---
title: "Hof van beroep te Antwerpen, 8 november 2005"
description: "Hof van beroep te Antwerpen (België), 8 november 2005."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-antwerpen-2005-11-08-3e62"
lang: "nl"
---

# Hof van beroep te Antwerpen, 8 november 2005 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

8 november 2005

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

98 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 08.11.2005

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, Recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

In zake : **2004/AR/1798**

**NV B. S.**, met maatschappelijke zetel te …, …, H.R. te Antwerpen nr. …, met BTW-nummer BE …;

**appellante,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 7 juni 2004;

vertegenwoordigd door Meester **F. J.** loco Meester **J. M.**, advocaat te …, …;

**de BELGISCHE STAAT**, Federale Overheidsdienst Financiën, Directie Antwerpen I, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 2;

**geïntimeerde,**

vertegenwoordigd door Meester **A. v. L. d. J.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd waaronder het afschrift van het bestreden vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 7 juni 2004, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, alsmede het verzoekschrift tot hoger beroep neergelegd ter griffie van het Hof van beroep te Antwerpen op 23 juni 2004, waarbij een naar vorm en termijn regelmatig en ontvankelijk hoger beroep wordt ingesteld.

## Voorafgaande feiten en procedure

De betwisting heeft betrekking op drie aanslagen in de bedrijfsvoorheffing gevestigd in hoofde van appellante, met name :

aanslagjaar 1987, artikel … met betrekking tot de maand januari 1987,

aanslagjaar 1987, artikel … met betrekking tot de maand februari 1987, en

aanslagjaar 1987, artikel … met betrekking tot de maand maart 1987.

Op 5 februari 1988 is onder het refertenummer … (het BTW-nummer van appellante) op naam van "**H.** NV – **B. S.**" een samenvattende opgave 325.10 ingediend. De opgegeven verschuldigde bedrijfsvoorheffing ten bedrage van … BEF omvat onder meer de bedrijfsvoorheffing voor de maanden januari, februari en maart 1987 ten bedrage van respectievelijk … BEF, … BEF en … BEF. Deze bedrijfsvoorheffing is voordien opgenomen in aangiften 274 opgesteld op naam van appellante en op zicht van deze aangiften op 16 november 1987 ingekohierd.

Op 3 juni 1988 wordt aan appellante een dwangbevel betekend met betrekking tot tien aanslagen in de bedrijfsvoorheffing voor een totaal bedrag van … BEF in hoofdsom, waaronder voormelde drie aanslagen.

Op 6 oktober 1988 wordt uitvoerend beslag op roerend goed gelegd.

Op 11 oktober 1988 tekent appellante verzet aan en dagvaardt zij huidig geïntimeerde voor de beslagrechter in de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, teneinde *"het bestreden dwangbevel en beslag te horen vernietigen en van nul en generlei waarde te horen verklaren. Gedaagde zich te horen bevelen om het bestreden beslag onmiddellijk te lichten en verdere uitvoering te staken. Te horen zeggen voor recht dat bij gebreke aan vrijwillige handlichting de te wijzen beschikking als handlichting zal gelden."* Bij beschikking van 30 april 1990 verklaart de beslagrechter de vordering van appellante toelaatbaar, doch slechts gedeeltelijk gegrond; zegt voor recht dat het uitvoerend beslag op roerend goed wat de verdere uitvoering op de in beslag genomen goederen betreft, geschorst blijft totdat er definitief uitspraak zal gedaan zijn over de bezwaarschriften ingediend door appellante tegen de ingevorderde belastingen; wijst het meer en anders gevorderde af; verwijst partijen ieder in de helft van de kosten van het geding.

