---
title: "Hof van beroep te Brussel, 3 maart 2005"
description: "Hof van beroep te Brussel (België), 3 maart 2005."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-brussel-2005-03-0f4f"
lang: "nl"
---

# Hof van beroep te Brussel, 3 maart 2005 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Brussel

**Datum**

3 maart 2005

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

60 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Brussel d.d. 03.03.2005

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**HOF van BEROEP te BRUSSEL, Zesde fiscale kamer - Openbare terechtzitting van 03.03.2005**

Nr. van de zaak : **2003/AR/218**

IN ZAKE VAN :

**DE BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie vertegenwoordigd door de heer Minister van Financiën, Administratie van de BTW, Registratie en Domeinen voorheen, nu de Administratie van de Ondernemings-en BTW-ontvangkantoor te Halle, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 1500 Halle, Zuster Bernardastraat 32,

**appellant,**

vertegenwoordigd door Meester **F. S.**, advocaat (…, …)

**tegen :**

De heer **A. A.**, wonende te …, …,

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **B. A.**, advocaat, (…, …)

Het hof, na beraad, spreekt in openbare terechtzitting volgend arrest uit :

**R. 2005/1493 EINDARREST – Ongegrond**

Gezien de procedurestukken en meer in het bijzonder het afschrift van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel na tegenspraak gewezen op 18 oktober 2002 (AR 2001/12.473/A), dat bij gerechtsdeunvaarderexploot van 16 januari 2003 ten verzoeke van **A. A.** werd betekend aan de Belgische Staat en waartegen door de Belgische Staat een naar vorm en tijd regelmatig hoger beroep werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het hof van beroep op 28 januari 2003;

## De procedure in eerste aanleg

Op 4 oktober 2001 stelde huidig geïntimeerde een inleidende vordering in tegen huidig appellant teneinde deze laatste te horen veroordelen tot betaling van een bedrag van … BEF, vermeerderd met de gerechtelijke intresten en de kosten, voortspruitend uit het positief saldo van de BTW-rekening-courant van geïntimeerde.

Appellant weigert tot uitbetaling van dit saldo over te gaan, aangezien hij van oordeel is dat deze schuld moet worden gecompenseerd met een door het BTW-ontvangstkantoor te Halle alle ingediende schuldvordering in het faillissement van geïntimeerde. Deze laatste stelt daarentegen dat bij vonnis d.d. 22 februari 2000 van de rechtbank van koophandel te Brussel het faillissement werd afgesloten en hij verschoonbaar werd verklaard, zodat de voornoemde schuldvordering van het BTW-ontvangstkantoor te Halle niet meer kan gecompenseerd worden met een positief saldo van de rekening-courant daterend van na de sluiting van het faillissement.

Appellant concludeerde tot de ongegrondheid van de vordering.

In het bestreden vonnis van 18 oktober 2002 oordeelde de eerste rechter als volgt :

\- Artikel 82 Faill.W., naar luid waarvan, wanneer de gefailleerde verschoonbaar is verklaard, hij niet meer kan vervolgd worden door zijn schuldeisers, heeft uitsluitend betrekking op de schulden in de massa;

\- Vermits het BTW-ontvangkantoor te Halle op 18 oktober 1989 in het faillissement van geïntimeerde een verklaring van schuldvordering heeft ingediend, die alle uit het W.BTW voortspruitende schulden van de gefailleerde bevatte, neemt appellant zelf aan dat al deze schulden dienen te worden beschouwd als schulden in de massa;

\- De regel van art. 82 Faill.W. geldt ook voor fiscale schulden; het blijven bestaan van deze schulden heeft enkel voor gevolg dat, indien de ex-gefailleerde deze vrijwillig betaalt hij deze niet kan terugvorderen op basis van de onverschuldigde betaling op grond van artikel 1376 B. W., nu er een natuurlijke verbintenis in de plaats is gekomen;

\- De betaling die via een fiscale schuldvergelijking is gebeurd, kan geenszins als een vrijwillige betaling door geïntimeerde worden beschouwd;

\- Bovendien is deze fiscale schuldvergelijking strijdig met de ratio legis van art. 82 Faill.W., die erin bestaat aan de verschoonbaar verklaarde gefailleerde een "fresh start" toe te kennen;

En verklaarde de vordering ontvankelijk en gegrond·, veroordeelde appellant om aan geïntimeerde te betalen het bedrag van … EUR (… BEF), te vermeerderen met de gerechtelijke intresten, en tot de kosten van het geding; verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad, niettegenstaande alle verhaal en zonder borg.

## De procedure in hoger beroep

Ter beoordeling door het hof ligt voor :

\- het door appellant op 28 januari 2003 ingestelde principaal hoger beroep, dat er toe strekt om de oorspronkelijke vordering volledig ongegrond te horen verklaren.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.

