Hof van beroep te Antwerpen, 26 februari 2004 · Belgische rechtspraak

Naar de tekst
Juriel

Hof van beroep Antwerpen 26 februari 2004

Zoeken

Hof van beroep te Antwerpen, 26 februari 2004Belasting over de toegevoegde waarde

https://juriel.be/nl/rechtspraak/hof-van-beroep-antwerpen-2004-02-26-9d2a

Rechtscollege
Hof van beroep
Zetel
Antwerpen
Datum
26 februari 2004

Over het document

Verzameling
Belgische rechtspraak
Taal van de tekst
Nederlands

Tekst

62 paragrafen

Fiche van de FOD Financiën

Arrest van het Hof van beroep te Antwerpen d.d. 26.02.2004

Samenvatting niet beschikbaar

Tekst van het arrest

Tekst van de beslissing

Het HOF VAN BEROEP zitting houdend te ANTWERPEN - VIJFDE KAMER rechtdoend in burgerlijke zaken heeft het volgend arrest gewezen :

lnzake : 2002/AR/2678

BELGISCHE STAAT, Administratie van de BTW, registratie en domeinen, vertegenwoordigd door de rekenplichtige van het eerste Ontvangkantoor van de BTW te Antwerpen, waarvan de kantoren gevestigd zijn te 2000 Antwerpen, ltaliëlei 4 bus 4;

appellant

tegen een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen d.d. 22 oktober 2002

vertegenwoordigd door Mr. A. v. L. d. J., advocaat te …, …;

tegen :

NV H. E. in vereffening, voorheen NV S., met maatschappelijke zetel te …, …, voorheen …, …, ingeschreven in het handelsregister te Antwerpen onder nr. …;

geïntimeerde

vertegenwoordigd door Mr. B. C., advocaat te …, …;

Bij exploot betekend op 4 juli 1995 tekende geïntimeerde verzet aan tegen twee dwangbevelen die lastens haar werden uitgevaardigd in verband met verschuldigde BTW-rechten, boetes en intresten.

De rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen heeft in het bestreden vonnis van 22 oktober 2002 het verzet gegrond verklaard.

Appellant tekende hoger beroep aan bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 26 november 2002.

Hij meent dat het verzet als ongegrond had moeten worden afgewezen.

Geïntimeerde concludeert tot de ongegrondheid van het hoger beroep.


Doel en grondslag van de vordering blijken uit het bestreden vonnis. Het hof verwijst ernaar.

WAT BETREFT DWANGBEVEL REG. 127/51.95.

NV Sanyo, rechtsvoorgangster van geïntimeerde, heeft in de periode tussen 1989 en 1991 audio-visuele apparaten verkocht aan een aantal Nederlandse vennootschappen.

Deze verkopen werden gefactureerd met vrijstelling van BTW op grond van de uitvoer.

Het staat vast dat de goederen effectief naar Nederland werden uitgevoerd zoals onomstotelijk blijkt uit de douanedocumenten.

Dat de goederen effectief naar Nederland zijn gebracht wordt trouwens op zich niet tegengesproken door appellant.

Uit het PV dat op 4 mei 1995 werd opgesteld door de fiscus en dat aanleiding is geweest voor het uitvaardigen van genoemd dwangbevel blijkt dat de fiscus van oordeel is dat geïntimeerde wel BTW had moeten aanrekenen.

De motivering van de fiscus kan als volgt worden samengevat :

1. de werkelijke koper was…., die de Nederlandse vennootschappen slechts als tussenschakel gebruikte.

2. De algemeen directeur van S., …, was goed op de hoogte van de werkelijke toestand en van de identiteit van de werkelijke koper.

3. NV S. is betrokken in het opzetten van een facturatieketen die de werkelijke bestemming van de goederen moet verbergen.

De conclusie van de fiscus is dat geïntimeerde had moeten factureren aan de werkelijke koper, …, met aanrekening van BTW als gold het binnenlandse leveringen.

Het spreekt voor zich dat, nu de goederen effectief werden uitgevoerd, de stelling van appellant slechts kan worden staande gehouden indien geïntimeerde, in de persoon van …, de werkelijke bestemming .en koper kende, hetgeen een misdrijf impliceert aangezien alsdan de facturen bewust zouden zijn opgesteld in strijd met de werkelijkheid met de kennelijke bedoeling om fraude te plegen.

