---
title: "Hof van beroep te Antwerpen, 18 oktober 2005"
description: "Hof van beroep te Antwerpen (België), 18 oktober 2005."
url: "https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-antwerpen-2005-10-18-7e67"
lang: "nl"
---

# Hof van beroep te Antwerpen, 18 oktober 2005 · Belasting over de toegevoegde waarde

**Rechtscollege**

Hof van beroep

**Zetel**

Antwerpen

**Datum**

18 oktober 2005

## Over het document

**Verzameling**

Belgische rechtspraak

**Taal van de tekst**

Nederlands

## Tekst

73 paragrafen

### Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 18.10.2005

Samenvatting niet beschikbaar

**Tekst van het arrest**

### Tekst van de beslissing

**Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, rechtdoende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :**

In zake : **2003/AR/1671**

1\. **J. B.**, zaakvoerder, en zijn echtgenote,

2\. **M. V. G.**, medewerkster, wonende te …, …;

**appellanten,**

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt van 9 april 2003;

vertegenwoordigd door Meester **F. S.** loco Meester **H. V.**, advocaat te …, …;

**tegen :**

1\. **ADMINISTRATIE DER DIRECTE BELASTINGEN**, in de persoon van de Gewestelijk Directeur, met burelen gevestigd te 3500 Hasselt, Voorstraat 43;

2\. **de BELGISCHE STAAT**, MINISTERIE VAN FINANCIEN, Kabinet van de Minister van Financiën, 1000 Brussel, Wetstraat 12;

**geïntimeerden,**

vertegenwoordigd door Meester **A. v. L. d. J.**, advocaat te …, …;

---

Gelet op de door de wet vereiste processtukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen uitgesproken door de Elfde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 9 april 2003, waarvan geen akte van betekening wordt voorgelegd, en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 17 juni 2003;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

## 1. Feiten, retroacten, eis en verweer

**1.1.** De heer **J. B.**, appellant, is een zelfstandige programmeur.

Zowel voor het aanslagjaar 1994 als het aanslagjaar 1995 diende hij samen met zijn echtgenote mevrouw **M. V.**, appellante, tijdige aangiftes in de personenbelasting in.

**1.2.** Op 5 juni 1996 werd een controle van de boeken uitgevoerd ten huize van appellanten. Hierbij kwam aan het licht dat alle bedrijfsmatige ontvangsten binnenkomen op de bankrekening bij BAC, en werd er vastgesteld dat op deze bankrekening ook bedragen voorkomen waar geen verkoopfactuur tegenover staat.

**1.3.** De taxatiedienst zond op 11 oktober resp. 18 oktober 1996 voor de aanslagjaren 1994 resp. 1995 (inkomsten 1993 en 1994) berichten van wijziging van aanslag aan appellanten, waarin het voornemen werd medegedeeld om de door appellanten aangegeven inkomsten voor de aanslagjaren 1994 en 1995 te wijzigen. Voor het aanslagjaar 1994 zou bij toepassing van artikel 340 WIB 92 een bedrag van … EUR (… BEF) aan de omzet worden toegevoegd en voor het aanslagjaar 1995 een bedrag van … EUR (… BEF).

Het tweede bericht van 18 oktober 1996 was niet ondertekend.

Bij aangetekende brief van 7 november 1996 verklaarde appellant zich niet akkoord met deze berichten van wijziging van aangifte en gaf hij op omstandige wijze de redenen op, in het bijzonder de aan­ en verkoop van shortfunds met contant geld, waarbij de overschotten op de rekening werden teruggestort, en de terugstorting van … BEF na annulering van een geplande vakantie.

