---
title: "Hof van beroep te Brussel, 23 juni 2005"
description: "Hof van beroep te Brussel (België), 23 juni 2005."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-brussel-2005-06-23-db59"
lang: "nl"
---

# Hof van beroep te Brussel, 23 juni 2005 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

23 juni 2005

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

94 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 23.06.2005

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF van BEROEP te BRUSSEL - Zesde fiscale kamer**

Nr. van de zaak : **1997/AR/3917**

Openbare terechtzitting van 23/06/2005

IN ZAKE VAN :

**DE BELGISCHE STAAT**, vertegenwoordigd door de Heer Minister van Financiën, wiens kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12

**appellant,**

vertegenwoordigd door Meester **L. V. H.**, advocaat, …, …

**tegen :**

De NV **L. I.**, met zetel te …, …; ingeschreven in het handelsregister van Hasselt onder het nr. …,

**Geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Mr **E. M.** en Mr **K. G.**, advocaten, …, …

---

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

## I. De rechtspleging

Op 15 december 1997 heeft de Staat hoger beroep aangetekend tegen een op 17 maart 1997 door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel geveld vonnis, waarvan geen betekenisakte neergelegd wordt.

R. 2005/4399 - Tussenarrest-H.D.D. op 20.10.05 om 11.10u

## II. Het voorwerp van de vordering

### *a) het voorwerp van de vordering in eerste aanleg*

1\. De oorspronkelijke aanlegster is van mening dat zij schade geleden heeft ten gevolge *“van de laakbare wetgeving van gedaagde, daar een zorgvuldige wetgeving inhoudt dat wanneer wettelijk een welbepaalde en duidelijk omschreven fiscale vrijstelling wordt vastgesteld voor een welbepaalde periode, de overheid er toe gehouden is deze fiscale vrijstelling te respecteren en niet kan reduceren tijdens de periode waarin deze fiscale vrijstelling moet gerealiseerd worden”* (dagvaarding, blz.3).

Bij dagvaarding tegen de Belgische Staat, enerzijds *“in de persoon van haar Eerste Minister”*, en anderzijds *“in de persoon van haar Minister van Financiën”*, en bij haar besluiten, vorderde zij in hoofdorde de veroordeling van de Staat tot betaling van … F, verhoogd met de vergoedende intresten over … F vanaf 1 juli 1992 tot de vonnisdatum, en de vergoedende intresten over … F vanaf de vonnisdatum tot de datum van betaling.

Zij vroeg ondergeschikt aan de Rechtbank een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te stellen om te weten of de wet van 22 december 1989 houdende fiscale bepalingen en artikel 87 van de wet van 22 juli 1993 houdende fiscale en financiële bepalingen, met artikel 6, § 1, VI, 1° van de wet van 8 augustus 1980 houdende bijzondere wet tot hervorming van de instellingen (zoals gewijzigd bij wet van 8 augustus 1988), strijdig zijn.

De vennootschap vorderde, zeer ondergeschikt, de veroordeling van de Staat tot de betaling van een bedrag van … F, alsook de aanstelling van een deskundige.

2\. De Staat wierp op dat de aan Ministers betekende dagvaarding onontvankelijk was omdat de Staat niet wegens de schending van een wet bij haar uitvoering gedagvaard wordt *“doch wegens het feit zelf van de totstandkoming en de uitvaardiging van de wet. Dat gezien zulks tot de exclusieve grondwettelijke bevoegdheid van de Wetgevende Macht behoort, de vordering dan ook niet tegen de leden van de Uitvoerende Macht kan ingesteld worden. (...). Dat, gelet op het beginsel van de scheiding der machten, de Minister van Financiën niet aansprakelijk kan gesteld worden voor de handelingen van de Wetgevende Macht (...)”* (hoofdbesluiten van de Staat in eerste aanleg, bIz. 4).

Bij besluiten van 9 juni 1994, heeft de Staat vertegenwoordigd door de eerste minister, op grond van artikel 705, § 2 GW verklaard *“dat het voorwerp van het geding tot de bevoegdheid behoort van de Minister van Financiën (...) en dat hij verklaart die betrokken minister (...) in de plaats te stellen van de eerste minister”*.

