---
title: "Hof van beroep te Brussel, 14 september 2006"
description: "Hof van beroep te Brussel (België), 14 september 2006."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-brussel-2006-09-14-d4d3"
lang: "nl"
---

# Hof van beroep te Brussel, 14 september 2006 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

14 september 2006

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

152 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 14.09.2006

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 14-09-2006**

Nr. van de zaak : **1997/AR/3917**

IN ZAKE VAN :

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12

**appellant,**

vertegenwoordigd door Meester **L. V. H.**, advocaat. (…, …)

**tegen :**

**De NV L. I.**, met zetel te …, …; ingeschreven in het handelsregister van Hasselt onder het nr. …,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd. door Mr. **E. M.** en Mr. **K. G.**, advocaten, (…, …)

---

Het hof, na beraad, spreekt in ·openbare terechtzitting volgend arrest uit :

## I. De rechtspleging

Op 23 juni 2005 heeft dezelfde kamer van het Hof een tussenarrest geveld waarin een aantal vragen werden gesteld. Het Hof verwijst naar dit tussenarrest dat in dit eindarrest, gelet op al de conclusies die door partijen werden genomen verder wordt uitgewerkt.

**R. 2006/6376** **Eindarrest - gegrond**

Voor wat het voorwerp van de vordering, de feiten, en. de omschrijving van de betwisting in hoger beroep betreft verwijst het Hof naar het tussenarrest van 23 juni 2005 dat hier als herhaald dient te worden beschouwd.

### Wat de oorspronkelijke hoofdeis en het incidenteel hoger beroep betreft

De overwegingen in het tussenarrest hebben het hof ertoe gebracht vragen te stellen aan de partijen die onvoldoende of minstens niet expliciet genoeg behandeld werden voor de heropening der debatten.

Deze vragen worden voor zover zij nodig zijn om een definitieve beslissing genoegzaam te motiveren hernomen.

In het tussenarrest werd door het hof, voortgaande op de niet betwiste opgave der feiten van geïntimeerde, als feit aangenomen dat vanaf het boekjaar 1990 de op naam van geïntimeerde ingekohierde aanslagen hoger waren dan wat door de wet van 31 juli 1984 voorzien was en dat de hoger dan verwachte belastingen ten hare laste werden gelegd omdat de wetten van 22 december 1989 en 29 december 1990 de door de wet van 31 juli 1984 voorziene belastingvrijstelling van 13 % tot 8 % had teruggeschroefd.

Daarop stelde het Hof, na een analyse van de fiscale bezwaarprocedure de vraag of de Staat thans voor elk van de jaren, over uitvoerbare en onaangevochten op naam van geïntimeerde gevestigde kohieren beschikt, die wettelijk onaanvechtbaar zijn.

In de besluiten neergelegd op 10 maart 2006 betwist geïntimeerde niet dat de Belgische Staat tot het boekjaar 2004 beschikt over onaanvechtbare overeenkomstig de wet gevestigde kohieren.

Volgt de vraag of de belastingplichtige, langs een burgerlijke vordering om, die onbetwistbaar geworden authentieke titels, kan ondermijnen door een schadevergoeding te vorderen gelijk aan het thans betwiste deel der ingekohierde belastingen ? Anders gesteld mag geïntimeerde, langs een burgerlijke vordering om, een vergoeding eisen, gelijk aan de door hem langs de daarvoor door de wetgever voorziene weg niet betwiste belasting, die hij acht niet verschuldigd te zijn ?

Volgens geïntimeerde kan dit wel omdat het voorwerp van de fiscale bezwaarprocedure en het voorwerp van de vordering waarvan het Hof thans kennis dient te nemen volkomen verschillend is. Het precieze voorwerp van de huidige procedure zou erin bestaan de vergoeding te bekomen van de schade die geïntimeerde geleden heeft tengevolge van het terugschroeven van de vrijstelling van vennootschapsbelasting door de wet van 29 december 1990.