Op 27 april 1989 heeft appellante een bezwaarschrift ingediend waarin zij verwijst naar de tien hiervoor vermelde aanslagen en waarin zij uitdrukkelijk stelt dat de thans betwiste aanslagen(alsmede een vierde aanslag, die niet het voorwerp uitmaakt van huidig geding) niet worden geviseerd bij dit bezwaarschrift. Bij beslissing van de gewestelijk directeur der directe belastingen te Antwerpen I van 3 juli 1992 wordt volledige ontheffing verleend van de zes betwiste aanslagen voor een totaal bedrag van … BEF. Een overschot voortkomend van deze ontheffing wordt aangerekend op artikel ….

Op 19 februari 1993 wordt een nieuw dwangbevel betekend tot betaling van een bedrag van … BEF in hoofdsom. Hierop antwoordt appellante dat er in haren hoofde geen schuld inzake bedrijfsvoorheffing meer bestaat en dat de NV **H.** als werkelijke schuldenaar reeds alle bedrijfsvoorheffing heeft betaald.

Op 22 november 1996 worden in hoofde van appellante twee supplementaire aanslagen in de vennootschapsbelasting gevestigd voor de aanslagjaren 1994 en 1995. De terugbetaalbare roerende voorheffing wordt aangerekend op de thans in betwisting zijnde aanslagen.

In haar bezwaarschrift van 12 mei 1997 voert appellante aan dat er via de supplementaire aanslagen een effectieve terugbetaling wordt gevraagd van bedragen die zij nooit heeft ontvangen na vestiging van de aanvankelijke aanslagen en dat deze terug te betalen bedragen worden aangerekend op een vermeende schuld aan bedrijfsvoorheffing die evenwel in december 1987 zou vereffend zijn. Volgens appellante is er dan ook sprake van een dubbele belasting.

Bij beslissing van de gedelegeerd ambtenaar van de gewestelijk directeur der directe belastingen te Antwerpen wordt het bezwaar afgewezen onder de redengeving dat de supplementaire aanslagen met akkoord van appellante werden gevestigd, dat de belastbare grondslag op zich niet wordt betwist, dat geen dubbele belasting mogelijk is tussen een aanslag inzake bedrijfsvoorheffing en een aanslag in de vennootschapsbelasting met betrekking tot onterecht terugbetaalde roerende voorheffing en dat het opgeworpen geschil bestemd is voor de directie 'invordering' aan wie het bezwaarschrift op 17 oktober 1997 werd overgemaakt. Tegen deze beslissing heeft appellante op 17 juli 1998 een voorziening ingesteld. Hangende deze procedure heeft de gewestelijk directeur 'invordering' bij schrijven van 12 februari 1999 aan appellante meegedeeld dat :

\- voor zover de effectieve terugbetaling of aanwending wordt beoogd van de som van … BEF op aanslagen in hoofde van appellante gevestigd, artikel 100 van het K.B. van 17 juli 1991 (wetten op de rijkscomptabiliteit) van toepassing is, de titel van de schuldeiser - de Belgische Staat - vernietigd is en appellante zich desgevallend enkel nog kan wenden tot de werkelijke schuldenaar, de NV **H.**;

\- bij betaling van de som van … BEF niet de nodige referenties werden opgegeven en dit bedrag naderhand werd aangewend op openstaande belastingschulden op naam van de NV **H.**;

\- in de boekingsperiode nooit uitdrukkelijk werd vermeld dat deze som niet moest worden aangewend op schulden van de NV **H.**, maar op schulden van de NV **B. S.**.

Bij arrest van 5 maart 2002 heeft het Hof van beroep te Antwerpen de voorziening ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Het hof oordeelt dat in wezen het geschil uitsluitend betrekking heeft op de aanwending/aanrekening van een teruggave van belastingen en dergelijke betwisting niet via een bezwaarprocedure ingesteld in het kader van aanslagen in de vennootschapsbelasting die aan de grondslag liggen van de terugbetaling der belastingen, kan geregeld worden.

