Procesverloop
2 stappen · 1 jaar 7 maanden- Bestreden beslissingRechtbank van eerste aanleg te Antwerpen02.02.2005
- Weergegeven beslissingHof van beroep te Antwerpen26.09.2006
Fiche van de FOD Financiën
Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 26.09.2006
Samenvatting niet beschikbaar
Tekst van het arrest
Tekst van de beslissing
Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :
In zake : 2005/AR/641
NV C., H.R. te … Nr. …, met maatschappelijke zetel te …, …;
appellante,
tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 2 februari 2005;
vertegenwoordigd door Meester W. H., advocaat te …, …;
tegen :
1. de BELGISCHE STAAT, Ministerie van Financiën, in de persoon van de heer Minister van Financiën, waarvan het kabinet gevestigd is te 1000 Brussel, Wetstraat 12;
2. de BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Directie Taxatie BTW Antwerpen, vertegenwoordigd door de heer eerstaanwezend inspecteur diensthoofd Antwerpen 10, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Frankrijklei 73;
geïntimeerden,
vertegenwoordigd door Meester A. v. L. d. J., advocaat te …, …;
Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder een eensluidend afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 2 februari 2005, dat niet werd betekend, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 28 februari 2005, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.
1. Voorafgaande feiten en procedure
1.1.
Appellante baat een inrichting uit waarin zij haar cliënteel verschillende diensten inzake sauna, baden, lichaamsverzorging en horeca aanbiedt.
De sauna-inrichting bestaat uit verschillende soorten saunakamers, inclusief baden en voorzieningen zoals een doorlopend binnen- en buitenzwembad.
Het verlenen van toegang tot deze infrastructuur houdt voor de bezoeker steeds het recht in om gecombineerd gebruik te maken van de sauna- en badinrichting; de toegangsprijs biedt de gebruiker steeds de mogelijkheid om gebruik te maken zowel van de sauna inrichting als van de badinrichting, zodat er dus slechts één tarief is voor een gecombineerde toegang.
De sauna- en bad infrastructuur is fysisch gescheiden van de plaatsen waarin de andere handelingen verricht worden, zijnde de cafetaria en het schoonheidssalon (lichaamsverzorging en gelaatsverzorging en zonnebank); de toegang tot de sauna- en badinrichting verschaft geen toegang tot het schoonheidssalon of omgekeerd.
De aangerekende prijs voor de toegang tot de sauna- en badinrichting staat volledig los van de handelingen van het schoonheidssalon of van de cafetaria: boekhoudkundig worden de ontvangsten van de sauna- en badinrichting volledig afgesplitst van de andere ontvangsten.
Appellante is dus derwijze georganiseerd dat haar handelingen, bestaande uit het verlenen van het recht op toegang tot de sauna- en badinrichting en uit het verlenen van het recht om van deze infrastructuur gebruik te maken te onderscheiden zij van alle andere handelingen.
1.2.
Appellante is van oordeel dat de handelingen, bestaande uit het verlenen van het recht op toegang tot de sauna- en badinrichting en uit het verlenen van het recht om van deze infrastructuur gebruik te maken, onderworpen zijn aan het verlaagd BTW-tarief van 6% (tabel A, rubriek XXVIII van de bijlagen van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven) en dat al haar andere handelingen, inclusief de gecombineerde handelingen waarvoor een globale prijs geldt, onderworpen zijn aan het tarief van 21 %. Bij brief van haar raadsman van 25 april 2003 verzoekt appellante aan de Centrale Diensten van de administratie van de ondernemings- en inkomensfiscaliteit om te bevestigen dat de BTW voor het verlenen van een recht op toegang tot de sauna- en badinrichting en voor het verlenen van het recht gebruik te maken van deze infrastructuur opeisbaar is tegen het verlaagd tarief van 6 % en dat zij over alle andere handelingen de BTW dient af te dragen aan het gewone tarief van 21 %.
Bij brief van 19 augustus 2003 stelt de centrale administratie dat de verstrekte diensten in essentie geen actieve sportbeoefening, noch het bijwonen van culturele, sportieve of vermakelijkheidsactiviteiten tot voorwerp hebben, doch integendeel in de regel persoonsverzorging tot doel hebben, zodat de handelingen van appellante bestaande uit het verlenen van het recht op toegang tot de sauna- en badinrichting en het verlenen van het recht om van deze infrastructuur gebruik te maken, onderworpen zijn aan het BTW-tarief van 21 %.
1.3.