De Staat stelde een tegenvordering in, strekkende tot de veroordeling van de NV **L. I.** tot de betaling van … F wegens tergend en roekeloos geding.

3\. De eerste rechter heeft, alvorens uitspraak te doen, de heropening der debatten op 16 december 1997 bevolen. Op 15 december 1997, heeft de Staat omwille van de motivatie van het vonnis, beroep aangetekend.

#### *b) het voorwerp van de vordering in hoger beroep*

De Staat vraagt de oorspronkelijke eis onontvankelijk, minstens ongegrond te. verklaren, en geïntimeerde tot de kosten te veroordelen. Hij vraagt zijn tegenvordering - strekkende tot de betaling van … F schadevergoeding - gegrond te verklaren.

Geïntimeerde vraagt het hoger beroep van de Staat ontvankelijk doch ongegrond te verklaren, en haar incidenteel beroep strekkende tot de veroordeling van de Staat tot de betaling van een bedrag van … F, alsook tot de aanstelling van een deskundige, ontvankelijk en gegrond te verklaren.

## III. De feiten

Een wet van 31 juli 1984 heeft voor de vennootschappen, die zich in een reconversiezone vestigden en zekere voorwaarden vervulden, gedurende tien jaar een belastingvrijstelling voorzien, dit ten beloop 13 % van het maatschappelijk kapitaal.

Op 28 november 1986, werd geïntimeerde opgericht. Zij vervulde alle voorwaarden om van dit gunstregime te genieten.

Vanaf het boekjaar 1990 stelde zij nochtans vast dat de op haar naam ingekohierde aanslagen, jaarlijks, hoger waren dan wat door de wet van 31 juli 1984 voorzien was. Uit de stukken van het dossier blijkt niet dat zij tegen kwestieuze aanslagen bezwaar bij de gewestelijke directeur ingediend heeft, zoals voorzien door het wetboek der inkomstenbelastingen “WIB” 64 en daarna het WIB/92.

De hoger dan verwachte belastingen werden, volgens belastingplichtige, ten hare laste gelegd omdat de wetten van 22 december 1989 en 29 december 1990 de door de wet van 31 juli 1984 voorziene belastingvrijstelling van 13 % tot 8 % van het kapitaal teruggeschroefd hadden (met weliswaar een verlenging van de gunstperiode van 10 tot 15jaar).

Geïntimeerde stelt dat deze wetten foutief tot stand gekomen zijn, omdat de Belgische wetgever van 1989-90 de belofte van de wetgever van 1984 verbroken zou hebben, en aldus het rechtszekerheidsbeginsel geschonden zou hebben.

Geïntimeerde is van mening dat de hoger dan verwachte belastingen betreffende de boekjaren 1990 tot 2004, die ten hare laste ingekohierd werden, als een door haar «geleden schade» dient beschouwd te worden.

Zij acht zich op grond van artikel 1382 BW gerechtigd vergoeding van die beweerde schade te bekomen.

## IV. Discussie

### *a) betreffende de dagvaarding van de Belgische Staat*

1\. Door artikel 705, lid 1 Ger.Wb. wordt bepaald dat de Staat *“aan het kabinet van de minister tot wiens bevoegdheid het onderwerp van het geschil behoort”* wordt gedagvaard.

De dagvaarding is gericht tegen de Belgische Staat.

Zij werd dus terecht betekend aan *“de Belgische Staat, in de persoon van haar Minister van Financiën”*.

2\. Door artikel 42, 1° Ger.Wb. wordt voorzien dat de betekeningen (o.m. van dagvaardingen) *“gedaan worden aan de Staat, op het kabinet van de minister die bevoegd is om de zaak te kennen, of, indien het voorwerp van het geschil binnen de bevoegdheid van de Senaat of de Kamer valt, ter griffie van de betrokken Vergadering, onverminderd de in art. 705 gestelde regels”*.

