Hof van beroep te Antwerpen, 2 november 2010 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 2 november 2010

Zoeken

Hof van beroep te Antwerpen, 2 november 2010Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-antwerpen-2010-11-02-1f95

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
2 november 2010

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

57 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 02.11.2010

RésSamenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, zesde bis kamer, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :

Zitting van 02 november 2010

EINDARREST

(belastingen-BTW)

In zake : 2009/AR/1103

V. D. K. W., in zijn hoedanigheid van vereffenaar S. B. NV, ingeschreven in het kruispuntbank der ondernemingen onder het nummer … en voorheen met maatschappelijke zetel te …, …, hiertoe aangesteld bij vonnis van de 5de kamer van de Rechtbank van koophandel te Antwerpen de dato 25 oktober 2006, met kantoren te 2018 ANTWERPEN, Bourlastraat 3 bus 6,

appellant,

tegen het vonnis gewezen door de 4de F kamer van de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen de dato 10 december 2008

vertegenwoordigd door Mr. A. K.-W., advocaat te …, …

tegen :

De BELGISCHE STAAT, Federale overheidsdienst Financiën, Administratie van de Belasting over Toegevoegde Waarde, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, met kantoren te Brussel, Wetstraat 12, in persoon van Eerstaanwezend Inspecteur van de Eerste BTW-Ontvangkantoor Antwerpen, waarvan burelen gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4,

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. A. L., advocaat te …, …


Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 10 december 2008, waarvan geen betekening voorligt. (AR 08/598/A)

Gelet op het verzoekschrift in hoger beroep neergelegd ter griffie van dit Hof op 17 april 2009, waarbij tijdig en naar de vorm geldig hoger beroep wordt ingesteld. (2009/AR/1103)

1. Voorafgaande feiten en procedure

Voorwerp van de betwisting

De vordering strekt ertoe de BTW boete, t.b.v. 102 980,00 EUR kwijt te schelden, appellant te ontslaan van de ten onrechte betaalde BTW boete en de terugbetaling te bevelen van de door appellant reeds betaalde bedragen en/of door de FOD FINANCIEN ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten en de kosten van het geding.

2. Procedure voor de eerste rechter

De eerste rechter heeft de vordering toelaatbaar doch ongegrond verklaard en deze afgewezen. De rechtbank is van oordeel dat de opgelegde boete van 20 % in redelijke verhouding staat met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

3. Procedure voor het hof van beroep

Het hoger beroep strekt ertoe het bestreden vonnis te hervormen en opnieuw recht sprekende het ingediende verzoek tot kwijtschelding integraal gegrond te verklaren.

De administratieve beslissing dd. 20 december 2007 te vernietigen en dienvolgens kwijtschelding te verlenen van de BTW boete. Appellant te ontslaan van de ten onrechte betaalde BTW boete en de terugbetaling te bevelen van de door appellant reeds betaalde bedragen en/of door geïntimeerde ten onrechte ingehouden bedragen, vermeerderd met de moratoriumintresten.

4. Bespreking

Krachtens de recente rechtspraak, in navolging van de rechtspraak van het Arbitragehof, aanvaardt het Hof van Cassatie thans dat de opgelegde administratieve boete een strafsanctie uitmaakt, die aan de beoordeling van de rechter kan worden voorgelegd.

In een arrest van 24 januari 2002, oordeelde het Hof als volgt : (Cass. 24 januari 2002, inz. SETIME/B.S. nummer RC02101)

"Dat de rechter aan wie gevraagd wordt een administratieve sanctie te toetsen die een repressief karakter heeft in de zin van art. 6 EVRM, de wettelijkheid van die sanctie mag onderzoeken; dat hij in het bijzonder mag nagaan of die sanctie verzoenbaar is met de dwingende eisen van de internationale verdragen en van het interne recht, met inbegrip van de algemene rechtsbeginselen; dat dit toetsingsrecht in het bijzonder aan de rechter moet toelaten na te gaan of de straf niet onevenredig is met de inbreuk, zodat het aan de rechter staat te onderzoeken of het bestuur naar redelijkheid kon overgaan tot het opleggen van een administratieve geldboete van zodanige omvang; dat hij hierbij inzonderheid acht mag slaan op de zwaarte van de inbreuk, de hoogte van de reeds opgelegde sancties en de wijze waarop in gelijkaardige gevallen werd geoordeeld."