Deze redenering vermag geenszins te overtuigen vermits de schade die geïntimeerde vordert voor het verleden, niets anders dan de belasting is, die werd ingekohierd ingevolge het terugschroeven van de vrijstelling van vennootschapsbelasting door toepassing van de wet van 29 december 1990.

Volgens geïntimeerde zou de oorzaak ook verschillend zijn omdat de huidige procedure haar oorzaak vindt in een fout van de fiscale wetgever bij het opstellen van de wet terwijl de oorzaak van een bezwaarprocedure een onjuiste fiscale aanslag door een fiscale ambtenaar betreft.

Ook deze redenering vermag niet te overtuigen omdat zij de draagwijdte van de fiscale bezwaarprocedure miskent. Artikel 366 WIB 92 bepaalt dat de belastingschuldige ... tegen het bedrag van de gevestigde aanslag ..., schriftelijk bezwaar kan indienen. Deze wettelijke bepaling houdt geen enkele beperking in met betrekking tot de oorzaak van het bedrag der belastingen waartegen de belastingschuldige bezwaar wenst in te dienen.

Het Hof stelde trouwens, overeenkomstig een gevestigde en nooit betwiste rechtspraak, herhaalde malen vragen aan het Arbitragehof over een mogelijke schending van de Grondwet door een fiscale wet of aan het Europees Hof van justitie over een schending van de Europese bepalingen. De oplossing van deze vragen had een rechtstreekse invloed op het bedrag der verschuldigde belastingen. De vraag had telkens en noodzakelijk betrekking op een "fout" die de fiscale wetgever mogelijks had begaan bij het opstellen van wet.

De bezwaarschriften moeten in toepassing van artikel 371 van het WIB 92 op straffe van verval worden ingediend binnen een termijn van drie maanden vanaf de datum van verzending van het aanslagbiljet. Hieruit volgt dat, ingevolge een regel gekoppeld aan de openbare orde, eens .die termijn verlopen, het bedrag van de belasting niet meer kan aangevochten worden. Dit past in een geheel van regels waaraan zowel de Belgische Staat als de burger zich dienen te houden. Zo zal de Belgische Staat als hij niet binnen de daartoe door de wet voorziene vervaltermijn de belasting vestigt het recht verbeuren om dit te doen ook al zou theoretisch een belasting verschuldigd zijn.

De fiscale wetgever heeft bijgevolg een bepaalde procedure voorzien, waarvan de regels gekoppeld zijn aan de openbare orde gelet op het onbetwistbaar belang van de openbare financiën, om belastingen te vestigen en om desgevallend het bedrag van de gevestigde belastingen aan te vechten. In het onderdeel van de procedure dat het aanvechten van het bedrag van de gevestigde belasting voorziet heeft, overeenkomstig de Grondwet de rechterlijke macht het laatste woord, iets waaraan de geïntimeerde al te lichtvaardig voorbijgaat.

Geïntimeerde stelt nergens dat de procedure voorzien om het bedrag van de belastingen aan te vechten ongrondwettelijk zou zijn omdat het geschil in een eerste fase aan de gewestelijke directeur dient te worden voorgelegd.

Gelet op de bezwaarprocedure en het rechtsverval dat gekoppeld is aan het niet naleven door geïntimeerde van de termijnen binnen dewelke zij haar middelen tegen de belasting, die van haar gevorderd wordt, dient te laten gelden, kan geïntimeerde al de rechtsmiddelen, die zij kon en diende op te werpen binnen de bezwaarprocedure om het bedrag van de belasting aan te vechten, niet laten gelden om terugbetaling te bekomen van de niet tijdig aangevochten belasting. Daarbij is het onbelangrijk of de vordering, die ertoe strekt terugbetaling van de belasting te bekomen, vermomd is als een vordering in schadevergoeding.