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 4 september 2003, vordert appellante te zeggen voor recht dat zij voor het verlenen van een recht op toegang tot sauna- en badinrichting en voor het verlenen van het recht gebruik te maken van deze infrastructuur, toepassing moet maken van het verlaagd tarief van 6 % en dat zij voor alle andere handelingen en gecombineerde handelingen waarvoor een globale prijs geldt toepassing moet maken van het gewone tarief van 21 %; geïntimeerde te bevelen teruggave te verlenen van alle bedragen die appellante aldus ten onrechte heeft betaald, te verhogen met de intresten; geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.
1.4.
Het bestreden vonnis verklaart de vordering toelaatbaar doch ongegrond en wijst ze af en veroordeelt appellante tot de kosten van het geding.
De eerste rechter verwijst naar wat volgens de Grote Winkler Prins Encyclopedie onder een sauna dient verstaan te worden en naar het maatschappelijk doel van appellante en stelt dat hieruit ontegensprekelijk blijkt dat de handelingen, bestaande uit het verlenen van het recht op toegang tot de sauna- en badinrichting van appellante en uit het verlenen van het recht om van deze infrastructuur gebruik te maken, in hoofdzaak geenszins bestemd zijn voor cultuur, sport of vermaak, doch wel voor persoons- en lichaamsverzorging, zodat het verlaagd tarief van 6 % dan ook niet van toepassing is.
1.5.
Het hoger beroep van appellante strekt ertoe het bestreden vonnis te hervormen en de oorspronkelijke vordering van appellante toelaatbaar en gegrond te verklaren; te zeggen voor recht dat appellante voor het verlenen van een recht op toegang tot haar sauna- en badinrichting en voor het verlenen van het recht gebruik te maken van deze infrastructuur, toepassing moet maken van het verlaagd tarief van 6 % en dat zij voor alle andere handelingen en gecombineerde handelingen waarvoor een globale prijs geldt, toepassing moet maken van het gewone tarief van 21 %;
geïntimeerde te veroordelen om alle uit dien hoofde ten onrechte door hem ingehouden en/of door appellante betaalde bedragen aan appellante terug te betalen, meer de intresten; in ondergeschikte orde, volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitrage hof : “Schenden artikel 84, 2° van de wet van 22 juli 1993, dat artikel 2 J van het Koninklijk Besluit van 29 december 1992 bekrachtigt, en artikel 3, 2° van de wet van 5 augustus 2003, dat artikel 1, A van het Koninklijk Besluit van 30 maart 1998 bekrachtigt, het grondwettelijk gewaarborgde legaliteitsbeginsel zoals verwoord in artikel 170 § 1 van de Grondwet, indien en in de mate dat de in Rubriek XXVIII van Tabel A van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en de diensten bij die tarieven, genoemde inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, moeten worden beperkt tot de inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak die een sociaal of economisch noodzakelijke behoefte invullen"; in ondergeschikte orde alvorens recht te doen een plaats bezoek te bevelen aan de inrichting van appellanten ter plaatse van de …, …; geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding.
Appellante stelt dat de beoordeling en de beslissing van de eerste rechter door niets gemotiveerd zijn en hoogst betwistbaar zijn. Het is absoluut irrelevant de handelingen van appellante te kwalificeren als persoons- en lichaamsverzorging aangezien aan deze kwalificaties geen specifiek BTW-tarief verbonden is; de enige vraag is te weten of de sauna- en badinrichting van appellante al dan niet kwalificeert als aan inrichting voor cultuur, sport of vermaak en niet of appellante aan persoons- of lichaamsverzorging doet.
Volgens appellante behoort het aan geïntimeerde om het bewijs bij te brengen dat zij als BTW-belastingplichtige ten onrechte toepassing heeft gemaakt van een verlaagd tarief.
Appellante voert aan dat de toepassing van een lager BTW-tarief dan het gewone tarief door de zesde BTW-richtlijn wordt toegestaan o.a. in de gevallen voorzien in de Bijlage H van deze richtlijn, die twee categorieën van diensten bevat waaronder "het verlenen van het recht op toegang tot een sauna- en badinrichting" en "het verlenen van het recht om van deze sauna- en badinrichting gebruik te maken" kunnen ressorteren. Het betreft de diensten bedoeld in categorie 7 van de Bijlage H, zijnde het verlenen van toegang tot diverse culturele evenementen en voorzieningen en in categorie 13 van de Bijlage H, zijnde het verlenen van het recht gebruik te maken van sportaccommodaties. In overeenstemming hiermee maakt de Bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20, Tabel A, rubriek XXVIII het BTW-tarief van 6 % toepasselijk op "de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken". De terbeschikkingstelling hierbij van roerende goederen wordt van de toepassing van het verlaagd tarief uitgesloten.