Het voorwerp van het geschil ter zake, te weten een tegen de Staat gerichte eis in schadevergoeding, valt niet binnen de specifieke bevoegdheid van de leden van de Senaat of de Kamer, die de wetten van de Belgische Staat stemmen, maar - gebeurlijk - van de Staat zelf, die dan op grond van artikel 42, 1° initio en 705, lid 1 op het kabinet van de bevoegde minister moet gedagvaard worden.

Bij besluiten van 9 juni 1994, heeft de Staat zelf (vertegenwoordigd door de eerste minister), op grond van artikel 705 § 2 GW verklaard *“dat het voorwerp van het geding tot de bevoegdheid behoort van de Minister van Financiën (...) en dat hij verklaart die betrokken minister (...) in de plaats te stellen van de eerste minister”*. De Staat heeft toen, terecht, niet beweerd dat het voorwerp van het geding tot de bevoegdheid van de Senaat of de Kamer behoorde.

3\. De Belgische Staat werd dus conform aan de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek gedagvaard.

4\. Hoe dan ook is het geschil op dit punt van ieder belang ontbloot vermits de Eerste Minister zelf de bevoegde minister aangeduid heeft enerzijds en het anderzijds voor de rechtsonderhorige onbelangrijk is in hoofde van welk orgaan de Belgische Staat dan wel veroordeeld wordt.

### *b) betreffende de rechtsmacht van het hof, de ontvankelijkheid van de vordering en de grond van de zaak*

1\. Partijen redetwisten over de vraag te weten of, **in het algemeen**, de Rechterlijke Macht bevoegd is om de regelmatigheid, anders dan naar de vorm, van een wet te beoordelen.

De Staat meent dat het toekennen aan de Rechterlijke Macht van een controlebevoegdheid - naar de inhoud - op de wetgeving, niet anders betekent dan dat een subjectieve opportuniteitscontrole toegestaan wordt die met het principe van de scheiding der machten niet verenigbaar is, en stelt *“dat volgens een vaststaande rechtspraak de rechter zelfs niet bevoegd is om de wet aan de Grondwet te toetsen; dat dergelijke bevoegdheid specifiek en in beperkte mate werd toegekend aan het Arbitragehof, doch zeker geen prerogatief van de Rechterlijke Macht als dusdanig uitmaakt”* (verzoekschrift in hoger beroep, blz.3, lid 4 en 5).

Geïntimeerde antwoordt *“dat deze rechterlijke toetsing van de wetgever in de praktijk reeds bestaat m.n. voor het annulatiecontentieux bij het Arbitragehof en de controle (...) op de naleving door de wetgever van de internationaalrechtelijke normen. (...) Verscheidene auteurs stellen vast dat de vroegere onschendbaarheid van de wet niet meer bestaat. (...) Concluante maakt een toetsing van appellantes wetgeving aan grondwettelijke en supranationale normen”* te weten, volgens geïntimeerde, het rechtszekerheidsbeginsel, de verdeling van bevoegdheden tussen Staat en Gewest en artikel 1 van het Eerste protocol van het E.V.R.M. (hoofdbesluiten, blz. 9, 10 en 11).

2\. Het hof, dat zich in concreto in een zaak moet uitspreken waar geïntimeerde de Staat verwijt gedurende 15 aanslagjaren een minder aanzienlijk belastingvermindering te hebben genoten dan wat door de wet aangekondigd werd, maakt in dit verband de volgende vaststellingen :

\* De wet op de inkomstenbelastingen wordt steeds in individuele gevallen toegepast.

\* Het concretiseren van de abstracte belasting, of m.a.w. de materiele uitvoering van de wet, geschiedt eerst bij de vestiging van de aanslag te name van de belastingplichtige, daarna bij de inkohiering en tenslotte bij de uitvoerbaar verklaring van het kohier. De twee laatste handelingen zijn administratieve rechtshandelingen waardoor de fiscus zichzelf een authentiek bewijs en een titel voor parate executie verschaft.