Ook de belastingen, die nog niet werden ingekohierd, kunnen onmogelijk worden aangevochten buiten het kader van de bezwaarprocedure, die expliciet werd voorzien door de wetgever om het bedrag der belastingen aan te vechten. In deze door de wetgever voorziene procedure kunnen alle middelen ingeroepen worden om het bedrag van de belastingen aan te vechten waaronder de onbehoorlijke wetgeving.

Zolang de belasting niet werd gevestigd heeft geïntimeerde trouwens geen schade geleden door de toepassing van de wet van 29 december 1990.

De eerste rechter had bijgevolg de vordering, die erop gericht was terugbetaling der belasting te bekomen voor de reeds ingekohierde belastingen en betaling van een vergoeding gelijk aan de nog in te kohieren belasting, vermomd als een vordering tot schadevergoeding, onontvankelijk dienen te verklaren, omdat de vordering, zoals zij werd ingeleid, uitsluitend een betwisting betreft van het bedrag der belastingen voor dewelke door de wetgever een, aan de openbare orde gekoppelde, specifieke procedure werd voorzien.

Het antwoord op de eerste vraag heeft voor gevolg dat de vordering, ingesteld door geïntimeerde, onontvankelijk is zodat de andere vragen in zoverre zij betrekking hebben op de hoofdeis, niet meer mogen beantwoord worden, daar de rechter zonder rechtsmacht is bij gebreke aan een regelmatig ingeleide vordering.

### Wat de oorspronkelijke tegeneis in tergend en roekeloos geding betreft

De Belgische Staat houdt vast aan een laconiek ingestelde eis voor de eerste rechter. Hij verwijst als enige argumentatie naar zijn hoofdbesluiten in eerste aanleg om een tegenvordering te staven van (… Bfr). … €.

Appellant stelt in deze zaak dat, gelet op het grondwettelijk beginsel van de scheiding der machten, de rechter niet bevoegd is om zich uit te spreken over een regelmatig tot stand gekomen wet waartegen geen verzoek tot vernietiging werd ingediend, dat geïntimeerde dit diende te weten, zodat de eis er alleen op gericht is de wetgever in diskrediet te brengen en derhalve tergend en roekeloos is.

Deze argumentatie vermag niet te overtuigen. De vordering is gestoeld op artikel 1382 ev van het Burgerlijk wetboek De burgerlijke rechter was bijgevolg prima facie bevoegd om kennis te nemen van deze burgerlijke vordering die op een fout was gestoeld.

Onbehoorlijke wetgeving kan, nadat dit werd vastgesteld door het Arbitragehof of het Europees hof van Justitie of door het Europees hof voor de rechten van de mens, gesanctioneerd worden door de rechter.

Het middel waarop de vordering in tergend en roekloos geding is gestoeld is bijgevolg onjuist zodat de vordering die erop gestoeld is ongegrond dient te worden verklaard.

Het feit dat de burgerlijke rechter na een grondig onderzoek van de vordering deze vordering had dienen te herkennen als een vordering die erop was gericht het bedrag van de belastingen aan te vechten en bijgevolg de vordering had dienen onontvankelijk te verklaren in toepassing van de artikelen 556 en 1385decies van het Gerechtelijk Wetboek gekoppeld aan artikel 366 ev. WIB 92, is ten deze zonder belang;

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, rechtsprekend na **tegenspraak**,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Na de zaak volledig te hebben hernomen voor alles waarover in het tussenarrest nog geen definitieve uitspraak was geveld.

Herneemt de motivering en het dispositief van het tussenarrest van 23 juni 2005 en werkt deze verder uit.

Verklaart het hoger beroep en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk.

Verklaart het hoofdberoep gegrond in de mate zoals hierna bepaald en het incidenteel hoger beroep ongegrond.

Verklaart de oorspronkelijke hoofdeis, in schadevergoeding gericht tegen de Belgische Staat onontvankelijk.

Verklaart de oorspronkelijke tegeneis in tergend, en roekeloos geding ongegrond.