Op 16 februari 2000 heeft appellante een aanvraag tot ontheffing van ambtswege van de kwestieuze aanslagen in de bedrijfsvoorheffing ingediend. Bij beslissing van de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijk directeur der directe belastingen te Antwerpen I van 25 september 2001 wordt het bezwaarschrift niet ontvankelijk verklaard wegens forclusie en wordt gesteld dat bovendien artikel 376 WIB 92 niet toepasselijk is. Er wordt geoordeeld dat de betwiste aanslagen gevestigd werden in het jaar 1987 (aanslagbiljetten gedateerd op 20 november 1987) en dat derhalve de termijn om geldig bezwaar in te dienen verstrijkt op 20 mei 1988. Tevens wordt gesteld dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 376, § 1 WIB 92 vermits de termijn om rechtsgeldig een ontheffing van ambtswege in te dienen verstreek op 31 december 1989 en dat evenmin voldaan is aan de voorwaarden van artikel 376, § 3 WIB 92.

Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen op 21 december 2001 vordert appellante de beslissing van 25 september 2001 te vernietigen, ontheffing te verlenen van de betwiste aanslagen inzake bedrijfsvoorheffing, geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van de eventueel ten onrechte geïnde belasting, vermeerderd met moratoriumintresten en tot de kosten.

Het bestreden vonnis verklaart de vordering ontoelaatbaar en veroordeelt appellante tot de kosten. De eerste rechter oordeelt dat in het uitgangspunt dat de beweerde overbelasting binnen de nuttige termijn - tot 31 december 1989 - ter kennis was of binnen die termijn ter kennis werd gebracht van de administratie (zij het door besprekingen, dan wel via een bezwaarschrift over andere aanslagen, of nog middels verzet bij de beslagrechter ingevolge beslagmaatregelen) niet blijkt dat daarop een directorale beslissing ter zake deze beweerde overbelasting is gevolgd, noch in voorkomend geval enige voorziening is ingesteld bij afwezigheid van beslissing, zodat de rechtbank daarmee niet gevat is; dat dan wel de beweerde overbelasting met het geschrift van 17 februari 2000 ter kennis van de administratie werd gebracht maar in dat geval buiten de nuttige wettelijke termijn (tot 31 december 1989), wat leidt tot de door de rechtbank juist bevonden beslissing van forclusie door de gedelegeerd ambtenaar, waardoor de vordering van appellante ontoelaatbaar is bij gebrek aan geldige (lees : tijdige) uitoefening van het door de wet georganiseerde administratief beroep.

Het hoger beroep van appellante strekt ertoe het bestreden vonnis te vernietigen, ontheffing te verlenen van de betwiste aanslagen in de bedrijfsvoorheffing, voor zover nodig, deze te vernietigen, met inbegrip van alle verhogingen, boeten en kosten; in ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat de betaling van de som van … BEF door de NV **H.** op 24 december 1987 op voormelde aanslagen dient te worden aangerekend zodat appellante niet gehouden kan zijn om deze aanslagen nogmaals te betalen; geïntimeerde te veroordelen tot terugbetaling van alle sommen die op grond van deze aanslagen zouden zijn geïnd, vermeerderd met de moratoriumintresten voorzien in artikel 418 WIB 92; geïntimeerde te veroordelen tot de kosten van het geding. In tweede beroepsconclusies breidt appellante haar vordering uit en vordert zij in meest ondergeschikte orde te zeggen voor recht dat het recht van geïntimeerde om de aanslag in de bedrijfsvoorheffing gevestigd onder artikel … ten laste van appellante in te vorderen sinds 8 januari 2003 teniet is gegaan ten gevolge van verjaring.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis en tot de ontoelaatbaarheid van de vordering van appellante met betrekking tot de verjaring van de invordering van de aanslag artikel … en tot de veroordeling van appellante tot de kosten.

## In rechte

## De ontvankelijkheid van de vordering van appellante

Het bestreden vonnis verklaart de vordering van appellante ontoelaatbaar bij gebrek aan geldige (= tijdige) uitoefening van het door de wet georganiseerde administratief beroep.