Ondanks het feit dat de betwisting omtrent de volheid van bevoegdheid van de rechterlijke macht inzake de beoordeling van de opportuniteit van de administratieve beslissing blijft bestaan, aangezien het Hof van Cassatie nog steeds stelt dat het algemeen rechtmatigheidstoezicht een opportuniteitsbeoordeling toelaat, is het toch duidelijk, zoals de rechtspraak van het Arbitragehof en het Europees Hof van Justitie stelt, dat indien de wetgever van oordeel is dat de administratie de mogelijkheid moet hebben om de omvang van de sanctie te moduleren, niets wat onder de beoordeling van de administratie valt aan de controle van de rechter kan ontsnappen.

(cfr. Arbitragehof 24 februari 1999, R.W. 1998-1999, 1349)

6. Uit de directorale beslissing van 20 december 2007 blijken volgende feiten, die niet worden tegengesproken door appellant :

- op 13 maart 2007 werd door de vereffenaar een aangifte tot stopzetting van de activiteit van de NV ingediend op het BTW­controlekantoor Antwerpen 3, met als datum van stopzetting van de BTW activiteiten 31 december 2006;

- op 26 juli 2007 werden op het scanningscentrum te Gent periodieke BTW-aangiften voor het eerste en het tweede kwartaal 2007 ingediend, met daarin geen enkel bedrag aan uitgaande handelingen;

- naar aanleiding van een verificatie van de boekhouding met betrekking tot de periode van het jaar 2004 tot en met het tweede kwartaal 2007 werd vastgesteld dat een aantal uitgaande handelingen niet waren opgenomen in de periodieke BTW-aangiften;

- voor deze inbreuken werd een correctieopgave opgesteld, die voor akkoord werd ondertekend op 12 december 2007.

7. Appellant vordert de kwijtschelding, minstens de vermindering van de BTW boete, om reden dat het verschuldigde BTW-bedrag reeds zou zijn betaald, indien de controleur niet zou hebben geadviseerd om te wachten met betaling. Appellant verzoekt om kwijtschelding van de boete krachtens art. 3 van het KB 41 aangezien de toestand spontaan zou worden rechtgezet voor enige tussenkomst van de Administratie.

Nochtans was de verschuldigde BTW over de vastgestelde inbreuken reeds veel eerder opeisbaar en was de NV reeds lang in de mogelijkheid om haar toestand te regulariseren. In de periode dat het BTW-identificatienummer geactiveerd was, werd trouwens geen enkele omzethandeling onderworpen aan BTW, in de periodieke BTW-aangiften opgenomen. De handelingen die werden opgenomen in de correctieopgave zijn de enige handelingen die in de periodieke BTW­aangiften van de gecontroleerde periode dienen te worden opgenomen.

Het feit dat de NV gedurende verschillende jaren geen boekhouder heeft gecontracteerd, is een eigen keuze, maar is geen rechtvaardigingsgrond om niet aan zijn wettelijke verplichtingen met betrekking tot de periode van 2004 tot het tweede kwartaal 2007 te voldoen.

De geldboete van 20 %, die werd opgelegd ingevolge de vastgestelde inbreuken, is wettelijk en staat in redelijke verhouding met de gepleegde inbreuken en met de ernst van de feiten.

Het hoger beroep is ontvankelijk doch ongegrond.

8. De rechtsplegingsvergoeding

Partijen zijn het erover eens dat de rechtsplegingsvergoeding, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep moet worden vastgesteld overeenkomstig de wet van 21 april 2007, uitgevoerd bij KB van 26 oktober 2007.

Partijen gaan akkoord over een rechtsplegingsvergoeding van 1.200 EUR.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Recht doende op tegenspraak;

Gelet op art. 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Bevestigt het bestreden vonnis.

Verwijst appellant in de gedingkosten in hoger beroep aan de zijde van geïntimeerde begroot op 1.200 EUR (rechtsplegingsvergoeding)

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van TWEE NOVEMBER TWEEDUIZEND EN TIEN

waar aanwezig waren :

M. D., Alleenzetelend Raadsheer;

F. H., Griffier.

F. H. M. D.