Rekening houdende met het antwoord van appellant bepaalde de taxatieambtenaar de belastbare basis voor het aanslagjaar 1994 als volgt :

\- storting op 14/04/93 : … BEF

\- storting op 26/05/93 : … BEF

\- storting op 02/06/93 : … BEF

\- storting op 09/06/93 : … BEF

\- storting op 27/08/93 : … BEF

\- storting op 26/11/93 : … BEF

\- storting op 30/11/93 : … BEF

\- storting op 02/12/93 : … BEF

\- storting op 15/12/93 : … BEF

Totaal ontvangen stortingen : … BEF

\- wijziging van de aangifte :

code 600 : … (brutowinst)

\+ …

\- code 606 : 5.333.936 (beroepskosten)

= code 607 : … (nettowinst)

code 614 : … (investeringsaftrek)

code 616 : … (toekenning echtgenote).

**1.4.** Supplementaire aanslagen werden gevestigd overeenkomstig de berichten van wijziging van aanslag op 16 december 1996 onder kohierartikel … resp. op 20 maart 1997 onder kohierartikel ….

Tegen de aldus gevestigde aanslagen tekenden appellanten tijdig bezwaar aan bij aangetekende brieven toegekomen bij de bevoegde directeur op 31 december 1996 resp. op 14 april 1997.

Bij afzonderlijke beslissingen genomen door de ambtenaar gedelegeerd door de Gewestelijke directeur der directe belastingen te Hasselt op 20 juli 2000 werden de bezwaarschriften als ongegrond afgewezen.

**1.5.** Bij verzoekschrift op tegenspraak neergelegd ter griffie van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 8 september 2000, vorderen appellanten de nietigverklaring van de betwiste aanslagen en de veroordeling van de Belgische Staat om alle wederrechtelijk geïnde bedragen, in hoofdsom en interesten, terug te betalen.

**1.6.** Het bestreden vonnis uitgesproken door de Elfde Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Hasselt op 9 april 2003 oordeelt vooreerst met betrekking tot het aanslagjaar 1995 dat een bericht van wijziging noodzakelijkerwijze ondertekend moet zijn en dat de bestreden aanslag dan ook nietig is, wegens nietigheid van de procedure tot wijziging van de aangifte voor dit aanslagjaar. Voor het aanslagjaar 1994 neemt de eerste rechter aan dat de bepaalde, gewichtige en met elkaar overeenstemmende vermoedens dat appellant een hoger bedrag aan omzet verwezenlijkte dan de door hem in de aangifte voor dat aanslagjaar aangegeven omzet, namelijk een meeromzet ten bedrage van … EUR (… BEF), geldig worden afgeleid uit het feit dat appellant voor in totaal dit bedrag contante stortingen deed op zijn bedrijfsmatig aangehouden bankrekening bij de BACOB-bank te …. Op appellant rust bijgevolg de bewijslast van het tegenbewijs dat voormelde contante stortingen geen belastbare beroepsontvangsten zijn. De eerste rechter is evenwel van oordeel dat appellant niet eens het niet belastbaar karakter van deze bedragen aannemelijk maakt en dat hij geen controleerbare uitleg levert voor het niet belastbaar karakter van de contante stortingen. De beweringen van appellant worden overigens niet gestaafd aan de hand van een concreet gegeven. Ten onrechte stelt appellant dan ook dat de administratie aan hem voor verrichtingen op een bedrijfsmatig gebruikte bankrekening geen uitleg over verrichtingen mag vragen. Het bestreden vonnis vernietigt derhalve de aanslag in de personenbelasting gevestigd in hoofde van appellanten onder artikel nr. …, aanslagjaar 1995, gemeente … van 20 maart 1997 en beveelt de teruggave van alle op grond van deze vernietigde aanslag geïnde bedragen verhoogd met de moratoriuminteresten berekend overeenkomstig artikel 418, WIB 92. De vordering wordt voor het overige ongegrond verklaard.

**1.7.** Tegen dit vonnis hebben appellanten hoger beroep (beperkt tot het aanslagjaar 1994) ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 17 juni 2003.