… werd strafrechtelijk vervolgd voor de feiten in kwestie.

Hij werd vrijgesproken door de correctionele rechtbank te Brussel bij vonnis van 15 februari 1999, vonnis dat volgens ter zitting verstrekte toelichtingen kracht van. gewijsde heeft bekomen ten overstaan van ….

Ingevolge het gezag van gewijsde dat aan dit vonnis kleeft staat het vast dat niet bewezen is dat … wist dat de werkelijke koper van de goederen niet de Nederlandse firma's waren maar …

Vermits … door de fiscus zelf wordt aangewezen als het orgaan van geïntimeerde in wiens persoon de fraude door geïntimeerde zou gepleegd zijn en niemand anders ter zake wordt aangeduid die namens geïntimeerde zou gehandeld hebben om de belastbare handelingen te stellen, kan geïntimeerde zich op het genoemde gezag van gewijsde beroepen als verweer tegen de aanspraken van appellant.

Niet bewezen is dat geïntimeerde op de hoogte was van de identiteit van de werkelijke koper.

Het hof beaamt dan ook de motieven van de eerste rechter (vonnis p. 6 tot 8) en zijn conclusie dat appellant niet slaagt in de op hem rustende bewijslast.

De grieven die appellant tegen dit vonnis aanvoert weerleggen deze motieven niet.

WAT BETREFT DWANGBEVEL NR. 127/52/95.

Het dwangbevel is als volgt gemotiveerd : "Aangezien de NV H. E. op grond van een bijgevoegd voor eensluidend verklaard afschrift van het proces-verbaal hierna vermelde sommen verschuldigd is", waarna verwezen wordt naar de toepasselijke wetsartikelen en de cijfermatige begroting wordt gegeven van de verschuldigde sommen.

Derhalve bestaat de motivering .van het dwangbevel uit niets anders dan uit hetgeen in het aangehechte PV is vermeld.

De eerste rechter heeft onterecht geoordeeld dat het bewuste PV opgesteld werd in het Nederlands.

Blijkens dit PV put de fiscus het bewijs van haar bewering dat de gefactureerde goederen niet aan CV N. I. geleverd werden zoals op de factuur vermeld werd maar wel aan …, uitsluitend uit passages van een strafdossier die worden weergegeven in het PV.

Deze passages zijn uitsluitend in de franse taal gesteld en er wordt geen vertaling van gegeven.

Hieruit volgt dat het feitelijk bewijs waarop de fiscus de aanslag steunt uitsluitend is weergegeven in het Frans. Na de weergave van de passages uit het strafdossier vervolgt immers de verbaliserende ambtenaar (onder nr. 3 van het PV) : "Uit de hiervoor weergegeven verklaringen blijkt dus dat de genaamde …, werkzaam als algemeen directeur voor de NV S. perfect wist dat de goederen welke door S. aan de CV N. I. werden gefactureerd in werkelijkheid via op de zwarte markt terecht kwamen".

In de redenering van de fiscus waarmee besloten wordt dat geïntimeerde schuldenaar is van de gevorderde rechten, boete en intresten wordt derhalve op een essentieel punt gebruik gemaakt van het Frans. Zonder dit stuk van het PV dat in de franse taal is gesteld wordt het PV onverstaanbaar en mist het een logische en begrijpelijke motivering.

In die zin is het PV, en van daaruit ook het dwangbevel, niet in de Nederlandse taal gesteld en dit in strijd met de wetgeving op het gebruik der talen in bestuurszaken.

Het PV en het dwangbevel voldoen daarom niet aan de motiveringsplicht en zijn bijgevolg nietig.

Het verzet is om die reden gegrond.

Beschikkend gedeelte

OM DIE REDENEN,

HET HOF,

Rechtdoende op tegenspraak,

Gelet op artikel 24 van de wet van 15 juni 1935;

Verklaart het hoger beroep ongegrond;

Verwijst appellant in de kosten van het hoger beroep, deze tot op heden aan de zijde van .geïntimeerde begroot op … EUR rechtsplegingsvergoeding.

Aldus gedaan en uitgesproken in openbare terechtzitting van zesentwintig februari tweeduizend en vier.

waar aanwezig waren :

de heer E. H., Voorzitter

de heer E. L., Raadsheer

de heer J. E., Raadsheer

mevrouw G. V., Griffier.

V. E. L. H.