Hof van beroep te Antwerpen, 17 februari 2005 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 17 februari 2005

Zoeken

Hof van beroep te Antwerpen, 17 februari 2005Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-antwerpen-2005-02-17-7794

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
17 februari 2005

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

57 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 17.02.2005

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het HOF VAN BEROEP, zitting houdend te ANTWERPEN, VIJFDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft volgend arrest gewezen :

Zitting van : 17 FEBRUARI 2005

Inzake : 2003/AR/768

1. BVBA M.-N., met zetel te …, …, ingeschreven in het handelsregister te Hasselt onder nr. …;

2. F. M., wonende te …, …;

appellanten,

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt d.d. 26 februari 2003

vertegenwoordigd door Mr. P.J. B., advocaat te …, …;

tegen :

1. DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen,

2. DE BELGISCHE STAAT, Federale Overheidsdienst Financiën, Administratie van de Directe Belastingen,

vertegenwoordigd door de MINISTER VAN FINANCIËN ,Bisschoffsheimlaan 38 te 1000 Brussel;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;


1. ANTECEDENTEN

Bij dagvaarding betekend op 27.2.2001 vorderden de BVBA M.-N. en de heer M., optredend als zaakvoerder, betaling van een provisionele schadevergoeding van … BEF/€ … van de Belgische Staat.

Gesteld werd dat de administratie der belastingen onterecht aanslagen had gevestigd die de vennootschap "in een toestand van faling" had gebracht.

Bij vonnis van 26.2.2003 van de rechtbank van eerste aanleg te Hasselt werd de vordering ongegrond verklaard.

Overwogen werd dat noch de ten laste gelegde fouten noch de schade en het causaal verband tussen fout en schade bewezen waren.

Bij verzoekschrift neergelegd op 17.3.2003 hebben de heer M. en de BVBA M.-N. hoger beroep ingesteld.

De akte van hoger beroep wordt zo begrepen dat zij hun vordering handhaven.

Geïntimeerde stelt dat het verzoekschrift tot hoger beroep nietig is en concludeert tot de niet ontvankelijkheid van het hoger beroep.

Ondergeschikt wordt bevestiging van het bestreden vonnis gevraagd.

2. BEOORDELING

Geïntimeerde roept in dat het verzoekschrift tot hoger beroep in onduidelijke bewoordingen is geformuleerd zodat de exacte bedoeling van appellanten niet kan nagegaan worden evenmin als het voorwerp van de vordering(en), en er geen dan wel onduidelijke grieven tegen het bestreden vonnis worden opgegeven.

Ongeacht de ingeroepen nietigheid van de akte van hoger beroep steunt op artikel 1057, 7e Ger. W. dat een uiteenzetting van de grieven vereist dan wel de exceptio obscuri libelli wordt beoogd, moet een belangenschade aangetoond worden.

Het verzoekschrift tot hoger beroep is weliswaar op ongelukkige wijze geformuleerd maar het dispositief dat verzending naar de eerste rechter vraagt komt hierop neer dat appellanten een nieuwe beoordeling van hun geschil vragen en dergelijke beoordeling komt toe aan het hof.

Samen gelezen met het bestreden vonnis dat de inzet van het geschil correct heeft uiteengezet en waartegen de grieven - zij het niet steeds op accurate wijze - wel zijn gericht, kan geïntimeerde zich niet vergissen omtrent de draagwijdte en middelen van de akte van hoger beroep waarin de aansprakelijkheidsvordering wordt gehandhaafd en miskenning van geldende rechtsnormen - artikel 1382 BW - door het vonnis a quo wordt ingeroepen.

Niet bewezen is dat deze gebrekkige formulering de belangen van geïntimeerde schaadt.

Het hoger beroep is ontvankelijk.

De feiten die aanleiding hebben gegeven tot onderhavig geschil werden correct door de eerste rechter uiteengezet en het hof verwijst hiernaar.

Samengevat is het standpunt van appellanten dat de belastingdiensten grove fouten hebben begaan bij de behandeling van de fiscale dossiers van de vennootschap die hierdoor in een aan een staat van faillissement grenzende toestand werd gebracht die tot stopzetting van alle activiteiten heeft geleid.

De eerste rechter heeft de vordering op grond van pertinente motieven, niet weerlegd in conclusies en door het hof overgenomen, terecht ongegrond verklaard nu niet werd bewezen dat een onrechtmatige daad in de zin van artikel 1382 BW werd begaan door de administratie der belastingen.

Het hof vult deze redengeving als volgt aan :

- de fiscale geschillen inzake vennootschapsbelasting over de aanslagjaren 1972 tot 1976 hebben hun beslag gekend in arresten van het hof van beroep te Antwerpen gewezen op 6.5.1991 waarbij de aanslagen vernietigd werden nu de administratie onterecht toepassing had gemaakt van een taxatie bij vergelijking hoewel de boekhouding bewijskrachtig was. Lezing van het arrest leert dat een doorgedreven in rechte bevolen deskundigenonderzoek nodig is geweest om de bewijskracht van de boekhouding die volgens de motieven der arresten wel leemten en bepaalde onregelmatigheden bevatte, te onderzoeken en te appreciëren.

De vernietiging van deze aanslagen levert in deze omstandigheden op zich niet het bewijs van een onrechtmatige daad gepleegd in de uitoefening van hun taak.

- het geschil inzake BTW (verzet tegen een dwangbevel) resulteerde in een arrest van het hof van beroep te Antwerpen van 3 maart 1997 waarbij het bestreden vonnis, dat het verzet grotendeels gegrond verklaarde, hervormd werd ten gunste van geïntimeerde wier herleide berekening - inzake BTW ook aangepast aan de arresten van 6.5.1991 - werd overgenomen.

- een aansprakelijkheidsvordering ex artikel 1382 BW bestaat slechts in functie van een schade die door dergelijke fout wordt berokkend terwijl de beweerd geleden schade - stopzetting der activiteiten met een verlies van meer dan € … wordt als belangrijkste schadepost opgegeven - te dezen geenszins wordt aangetoond noch zelf aannemelijk gemaakt.

De vennootschap werd niet in staat van faillissement verklaard en geen gegevens zijn voorhanden om de financiële en bedrijfs-economische toestand te beoordelen na vestiging van de gewraakte aanslagen a fortiori kan het noodzakelijk causaal verband niet beoordeeld worden.

Geen enkel verband wordt aangetoond tussen de stopzetting der handelsactiviteiten in april 1985 - nog afgezien van de cijfermatige begroting die nergens concreet wordt toegelicht of ondersteund door stukken - en de fiscale geschillen.

Het hoger beroep is derhalve ongegrond.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond.

Verwijst appellanten in de kosten van het hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van geïntimeerden begroot op € … (rechtsplegingsvergoeding).

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van zeventien februari tweeduizend en vijf

waar aanwezig waren :

de heer E. H., Voorzitter

mevrouw A. W., Raadsheer

de heer E. L., Raadsheer

mevrouw G. V., Griffier.

G. V. E. L. A. W. E. H.