Volgens appellante bestaat geen nadere wettelijke definitie van de begrippen "inrichting voor cultuur, sport of vermaak" en dienen deze begrippen in hun gebruikelijke betekenis verstaan te worden. Aldus dient nagegaan te worden wat volgens de gangbare opvattingen en voor de modale klant van een sauna- en badinrichting het meest karakteristiek is aan het gebruik van een sauna- en badinrichting, zoals deze van appellante.
Appellante stelt dat bij het gebruik maken van een sauna- en badinrichting naast een belangrijk element van ontspanning ook een inspannend en sportief element aanwezig is en dat het gebruik maken van de sauna- en bad infrastructuur kadert binnen het ruimere begrip "badcultuur", zodat ook een culturele component aanwezig is.
Een sauna- en badinrichting vormt aldus een sportinfrastructuur, waarvan het verlenen van een recht op toegang en het verlenen van het recht gebruik ervan te maken de BTW opeisbaar maken aan het tarief van 6 % overeenkomstig rubriek XXVIII van tabel A. Het verlenen van het recht op toegang tot een sauna- en badinrichting en het verlenen van het recht gebruik ervan te maken, vormen ook handelingen te omschrijven als het verlenen van het recht op toegang tot een inrichting van cultuur en het verlenen van het recht gebruik ervan te maken, zodat deze handelingen de BTW tegen het tarief van 6 % opeisbaar maken.
Ook verwijst appellante naar het feit dat in Nederland het verlenen van het recht op toegang tot een sauna- en badinrichting gekwalificeerd wordt als het verlenen van het recht op toegang tot een inrichting van cultuur en dat deze handeling door de Nederlandse Belastingdienst wordt ingedeeld onder de categorie van het "geven van gelegenheid tot sportbeoefening en baden".
Tenslotte verwijst appellante naar andere beslissingen van geïntimeerde en stelt zij dat wanneer geïntimeerde in zijn aanschrijving en in zijn beslissingen voorschrijft dat zwembaden en solariums, tweedehandse automarkten, karting pistes en visvijvers dienen aangezien te worden als "inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak", hij zeker de sauna- en badinrichting van appellante aldus dient te kwalificeren.
1.6.
Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis, met de veroordeling van appellante tot de kosten.
Volgens geïntimeerde is er sprake van de exploitatie van een - meer dan gewone dagdagelijkse - familiesauna, waar de klemtoon ligt op allerlei diensten die aangeboden worden in functie van de persoonsverzorging.
Het complex en de activiteiten van appellante hebben veeleer te maken met diensten van persoonsverzorging dan met de exploitatie van een inrichting voor vermaak, cultuur of sport.
Uit het maatschappelijk doel van appellante blijkt dat het een geheel van activiteiten betreft die te maken hebben met een "lifestyle" (persoonsverzorging) waarvoor het BTW-tarief van 21 % van toepassing is, en niet met een (sociaal noodzakelijke) inrichting voor vermaak, cultuur of sport zoals beoogd door rubriek XXVIII van tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20.
2. In rechte
2.1.
In tegenstelling tot hetgeen appellante voorhoudt is het bestreden vonnis wel degelijk gemotiveerd.
De eerste rechter heeft een duidelijke en juiste weergave gegeven van de relevante feiten, heeft de toepasselijke wetsbepalingen vermeld en heeft deze wetsbepalingen toegepast op de voorliggende feiten, om dan te besluiten dat de vordering van appellante niet gegrond is.
2.2.
Ingevolge rubriek XXVIII van Tabel A van de bijlage bij het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 tot vaststelling van de tarieven van de belasting over de toegevoegde waarde en tot indeling van de goederen en diensten bij die tarieven is de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak, alsmede de toekenning van het recht gebruik ervan te maken onderworpen aan het verlaagd BTW-tarief van 6 %, met uitzondering van :
a) de toekenning van het recht gebruik te maken van automatische ontspanningstoestellen,
b) de terbeschikkingstelling van roerende goederen.
Krachtens artikel 1, tweede lid van het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970 is het tarief A (6 %) niet van toepassing op diensten omschreven in voormelde tabel A, wanneer die diensten bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst welke hoofdzakelijk diensten tot voorwerp heeft die niet zijn bedoeld in dezelfde tabel.