**1.8.** In dit verzoekschrift en in hun syntheseconclusies neergelegd op 24 november 2004 betwisten appellanten het beroepskarakter van de bankrekening, die zowel privé als beroepsmatig gebruikt werd en is het aan de administratie om te bewijzen dat de inkomens uit een welbepaalde categorie van inkomsten voortkomen. Bij gebrek aan dergelijk bewijs is de aanslag willekeurig gevestigd. Bovendien, werd er geen rekening gehouden met het spaarvermogen van appellant. Met het afgehaald spaargeld deden appellanten o.m. private beleggingen, hetzij de aan- en verkoop van shortfunds zonder tussenkomst van professionelen (bank, makelaars, ... ). Hieruit haalden appellanten ook nog extra inkomsten. Aangezien de aan- en verkoop tussen particulieren gebeurde en het om contante transacties handelde, werden hiervan geen stukken (contracten, betalingsbewijzen, ... ) opgemaakt. De bankrekening van appellanten bij de BAC heeft dan ook een gemengd karakter. Er worden immers zowel privé- als beroepsverrichtingen mee gedaan. Dienvolgens kan niet zomaar vermoed worden dat elke storting die erop gebeurd is, een bedrijfsmatig karakter heeft. De som van … BEF die op 20 december 1993 werd afgehaald en de storting van … BEF op 3 januari 1994 moest voor een vakantie dienen, voor dewelke geen boeking op voorhand werd gedaan, en die niet is doorgegaan, waardoor het bedrag terug op de rekening werd gezet. Het is dus niet omdat appellanten hun verklaringen omtrent de oorsprong van de gestorte gelden onvoldoende zouden kunnen bewijzen, dat de Administratie dan maar ipso facto mag aannemen dat het om beroepsmatige inkomsten gaat. Bovendien, heeft de fiscus weliswaar het recht om inlichtingen te vragen, maar dit mag er niet toe leiden dat de administratie willekeurig alle op de bankrekeninguittreksels vermelde bedragen zou belasten en dat het aan de belastingplichtige zou behoren om het bewijs te leveren van de niet-belastbare inkomsten. Met andere woorden mag een belastingplichtige met een vraag om inlichtingen niet worden uitgenodigd om het bewijs te leveren van het beroepsmatig karakter van uitgaven of inkomsten. Dit zou in strijd zijn met het beginsel dat niemand gehouden is tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen. Appellanten besluiten derhalve tot de hervorming van het bestreden vonnis, de vernietiging van de bestreden aanslag voor het aanslagjaar 1994 en de veroordeling van geïntimeerde om alle wederrechtelijk geïnde bedragen terug te betalen.

**1.9.** De Belgische Staat beaamt in zijn besluiten neergelegd op 28 december 2004 de redengeving van het bestreden vonnis en stelt bijkomend dat de controlebevoegdheden toegekend aan de Administratie niet strijdig zijn met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. Een inmenging van enig openbaar gezag is immers toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht wanneer die inmenging bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is onder meer in het belang van het economisch welzijn van het land. Binnen de procedure van wijziging van aangifte heeft de Administratie het bewijs geleverd dat vanuit het gekende feit (= beroepsmatig gebruikte financiële rekening waarop stortingen binnenkomen) via een logische redenering kan besloten worden tot het onbekende feit (= het juiste belastbare beroepsinkomen). De belastingadministratie heeft hierbij op geldige wijze gebruik gemaakt van het bewijsmiddel van het bestaan van een feitelijk vermoeden omdat er werd aangetoond dat appellant een niet aangegeven belastbare winst heeft gerealiseerd (= onbekend gegeven) aan de hand van de ontvangsten die werden teruggevonden op de bankrekeningen (= bekende gegevens). In casu werd de taxatie gevestigd overeenkomstig de toepassingsvoorwaarden van artikel 340 WIB 92, zonder gebruik te maken van het bewijsmiddel van de indiciaire taxatie. Appellanten blijven in gebreke om het tegenbewijs te leveren van de door de Administratie aangevoerde vermoedens. De BELGISCHE STAAT besluit derhalve tot de ongegrondheid van het hoger beroep en de bevestiging van het bestreden vonnis.