Krachtens artikel 1385decies Gerechtelijk Wetboek wordt tegen de belastingadministratie de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32° (zijnde geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet) ingesteld bij verzoekschrift op tegenspraak en moet op straffe van nietigheid bij elk exemplaar van het verzoekschrift een afschrift van de bestreden beslissing worden gevoegd.

Artikel 1385undecies Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat tegen de belastingadministratie de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten worden indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. De vordering wordt ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal.

Te dezen heeft appellante op 16 februari 2000 een aanvraag tot ontheffing van ambtswege van de betwiste aanslagen ingediend. Op 25 september 2001 heeft de ambtenaar gedelegeerd door de gewestelijk directeur te Antwerpen I een beslissing terzake genomen.

Appellante heeft een afschrift van deze beslissing gevoegd bij het verzoekschrift dat zij op 21 december 2001 - dus tijdig- heeft neergelegd.

Het feit dat de door appellante bestreden beslissing oordeelt dat er sprake is van forclusie, heeft niet tot gevolg dat er geen ontvankelijke vordering voor de rechtbank kan worden ingesteld.

Er is voldaan aan de voorwaarden van artikel 1385decies en undecies Gerechtelijk Wetboek en de vordering van appellante is dan ook ontvankelijk.

Het bestreden vonnis dient in die zin hervormd te worden.

## De uitbreiding van de vordering van appellante

Krachtens artikel 807 Gerechtelijk Wetboek kan een vordering die voor de rechter aanhangig is, uitgebreid of gewijzigd worden, indien de nieuwe, op tegenspraak genomen conclusies, berusten op een feit of akte in de dagvaarding aangevoerd, zelfs indien hun juridische omschrijving verschillend is.

Het voorwerp en de oorzaak van de vordering kunnen in de loop van het geding principieel niet gewijzigd worden, behalve in twee gevallen, namelijk overeenkomstig artikel 807 Gerechtelijk Wetboek kunnen de hangende vordering door de partijen uitgebreid of gewijzigd worden indien de nieuwe conclusies berusten op een feit of een akte in de inleidende vordering en overeenkomstig artikel 808 Gerechtelijk Wetboek kan het voorwerp van de vordering uitgebreid worden met de sedert de instelling van de vordering verschuldigd geworden of vervallen intresten, rentetermijnen, huurgelden of elk toebehoren.

De bepaling van artikel 807 Gerechtelijk Wetboek is van toepassing in hoger beroep en veronderstelt dat de in hoger beroep uitgebreide of gewijzigde vordering reeds bij de eerste rechter aanhangig werd gemaakt.

De oorzaak van de vordering is in casu de betwiste aanslagen, zijnde het rechtsfeit dat aan de betwisting ten grondslag ligt. Het voorwerp van de vordering, zoals blijkt uit het inleidend verzoekschrift van 21 december 2001, uit het verzoekschrift tot hoger beroep en uit de eerste beroepsconclusies, is de ontheffing van deze aanslagen.

In tweede beroepsconclusies breidt appellante het voorwerp van haar vordering uit tot de niet - invorderbaarheid van de aanslag artikel … wegens verjaring en roept zij een nieuwe oorzaak in, met name het verjaring stuitend bevel tot betaling van 9 december 2004.

Hierdoor heeft appellante de grenzen van het geschil gewijzigd. Deze uitbreiding van haar vordering is dan ook niet ontvankelijk.