## De feiten

De eerste rechter heeft de voor dit geschil relevante feiten en retroacten op omstandige, nauwkeurige en doelmatige wijze weergegeven, zodat het hof naar de betreffende uiteenzetting in het bestreden vonnis verwijst en deze volledig tot de zijne maakt.

De enkele correctie wordt aangebracht dat het faillissement van geïntimeerde werd afgesloten bij vonnis van de rechtbank van koophandel te Brussel van 22 februari 2000 (en niet 22 februari 2002).

## De beoordeling

1\. Appellant steunt de inhouding van het bedrag van … BEF, thans … EUR, op de fiscale schuldvergelijking, zoals bepaald door de artikelen 8/1, § 3 en 8/2 van het KB nr. 4 van 29 december 1969 met betrekking tot de teruggaven inzake belasting over de toegevoegde waarde.

Het voormeld artikel 8/1, § 3 bepaalt evenwel dat het belastingkrediet tot het passende beloop wordt aangewend ter aanzuivering van de belastingschuld, indien deze belastingschuld in hoofde van de Administratie van de BTW, registratie en domeinen, een schuldvordering vormt die zeker, opeisbaar en vaststaand is.

Het voormelde artikel 8/2 verwijst eveneens naar de toepassing van de regelen vervat in artikel 8/1, § 3 van hetzelfde KB.

Ongeacht de vraag of deze bepalingen een bijzondere, van het gemeen recht afwijkende, fiscale schuldvergelijking instellen, moet worden vastgesteld dat het voormelde KB nr. 4 van 29 december 1969, zoals artikel 1291 B.W., voor de toepassing van de schuldvergelijking vereist dat de twee schulden opeisbaar zijn.

2\. Te dezen wordt niet betwist :

\- dat bij vonnis d.d. 22 februari 2000 van de rechtbank van koophandel te Brussel het faillissement van geïntimeerde werd afgesloten en de gefailleerde verschoonbaar werd verklaard;

\- dat de schuldvordering waarmede appellant het belastingkrediet in het voordeel van geïntimeerde beoogt te compenseren door het BTW-ontvangkantoor te Halle op 18 oktober 1999 in het voornoemde faillissement werd ingediend en derhalve alleszins dateert van voor het faillissement;

\- dat de verschoonbaar verklaring van de gefailleerde eveneens betrekking heeft op diens fiscale schulden.

Artikel 82 Faill.W., zoals het in voege was voor de inwerkingtreding van de reparatiewet van 4 september 2002, bepaalt dat, wanneer de gefailleerde verschoonbaar is verklaard, hij niet meer vervolgd kan worden door zijn schuldeisers.

Conform deze wetsbepaling blijven de schulden bestaan maar deze schulden kunnen door de schuldeisers juridisch niet meer worden afgedwongen tegen de gefailleerde. De schulden blijven derhalve slechts bestaan als natuurlijke verbintenissen (cf. Verougstraete I., Manuel de la faillite et du concordat, Diegem, Kluwer, 1998, 537). Indien de ex-gefailleerde deze schulden vrijwillig zou betalen, is deze betaling niet onverschuldigd op grond van artikel 1376 B.W.

Natuurlijke verbintenissen zijn met het oog op de toepassing van de schuldvergelijking geen opeisbare schulden (cf. Van Gerven W. en Covemaeker S., Verbintenissenrecht, Leuven, Acco, 2001, 400).

Zij kunnen immers niet juridisch worden afgedwongen.

Appellant voert niet aan dat geïntimeerde als ex-gefailleerde de voornoemde schulden vrijwillig zou "betaald'' hebben. Terecht oordeelde de eerste rechter dat de betaling die via een fiscale schuldvergelijking is gebeurd, geenszins als een vrijwillige betaling kan worden beschouwd. Daarenboven heeft geïntimeerde bij schrijven d.d. 19 februari 2001 van zijn raadsman dadelijk geprotesteerd en verhaal ingesteld tegen de beslissing, waarbij de teruggave van het BTW-tegoed werd geweigerd en de compensatie werd toegepast.

3\. Uit het voorgaande volgt dat niet wordt bewezen dat de voorwaarden voor de toepassing van de schuldvergelijking, hetzij op grond van het KB nr. 4 van 29 december 1969, hetzij op grond van art. 1291 B.W., te dezen vervuld zijn.

Ten overvloede verwijst het hof naar de pertinente motieven van het bestreden vonnis, die hierbij als voor herhaald worden beschouwd.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, rechtsprekend na **tegenspraak**,

Gelet op art 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk maar ongegrond;

Veroordeelt appellant tot de gerechtskosten in hoger beroep begroot op … EUR voor appellant en op … EUR voor geïntimeerde,

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van de **zesde fiscale kamer** van het hof van beroep te Brussel op **03-03-2005**.

alwaar aanwezig waren en zitting namen :

**R V.**, raadsheer,

**C. D. N.**, griffier.

**C. D. N.** **B. V.**