Veroordeelt geïntimeerde tot 9/10 de en appellante tot 1/10 de van de kosten van het geding, begroot in graad van hoger beroep op … euro voor appellant en op … euro voor geïntimeerde.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **zesde fiscale kamer** van het hof van beroep te Brussel, op **14/09/2006**.

Alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**K. V. H.**, voorzitter,

**J. V.**, raadsheer,

**H. D. B.**, plaatsvervangend raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **H. D. B.** **J. V.** **K. V. H.**

**HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 23-06-2005**

Nr. van de zaak : **1997/AR/3917**

INZAKE VAN :

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12

**appellant,**

vertegenwoordigd door Meester **L. V. H.**, advocaat, (…, …)

**tegen :**

**De NV L. I.**, met zetel te …, …; ingeschreven in het handelsregister van Hasselt onder het nr. …,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr. **E. M.** en Mr. **K. G.**, advocaten, (…, …)

---

### Door de FOD bijgevoegde beslissing

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

## I. De rechtspleging

Op 15 december 1997 heeft de Staat hoger beroep aangetekend tegen een op 17 maart 1997 door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel geveld vonnis, waarvan geen betekenisakte neergelegd wordt.

### R. 2005/4399 Tussenarrest -- H.D.D. op 20.10.05 om 11.10u

## II. Het voorwerp van de vordering

*a/ het voorwerp van de vordering in eerste aanleg*

1\. De oorspronkelijke aanlegster is van mening dat zij schade geleden heeft ten gevolge *“van de laakbare wetgeving van gedaagde, daar een zorgvuldige wetgeving inhoudt dat wanneer wettelijk een welbepaalde en duidelijk omschreven fiscale vrijstelling wordt vastgesteld voor een welbepaalde periode, de overheid er toe gehouden is deze fiscale vrijstelling te respecteren en niet kan reduceren tijdens de periode waarin deze fiscale vrijstelling moet gerealiseerd woorden”* (dagvaarding, blz. 3).

Bij dagvaarding gericht tegen de Belgische Staat, enerzijds *“in de persoon van haar Eerste Minister”*, en anderzijds *“in de persoon van haar Minister van Financiën”*, en bij haar besluiten, vorderde zij in hoofdorde de veroordeling van de Staat tot betaling van … F, verhoogd met de vergoedende intresten over … F vanaf 1 juli 1992 tot de vonnisdatum, en de vergoedende intresten over … F vanaf de vonnisdatum tot de datum van betaling.

Zij vroeg ondergeschikt aan de Rechtbank een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen om te weten of de wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen en artikel 87 van de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen, met artikel 6, § 1, VI, 1° van de wet van 8 augustus 1980 houdende bijzondere wet tot hervorming van de instellingen (zoals gewijzigd bij wet van 8 augustus 1988), strijdig zijn.

De vennootschap vorderde, zeer ondergeschikt, de veroordeling van de Staat tot de betaling van een bedrag van … F, alsook de aanstelling van een deskundige.

2\. De Staat wierp op dat de aan Ministers betekende dagvaarding onontvankelijk was omdat de Staat niet wegens de schending van een wet bij haar uitvoering gedagvaard wordt *“doch wegens het feit zelf van de totstandkoming en de uitvaardiging van de wet. Dat gezien zulks tot de exclusieve grondwettelijke bevoegdheid van de Wetgevende Macht behoort, de vordering dan ook niet tegen de leden van de Uitvoerende Macht kan ingesteld worden. (...) Dat, gelet op het beginsel van de scheiding der machten, de Minister van Financiën niet aansprakelijk kan gesteld worden voor de handelingen van de Wetgevende Macht (...)”* (hoofdbesluiten van de Staat in eerste aanleg, blz.4).

Bij besluiten van 9 juni 1994, heeft de Staat vertegenwoordigd door de eerste minister, op grond van artikel 705, § 2 GW verklaard *“dat het voorwerp van het geding tot de bevoegdheid behoort van de Minister van Financiën (...) en dat hij verklaart die betrokken minister (...) in de plaats te stellen van de eerste minister”*.

