november 2006, R.G.C.F. 2007, 363, met noot M. MORIS, "Le pouvoir d'appréciation du juge en matière d'amendes fiscales"; [Cass. 16 februari 2007](https://juriel.be/nl/rechtspraak/volle-rechtsmacht-cassatie-brussel-2007-02-16-777a) (4 arresten), T.F.R. 2007, 934, met noot G. GOOSSENS, "Redelijkheid, evenredigheid en proportionaliteit. Het standpunt van het Hof van Cassatie inzake de rechterlijke toetsing van fiscale geldboetes". Zie ook : B. COOPMAN, "Hof van Cassatie vindt verzachtende omstandigheden te "subjectief"", Fisc. Act. 2005, nr. 7, 24 februari 2005, 5

8 Grondwettelijk Hof 15 mei 2008, T.F.R. 2008, 1027, met noot B. COOPMAN, "Rechtsmacht over fiscale boetes reikt volgens Grondwettelijk Hof zo ver als Regentsbesluit".

## Aangehaalde teksten

1

[KB nr. 1 art. 1](https://juriel.be/nl/wetboeken/btw/koninklijke-besluiten/ar-1-artikel-a7a5) 5 voorkomens

## Vergelijkbare beslissingen

8

[Proces-verbaal, Willekeur, Motivering, Omzetberekening](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proces-verbaal-willekeur-motivering-omzetberekening-rechtbank-leuven-2022-02-18-6859) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Niet-proportionele geldboete, Klantenlisting, Niet- of laattijdige indiening, Opschorting](https://juriel.be/nl/rechtspraak/proportionele-geldboete-klantenlisting-laattijdige-indiening-rechtbank-luik-2021-01-04-83c7) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Intracommunautaire levering, Uitvoer, Bewijs, Geldigheid van het dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/intracommunautaire-levering-uitvoer-omzet-bewijs-hof-van-beroep-antwerpen-2020-12-15-9f0f) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Gerechtelijk dossier, Fraude, Expertiseverslag, Computergegevens, Recht van verdediging, Omzetcijfer](https://juriel.be/nl/rechtspraak/gerechtelijk-dossier-fraude-expertiseverslag-computergegevens-rechtbank-luik-2020-02-03-dff9) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlegging van de heffing, Toepassingsvoorwaarden, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlegging-heffing-toepassingsvoorwaarden-bewijslast-rechtbank-brussel-2024-12-06-2b65) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Zwarte aankopen, Wettelijke en feitelijke vermoedens, BTW-boete 200%, Fraude](https://juriel.be/nl/rechtspraak/zwarte-aankopen-wettelijke-feitelijke-vermoedens-rechtbank-antwerpen-2024-11-04-48e9) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Verlegging van de heffing, Toepassingsvoorwaarden, Bewijslast](https://juriel.be/nl/rechtspraak/verlegging-heffing-toepassingsvoorwaarden-bewijslast-rechtbank-brussel-2025-06-26-5c59) 1 gemeenschappelijke bepalingen

[Formele motivering, Dwangbevel](https://juriel.be/nl/rechtspraak/formele-motivering-dwangbevel-strafrechtelijk-gezag-hof-van-beroep-gent-2023-09-05-ae8d) 1 gemeenschappelijke bepalingen
