Hof van beroep te Antwerpen, 12 oktober 2004 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 12 oktober 2004

Zoeken

Hof van beroep te Antwerpen, 12 oktober 2004Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-antwerpen-2004-10-12-8092

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
12 oktober 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

87 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 12.10.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het Hof van beroep te Antwerpen, zitting houdend te Antwerpen, ZESDE KAMER, recht doende in burgerlijke zaken, heeft het volgende arrest uitgesproken :

Zitting van : 12/10/2004

In zake : 2001/AR/1858

R. T., juridisch en fiscaal adviseur, wonende te …, thans …;

appellant,

tegen het vonnis gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen van 8 juni 2001;

vertegenwoordigd door Meester D. G., advocaat te …, …;

tegen :

DE BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Minister van Financiën, Administratie van de BTW, registratie en domeinen vertegenwoordigd door de heer Gewestelijke directeur van de BTW, registratie en domeinen te Antwerpen, in de persoon van de Eerstaanwezend Inspecteur van het eerste BTW­Ontvangkantoor van Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, Italiëlei 4 bus 4;

geïntimeerde,

vertegenwoordigd door Meester R. V. loco Meester A. v. L. d. J., advocaat te …, …;


Gelet op de door de wet vereiste procedurestukken in behoorlijke vorm overgelegd, waaronder het eensluidend afschrift van het bestreden vonnis, op tegenspraak tussen partijen gewezen op 8 juni 2001 door de Eerste F Kamer van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen niet betekend en waartegen een naar vorm en termijn regelmatig hoger beroep werd aangetekend bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 16juli 2001;

Gehoord partijen in hun middelen en conclusies;

1. Feiten. retroacten. eis en verweer in hoger beroep

Op 7 maart 1996 vaardigde geïntimeerde een dwangbevel uit betreffende aan haar verschuldigde bedragen.

Er bestaat geen discussie dat de enige schuldenaar van deze bedragen de BVBA M. is.

Een exploot van dit dwangbevel wordt met bevel te betalen betekend :

1) op 31 januari 2001 aan appellant in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de BVBA M.;

2) op 1 februari 2001 aan de BVBA M. aan een adres te …;

Bij dagvaarding betekend op 22 februari 2001 vordert appellant dat bovenvermeld dwangbevel van nul en generlei waarde zou worden verklaard en hem te ontslaan van alle daarin van hem gevorderde betalingen, boeten intresten en kosten met verwijzing in de kosten van het geding.

Geïntimeerde heeft bij conclusie neergelegd op 2 maart 2001 een tegenvordering gesteld die ertoe strekte appellant te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van … BEF wegens tergend en roekeloos geding.

Appellant vorderde tevens bij conclusie neergelegd op 3 mei 2001 te zeggen voor recht dat hij aan geïntimeerde niets verschuldigd is met verbod aan geïntimeerde om krachtens dit dwangbevel verdere uitvoeringshandelingen te stellen en geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van … BEF wegens tergend en roekeloos betekening-bevel.

Het bestreden vonnis uitgesproken op 8 juni 2001 verklaarde de vorderingen van appellant ontoelaatbaar, de tegenvordering van geïntimeerde toelaatbaar en gegrond, en veroordeelde appellant tot betaling aan geïntimeerde van een schadevergoeding van … BEF wegens tergend en roekeloos geding.

Tegen dit vonnis heeft appellant hoger beroep ingesteld bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van dit Hof op 16 juli 2001.

Geïntimeerde werpt in besluiten op dat het ingesteld hoger beroep onontvankelijk is omdat de in het verzoekschrift vermelde woonplaats van appellant op het ogenblik van dat verzoekschrift niet meer juist was. Tevens werpt geïntimeerde op dat het hoger beroep eveneens onontvankelijk is, omdat het wordt ingesteld door appellant ten persoonlijke titel terwijl het betwiste dwangbevel betekend werd met bevel tot betaling aan de BVBA M. op het adres van appellant in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van voormelde vennootschap.

Ondergeschikt, is het hoger beroep ongegrond omdat geïntimeerde niets van appellant vordert en vraagt geïntimeerde de bevestiging van het bestreden vonnis.