De Staat stelde een tegenvordering in, strekkende tot de veroordeling van de NV **L. I.** tot de betaling van … F wegens tergend en roekeloos geding.

3\. De eerste rechter heeft, alvorens uitspraak te doen, de heropening der debatten op 16 december 1997 bevolen. Op 15 december 1997, heeft de Staat omwille van de motivatie van het vonnis, beroep aangetekend.

*b/ het voorwerp van de vordering in hoger beroep*

De Staat vraagt de oorspronkelijke eis onontvankelijk, minstens ongegrond te verklaren, en geïntimeerde tot de kosten te veroordelen. Hij vraagt zijn tegenvordering - strekkende tot de betaling van … F schadevergoeding - gegrond te verklaren.

Geïntimeerde vraagt het hoger beroep van de Staat ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en haar incidenteel beroep strekkende tot de veroordeling van de Staat tot de betaling van een bedrag van … F, alsook tot de aanstelling van een deskundige, ontvankelijk en gegrond te verklaren.

## III De feiten

Een wet van 31 juli 1984 heeft voor de vennootschappen, die zich in een reconversiezone vestigden en zekere voorwaarden vervulden, gedurende tien jaar een belastingvrijstelling voorzien, dit ten beloop 13 % van het maatschappelijk kapitaal.

Op 28 november 1986, werd geïntimeerde opgericht. Zij vervulde alle voorwaarden om van dit gunstregime te genieten.

Vanaf het boekjaar 1990 stelde zij nochtans vast dat de op haar naam ingekohierde aanslagen, jaarlijks, hoger waren dan wat door de wet van 31 juli 1984 voorzien was. Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat zij tegen kwestieuze aanslagen bezwaar bij de gewestelijke directeur ingediend heeft, zoals voorzien door het wetboek der inkomstenbelastingen “WIB” 64 en daarna het WIB 92.

De hoger dan verwachte belastingen werden, volgens belastingplichtige, ten hare laste gelegd omdat de wetten van 22 december 1989 en 29 december 1990 de door de wet van 31 juli 1984 voorziene belastingvrijstelling van 13 % tot 8 % van het kapitaal teruggeschroefd hadden (met weliswaar een verlenging van de gunstperiode van 10 tot 15 jaar).

Geïntimeerde stelt dat deze wetten foutief tot stand gekomen zijn, omdat de Belgische wetgever van 1989-90 de belofte van de wetgever van 1984 verbroken zou hebben, en aldus het rechtszekerheidsbeginsel geschonden zou hebben.

Geïntimeerde is van mening dat de hoger dan verwachte belastingen betreffende de boekjaren 1990 tot 2004, die ten hare laste ingekohierd werden, als een door haar *“geleden schade”* dient beschouwd te worden.

Zij acht zich op grond van artikel 1382 B.W. gerechtigd vergoeding van die beweerde schade te bekomen.

## IV. Discussie

*a/ betreffende de dagvaarding van de Belgische Staat*

1\. Door artikel 705, lid 1 Ger. Wb. wordt bepaald dat de Staat *“aan het kabinet van de Minister tot wiens bevoegdheid het onderwerp van het geschil behoort”* wordt gedagvaard.

De dagvaarding is gericht tegen de Belgische Staat.

Zij werd dus terecht betekend aan *“de Belgische Staat, in de persoon van haar Minister van Financiën”*.

2\. Door artikel 42, 1° Ger. Wb. wordt voorzien dat de betekeningen (o.m. van dagvaardingen) *“gedaan worden aan de Staat, op het kabinet van de minister die bevoegd is om de zaak te kennen, of, indien het voorwerp van het geschil binnen de bevoegdheid van de Senaat of de Kamer valt, ter griffie van de betrokken Vergadering, onverminderd de in art. 705 gestelde regels”*.