## De toepassing van artikel 376 WIB 92

Artikel 376 WIB 92 bepaalt :

> *"§ 1. De directeur der belastingen of de door hem gedelegeerde ambtenaar verleent ambtshalve ontheffing van de overbelastingen die voortvloeien uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting, alsmede van die welke zouden blijken uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig overleggen of inroepen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen en op voorwaarde dat :*
>
> *1°* *die overbelastingen door de administratie werden vastgesteld of door de belastingschuldige of door zijn echtgenoot op wiens goederen de aanslag wordt ingevorderd, aan de administratie werden bekendgemaakt binnen drie jaar vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd;*
>
> *2°* *de aanslag niet reeds het voorwerp is geweest van een bezwaarschrift, dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing nopens de grond."*

Om voor ontheffing in aanmerking te komen moet derhalve aan drie voorwaarden voldaan zijn, namelijk :

1\. het moet gaan om een overbelasting die voortvloeit uit materiële vergissingen, uit dubbele belasting of uit afdoende bevonden nieuwe bescheiden of feiten waarvan het laattijdig inroepen of overleggen door de belastingschuldige wordt verantwoord door gewettigde redenen,

2\. de overbelasting moet binnen de drie jaar, te rekenen vanaf 1 januari van het jaar waarin de belasting is gevestigd, door de administratie zijn vastgesteld of door de belastingschuldige aan de administratie bekendgemaakt worden,

3\. de aanslag mag niet reeds het voorwerp zijn geweest van een bezwaarschift dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing over de grond.

Appellante is van oordeel dat er dezen voldaan is aan de drie voorwaarden gesteld in artikel 376, § 1 WIB 92 om voor ontheffing in aanmerking te komen, namelijk :

1\. er is sprake van een overbelasting wegens materiële vergissing en/of wegens dubbele belasting. Appellante stelt dat zij niet kan beschouwd worden als schuldenaar van de bedrijfsvoorheffingen; de lonen zouden niet vermeld zijn in haar resultatenrekening; haar schepen zouden vanaf juli 1983 in bare-boat uitgeleend zijn aan de NV **H.** die voor haar fiscale verplichtingen beroep deed op de NV **A. S.** en die op haar beurt aangiften in de bedrijfsvoorheffing heeft ingediend. Dit zou "per vergissing" op naam van appellante zijn gebeurd, wat tot gevolg heeft gehad dat de bedrijfsvoorheffing ten laste van appellante is ingekohierd. Bovendien is er volgens appellante sprake van dubbele belasting omdat NV **H.** reeds op 24 december 1987 heeft betaald.

2\. de administratie heeft deze overbelasting voor 31 december1989 vastgesteld, minstens heeft appellante de overbelasting binnen die termijn bekendgemaakt en dit bij drie gelegenheden : tijdens de besprekingen met de ontvanger na de betekening van het dwangbevel van 3 juni 1988, bij het indienen van het bezwaarschrift van 26 april 1989 en tijdens de procedure die op 11 oktober 1988 werd ingeleid voor de beslagrechter.

3\. de aanslagen zijn niet reeds het voorwerp geweest van een bezwaarschrift dat aanleiding heeft gegeven tot een definitieve beslissing over de grond.

Geïntimeerde stelt dat niet voldaan is aan de voorwaarden van artikel 376, § 1 WIB 92. Geïntimeerde betwist dat appellante de overbelasting - voor zover er al sprake zou zijn van een overbelasting - tijdig kenbaar heeft gemaakt of dat de administratie het voor die datum heeft vastgesteld. Volgens geïntimeerde bewijst appellante ook niet dat er overbelastingen bestaan in de zin van artikel 376, § 1 WIB 92 noch dat die voortvloeien uit enige materiële vergissing noch uit enige dubbele belasting.

Appellante houdt voor dat ten onrechte op haar naam aangiften in de bedrijfsvoorheffing zijn ingediend en dat ten gevolge van deze materiële vergissing ten onrechte aanslagen op haar naam werden ingekohierd.

Vanaf juli 1983 zou immers de NV **H.** schepen van appellante in bare-boat charter genomen hebben en zou deze vanaf dan verantwoordelijk geworden zijn voor alle financiële en fiscale verplichtingen voortspruitend uit de aanwerving van de scheepsbemanning. Het staat evenwel niet vast dat de NV **H.** tijdens de betrokken periode, zijnde het eerste kwartaal van 1987, nog schepen van appellante in bare-boat had.