Geïntimeerde vordert een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos hoger beroep van … EUR.

Appellant besluit dat het hoger beroep wel ontvankelijk is omdat de belangen van geïntimeerde niet werden geschaad door de vergissing in de vermelding van de woonplaats van appellant waarvan geïntimeerde op de hoogte was, en gegrond omdat de betekening van het dwangbevel met bevel tot betalen ten onrechte gebeurde aan appellant en niet aan de vennootschap die de schuldenaar is van de belastingschuld aan geïntimeerde, zodat appellant wel belang had bij het instellen van de procedure.

Appellant vraagt derhalve zijn oorspronkelijke vordering ontvankelijk en gegrond te verklaren, en te zeggen voor recht dat hij niets verschuldigd is aan geïntimeerde, voorts de op 31 januari 2001 gedane betekening met bevel tot betalen nietig te verklaren met verbod aan geïntimeerde verdere uitvoeringshandelingen te stellen, en geïntimeerde te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van … EUR wegens tergend en roekeloos betekening-bevel en verwijzing in de kosten van de beide aanleggen.

2. Ten aanzien van het recht

2.1. Wat de ontvankelijkheid van het hoger beroep betreft

Geïntimeerde voert aan dat het hoger beroep onontvankelijk is omdat de vermelde woonplaats van appellant op de dag van neerlegging van het verzoekschrift ter griffie van dit Hof niet juist was.

Artikel 1057 Ger.W. bepaalt wel dat de akte van hoger beroep op straffe van nietigheid onder meer de woonplaats van eiser in hoger beroep dient te vermelden.

Daar het verzuim van appellant geen van de gevallen vermeld in artikel 862 Ger. W. betreft kan het hoger beroep enkel dan nietig verklaard worden indien het de belangen schaadt van de partij die de nietigheid opwerpt.

Geïntimeerde toont niet aan dat haar belangen geschaad werden door de verkeerde vermelding van de woonplaats van appellant, die in de loop van de procedure werd rechtgezet.

Uit het dossier van geïntimeerde blijkt trouwens dat zij via het rijksregister de juiste woonplaats van appellant heeft kunnen achterhalen.

Dat er een voorstel tot ambtelijke schrapping zou zijn geformuleerd verandert hier niets aan daar blijkbaar nooit werd overgegaan tot schrapping en appellant te allen tijde een woonplaats had.

De verkeerde vermelding van de woonplaats van appellant in het verzoekschrift schaadt de belangen van geïntimeerde dus niet en geeft geen aanleiding tot nietigheid van het ingestelde hoger beroep.

Geïntimeerde stelt eveneens dat het hoger beroep onontvankelijk zou zijn omdat het door appellant werd ingesteld in persoonlijke naam terwijl hij enkel in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van een vennootschap werd aangesproken.

Het Hof stelt vast dat appellant in persoonlijke naam een geding heeft ingespannen tegen geïntimeerde en het bestreden vonnis hem ook in persoonlijke naam heeft veroordeeld. Hij heeft er dan ook belang bij in persoonlijke naam hoger beroep in te stellen tegen een gerechtelijke beslissing waarvan hij meent dat deze ten onrechte werd gewezen.

Het hoger beroep van appellant is derhalve ontvankelijk.

2.2. Wat de gegrondheid van het hoger beroep betreft

Het Hof stelt vast dat het exploot van betekening bevel van 31 januari 2001 wordt betekend (en met de kopij dezer kopij gelaten aan) :

"2°) de Heer T. R. ° … juridisch en fiscaal adviseur in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de BVBA M. voornoemd, wonende en gehuisvest te …, … "

Er moet volgens art. 42,5 Ger. W. een onderscheid worden gemaakt tussen de vennootschap aan wie betekend wordt en het adres waar een dergelijke betekening kan plaatsvinden.

Volgens de voormelde bewoordingen werd de betekening gedaan aan appellant in zijn hoedanigheid van zaakvoerder en op zijn adres en niet aan de vennootschap.