Het voorwerp van het geschil ter zake, te weten een tegen de Staat gerichte eis in schadevergoeding, valt niet binnen de specifieke bevoegdheid van de leden van de Senaat of de Kamer, die de wetten van de Belgische Staat stemmen, maar - gebeurlijk - van de Staat zelf, die dan op grond van artikel 42, 1° initio en 705, lid 1 op het kabinet van de bevoegde minister moet gedagvaard worden.

Bij besluiten van 9 juni 1994, heeft de Staat zelf (vertegenwoordigd door de eerste minister), op grond van artikel 705, § 2 G.W. verklaard *“dat het voorwerp van het geding tot de bevoegdheid behoort van de Minister van Financiën (...) en dat hij verklaart die betrokken minister (...) in de plaats te stellen van de Eerste Minister”*. De Staat heeft toen, terecht, niet beweerd dat het voorwerp van het geding tot de bevoegdheid van de Senaat of de Kamer behoorde.

3\. De Belgische Staat werd dus conform aan de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek gedagvaard.

4\. Hoe dan ook is het geschil op dit punt van ieder belang ontbloot vermits de Eerste Minister zelf de bevoegde minister aangeduid heeft enerzijds en het anderzijds voor de rechtsonderhorige onbelangrijk is in hoofde van welk orgaan de Belgische Staat dan wel veroordeeld wordt.

*b/ betreffende de rechtsmacht van het hof, de ontvankelijkheid van de vordering en de grond van de zaak*

1\. Partijen redetwisten over de vraag te weten of, **in het algemeen**, de Rechterlijke Macht bevoegd is om de regelmatigheid, anders dan naar de vorm, van een wet te beoordelen.

De Staat meent dat het toekennen aan de Rechterlijke Macht van een controlebevoegdheid - naar de inhoud - op de wetgeving, niet anders betekent dan dat een subjectieve opportuniteitscontrole toegestaan wordt die met het principe van de scheiding der machten niet verenigbaar is, en stelt *“dat volgens een vaststaande rechtspraak de rechter zelfs niet bevoegd is om de wet aan de Grondwet te toetsen; dat dergelijke bevoegdheid specifiek en in beperkte mate werd toegekend aan het Arbitragehof, doch zeker geen prerogatief van de Rechterlijke Macht als dusdanig uitmaakt”* (verzoekschrift in hoger beroep, blz.3, lid 4 en 5).

Geïntimeerde antwoordt *“dat deze rechterlijke toetsing van de wetgever in de praktijk reeds bestaat m.n. voor het annulatiecontentieux bij het Arbitragehof en de controle (...) op de naleving door de wetgever van de internationaalrechtelijke normen. (...) Verscheidene auteurs stellen vast dat de vroegere onschendbaarheid van de wet niet meer bestaat. (...) Concluante maakt een toetsing van appellantes wetgeving aan grondwettelijke en supranationale normen”* te weten, volgens geïntimeerde, het rechtszekerheidsbeginsel, de verdeling van bevoegdheden tussen Staat en Gewest en artikel 1 van het Eerste Protocol van het EVRM (hoofdbesluiten, blz. 9, 10 en 11).

2\. Het hof, dat zich **in concreto** in een zaak moet uitspreken waar geïntimeerde de Staat verwijt gedurende 15 aanslagjaren een minder aanzienlijk belastingvermindering te hebben genoten dan wat door de wet aangekondigd werd, maakt in dit verband de volgende vaststellingen :

\* De wet op de inkomstenbelastingen wordt steeds in individuele gevallen toegepast.

\* Het concretiseren van de abstracte belasting, of m.a.w. de materiele uitvoering van de wet, geschiedt eerst bij de vestiging van de aanslag te name van de belastingplichtige, daarna bij de inkohiering en tenslotte bij de uitvoerbaar verklaring van het kohier. De twee laatste handelingen zijn administratieve rechtshandelingen waardoor de fiscus zichzelf een authentiek bewijs en een titel voor parate executie verschaft.