\* Wanneer de aldus eisbaar geworden concrete fiscale schuld door het aanslagbiljet aan de belastingplichtige ter kennis gebracht wordt, voorziet het Wetboek der inkomstenbelastingen dat deze laatste tegen het bedrag van de aldus gevestigde aanslag schriftelijk bezwaar bij de directeur der belastingen kan indienen.

\* De fiscale wet voorziet dat die bezwaarschriften *“op straffe van verval”* binnen een bepaalde termijn moeten ingediend worden.

\* Telkens zij -gedurende 15 jaar- de opeenvolgende aanslagbiljetten ontving, die volgens haar met miskenning van de onverbrekelijke belofte bevat in de wet van 31 juli 1984 en van het algemeen rechtsbeginsel van de rechtszekerheid opgesteld waren, beschikte geïntimeerde over de mogelijkheid om deze aanslagen voor de gewestelijke directeur en het hof van beroep op grond van het WIB/64 en het WIB/92 aan te vechten.

Zij mocht aldus pogen een aanslag te bekomen, die gevestigd zou zijn met inachtneming van een belastingvrijstelling ten beloop van 13 % i.p.v. 8 % van het geïnvesteerde kapitaal.

Binnen het kader van dit geschil, had geïntimeerde het hof van beroep zetelend in fiscale zaken in eerste en laatste aanleg, eventueel kunnen overtuigen dat hij de wetten van 1989 en 1990 niet mocht toepassen :

a) zij het omdat deze wetten strijdig met de Grondwet zouden zijn. Geïntimeerde had het hof van beroep misschien kunnen overhalen een prejudiciële vraag in die zin aan het Arbitragehof te stellen.

b) zij het omdat deze wetten met een internationale rechtsnorm, zoals het EVRM, strijdig zouden zijn. Geïntimeerde had hier het hof eventueel kunnen overtuigen, zoals het hoort, aan artikel 1 van het Bijkomend Protocol van het EVRM voorrang te verlenen.

\* Het hof vindt nochtans in het dossier geen spoor van door de geïntimeerde ingediende bezwaarschriften, laat staan van tijdig ingediende bezwaren, gericht tegen de aanslagen waardoor, volgens geïntimeerde, haar op grond van de wetten van 1989 en 1990 meer belastingen ten laste gelegd werden dan door de wet van 31 juli 1984 aangekondigd werd.

3\. Het hof stelt aldus in concreto de volgende vragen :

a) Mag men van wat voorafgaat afleiden dat de Staat thans over uitvoerbare en onaangevochten op naam van geïntimeerde gevestigde kohieren beschikt, die wettelijk onweerlegbaar geworden zijn ?

Indien dit inderdaad zo is, mag de belastingplichtige dan pogen, langs een burgerlijke vordering om, die onbetwistbaar geworden authentieke titels te ondermijnen door een schadevergoeding gelijk aan een deel der ingekohierde belastingen te eisen ?

Bestaat er een algemeen beginsel dat verbiedt onrechtstreeks te doen wat door de houding van belanghebbende niet rechtstreeks meer kan (te weten : het indienen van een bezwaar) ?

Mag geïntimeerde terzake, langs een burgerlijke vordering om, niet alleen de vergoeding van “uitzonderlijke schade” eisen – d.i. de schade die door de in het WIB voorziene en tijdig ingediende procedure niet gedekt zou zijn - maar ook een vergoeding eisen, gelijk aan de belasting die zij acht niet verschuldigd te zijn ?

b) Indien men aanneemt dat ingeval de nadelige gevolgen van een handeling door een binnen een bepaalde termijn ingediend administratief bezwaar moeten aangevochten worden, deze gevolgen ook door een op grond van artikel 1382 B.W. ingediende eis mogen vergoed worden, zodra de wet waarop de handeling gesteund is, vernietigd werd, stelt zich de vraag te weten waarom artikel 18 van de wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof dan bepaalt dat :

> *“niettegenstaande de door de wetten (...) bepaalde termijnen verstreken zijn, kan tegen de handelingen en verordeningen van de verschillende bestuursorganen alsook tegen de beslissingen van andere gerechten dan die bedoeld in artikel 16 van deze wet, voor zover die gegrond zijn op een bepaling van de wet (...), die vervolgens door het Arbitragehof is vernietigd (...), elk administratief of rechterlijk beroep worden ingesteld dat daartegen openstaat, binnen zes maanden na de bekendmaking van het arrest van het Arbitragehof in het Belgisch Staatsblad”*.