Er is geen discussie dat de partij aan wie de betekening moet worden gedaan hier enkel de BVBA M. kan zijn zij het dat dit in bepaalde omstandigheden aan het adres van de zaakvoerder kan gebeuren.

Een betekening gedaan aan appellant zelfs wanneer vermeld wordt dat dit gebeurt in zijn hoedanigheid van zaakvoerder is geen betekening aan de BVBA M..

De sanctie voor de betekening aan een verkeerde partij is de nietigheid.

De betekening aan appellant op de wijze zoals deze geschied is op 31 januari 2001 is derhalve nietig.

Het hoger beroep is derhalve gegrond.

2.3 Wat de vorderingen wegens tergend en roekeloos betekening - bevel betreft

Appellant meent dat de betekening met bevel te betalen aan zijn persoon terwijl er geen discussie bestaat dat hij als persoon geen schuldenaar is van geïntimeerde op grond van bovenvermeld dwangbevel tergend en roekeloos is nu hij kosten heeft moeten maken om het risico van dwanguitvoering tegen zijn persoon teniet te doen.

Appellant bewijst echter niet dat geïntimeerde tergend en roekeloos heeft gehandeld.

Geïntimeerde heeft appellant erop gewezen dat zij eventueel zou overgaan tot dagvaarding ten persoonlijke titel wat erop wijst dat zij zeker niet van plan was om via een betekening bevel tegen de verkeerde partij uit te voeren omdat het niet mogelijk blijkt tegen de juiste partij uit te voeren.

Op geen enkel ogenblik heeft geïntimeerde gepoogd via een nietige betekening betaling te bekomen van een andere persoon dan de schuldenaar.

Er is ook nooit discussie geweest dat de enige schuldenaar van de belastingschuld vermeld in het dwangbevel de BVBA M. is en niet appellant.

De verkeerde wijze van betekening volgt uit een vergissing van geïntimeerde (of de instrumenterende gerechtsdeurwaarder) en niet uit enige kwade wil.

Daar er geen animus vexandi in hoofde van geïntimeerde is, er ook geen aanleiding bestaat haar tot betaling van schadevergoeding wegens een tergende en roekeloze betekening te veroordelen.

Geïntimeerde vordert eveneens betaling van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding (c.q. hoger beroep).

Appellant heeft echter belang bij het instellen van een geding en van een hoger beroep nu hij het voorwerp is geworden van een betekening met bevel tot betalen die niet voor hem bestemd was.

Er is dan ook geen reden appellant te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding wegens tergend en roekeloos geding en/of hoger beroep.

Beschikkend gedeelte

OM DEZE REDENEN,

HET HOF,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken;

Recht doende op tegenspraak:

Verklaart het hoger beroep ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond; Hervormt dienvolgens het bestreden vonnis;

Zegt voor recht dat appellant niets verschuldigd is aan geïntimeerde uit hoofde van het dwangbevel van 7 maart 1996;

Zegt voor recht dat geïntimeerde uit hoofde van dit dwangbevel geen uitvoeringshandelingen mag stellen ten laste van appellant;

Zegt voor recht dat het exploot van betekening bevel betekend aan appellant op 31 januari 2001 nietig is;

Wijst het meergevorderde af;

Verklaart de vordering van appellant wegens tergend en roekeloos betekening-bevel ontvankelijk doch ongegrond en wijst ze ervan af;

Verklaart de vordering van geïntimeerde wegens tergend en roekeloos geding en/of hoger beroep ontvankelijk doch ongegrond en wijst ze ervan af;

Verwijst geïntimeerde in de kosten van beide aanleggen aan de zijde van appellant begroot op :

- dagvaarding : … EUR

- rechtsplegingsvergoeding eerste aanleg : … EUR

- rechtsplegingsvergoeding hoger beroep : … EUR

Aldus gewezen en uitgesproken in openbare terechtzitting van het HOF VAN BEROEP te ANTWERPEN van TWAALF OKTOBER TWEEDUIZENDENVIER,

waar aanwezig waren :

R. T., Voorzitter;

S. B., Raadsheer;

S. R., Plaatsvervangend Raadsheer;

A. v. L., Griffier.

A. V. L. S. R. S. B. R. T.