Appellante stelt dat de NV **H.** ingevolge een aanslepende (internationale) scheepvaartcrisis op 24 oktober 1986 in vereffening werd gesteld, terwijl zij zelf stand hield en vanwege de Minister van Verkeerswezen bij brief van 18 april 1986 de uitzonderlijke toelating had verkregen om haar schepen, tijdelijk, na het verdwijnen van de NV **H.**, opnieuw in bare-boat te verhuren, doch aan een buitenlandse rederij. Appellante heeft alsdan per schip blijkbaar een managementovereenkomst afgesloten met de NV **H.**. De kwestieuze vier schepen worden in de loop van het 1 e kwartaal 1987 onder Cypriotische vlag gebracht en varen dan in boat-charter, wat inhoudt dat de eigenaar het schip volledig uitrust met de voorgeschreven bemanning aan boord.

Appellante heeft tijdens deze periode wel degelijk scheepspersoneel tewerkgesteld, wat ook blijkt uit haar resultatenrekening van het jaar 1987 waarin … BEF personeelskosten zijn opgenomen. De twee belangrijkste componenten van deze kosten zijn enerzijds … BEF bezoldigingen voor bedienden en anderzijds … BEF bezoldigingen voor zeevarenden die - volgens het bijschrift in het detail - aan appellante doorgerekend zijn door BS **M.** LTD. Op 4 mei 1990 heeft de administratie hieromtrent een vraag om inlichtingen aan appellante verzonden, samen met de vraag naar een exploitatieverslag per schip; alsdan werd aan appellante eveneens meegedeeld dat de administratie in het bezit is van een opgave 325.10 voor een totaal bedrag aan lonen van … BEF, met de vraag waar deze loonmassa terug te vinden is in de resultatenrekening. Deze samenvattende opgave 325.10 omvat … BEF bedrijfsvoorheffing, welk bedrag door de NV **A. S.** op naam van appellante gedetailleerd is in de bijlage aan haar brief van 18 maart 1988 aan de Ontvanger en omvat mede de onder de betwiste aanslagen ingekohierde bedrijfsvoorheffing.

Uit de stukken van appellante blijkt dat de bezoldigingen voor zeevarenden niet allemaal door BS **M.** LTD zijn doorgerekend, maar dat een onderscheid moet gemaakt worden tussen de periode voor en de periode na het uitvlaggen van de schepen. BS **M.** LTD heeft personeelskosten doorgerekend voor een bedrag van … BEF; volgens de samenvatting van haar exploitatiekosten heeft deze factuur betrekking op de volledige periode na het uitvlaggen van de schepen en bestaat ze voor … BEF uit gages. De overige bezoldigingen, namelijk deze van voor het uitvlaggen, komen kennelijk ten laste van appellante. De periode voor het uitvlaggen valt samen met het eerste kwartaal van 1987, waarvoor de betwiste aanslagen gevestigd zijn.

Appellante levert dus niet het bewijs dat de aangiften in de bedrijfsvoorheffing die aan de basis liggen van de betwiste aanslagen, ingevolge een materiële vergissing op haar naam zijn ingediend, noch dat daaruit een overbelasting voortvloeit. Appellante levert evenmin het bewijs dat een overbelasting voortvloeit uit dubbele belasting, doordat de verschuldigde bedrijfsvoorheffing op 24 december 1987 zou betaald zijn door de NV **H.**. Appellante meent ten onrechte dit te kunnen afleiden uit haar antwoord op de vraag van de Ontvanger en uit de beslissing van 3 juli 1992, vermits deze betaling niet daartoe is aangewend.