Mag men van die wettekst afleiden dat wanneer de wet voorziet dat een handeling (zoals een inkohiering) door een bezwaar moet betwist worden, die weg alleszins dient gevolgd te worden, zonder dat de burger de keuze heeft de Staat onrechtstreeks op grond van artikel 1382 B.W. aan te spreken ?

Zal iemand, die door zijn nalatigheid buiten de door artikel 18 van de wet op het Arbitragehof bepaalde termijn van zes maanden een administratief beroep instelt ( dat dus onontvankelijk verklaard zal worden), zich kunnen vergenoegen de Staat daarna in schadevergoeding te dagvaarden ?

c) Mag men stellen dat in de mate dat de kohieren dienden betaald te worden en slechts in die mate, geïntimeerde de beweerde schade lijdt ? Vindt die “schade” dan haar oorsprong in het *stemmen* van de wetten van 1989 en 1990 (of van 1984 ?), of in de *toepassing* van die wetten via de op haar naam door de administratie gevestigde kohieren ?

d) Mag men ook stellen (indien aangenomen wordt dat geïntimeerde geen bezwaar ingediend heeft, en dat het niet indienen van een bezwaar als een fout moet aanzien worden) dat zonder die “fout” van geïntimeerde haar beweerde schade niet ontstaan zou zijn ? Mag de equivalentieleer terzake toegepast worden ?

Bewijst geïntimeerde een ononderbroken oorzakelijk verband tussen de -naar zij beweert- door de wetgever begane fout en de door haar door de inkohieringen van de administratie beweerdelijk geleden schade, in de mate dat zij (behoudens tegenbewijs) nagelaten heeft de inkohiering door de uitvoerende macht, gestoeld op de volgens haar onbehoorlijke wet, aan te vechten ?

e) Kan het feit van een minder aanzienlijk belastingvermindering, d.i. van een geringer fiscaal *voorrecht*, te hebben genoten dan wat door de wet aangekondigd werd, als een “schade” beschouwd worden ? Laat artikel 1382 B.W. toe de belastingplichtige de volledige herstelling van een fiscaal privilege te eisen ?

f) Zeer ondergeschikt : maakt de mildering - in het algemeen belang van de bevolking - van het fiscaal privilegie die enkele jaren voordien in het individueel belang o.m. van geïntimeerde beloofd werd, een “fout” uit, in de zin van artikel 1382 B.W. ?

g) Zeer ondergeschikt : maakt de aanpassing - in het algemeen belang van de bevolking - van een fiscaal privilegie (dat enkele jaren voordien werd ingesteld binnen een welbepaalde economische context terwijl een welbepaalde rente gold) aan de veranderde rente om het economisch doel dat de wetgever voor ogen had te behouden een "fout" uit in de zin van art. 1382 B.W.

4\. De debatten dienen heropend te worden om partijen toe te laten betreffende deze vragen, die noch in de besluiten, noch ter zitting behandeld werden, een standpunt in te nemen.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, rechtsprekend na tegenspraak,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Alvorens uitspraak te doen :

Beveelt de heropening der debatten om partijen toe te laten een standpunt in te nemen betreffende de hierboven gestelde vragen;

Stelt de heropening vast op de zitting van **20 oktober 2005 om 11.10 uur (40')**.

Houdt de kosten aan.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **zesde fiscale kamer** van het hof van beroep te Brussel, op **23.06.2005**

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**K. V. H.**, voorzitter,

**B. V.**, raadsheer,

**B. d. C.**, plaatsvervangend raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **B. d. C.** **B. V.** **K. V. H.**