Derhalve dient te dezen onderzocht te worden of de handelingen van appellante, bestaande uit het verlenen van het recht op toegang tot haar sauna- en badinrichting en uit het verlenen van het recht om van deze infrastructuur gebruik te maken, al dan niet kunnen beschouwd worden als de toekenning van het recht op toegang tot inrichtingen voor cultuur, sport of vermaak en als de toekenning van het recht gebruik ervan te maken alsook of deze handelingen al dan niet bijkomstig deel uitmaken van een complexe overeenkomst die hoofdzakelijk diensten tot voorwerp heeft die niet zijn bedoeld in tabel A van de bijlage aan het Koninklijk Besluit nr. 20 van 20 juli 1970.
2.3.
Het maatschappelijk doel van appellante, zoals blijkt uit de statuten (zoals gewijzigd ingevolge beslissing van de buitengewone algemene vergadering van 30 april 1999) is :
- het verstrekken van diensten in verband met de lichaamsverzorging (diensten voor het lichamelijk welzijn zoals verstrekt in inrichtingen voor thalassotherapie, kuuroorden, Turkse baden, sauna's, stoombaden, solariums, massagesalons e.d.),
- het uitoefenen van de activiteiten door paramedici op het gebied van hydrotherapie, medische massage, kinesitherapie en aanverwante activiteiten,
- de exploitatie van fitnesscentra, centra voor de beoefening van aerobic, bodybuilding, enz.,
- huidverzorging, epileren, manicure en pedicure.
- de uitbating van een drankgelegenheid.
Uit de voorliggende stukken en gegevens blijkt dat het complex en de handelingen van appellante bestaan uit :
- een keuken, die dagelijks geopend is;
- een relaxruimte met elektrisch verstelbare ligstoelen; ligstoelen aan de open haard of in de tuin;
- lichaamsverzorging; gelaatsverzorging; beautyfarm met massage, massagebad en zonnebank; kleine verzorging zoals manicure, pedicure, epileren, make-up, …; nagelstudio;
- specialiteiten zoals oosterse verzorgingen en shiatsu massage;
- bio sauna; droge sauna; kleurensauna; Turks stoombad; whirlpool; voetbad; koudbad en nevelgrot; zwembad;
- "lentegevoel" arrangement (een welkomstdrankje, een rondleiding, het gebruik van linnen en slippers, het gebruik van thermen de ganse dag, een lichte lunch met drankje, afslankingspakking, manicure, ... );
- geur- en zwaaisessies;
- verkoop van ginseng producten;
- enz.
Uit de prijslijst blijkt dat er geen sprake is van een afzonderlijke prijs om toegang te krijgen tot de inrichting of om van de inrichting als dusdanig gebruik te mogen maken. Er moet geen inkomgeld betaald worden, doch men moet betalen voor één of meerdere saunabeurten. Het zwemmen maakt integrerend deel uit van een bezoek aan de badinrichting in zijn geheel en is inherent aan een saunabeurt.
De eerste rechter heeft terecht geoordeeld dat de handelingen van appellante in hoofdzaak bestemd zijn voor persoons- en lichaamsverzorging, en geenszins voor sport, cultuur of vermaak, en dat derhalve op deze handelingen niet het tarief van 6 % van toepassing is.
2.4.
Geïntimeerde voegt, in tegenstelling tot wat appellante voorhoudt, geen voorwaarden toe aan de toepasselijke wetsbepalingen, zodat er geen reden is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitrage hof.
Een plaats bezoek, zoals door appellante in ondergeschikte orde gevraagd, is niet van aard om andere elementen aan te brengen dan deze die blijken uit de stukken en conclusies en is dan ook niet relevant voor de beoordeling van het geschil.
2.5.
Het bestreden vonnis is op juiste en oordeelkundige gronden gesteund en dient bevestigd te worden.
Het hoger beroep van appellante is ongegrond en appellante dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep, zoals hierna begroot.
Beschikkend gedeelte
OM DEZE REDENEN
HET HOF, recht doende op tegenspraak,
Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.
Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.
Bevestigt het bestreden vonnis.
Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerden op … EUR, volgens opgave in conclusie.
Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van ZESENTWINTIG SEPTEMBER TWEEDUIZENDENZES,
waar aanwezig waren :
R. T., Voorzitter;
D. W. en M. V. d. B., Raadsheren;
A. V. L., Griffier.
A. V. L. M. V. D. B. D. W. R. T.
Aangehaalde referentie
Sneltoetsen
Niet actief tijdens het typen in een veld.
- Zoeken in de tekst
- /Ctrl/⌘ F
- Volgende / vorige treffer
- EnterShift Enter
- Volgende / vorige sectie
- JK
- Leesmodus
- L
- Een paneel sluiten
- Esc
De leesmodus verbergt de inhoudsopgave en de kerncijfers, vergroot de tekst en centreert de kolom.