Geïntimeerde stelt terecht dat de vier door appellante voorgehouden "management agreements" dienen beschouwd te worden als lastgevingovereenkomsten. Het betreft namelijk overeenkomsten waarbij de lastgever de lasthebber belast met het verrichten van rechtshandelingen in zijn naam en voor zijn rekening, hetgeen betekent dat wanneer de lasthebber binnen de grenzen van zijn mandaat handelt, het is alsof de lastgever zelf is opgetreden en de rechtshandeling gesteld door de lasthebber rechtstreeks tot stand komt tussen de lastgever en de derde.

Te dezen is er geen sprake van een materiële vergissing, zijnde een vergissing die niet op een foutieve juridische keuze berust, een feitelijke vergissing als gevolg van een misvatting over het bestaan van materiële gegevens, bij ontstentenis waarvan de belasting wettelijke grondslag mist.

De feitelijke toestand is gekend en wordt niet betwist. De juridische gevolgtrekkingen uit de bekende feiten werden betwist. De vraag of er al dan niet sprake is van een lastgeving tussen de NV **H.** en appellante is een juridische discussie.

Appellante is dan ook schuldenaar van de bezoldiging van de bemanning voor het uitvlaggen en is in die hoedanigheid de bedrijfsvoorheffing verschuldigd.

Er is derhalve niet voldaan aan de eerste voorwaarde van artikel 376, § 1 WIB 92, zodat het verzoek tot ambtshalve ontheffing ongegrond is.

Ten overvloede toont appellante niet aan dat zij de beweerde overbelasting tijdig aan de administratie heeft kenbaar gemaakt noch dat de administratie deze voor 31 december 1989 heeft vastgesteld.

Uit de stukken die appellante voorbrengt met betrekking tot de besprekingen met de ontvanger blijkt niet dat zij op dat ogenblik het bestaan van een overbelasting heeft kenbaar gemaakt. Deze besprekingen zijn bovendien reeds aangevat voor de betekening van het dwangbevel en gaan uit van **A. S.** NV namens NV **H.**, NV **A. M.** en appellante en hebben betrekking op de betaling van bedrijfsvoorheffing voor de jaren 1986 en 1987. Nadat de ontvanger een kopie van zijn rekeningen heeft bezorgd is het voor de betrokkenen blijkbaar niet mogelijk om hun cijfers in overeenstemming te brengen.

Ook uit het bezwaarschrift van 26 april 1989 kan niet afgeleid worden dat appellante het bestaan van een overbelasting aan de administratie heeft kenbaar gemaakt, temeer daar zij uitdrukkelijk de drie betwiste aanslagen uit het bezwaarschrift heeft uitgesloten. Ook de procedure voor de beslagrechter kan niet als een kennisgeving van een overbelasting beschouwd worden.

Er is derhalve evenmin voldaan aan de tweede voorwaarde van artikel 376, § 1 WIB 92.

De vordering van appellante is derhalve ongegrond.

Het hoger beroep van appellante is derhalve gegrond in de mate dat haar oorspronkelijke vordering toelaatbaar is, doch is voor het overige ongegrond.

Appellante dient veroordeeld te worden tot de kosten van het hoger beroep zoals hierna begroot.

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF**, recht doende op **tegenspraak**,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935.

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond, de uitbreiding van de vordering niet ontvankelijk.

Hervormt het bestreden vonnis in de mate het de vordering van appellante ontoelaatbaar verklaart en opnieuw wijzende, verklaart de vordering van appellante toelaatbaar doch ongegrond.

Veroordeelt appellante tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … EUR rechtsplegingsvergoeding, volgens opgave in de syntheseconclusie.

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het **HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN** van **ACHT NOVEMBER TWEEDUIZENDENVIJF**,

waar aanwezig waren :

**R. T.**, Voorzitter;

**D. W.**

en **M. V. d. B.**, Raadsheren

**A. V. L.**, Griffier.

**A. V. L.** **M. V. D. B.** **D. W.** **R. T.**