\* Wanneer de aldus eisbaar geworden concrete fiscale schuld door het aanslagbiljet aan de belastingplichtige ter kennis gebracht wordt, voorziet het Wetboek der inkomstenbelastingen dat deze laatste tegen het bedrag van de aldus gevestigde aanslag schriftelijk bezwaar bij de directeur der belastingen kan indienen.

\* De fiscale wet voorziet dat die bezwaarschriften *“op straffe van verval”* binnen een bepaalde termijn moeten ingediend worden.

\* Telkens zij -gedurende 15 jaar- de opeenvolgende aanslagbiljetten ontving, die volgens haar met miskenning van de onverbrekelijke belofte bevat in de wet van 31 juli 1984 en van het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid opgesteld waren, beschikte geïntimeerde over de mogelijkheid om deze aanslagen voor de gewestelijke directeur en het hof van beroep op grond van het WIB/64 en het WIB 92 aan te vechten.

Zij mocht aldus pogen een aanslag te bekomen, die gevestigd zou zijn met inachtneming van een belastingvrijstelling ten beloop van 13 % i.p.v. 8 % van het geïnvesteerde kapitaal.

Binnen het kader van dit geschil, had geïntimeerde het hof van beroep zetelend in fiscale zaken in eerste en laatste aanleg, eventueel kunnen overtuigen dat hij de wetten van 1989 en 1990 niet mocht toepassen :

a/ zij het omdat deze wetten strijdig met de Grondwet zouden zijn. Geïntimeerde had het hof van beroep misschien kunnen overhalen een prejudiciële vraag in die zin aan het Arbitragehof te stellen.

b/ zij het omdat deze wetten met een internationale rechtsnorm, zoals het EVRM, strijdig zouden zijn. Geïntimeerde had hier het hof eventueel kunnen overtuigen, zoals het hoort, aan artikel 1 van het Bijkomend Protocol van het EVRM voorrang te verlenen.

\* Het hof vindt nochtans in het dossier geen spoor van door de geïntimeerde ingediende bezwaarschriften, laat staan van tijdig ingediende bezwaren, gericht tegen de aanslagen waardoor, volgens geïntimeerde, haar op grond van de wetten van 1989 en 1990 meer belastingen ten laste gelegd werden dan door de wet van 31 juli 1984 aangekondigd werd.

3\. Het hof stelt aldus **in concreto** de volgende vragen :

a/ Mag men van wat voorafgaat afleiden dat de Staat thans over uitvoerbare en onaangevochten op naam van geïntimeerde gevestigde kohieren beschikt, die wettelijk onweerlegbaar geworden zijn ?

Indien dit inderdaad zo is, mag de belastingplichtige dan pogen, langs een burgerlijke vordering om, die onbetwistbaar geworden authentieke titels te ondermijnen door een schadevergoeding gelijk aan een deel der ingekohierde belastingen te eisen ?

Bestaat er een algemeen beginsel dat verbiedt onrechtstreeks te doen wat door de houding van belanghebbende niet rechtstreeks meer kan (te weten : het indienen van een bezwaar) ?

Mag geïntimeerde terzake, langs een burgerlijke vordering om, niet alleen de vergoeding van *“uitzonderlijke schade”* eisen – d.i. de schade die door de in het WIB voorziene en tijdig ingediende procedure niet gedekt zou zijn - maar ook een vergoeding eisen, gelijk aan de belasting die zij acht niet verschuldigd te zijn ?

b/ Indien men aanneemt dat ingeval de nadelige gevolgen van een handeling door een binnen een bepaalde termijn ingediend administratief bezwaar moeten aangevochten worden, deze gevolgen ook door een op grond van artikel 1382 B.W. ingediende eis mogen vergoed worden, zodra de wet waarop de handeling gesteund is, vernietigd werd, stelt zich de vraag te weten waarom artikel 18 van de wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dan bepaalt dat :

> *“niettegenstaande de door de wetten (...) bepaalde termijnen verstreken zijn, kan tegen de handelingen en verordeningen van de verschillende bestuursorganen alsook tegen de beslissingen van andere gerechten dan die bedoeld in artikel 16 van deze wet, voor zover die gegrond zijn op een bepaling van de wet (...), die vervolgens door het Arbitragehof is vernietigd (...), elk administratief of rechterlijk beroep worden ingesteld dat daartegen openstaat, binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Arbitragehof in het Belgisch Staatsblad”*.