## 2. Ten aanzien van het recht

Overwegende dat de Administratie over de bewijsmiddelen bepaald in de artikelen 339 tot 342 WIB 92 beschikt om het bewijs te leveren van ieder ander inkomen dan is aangegeven (Cass., 25 januari 1993, *A.C.*, 1993, p. 106, *Pas.*, 1993, I, p. 99, *F.J.F.*, 1995, p. 293; zie de concl. van de h. KRINGS, toen adv.-gen., bij Cass., 12 november 1980, *Pas.*, 1981, I, 302, inz. p. 303); Dat de Administratie overeenkomstig artikel 340 WIB 92 daarbij over alle bewijsmiddelen beschikt aangenomen door het gemeen recht, met uitzondering van de eed;

Overwegende dat de betwiste aanslag voor het aanslagjaar 1994 gesteund is op artikel 340 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen (1992) en niet op artikel 341 (tekenen en indiciën), zoals ten onrechte voorgehouden door appellanten;

Overwegende dat het hof van beroep, naar luid van artikel 340 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen wettig het bewijs door vermoedens, onder de voorwaarden bepaald in het gemeen recht, kan hanteren; Dat de feitelijke vermoedens gevolgtrekkingen zijn die de rechter, onder de voorwaarden van de artikelen 1349 en 1353 van het Burgerlijk Wetboek uit een bekend feit kan afleiden om te besluiten tot een onbekend feit; Dat de rechter, hoewel hij op onaantastbare wijze het bestaan vaststelt van de feiten waarop hij steunt en hoewel de gevolgtrekkingen, die hij daaruit als vermoeden afleidt, aan zijn oordeel en beleid worden overgelaten, het rechtsbegrip feitelijk vermoeden niet mag miskennen of denatureren; Dat hij onder meer uit de door hem vastgestelde feiten geen gevolgtrekkingen mag afleiden die, op grond van die feiten, voor geen enkele verantwoording vatbaar zijn (Cass., A.R. F.03.0028.N, 22 oktober 2004, www.cass.be ; Cass., A.R. F.01.0011.N, 21 februari 2003, www.cass.be ; Cass., 22 maart 2001, *Arr. Cass.*, 2001, 156; Cass., 28 januari 1999, *Arr. Cass.*, 1999, 52; Cass., 21 december 1990, *Arr. Cass.*, 1989-90, 218; Cass., 22 maart 1990, *Arr. Cass.*, 1989-90, 441; Cass., 5 november 1981, *Arr. Cass.*, 1981-82, p. 346-349, *Pas.*, 1982, I, p. 342-346);

Overwegende dat uit de bij het administratief dossier gevoegde stukken en in het bijzonder de vermelding "business rekening" op de uittreksels van bankrekening nr. … van appellanten en de vermelding van deze bankrekening onderaan op het briefpapier van de handelszaak IBC van appellant (stuk 166 A.D.) te genoegen van recht blijkt dat deze rekening beroepsmatig werd gebruikt;

Overwegende dat wanneer de administratie feitelijke vermoedens gebruikt heeft, het tegenbewijs bij de belastingplichtige berust; Dat dit slechts wordt geleverd indien deze tegenover de door de administratie aangevoerde vermoedens afdoende gegevens inbrengt (Cass., 8 december 1959, *Pas.*, 1960, I, p. 412);

Dat appellanten het uitsluitend beroepsmatig aanwenden van deze bankrekening betwisten door voor te houden dat de door de administratie op de kwestieuze bankrekening in de loop van het jaar 1993 genoteerde contante stortingen privé verrichtingen en geen beroepsmatige betalingen uitmaken; Dat evenwel geen enkel bewijs voorligt dat deze stortingen het gevolg zijn van eerdere opnames en/of het gevolg zijn van de verkoop van 'shortfunds'; Dat noch voor de aankoop noch voor de verkoop van deze 'shortfunds' enig materieel bewijs voorhanden is; Dat de verantwoording van de ontvangen stortingen aldus uitsluitend berust op eenzijdige verklaringen van appellanten, die op geen enkele wijze kunnen worden getoetst aan de werkelijkheid;

Overwegende dat de rechter de wettelijke orde van de bewijzen niet omkeert, maar de wet juist toepast, wanneer hij beslist dat de administratie een belastingaangifte wettig heeft gewijzigd met toepassing van artikel 346 WIB 92, nu zij heeft gesteund op feitelijke vermoedens, en de belastingplichtige de gevolgtrekkingen uit dat bewijsmiddel niet heeft weerlegd (Cass., 5 november 1981, *Arr. Cass.*, 1981-82., p. 346-349, *Pas.*, 1982, I, p. 342-346); Dat ten overvloede nog mag worden opgemerkt dat wanneer de administratie de belastingaangifte van de belastingplichtige wijzigt en de belastbare grondslag vaststelt op basis van feitelijke vermoedens de belastingplichtige het recht heeft te bewijzen dat de bewijsmiddelen van de administratie geen beroepswaarde hebben en dat die wijziging derhalve niet gegrond is; Dat het recht op eerbiediging van het privé­leven, waarvan sprake is in artikel 8 Europees Verdrag Rechten van de Mens, dus niet wordt miskend door de wetsbepalingen, waaruit volgt dat, wanneer de belastingplichtige, die zijn privé-leven wil vrijwaren en daarom weigert de bewijskrachtige gegevens voor te leggen waardoor hij de bewijswaarde van de door de administratie aangegeven feitelijke vermoedens kan ontzenuwen, de belastbare grondslag naar recht wordt vastgesteld op basis van die vermoedens (Cass., 19 november 1981, *Arr. Cass.*, 1981-82, p. 385-389, *Pas.*, 1982, I, p. 385-389, *J.T.*, 1982, p. 619, met noot M. DASSESSE); Dat een inmenging van enig openbaar gezag in het privé-leven van een belastingplichtige, inderdaad, is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht wanneer die inmenging, zoals in casu, bij wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is onder meer in het belang van het economisch welzijn van het land (zie o.a. E.H.R.M., Dudgeon t. Verenigd Koninkrijk, 22 oktober 1981, *R. W.*, 1981-82, kol. 1579 e.v.); Dat het hoger beroep derhalve zo in feite als in rechte faalt;

### Beschikkend gedeelte

**OM DEZE REDENEN,**

**HET HOF,**

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Recht doende op tegenspraak,

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond;

Bevestigt het bestreden vonnis;

Wijst appellanten ervan af en veroordeelt hen tot de kosten van het hoger beroep, begroot aan de zijde van geïntimeerde op … euro (… EUR) voor rechtsplegingsvergoeding hoger beroep;

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting. van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van **ACHTTIEN OKTOBER TWEEDUIZENDENVIJF**,

waar aanwezig waren :

**R. T.**, Voorzitter;

**D. W.**

en **M. v. d. B.**, Raadsheren;

**A. v. L.**, Griffier.

Op het ogenblik van de uitspraak van huidig arrest, waarover Raadsheer **S. B.**, mede beraadslaagd heeft overeenkomstig artikel 778 van het Gerechtelijk Wetboek, wordt deze magistraat, wettig verhinderd zijnde, vervangen door Raadsheer **D. W.** hiertoe aangewezen, overeenkomstig artikel 779 van het Gerechtelijk Wetboek, bij beschikking van de heer Eerste Voorzitter van het Hof van beroep te Antwerpen in datum van 18 oktober 2005.

**A. V. L.** **M. V. D. B.** **D. W.** **R. T.**