Mag men van die wettekst afleiden dat wanneer de wet voorziet dat een handeling (zoals een inkohiering) door een bezwaar moet betwist worden, die weg alleszins dient gevolgd te worden, zonder dat de burger de keuze heeft de Staat onrechtstreeks op grond van artikel 1382 B.W. aan te spreken ?

Zal iemand, die door zijn nalatigheid buiten de door artikel 18 van de wet op het Arbitragehof bepaalde termijn van zes maanden een administratief beroep instelt (dat dus onontvankelijk verklaard zal worden), zich kunnen vergenoegen de Staat daarna m schadevergoeding te dagvaarden ?

c/ Mag men stellen dat in de mate dat de kohieren dienden betaald te worden en slechts in die mate, geïntimeerde de beweerde schade lijdt ? Vindt die “schade” dan haar oorsprong in het stemmen van de wetten van 1989 en 1990 (of van 1984 ?), of in de *toepassing* van die wetten via de op haar naam door de administratie gevestigde kohieren ?

d/ Mag men ook stellen (indien aangenomen wordt dat geïntimeerde geen bezwaar ingediend heeft, en dat het niet indienen van een bezwaar als een fout moet aanzien worden) dat zonder die “fout” van geïntimeerde haar beweerde schade niet ontstaan zou zijn ? Mag de equivalentieleer terzake toegepast worden ?

Bewijst geïntimeerde een ononderbroken oorzakelijk verband tussen de -naar zij beweert- door de wetgever begane fout en de door haar door de inkohieringen van de administratie beweerdelijk geleden schade, in de mate dat zij (behoudens tegenbewijs) nagelaten heeft de inkohiering door de uitvoerende macht, gestoeld op de volgens haar onbehoorlijke wet, aan te vechten?

e/ Kan het feit van een minder aanzienlijk belastingvermindering, d.i. van een geringer fiscaal *voorrecht*, te hebben genoten dan wat door de wet aangekondigd werd, als een “schade” beschouwd worden ? Laat artikel 1382 B.W. toe de belastingplichtige de volledige herstelling van een fiscaal privilege te eisen ?

f/ Zeer ondergeschikt : maakt de mildering - in het algemeen belang van de bevolking - van het fiscaal privilegie die enkele jaren voordien in het individueel belang o.m. van geïntimeerde beloofd werd, een “fout” uit, in de zin van artikel 1382 B.W. ?

g/ Zeer ondergeschikt : maakt de aanpassing - in het algemeen belang van de bevolking - van een fiscaal privilegie (dat enkele jaren voordien werd ingesteld binnen een welbepaalde economische context terwijl een welbepaalde rente gold) aan de veranderde rente om het economisch doel dat de wetgever voor ogen had te behouden een "fout" uit in de zin van art 1382 B.W.

4\. De debatten dienen heropend te worden om partijen toe te laten betreffende deze vragen, die noch in de besluiten, noch ter zitting behandeld werden, een standpunt in te nemen.

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, rechtsprekend na **tegenspraak**,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 193 5 op het gebruik talen in gerechtszaken;

Alvorens uitspraak te doen :

Beveelt de heropening der debatten om partijen toe te laten standpunt in te nemen betreffende de hierboven gestelde vragen;

Stelt de heropening vast op de zitting van **20 oktober 2005 om 11.10 uur (40')**.

Houdt de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **zesde fiscale kamer** van het hof van beroep te Brussel, op **23-06-2005**.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**K. V. H.**, voorzitter,

**B. V.**, raadsheer,

**B. d. C.**, plaatsvervangend raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **B. d. C.** **B. V.** **K. V. H.**
